Met Boudewijn Büch (1948-2002) verloor de Nederlandse literatuur haar laatste romantische schrijver. Een maniakale boekenverzamelaar ook, die meer dan 100.000 titels samengebracht in zijn Bibliotheca Didina et Pinguina. Na Büchs dood bleven de rekeningen binnenstromen en dienden er juridische stappen te worden genomen om te voorkomen dat het huis werd leeggehaald. Wat moest men aanvangen met de bibliotheek?
.
Schenken aan de Amsterdamse universiteitsbibliotheek? Neen, want Büch wou volgens de goede bibliofiele traditie dat zijn bezit opnieuw verspreid raakte, ten behoeve van een nieuwe generatie boekengekken.
.
De literaire nalatenschap werd uiteindelijk aan het Letterkundige Museum overgemaakt. Een doorsnede van Büchs bibliotheek en verzameling is ondergebracht in het Teylers Museum in Haarlem — het boek Herkomst : Boudewijn Büch van Bert Sliggers beschrijft een groot deel van die collectie. De artefacten (meubels, kunst…) uit het huis werden door Sotheby’s Amsterdam geveild. De boekenverzameling (liefst tweeduizend verhuisdozen) ging onder de hamer bij Bubb Kuyper en werd beschreven in drie dikke catalogi [doorzoekbaar op hun site].
.
De bibliotheek van Boudewijn Büch was gehuisvest in een statig huis, De Koning van Zweeden genaamd, aan de Keizersgracht 149 te Amsterdam. Hoofdstedelijk interior-consultant Pieter van der Zwan, die zelf een zeventiende-eeuws grachtenpand aan het verbouwen was, hielp hem met de inrichting van het huis. Hij onthult dat de praalbibliotheek nogal wat oogverblinding bevat. Büch en Van der Zwan gingen naar de goedkoopste tegelhandel van Amsterdam en kochten daar tegels van fl 25,- per vierkante meter, om ze wel netjes in een zeventiende-eeuws patroon te leggen. De bekleding van de bibliotheek ziet eruit als mahonie, maar is in feite gebeitst multiplex. En de grote wereldbol die op alle foto’s prominent aanwezig is, werd per toeval gevonden bij een Antwerpse antiquair.
.
In zijn zelfgeschapen universum bleef Büch jarenlang onverzadigbaar de boeken optasten. Tragisch is hoe Büch, die enorme verzameling ten spijt, vooral geobsedeerd werd door boeken die hij niet bezat. Gelezen boeken wonden hem niet op, neen, alleen de deeltjes die niet te vinden waren. Büch was natuurlijk een poseur, die maar wat graag de gekwelde salongeleerde speelde — “Een van zijn grootste hobby’s was ongelukkig zijn, of laat ik het anders zeggen: doen alsof hij ongelukkig was,” aldus intimus Ton Kok — maar hij scheen ook echt weinig plezier te beleven aan zijn eigenlijke boekenbezit. Büch:

Die seconde van het uitgepakte pakje, van de afhamering en aankoop op een veiling, van die eerste seconde dat je een boek ziet staan in een antiquariaat… Na die ene seconde is het gauw over. Dan begint het gedonder: het niet-lezen, de conservering, de verzekeringspremie, de klimatisering, vreemden die met hun tengels aan je schatten gaan zitten…

Ondanks een grote opruiming literatuur die Büch doorvoerde in de jaren negentig, bleek het huis op het laatst te klein om alles te herbergen. Gert Jan Bestebreurtje, specialist in zeventiende en achttiende-eeuwe reisboeken, memoreert in dit boekje hoe Büch eraan dacht een ruimte naast zijn eigen woning erbij te kopen. Het eerste huis was aan het dichtgroeien, en misschien bood een grote loods buiten Amsterdam een uitweg.
.
Verschillende intimi gaan er in bedekte termen vanuit dat Büchs vroegtijdige dood eigenlijk een zegen was voor de dwangmatige collectioneur. Het huis barstte uit zijn voegen, Büch vond op het laatst geen koopjes meer; mensen werden minder naïef door prijzenvergelijk op internet. Büch raakte ook meer en meer financieel klem toen hij door problemen met de Vara een groot deel van zijn inkomsten dreigde te verliezen.
.
De bibliotheek van Boudewijn Büch is het nogal rommelig geschrift van een trouwe fan. Frans Mouws weet zijn materiaal niet te synthetiseren. Het blijft bij veel te letterlijke transcripties van losse interviews. De auteur gaat ook niet in op de samenstelling van de bibliotheek, of desnoods op de topstukken. Bovendien staan er voor een boekje over een pronkbibliotheek bitter weinig foto’s in.
.
Wat we wel krijgen is een sympathiserend portret bij monde van enkele vrienden en antiquaren. Niet dat er echt een nieuw beeld ontstaat, behalve misschien dat Büch bij de meeste handelaren altijd en zonder problemen betaalde en openstaande rekeningen vereffende. Voor de rest komt hij naar voren als de kopschuwe man die we kennen, die bewust afstand hield, niet tegengesproken wou worden, en leed aan onverbeterlijke pseudologica fantastica. Maar dat Büch erop los fantaseerde leek niemand echt te deren. Pieter van der Zwan:

Vanaf het begin was het me duidelijk dat Boudewijn vooral mooie verhalen wilde vertellen, waar gebeurd of niet. Toen hij op een dag vertelde dat hij nu buitengewoon hoogleraar was, reageerde ik net als anders met een of andere dooddoener als: ‘Goh, wat leuk’. Ik heb dat altijd uitgelegd als de wens naar een groots en meeslepend schrijversleven, waarvoor hij vaak verhalen op mij uitprobeerde om mijn reactie te peilen, niet als het manipulatieve Machiavelli-gedrag waarvan hij na zijn dood plotseling vanuit allerlei hoeken beschuldigd werd.

Ton Kok is doortastender, en linkt Büchs fabuleerzucht aan de vele abrupt afgebroken vriendschappen van de schrijver.

Zelf denk ik dat hij, omdat hij zoveel fantasieverhalen vertelde, op een gegeven moment wel moest stoppen met een vriendschap omdat hij dan niet meer wist wat hij verteld had en dan wordt het lastig.

Veruit de grootste waarde van De bibliotheek van Boudewijn Büch zit ‘m in het feit dat duidelijker dan ooit aan het licht komt dat die hele Bibliotheca Didina et Pinguina nu ook weer niet zoveel voorstelde, vanuit bibliofiel oogpunt. Ondanks die spectaculaire klimaatkamer, mét vochtregulator. Er zat geen lijn in de verzameling, en zaken van onschatbare waarde ontbreken nagenoeg. Büch kon niet focussen, geen weerstand bieden aan verleidingen. Hij verzamelde alles, desnoods sleepte hij een totaal onbruikbaar Deens biografisch woordenboek naar zijn hol, veertig in leer gebonden delen. Als hij zich in één onderwerp had gespecialiseerd, had hij een hele bijzondere collectie kunnen opbouwen, aldus Ton Kok:

Boudewijn was eigenlijk een soort verslaafde, een junk, een boekenjunk. Als er een uitspraak op hem van toepassing zou zijn geweest, was het deze: ‘het bezit van de zaak is het einde van het vermaak.’
Het ging hem steeds minder om het bezitten en meer om het zoeken, jagen, bijna letterlijk. Uiteindelijk ging het om de boeken die hij NIET had. Daar kon hij echt van wakker liggen, van alles wat hij nog NIET had en nog moest vinden.
Boudewijn was rusteloos, er zat een soort chaos in zijn hoofd. Misschien wilde hij die chaos wel tot rust brengen met behulp van zijn bibliotheek. Boeken kun je netjes naast elkaar op de plank zetten, op kleur, op onderwerp, op alfabet. Je kan er zelf een kunstmatige orde in aanbrengen. Dat hield hij tot het einde toe vol: hoe groter de warboel in zijn hoofd, hoe groter de orde om hem heen.

Veilingmeester Jeffrey Bosch doorprikt trouwens heel relaxt de mythe als zou Büch alles wat hij onder pannen had gelezen hebben, gezien het aantal exemplaren dat nog geseald in de bibliotheek stond. Ook hij is categoriek:

Boudewijns verzameling was geen collectie die het waard was om bij elkaar te blijven. Er zaten wel veel leuke dingen bij, maar een topcollectie was het niet. Omdat niet alles naar handelaren, bibliotheken en musea is gegaan, kon ook de particuliere Büchverzamelaar, boeken van Büch zelf bemachtigen. Als het alleen topstukken waren geweest, had dat natuurlijk nooit gekund. (…) Internationaal gezien was Büchs collectie en zijn eigen schrijven misschien niet van groot belang. Zijn betekenis ligt denk ik vooral in het populair maken van het antiquarische boek en het verzamelen; daar hebben de veiling en de ontmanteling van zijn eigen bibliotheek uiteindelijk ook weer aan bijgedragen.

Terloops wordt in De bibliotheek van Boudewijn Büch dan ook een beeld geschetst van het antiquarische boekenvak. De markt van oude boeken is een beetje aan het teruglopen en dat komt volgens handelaars ook omdat de enthousiaste reclame van Büch achterwege blijft. Literaire schrijvers mogen dan wel steen en been klagen over het afnemen van het aantal recensies in kranten, over non-fictie, wetenschappelijke of antiquarische boeken wordt er helemáál niet geschreven in de boekenbijlage. Antiquaren ondervinden bovendien nogal wat “concurrentievervalsing” op het internet: mensen die boeken verkopen terwijl ze geen echte handel hebben, en niet voor huur of personeelskosten moeten opdraaien.
.
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> meer Büch op Achille : De bril van Buddy Holly
> Boudewijn Büch: Een manisch-depressieve fantast – Rudie Kagie
.
Frans Mouws, De bibliotheek van Boudewijn Büch
147 p.
Uitgeverij Aspekt, 2008

.
Toemaatje: Sotheby’s Amsterdam maakte kort voor het ontruimen van de bibliotheek een korte videoimpressie van Büchs boekenvertrekken. De dvd werd aangeboden aan de gasten op het ‘Boudewijn Büch Commemorative Dinner’ op 16 september 2004. De documentaire zoomt vooral in op de architectuur en het meubilair en is daarom een beetje teleurstellend voor de echte boekenliefhebber. Uit dat kwartier beeldmateriaal niettemin een zelfgemaakte best of van anderhalve minuut.
.


Zeg uw gedacht