Jorge Luis Borges zal nooit een held worden. Goed, zijn beste verhalen staan in mijn geheugen gebeiteld, maar het mindere werk lees ik toch vooral als pulp fiction, overgoten met een bescheiden metafysische dressing. Het beknopte van Borges zie ik deels als een laffe daad, op de vlucht voor de moeilijkheden van het realistisch schrijven. Borges is de man van de mythologie en de oerverhalen, terwijl ik ook psychologie wil in een boek. Daarvoor kan ik bij een andere Argentijn terecht.
.
Achtervolgd van Julio Cortázar is een juweel van novelle. Centraal staat Johnny Carter, een saxofonist die heel succesvol was in de vroege jaren vijftig, maar dan mentaal steeds meer is afgedreven van de werkelijkheid. Carter, gemodelleerd naar Charlie Parker, is een asociale, willoze man, maar vol poëzie en talent. Hij is zijn sax kwijtgeraakt op de Parijse metro, terwijl hij binnen twee dagen moet optreden. In Achtervolgd staan de angstaanvallen van Carter beschreven, zijn bevliegingen, huilbuien, en zijn gesprekken met zijn vriend en biograaf Bruno.
.
Feilloos schetst Julio Cortázar het muzikantenmilieu van de Parijse avant-garde. Er worden wazige theorieën over de relatie tussen muziek en tijd ontvouwd, de rum met Nescafé vloeit rijkelijk en zonder Gauloises is Carter verloren (“Maar het is duidelijk dat zijn lichaam dat rookt, zelf zit hij ergens anders, alsof hij weigert uit de put te komen.”)
.
Meer dan een paar pennestreken heeft Cortázar niet nodig om ook de vrouwen neer te zetten die rond de saxofonist cirkelen. Er is Tica, de “markiezin” die Johnny een tijdlang heeft onderhouden. En er is Dédée, zijn huidige geliefde, die er niet van houdt herinnerd te worden aan het leven van haar man voordat ze hem kende. Ze heeft genoeg met hem te stellen tegenwoordig, en zijn vroegere leven bestaat voor haar slechts uit woorden. Daarbij, Tica is oneerlijke concurrentie.
‘Tica is ontzettend aardig,’ zei Dédée bitter. ‘Ach ja, dat is voor haar een koud kunstje. Ze komt altijd op het laatste moment aanzetten en dan heeft ze alleen maar even met haar portemonnee te rammelen en alles is weer in orde. Maar ik…’
Johnny Carter is geobsedeerd door de werking van de tijd, en de rol van zijn muziek daarin. Zijn jeugd was moeilijk. Religie drukte zwaar op hem neer, thuis werd alleen maar gesproken over schulden en hypotheken, en was er altijd een ontzettend kabaal. Wanneer hij muziek speelde, kwam hij los van die aardse werkelijkheid. Is hij in staat zijn tijdsbesef uit te rekken. De tijd stil te zetten.
‘Ik verander alleen van plaats. Net als in de lift, je staat in de lift, je staat in de lift met mensen te praten, en je voelt niets bijzonders, maar intussen passeer je de eerste verdieping, de tiende, de eenentwintigste, en de stad blijft onder je, terwijl jij de zin afmaakt waarmee je bij het instappen begon; en tussen je eerste en laatste woorden zitten tweeënvijftig verdiepingen. Toen ik met spelen begon besefte ik dat ik in een lift stapte, maar dan een tijdlift, als je snapt wat ik bedoel. Niet dat ik de hypotheek of de godsdienst vergeten was. Alleen was het op zulke momenten met hypotheek en godsdienst als met een pak dat je niet aan hebt; ik weet dat het pak in de kast hangt, maar je maakt mij niet wijs dat het op dat moment bestaat. Dat pak bestaat zodra ik het aantrek, en hypotheek en godsdienst bestonden zodra ik ophield met spelen en mijn moeder binnenkwam met loshangend haar en klaagde dat haar oren tuitten van die-oor-verdovende-helse muziek.’
Carter moet vaak moeite doen om te beseffen dat de tijd verstrijkt. Hij stelt dat verstrijken nog het duidelijkst vast in de metro. Want als je in de metro rijdt, zegt hij ergens, is het net of je in een klok zit, waarbij de opeenvolgende stations de minuten zijn. Cortázar refereert hiermee aan het duizelingwekkend snelle spel van Carter/Parker, dat hem moeiteloos afgaat, juist omdat hij dan de tijd trager ervaart.
.
Iets dat als smaken begon
Het mooie is dat Cortázar zijn novelle vertelt vanuit het standpunt van Bruno, de biograaf. Hij is ‘El perseguidor’, de achtervolger uit de oorspronkelijke Spaanse titel; Barber van der Pol, of de uitgever, koos er om een of andere reden voor om met ‘Achtervolgd’ de focus te leggen bij de muzikant. Zonder schematisch te worden, zet Cortázar de tegenstellingen tussen de biograaf en de gebiografeerde in de verf. De puriteinse Bruno is jaloers op de broederlijkheid tussen de muzikanten, een soort “zieke engelen” wier moreel verval en gebrek aan verantwoordelijkheid hij eigenlijk verafschuwt, maar dat ruimschoots wordt goedgemaakt door hun unieke platen en aanstekelijke spontaniteit.
Je staat nog niet op straat, nauwelijks zit het in je herinnering en is het Johnny niet meer die de woorden herhaalt, of alles lijkt gehallucineer door de marihuana, een eentonig gegesticuleer (want hij is niet de enige die zoiets zegt, dergelijke ervaringen hoor je zo vaak) en als de betovering voorbij is, raak je langzaam maar zeker geïrriteerd, ik althans heb dan het gevoel of Johnny me bedonderd heeft. Maar dat is altijd de volgende dag pas, niet als Johnny het er over heeft, want dan is het net of er ergens in me iets wil toegeven, een licht dat ontstoken wil worden, of beter gezegd alsof er iets gebroken moet worden, gespleten van boven naar beneden als een wig die je op een boomstronk legt en waar je op hamert tot het hout volkomen gespleten is.
Bruno wordt enerzijds geïrriteerd door Johnny’s nauwelijks middelmatig te noemen intelligentie, de intelligentie van iemand die prachtige dingen schept maar zich absoluut niet bewust is van de rijkweidte van zijn werk. Anderzijds is er de jaloezie op de ongebondenheid van Carter — jazz is vrijheid — en het besef dat de keurige jazzkritiekjes die hij schrijft moeilijk het alleenrecht hebben op het etiket ‘werkelijkheid’.
Ik ben jazzcriticus met genoeg benul van jazz om mijn eigen beperkingen te kennen en ik besef dat mijn gedachtenwereld zich afspeelt onder het niveau waarop Johnny tracht verder te komen met zijn stuntelige zinnen, zijn gezucht, zijn plotselinge woedeaanvallen en zijn huilbuien. Hem interesseert het niet in het minst dat ik hem geniaal vind, en hij heeft zich er nog nooit op laten voorstaan dat hij met zijn muziek veel verder is dan alle andere spelers. Weemoedig bedenk ik dat hij vooraan staat met zijn sax, terwijl ik me tevreden moet stellen met wat er uiteindelijk uitkomt. Hij is de mond, ik ben het oor, of misschien kun je beter zeggen dat hij de mond is en ik… Iedere kritiek is helaas het droeve einde van iets dat als smaken begon, als het genot van bijten en kauwen.
Daarnaast kent Bruno de angst van een biograaf die wil dat zijn onderwerp samenvalt en blijft samenvallen met zijn (reeds gepubliceerde) boek. In dat boek staan weliswaar geen leugens, maar wordt de waarheid wel verdraaid door de selectie van de feiten. Bruno heeft alleen over de muziek van Carter geschreven. Uit pudeur heeft hij de schizofrenie van Johnny, de keerzijdes van diens drugsgebruik, niet aan de grote klok willen hangen. Maar nu hij dat smetteloze standbeeld voor Johnny heeft opgericht, heeft hij er alle belang bij voor de verkoop van het boek (de vertalingen in het Engels en Italiaans kunnen elk moment uitkomen) dat het keurige imago gehandhaafd blijft…
.
Cortázar heeft met Achtervolgd een klassiek verhaal geschreven over de relatie tussen een ontledend brein en een scheppend brein. Over intellect versus instinct. Over de constructiewerken van de biograaf versus de destructiedrang van zijn onderwerp. Bindmiddel tussen die twee uitersten is de taal — een wel heel schamele plaatsvervanger van de werkelijkheid. Bruno zal er de afstand tussen hen beiden niet mee kunnen slechten.
Ik besef voor de zoveelste keer hoe moeilijk het is om te weten wat hij doet, wat Johnny is. Of hij slaapt, of zich slapende houdt, of denkt dat hij slaapt.
Taal schiet tekort om muziek te beschrijven, en muziek schiet tekort om tot uitdrukking te brengen waar het de muzikant echt om gaat.
.
Krijgt Johnny het ook nog eens op zijn heupen van Bruno’s vragenstellerij: “Je kunt geen stom woord zeggen of jij vertaalt het meteen in dat gore taaltje van je.”
.
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
.
Julio Cortázar, Achtervolgd : een novelle
75 p.
Uitgeverij Van Gennep, 1971
Oorspr. ‘El perseguidor’, uit de bundel Las armas secretas (1959)
Vertaald door Barber van der Pol
