Deze gestileerde en geïdealiseerde herinneringen van Cas Goossens aan zijn geboortedorp verschenen oorspronkelijk in 1987 en werden in 2002 aangevuld en herzien. De auteur acht zijn boek nog steeds zo exemplarisch voor de rest van Vlaanderen dat hij de naam van zijn dorp niet eens bij name noemt. Dat lijkt me nogal aanmatigend. Voor de goede orde: het gaat om de gemeente Itegem, bij Heist-op-den-Berg. Goossens, die ook nalaat jaartallen te noemen, vertelt over zijn jeugd – of liever: de biotoop van zijn jeugd – en over de paar decennia daarvoor, de jaren twintig en dertig.

Itegem komt naar voren als een besloten gemeenschap van boeren, dagloners, kleine handelaars en ambachtslieden. Beemden en canadabomen omkransen het dorpje. De pastoor zegent zijn parochianen keurig met wijwater, vertelt hun de Gewijde Geschiedenis en prent hun de christelijke plichten in. Het is de tijd van voor het Tweede Vaticaans concilie.

Het kerkelijk jaar drukte zijn stempel op heel de loop van ons bestaan. In de donkere maand december, als de liturgische gewaden paars waren, derfden wij vlees op de quatertemperdagen, die speciale momenten van versterving bij het wisselen der seizoenen, om ons, volgens een eeuwenoud gebruik, in boete te zuiveren voor de geboorte van Het Nieuwe Leven dat op het dieptepunt van de dood in de natuur weer aanvangt.

De mensen gaan er zelden ter communie: ze zijn zo doordrongen van hun zondigheid, vertelt Goossens, dat zij zich niet waardig achtten om het Heilig Sacrament te ontvangen zonder een berouwvolle biecht.

De andere intellectuele leidsmannen, voor zover die er zijn, vormen de dorpsonderwijzers. Zij hebben de Vlaamse Beweging voor een groot stuk gemaakt en belichaamd, lees ik ergens.

Na school stampen de kinderen tegen een zelfgemaakte voetbal: een conserveblik of een varkensblaas gevuld met hooi. Ze ruilen prentjes van wielrenners die in de cichorei van De Beukelaer zitten. Of ze gaan kijken naar de dorpsfanfare, die hopeloos verdeeld raakt, en na verloop van tijd uiteenvalt in een katholieke en een liberale groep. Niet dat de lijnen ideologisch bepaald waren, integendeel, twee families hebben elk hun eigen achterban, zomaar, de verschillen leefden hun eigen leven.

Het grootste deel van Bij ons in ‘t dorp handelt echter over arbeid. Wat deed een Itegemnaar zoal voor de kost? Wel, de mensen vliezen bonen voor de nabijgelegen conservenfabriek, helpen bij de bietenoogst, zijn dokwerker, molenaar of koolputter.

Na nieuwjaar werd er, als het koud maar droog was, in het hout gewerkt. Bij ons zijn er nogal veel velden en weiden met struikgewas afgezoomd. Die kanten moesten om de vier jaar worden afgekapt. Dat was een verplichting van de huurder tegenover de eigenaar. Het hout werd voor boonstaken of voor erwtrijs verkocht aan de tuinders en groenteboeren van tegen Mechelen. De rest ging als mutsaard in de houtmijt en werd onder de koeketel gestookt.

Niet weinig inwoners werken zich krom in de mijnbouw. Een aantal van hen komt om bij de mijnramp van Marcinelle.

Cas Goossens zet deze rurale idylle neer in de taal van Felix Timmermans en Ernest Claes, een particulier Belgisch Nederlands dat zich weinig gelegen laat liggen aan een algemene omgangstaal of een Hollands publiek dat eventueel mee wil lezen. Kwatsen, begankenis, prijskamp, commerce doen, ramaker, pandoering, verneukeld, een grote doening: dat soort vocabulaire. Net alsof je de opgenomen stem van je vertellende grootvader hoort door een krakende fonograaf. Het draagt allemaal bij tot de koekendozenromantiek.

Want dat is het toch. Goossens trekt een wel erg hoge omwalling op rond zijn dorpsherinneringen. Hij koppelt nooit terug naar het heden, biedt geen vergelijkingsmateriaal aan, interpreteert niet, concludeert niet. Er vallen weinig onvertogen woorden. Geen kritiek op de wereldvreemdheid, de kwezelachtigheid, de kleine corruptie die in dergelijke zelfbedruipende gemeenschappen toch ook moet gewaard hebben.

Ik mocht graag naar die eindeloze optocht van bonte figuren kijken, hoor – Sus Spruyt, Juleke van Manda, Peer, Fiktoor, de Witte van Bones, Charel Meus, Sus Stroemp, Broek van Slingeren, Polleke van Jan van Gustjes, Gilliom van Spriet van de Visser, Boer Barberien… -

… Goossens schrijft alleen geen geschiedenisboek. Hij gaat enkel met een sleepnet door zijn persoonlijk geheugen en de heemkundige archiefkast om talloze petites histoires van de invallende duisternis te redden die vergetelheid heet. Iets wat hij zelf in het voorwoord aangeeft, daar gaat het niet om.

Wanneer de rivier ter sprake komt, in wier okselholte de pioniers van Itegem zich hebben genesteld, de Nete, tevens de economische slagader van het dorp, neemt Goossens genoegen met het vertellen van nevengeschikte anekdotes over een overstroming, over een dronkaard die in het water valt, over een wonderbaarlijke visvangst en over de zegeningen van het zwemmen in openlucht. Dat klinkt dan zo:

Want de rivier was één groot pretpark. We hebben er allemaal in leren zwemmen. Uren en dagen hebben we op de zwemplaats met man en macht gebouwd aan de dam waarop wij onze aanloop namen om in het diep te duiken. Honderden zoden hebben wij met onze blote handen uit de dijk losgemaakt en naar de dam gesleept. De dam is een sterke constructie geworden, die is blijven staan lang nadat er niet meer gezwommen werd omdat het water te vuil geworden was. In onze jonge jaren was de rivier zo zuiver als een oog. Wij hebben dikwijls, als we zaten te vissen, ons aas op de bodem in het oog gehouden in plaats van de dobber aan de oppervlakte. En als we bij het zwemmen kopje onder gingen, mochten we gerust al eens water slikken: we zouden er niet ziek van geworden zijn. Er was trouwens een jongen van de kanten van Lo-dijk die aan een soort dromomanie leed en die, als hij thuis wegzakte, altijd maar over de dijk holde; wel, als hij van het lopen dorst kreeg, ging hij gewoon op zijn buik liggen en dronk hij van het water van de rivier. In de zomer nam heel het dorp ’s zaterdags zijn bad in de rivier. Het schuim stroomde onder de brug door als ze zich aan de zwemplaats stonden in te zepen. Boeren die de oogst binnen hadden gedaan en zwaar onder het stof zaten, slijpers die acht uren onder het glas als in een broeikas over hun schijf gebogen hadden gezeten, en de mannen die in de conservenfabriek een hele dag in de stoom hadden gestaan, kwamen zich ’s avonds afspoelen in de rivier. De jeugd zat in de vakantie gebakken en gebraden bij de zwemplaats. Het gejoel van de jongens die ravotten in het water klonk tot in het dorp. Dat dorp had toen geen artificiële zwemgelegenheid nodig. De rivier bood alles gratis aan.

Het moment dat Itegem eindelijk uit haar isolement raakt, is wanneer de diamantslijperij zich in het dorpje ontwikkelt, een spinoff van de grote industrie in Antwerpen. Eindelijk een venster op de wereld, denk je dan, wat even later inderdaad het interessantste hoofdstuk oplevert van het boek [lees een lang fragment daaruit op PvD].

Waar blijft de auteur zelf in deze hele historie, vroeg ik me na afloop af. Germanist en journalist Goossens schopte het uiteindelijk tot administrateur-generaal van de VRT! Er gaapt een kloof tussen die wetenschap en het zoete boek dat hier naast mij ligt. Goossens verstopt zich nu achter die ergerlijke pluralis majestatis. Het hele dorp lijkt te spreken.

Niet dat wij tegen de vooruitgang zijn, daar niet van.

Niet het onderwerp zelf, maar de taal en de naïeve behandeling van het onderwerp maken dit werkje tot een bizar anachronisme.

Een anachronisme dat beeldig is vormgegeven door Pascal van Hoorebeke, die kennelijk goed het werk van Gert Dooreman heeft bestudeerd.

> http://nl.wikipedia.org/wiki/Itegem

Cas Goossens, Bij ons in ‘t dorp
Landelijk leven in Vlaanderen een halve eeuw geleden
202 p.
Uitgeverij Van Halewyck, 2002
Oorspr. (1987)


Zeg uw gedacht