Dit sublieme boek presenteert, volgens de ondertitel, ’100 manieren om het gebruiksgemak te bevorderen, de waarneming te beïnvloeden, de aantrekkingskracht te vergroten, betere ontwerpbeslissingen te nemen en leerprocessen te verbeteren’. Het is bedoeld voor designers, maar het zou eigenlijk basiskennis moeten zijn van elk ontwikkeld mens.

Vroeger waren designers generalisten met een brede oriëntatie, schrijven de auteurs in hun inleiding. Ontwerpers bestudeerden kunst, wetenschap en religie om inzicht te krijgen in de basisprincipes van de natuur. Daarna pasten ze die verworven kennis toe bij de oplossing van dagelijkse problemen.

Maar kennis neemt alsmaar toe, zodat het ideaal van de generalist die van alle markten thuis is niet langer haalbaar lijkt. Het verwerven van brede kennis is lastig, omdat je dan lange teksten uit veel verschillende disciplines moet bestuderen.

Tenzij er boeken als deze bestaan, die de krenten uit de pap halen. Lidwell, Holden en Butler brachten 100 wetenschappelijke principes samen die ontwerpers van pas kunnen komen. Principes uit de psychologie (behoeftenpiramide), biologie (mimicry), informatietheorie (redundantie) – noem maar op.

Minder bekende begrippen worden nauwkeurig omschreven, bekende begrippen geïllustreerd met onverwachte voorbeelden. Waar mogelijk, is melding gemaakt van het eerste boek waarin het concept werd bedacht, en dat levert een voortreffelijke bibliografie op.

Al moet gezegd: het korte theoretische exposé op de linkerpagina schiet vaak zijn doel voorbij. Abstracte bewoordingen ontnemen dan het zicht op heel simpele principes. Maar de voorbeelden op de rechterpagina komen uit het leven van alledag en zijn schitterend gekozen.

De ironie wil ook dat dit weer zo’n boek is over vormgeving dat niet lekker leest. De tekst is gezet uit een te klein korps, oogt grijs in plaats van zwart, en werd afgedrukt op glanspapier. Universele ontwerpprincipes zondigt dus tegen enkele… universele ontwerpprincipes.

Hieronder een lijst met alle principes, hun definities en — gecursiveerd — enkele voorbeelden. In blauw aangegeven staan de voorbeelden die ikzelf heb verzonnen en te maken hebben met mijn website. Er zijn nogal wat principes waar ik me aan houd; andere sla ik koppig in de wind.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

W. Lidwell, K. Holden en J. Butler, Universele ontwerpprincipes
100 manieren om het gebruiksgemak te bevorderen, de waarneming
te beïnvloeden, de aantrekkingskracht te vergroten, betere
ontwerpbeslissingen te nemen en leerprocessen te verbeteren
216 p.
Uitgeverij BIS Publishers, 2006
Oorspr. Universal principles of design (2003)
Vertaald door Sietske Tol
 

Lees meer…



Zendelingen is een reportageboek. De Britse journalist en schrijver Norman Lewis heeft van de jaren vijftig tot tachtig de binnenlanden van Azië en Zuid-Amerika bereisd. Daar heeft hij met eigen ogen kunnen vaststellen hoe christelijk bekeringswerk de plaatselijke indianengebruiken lamlegde – tweehonderd jaar nadat Engelse zeevaarders de Zuidzee veroverden en de autochtone indianen dáár bekeerden.

Norman Lewis (1908- 2003) wil in het begin van zijn boek een ijkpunt uitzetten. Hij wil duidelijk maken dat wat vroeger misging, nog steeds misgaat – en niet eens in een geraffineerdere vorm. Daarom maakt hij eerst een historische excursie naar het midden van de achttiende eeuw. Plaats van afspraak: de Zuidzee.

Drie mannen hebben het Zuidzeegebied opengelegd, zegt Lewis. In 1767 ontdekte de Engelse zeevaarder Wallis het eiland Tahiti. Zijn bezoek werd korte tijd later gevolgd door dat van de Franse ontdekkingsreiziger De Bougainville en van kapitein James Cook. De drie kapiteins leken in een soort paradijs terechtgekomen. Ze waren overweldigd door hun ontvangst door de mensen van Tahiti en door de vele geschenken die ze ontvingen.

Een vierde zeevaarder die er aanmeerde, kapitein Bligh van de ‘Bounty’, was zo mogelijk nog meer onder de indruk van de fysieke conditie van de mensen, hun hartelijkheid en gezond verstand. De beroemde muiterij van de ‘Bounty’ vond plaats omdat een deel van zijn bemanning vastbesloten was niet terug te keren naar Engeland, maar te blijven en zich te vestigen op de eilanden waar ze zoveel geluk hadden gevonden.

De rooskleurige verslagen van de grote zeevaarders hadden een diep en zelfs gevaarlijk effect in Europa. Sommige filosofen, met name Jean-Jacques Rousseau, hemelde de Nobele Wilde op en meende dat de mens in zijn oerstaat van nature goed was, en dat die natuurlijke goedheid verhuld was door de onderdrukking die corrupte maatschappijvormen uitoefenden.

Het was onvermijdelijk dat de religieuze orthodoxie van die tijd een tegenaanval ondernam, schrijft Lewis. In 1795 werd de London Missionary Society opgericht, die haar aandacht rechtstreeks richtte op de Zuidzee. Men bedierf de autochtone bevolking met ingezouten vlees en voerde het stamhoofd dronken. Hij werd geholpen met vuurwapens in zijn strijd tegen andere stamhoofden – mits de overwinning zou gevolgd worden door een algehele bekering.
Lees verder…



Nog niet zo lang geleden bereikte me het bericht dat ik maar eens moest ophouden te denken in termen van analytische versus continentale filosofie. Dat was toch allemaal ouwe koek? Wel, not quite. Vorig jaar nog verscheen De nieuwe Franse filosofie, een overzicht van ‘denkers en thema’s voor de 21e eeuw’. Een sterk politiek gekleurd overzicht waarbij met ‘denkers’ veelal ‘antihumanistische denkers’ werd bedoeld.

Ook onderhavig overzicht uit 1994 meende de titel Fifty key contemporary thinkers te moeten voeren, zonder ook maar een spoor van analytisch of positivistisch geïnspireerde denkers te bevatten. Continentale filosofie blijft een bastion dat de gelederen goed gesloten houdt. Zo ken ik nogal wat jonge menswetenschappers die niet bekend zijn met de Sokal-hoax. (In het voornoemde boek over nieuwe Franse filosofie wordt er één voetnoot aan gewijd, op een totaal van 478 pagina’s.) En onlangs moest ik een wollig boekje bestellen van Michel Serres. Stond op de literatuurlijst van een kennis die in Leuven theologie studeert — en nog nooit van het onderscheid tussen analytisch en continentaal denken had gehoord.

De kwalificatie ‘key thinkers’ is er trouwens serieus over. Dumézil? LeDeouff? Sollers? Sleutelfiguren in het twingste-eeuwse denken? Neen, de waarheid is dat John Lechte, Kristeva-specialist, lemmata schreef bij vijftig denkers die vooral door menswetenschappers serieus worden genomen – filosofen, sociologen, kunstkenners en literatuurwichelaars die om theoretische bling bling verlegen zitten. Sla er de sektarische blaadjes maar op na. Geen sociologische literatuurkritiek zonder Bourdieu. Zelden een kunsttheoretisch opstel dat niet nog eens de denkfouten van Benjamin nabauwt.

Fifty key contemporary thinkers las ik daarom goeddeels als een staalkaart van alles wat me tegenstaat in de filosofie. Niet dat alles wat gezegd wordt wetenschappelijk onderbouwd moet zijn, tuurlijk niet, maar noem het dan essayistiek, geen filosofie. Noem ideeën ook geen theorie als het hooguit hypotheses betreft. Ik gebruik het woord theorie graag in enge zin. Een goede theorie doet toetsbare voorspellingen. Deze voorspellingen worden getoetst aan waarnemingen. Als de voorspellingen overeenstemmen met de waarnemingen wint de theorie aan geloofwaardigheid.

Voor mij geschiedde het onheil vooral in de jaren zestig en zeventig, toen allerlei – veelal niet te bewijzen – ideeën over taal, tekst en betekenis de basis gingen vormen voor allerlei disciplines. Kort samengevat: in de jaren zestig bracht de structurele taalkunde even de hoop op een wetenschappelijke basis voor de menswetenschappen. Dat mislukte. Er kwam kritiek op de methode. Alleen: de voornaamste critici, de post-structuralisten, bleven in de jaren zeventig met hetzelfde conceptuele arsenaal werken. Sterker nog, het structuralistische jargon werd voor alles en nog wat gebruikt. Culturele, epistemologische en metafysische bezwaren werden geuit in linguïstische metaforen. Fifty key contemporary thinkers brengt die geschiedenis goed in beeld.

Lees verder…



Ik ben dit boek begonnen met een bang hart. Als ik aan lesbische feministes uit de Verenigde Staten denkt, doemt het schrikbeeld van Judith Butler op. Ik blief de woordendiarree niet waar een bepaald soort gender studies altijd toe moet leiden – ook dichter bij huis, met Luce Irigaray. Maar ik had What is found there – een bundel aantekeningen over poëzie – horen prijzen door conservatieve lezers. En die goede reputatie bleek terecht.

Van de Amerikaanse dichteres en activiste Adrienne Rich, vorige maand overleden, wist ik nauwelijks iets af. The fact of a doorframe, haar selected poems uit de periode 1950-2001, staat hier al jaren ongelezen in de kast. Verder had ik Rich nog maar één keer ontmoet, in dat boek van Ariel Levy over het moderne feminisme.

Levy rekent haar bij de hardliners uit de jaren zeventig, voor wie emancipatie meer betekende dan een simpel streven naar gelijkheid. Deze radicalisering van het feminisme kwam er na ervaringen met de burgerrechtenbeweging, waar vrouwen, net als in de vredesbeweging en de studentenbeweging al bij al een ondergeschikte rol speelden, en na de vaststelling dat de gelijkheid van vrouwen in de praktijk niet de gewenste vorm aannam. “Mannen zochten hen op, wierven hen aan, namen hen serieus, prezen hun intelligentie — en degradeerden hen vervolgens langzaam maar zeker tot vriendin, echtgenote, notuliste, koffiejuffrouw.”

Lees verder…



Kolder! Vaudeville! Door een naamsverwarring wordt niet schrijver John Boot, maar natuurcolumnist William Boot door een Londense tabloid gestuurd naar Oost-Afrika. De eenvoudige tuinder moet rapport uitbrengen over de dreigende burgeroorlog in het fictieve landje Ismailië. Scoop — eind jaren tachtig een televisiefilm met Renée Soutendijk — staat geboekt als een klassieke roman over de waanwijsheden van het journalistieke bedrijf.

Scoop resideert vaak in top 100-lijstjes en wordt geprezen door jongens als Christopher Hitchens. Ik wist ook nog van vroeger dat Evelyn Waugh een onderhoudende schrijver is. Toch viel het boek een beetje tegen. Waugh neemt zijn tijd. Het duurt tot een derde van het boek eer we ter bestemming zijn. Ook de aftermath, wanneer het verwisselingsmotief wordt afgehandeld, krijgt onnodig veel pagina’s.

Het middendeel is het leukst. Daarin heeft Waugh zijn eigen ervaringen verwerkt, toen hij voor de Daily Mail naar Abessinië werd gestuurd om de nakende invasie van Mussolini te coveren. Waughs schriftuur is als vanouds vormelijk en vilein. Uptempo, in afgemeten hoofdstukken met geestige conversatie, en oog voor decors en decorum.

Lees verder…



In mijn persoonlijke levenssfeer zijn er niet zoveel mensen die weleens een goed boek lezen. Om niet ook nog eens te vervreemden van de lui die dat wel doen, lees ik af en toe een nieuwe roman van een Vlaamse schrijver. Ik las Dinsdag op aanraden van een collega; zij raakte helemaal in de ban van het hoofdpersonage. Mij leek het typisch Vlaamse literatuur: een bijeengebluft werkstuk van een onbegenadigd stilist.

‘Elvis Peeters’ is de nom de plume van Elvis Peeters en zijn partner Nicole Van Bael. Behalve dichtbundels schrijven ze alle boeken samen. Van een aantal verhalenbundels uit het midden van de jaren negentig, Het uur van de aap en Wij dolen rond in de nacht en worden verteerd door het vuur, staan me een eigen stemgeluid bij, zonder dat ik me de precieze klankkleur voor de geest kan halen.

Dinsdag is echter geschreven in een grootste gemene deler-stijl. Dat zadelt een romancier meteen op met de verplichting te boeien met interessante mensen, een nieuw verhaal óf een uitdagende structuur. Peeters brengt niets van dit alles.

Lees verder…

§5444 · Thursday 19 April 2012 · recensies · (Reageer) · Tags: , , , , , ,


Twee jaar geleden was Readings, columns van Michael Dirda, een van mijn lievelingsboeken. Elk stuk van Dirda was een alibi om persoonlijk leesplezier te etaleren. En vooral: om zoveel mogelijk titels te droppen. Ik heb toen heel wat tijd gestoken in een mooie bibliografie van alle leestips die Dirda geeft. Af en toe bestel ik daar iets uit. Blind. Zo ook deze citatenbundel van de Amerikaanse homme de lettres Jonathan Williams.

Quote, unquote is een klein boekje met voldoende goed formuleerde wijsheden, zonder dat ik nu meteen getroffen werd door de bovenmatig goede smaak of de idiosyncratische keuze van de samensteller. Wel opvallend was het grote aantal mij totaal onbekende namen. Dat geeft aan dat Williams het meeste zelf bijeen heeft gelezen of gehoord, terwijl citatenboeken in de regel nogal wat van elkaar overschrijven. Veel uitspraken komen uit de mond of de pen van zijn talrijke literaire vrienden.

Jonathan Williams (1929-2008) was een Amerikaanse dichter, essayist en fotograaf. Het meest gewaardeerd werd hij echter als de man achter The Jargon Society, een kleine uitgeverij die poëzie, experimentele fictie, fotografieboeken en boeken met folkloristische kunst uitbracht.

Lees verder…



Een van de kleinere onopgeloste raadsels in het werk van Gertjan van Leeuwen is de vraag waarom vooraan op de bundels altijd zijn minst sprekende tekeningen staan. Toegegeven,  de voorplaat van Deirdre c.s. is verdacht nauwkéurig in zijn wansmaak: een verkeerd afgebroken naam, een vloekend palet dat in zeven haasten met de colorpicker is samengesteld… Onbedoeld (?) leuk is de vermelding uitgeverij “De Harmonie”.

Want met aanhalingstekens lijkt Uitgeverij “De Harmonie” bijna een vondst van de tekenaar zelve. Een van de vele fictieve uitgeverijen waarin de dummies van zijn Net niet verschenen boeken liggen opgetast. Ik althans zie er een beeld bij van een chaotisch bureau waarin twee redacteuren net niet verdrinken in de stapels onverkoopbare en dus inderhaast afgeblazen meesterwerken.

Lees verder…



In de zomer van 2006 werd cartoonist Gertjan van Leeuwen gevraagd of hij geen stripje wou maken op De Voorkant-pagina van de Volkskrant. Gummbah, toen gespecialiseerd in grappen van één plaatje, toog aan het werk. Hij putte uit zijn jeugdherinneringen (met de caravan naar het Garda-meer) en maakte strips van drie, vier strookjes. De boze lezersbrieven stroomden weer binnen.

Het kwam door de prominentere plek van Gummbah in de krant, maar zeker ook door het onderwerp, dat ineens héél dichtbij kwam. De hele menselijke tristesse werd bijeengedreven op de kleingeestige weide van Boerderij-Camping ‘De onbevattelijke accacia’: uitgebluste echtparen, buikige homokoppels, een boer die geld heeft geroken én het cynische teringwijf Deirdre.

Lees verder…



Het monumentale plaatboek Beelden uit 1988, een greep uit het werk van de beeldend kunstenaar Hugo Claus, stelt oude vragen op scherp. Moet je kunstwerken apart afrekenen of in samenhang met een oeuvre? Is kwantiteit ook een kwaliteit? Kan iemand ooit de mens wegdenken uit de artiest? Weinig werken in dit boek zou ik boven mijn bed willen hebben. Toch inspireert Claus als kunstenaar. Als levenskunstenaar.

Beelden meet veertig bij dertig centimeter, weegt bijna drieëneenhalve kilo en kostte naar verluidt meer dan driehonderd gulden. Het bevat meer dan 450 werken op papier – aquarellen, tekeningen, gouaches, schilderijen, collages – ontstaan tussen 1947 en 1975. Samensteller is Marnix Vincent, vertaler van Claus’ werk in het Frans. Het boek werd uitgegeven door het Mercatorfonds (Antwerpen) en Becht (Amsterdam). De grafische vormgeving is van Louis Van den Eede.

Beelden is een boek voor kijkers, niet voor exegeten. De werken zijn niet chronologisch, thematisch of volgens gebruikte technieken afgebeeld. De geïnteresseerde liefhebber heeft het raden naar formaten en data van ontstaan. Titels zijn er ook al niet. De illustraties worden alleen geflankeerd door fragmentjes uit de poëzie van Claus, alfabetisch gerangschikt volgens de klemwoorden waar de versregels rond cirkelen: aarde, begeerte, dichter, dood, dromen, geweld, hart, kennis, labyrint, lichaam, moederland, ogenblik, ordening, seizoen, spreken, sterven, tuin, vrouw, zanger.

Wie het boek snel doorbladert, nog niet gemasseerd door de beate teksten van Freddy de Vree die de illustraties voorafgaan, ziet het werk van een kunstenaar die zich niet op één stijl wil vastpinnen en er plezier in schept doorslagjes van Appel, Picasso, Raveel en Richard Hamilton af te leveren. Claus kan tekenen, Claus kan schilderen, maar werken die écht uit de band springen? Neen. (Waarbij zij aangetekend dat in een catalogus als deze altijd net de verkeerde doeken verkleind worden weergegeven.)

Lees verder…