In Een andere Boudewijn Büch memoreert Harry G.M. Prick, destijds conservator van Het Letterkundig Museum in Den Haag, in een plezierig-archaïserende stijl zijn vriendschap met Büch, begonnen in de zomer van 1974, en alweer uitdovend in de tweede helft van 1981. Een twintiger was Büch toen; zijn gemediatiseerde leven moest toen nog helemaal beginnen. Natuurlijk maakt Prick melding van Büchs vele zelfvergrotende verzinsels. En steeds met mededogen. Op één uitzondering na.
.
Boudewijn Büch leerde Harry G.M. Prick kennen in diens functie als conservator van het Letterkundig Museum. De leergierige snaak en de romantische professor vonden elkaar in hun interesses: Goethe, Novalis, Van Deyssel en andere schrijvers.

Boudewijn had (althans destijds) van Von Platen nauwelijks iets in huis. Daarom zocht hij toen in mijn collectie Plateniana naar een sonnet, met welks vertaling hij Bernadette wilde bedenken. Over juist deze keuze, met die niet bepaald complimenteus te noemen aanhef, toonde ik mij oprecht verbaasd, zodat ik mij veroorloofde hem attent te maken op een stuk of drie, vier andere sonnetten van Von Platen, waarmee hij ongetwijfeld bij Bernadette veel meer furore zou hebben gemaakt. Hij sloeg echter het betreffende deel van Von Platens verzamelde werken met een klap dicht, onder het slaken, voor de eerste en (gelukkig) ook voor de laatste maal van de geprikkelde uitroep: ‘Bemoei jij je verdomme met je eigen zaken,’ of woorden van gelijke strekking, die ik te moeilijker kon verdragen nu daarmee nota bene mijn hem (als zo vaak reeds) spontaan te hulp schieten geheel onverwacht werd afgestraft!

Zonder veel problemen werkt Büch zich bij de Pricks naar binnen. Hij en Harry wisselen boeken uit, hangen uren met elkaar aan de telefoon (“tweespraken via het elektriek”), houden er een ronkende correspondentie op na en op woensdag komt Büch thuis eten bij het gezin Prick. Zijn eruditie, esprit en straffe anekdotes fungeren als een probaat glijmiddel.

Wat mij in Boudewijns verhalen zo aantrok was de fascinerende verteltrant waarmee hij ze, als op een zilveren dienblad, placht te serveren. Van jongs af aan was ik opgegroeid met het zo goed als volledige oeuvre van Charles Dickens, die onuitputtelijke en mij nooit teleurstellende verteller. Als veertienjarige had ik mij zelfs geen ogenblik gehinderd gevoeld door de (zoals ik eerst later achterhalen zou) zeer middelmatige vertaling van zijn werken door C.M. Mensing. Op diens graf zou ik alsnog graag een tuiltje viooltjes willen leggen, wanneer ik maar wist op welk kerkhof ik daarvoor terecht zou kunnen.

Wellicht is het de heimelijke drang van de salongeleerde om toch een groots en meeslepend leven te leiden, gecombineerd met de moeilijk te weerstane Sturm und Drang van Büch, dat Prick in eerste instantie in Büchs zelfverzonnen identiteit deed geloven.
.
Want wat maakte Büch het bont. De aankomende dichter stelde het voor dat zijn familie een landgoed in de Provence bezat (in werkelijkheid een heel bescheiden optrekje in Den Haag). Dat hij afgestudeerd was in de ‘psychofarmacohistoriek’ (eigenlijk had-ie met moeite zijn middelbaar afgemaakt). En dat zijn vader in het Engelse leger mee Dresden had gebombardeerd (niks van aan natuurlijk).
.
Met bewonderenswaardige minzaamheid haalt Prick herinneringen op aan deze verzinsels, waarvan vaak pas veel later de ware toedracht duidelijk werd. Voor Prick maakt Büch slechts één keer een ernstige ethische fout: wanneer hij de dood van zijn zogenaamde zoontje ensceneert en het echtpaar Prick om geldmiddelen vraagt voor een gepaste crematie. In werkelijkheid ging het om een kind van een bevriend echtpaar, dat trouwens nog steeds in blakende gezondheid verkeert. Ook Büchs roman daarover, De kleine blonde dood uit 1985, is dus gebaseerd op leugens.
.
Een andere Boudewijn Büch is in wezen een droog documentair boek, waarvan de onevenredige detailzucht gek genoeg toch op een bepaald type lezer (waaronder mezelf) een verslavende uitwerking heeft, net als bij de non-fictieboeken van Büch. Het imitatiemarmeren pronknederlands (“Ik draaide een nommer der Stones”) deed me het dikke boek zelfs in één avond uitlezen.
.
Het enige wat te gênant is voor woorden is Pricks onbegrijpelijke interesse in die kleine brokjes rijmelarij van Büch, die om of een andere reden het label poëzie mogen dragen. Het zal door toedoen zijn van Pricks introductie van Büch bij De Arbeiderspers dat zijn schrijverscarrière van de grond komt, en ook in deze memoires etaleert Prick een heilig ontzag voor Büchs poëtische oeuvre. Of ik een parodie zat te lezen:

Ook het gedicht, bijgesloten in Boudewijns Brief van 26/28 augustus 1974, was getiteld ‘Voor de kleine G.’, titel die op 8 augustus 1975 kwam te vervallen. Dit gedicht — in de bundel afgedrukt op p. 20 — werd geschreven 28/29 augustus 1974, te Cuxhaven/Altenwalde (BRD), op de terugweg naar Leiden, van een fietstocht die de dichter naar Denemarken had gevoerd; ik fiets gedreven / naar de stad / die ik om jou / verlaten had. In de zesde regel is sprake van de graag door Gijsje beluisterde Bob Dylan & The Band. Bedoeld is hier de elpee Bob Dylan/ The Band, Before the Flood. Recorded Live in Concert.
.
[…]
.
Het gedicht dankte zijn ontstaan aan Boudewijns hevig verlangen naar een nieuwe typemachine, liefst een Precisa 3000, omdat alleen deze in staat bleek vierkante haken te produceren, alsook ‘wonderschone asterisken’.
.
[…]
.
Wat opgaat voor de hierboven genoemde bundels, gaat ook op voor wat algemeen beschouwd wordt als Boudewijns mooiste bundel, Nohant, uit 1979, die daarnaast ook nog eens schitterend werd uitgegeven, gezet uit de Cancelleresca Bastarda door Ger Kleis en gedrukt op Zerkall-Bütten in blauw en zwart in een oplage van 75 genummerde exemplaren. Voor de beschrijving van mijn exemplaar verwijs ik de daarin geïnteresseerde lezer naar de, nagenoeg volledig aan Boudewijn Büch gewijde Catalogus nr. 37, van antiquariaat Fokas Holthuis te Den Haag.
.
[…]
.
Voor een niet gering deel was Boudewijn poëtica geïnspireerd dóór en hecht gegrondvest óp een oneindig aantal keren door hem bestudeerd boek van Rolf Kloepfer en Ursula Oomen, Sprachliche Konstituenten moderner Dichtung, met de ondertitel: Entwurf einer descriptieven Poetik-Rimbaud, in 1970 verschenen bij Athenäum Verlag.

Uiteindelijk wordt de vriendschap tussen beide mannen bruusk afgebroken. In ietwat onduidelijke omstandigheden, zoals zo vaak bij Büch, aldus andere ex-intimi van de schrijver. Ik denk dat Ton Kok in De bibliotheek van Boudewijn Büch het dichtst bij de waarheid komt, door te stellen dat Büch zijn vriendschappen haastig opzegde wanneer diens kaartenhuisje van leugens en halve waarheden in elkaar dreigde te storten.
.
(Gebaseerd op notities van 9 februari 2006.)
.
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> selectieve bibliografie in de commentaren hieronder
.
Harry G.M. Prick, Een andere Boudewijn Büch : terugblik op een vriendschap
352 p.
Uitgeverij Aspekt, 2005


1 reactie op “Een andere Boudewijn Büch – Harry G.M. Prick”

  1. […] Want hoewel Büch delen van dit verhaal als werkelijkheid verkocht — onder meer aan zijn goede vriend en mentor Harry Prick, die deels instond voor de crematie van het kind — klopt er weinig van. De […]

Zeg uw gedacht