Ik had dit boek nodig. Geert van Istendael is eigenlijk de zoon van, terwijl ik de grote vakbondsman August Vanistendael alleen ken als de vader van. Ik ben te jong: August ging al met pensioen in 1983; zelfs Geert zette toen pas zijn eerste stapjes in de literatuur. Dit mooie boek is het gevleide portret van een katholieke vader door zijn goddeloze zoon. Het wordt net geen heiligenleven, juist door die religieuze geschillen: “Ik had mijn geloof verloren. Ik had jouw geloof verloren.”
.
August ‘Gust’ Vanistendael (1917-2003) — het Wikipedia-lemma rept nog met geen woord van dit boek — zal in Engeland geboren worden. Dat zit zo. De grootouders van Geert van Istendael kwamen uit Brussel, uit de Marollen, maar tijdens de Eerste Wereldoorlog vlucht het gezin naar Groot-Brittannië. Dat kon prima: de Engelsen zijn dankbaar dat de Duitsers, die in de zomer van 1914 België zijn binnengevallen, opgehouden worden aan de IJzer. De Engelse regering richt zelfs een ministerie van Vluchtelingenzaken op.
.
Pierre en Adèle Vanistendael komen in 1916 met hun drie kinderen aan in Elisabethville, een kamp bij Birtley met houten huizen. Meteen in die eerste bladzijden van Gesprekken met mijn dode god wordt weer duidelijk hoe mooi en makkelijk Van Istendael het verleden naar het heden kan halen. Door die historische praesens van ‘m, natuurlijk, maar ook door de kleurrijke zinnen, een groot arsenaal woorden en zijn moderne zin voor beknoptheid en sentiment.

De Belgische regering heeft de regering van Zijne Majesteit verzocht een half miljoen vluchtelingen te herbergen. Britse gravinnen en graven, burgers hoog en laag, kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders, schatrijke joden laten alles vallen en spoeden zich naar de General Buildings in Aldwych of Alexandra Palace, meer in het noorden van de stad, bij Wood Green, om de Belgische helden te omarmen. Zij vinden er niet de pittoreske boeren die ze van de schilderijen menen te kennen, geen boezeroenen, geen blank geschuurde klompen, maar doodgewone stedelingen, slagers, textielarbeiders, onderwijzers, wasvrouwen, wat verfomfaaid, nogal ongedurig, ontoegankelijke dialecten brabbelend, maar voor het overige normaal, geïndustrialiseerd volk. Dat kan de liefde niet bekoelen. Sympathy was enormous. Iemand vergelijkt de Belgische vluchtelingen met de joden tijdens hun exodus uit Egypte.

Toch is het leven over het kanaal verre van idyllisch. Er dient gewerkt (munitiefabriek, mijnbouw) in een snel verslijtend uniform, en de communicatie tussen de Waalse ploegbazen en directeurs en de Vlaamse arbeiders verloopt lastig. In 1919 keren de Vanistendaels terug naar België. August zal zijn leven lang een Brits paspoort houden, en anglofiel blijven.Het gezin komt terecht in De Rode Straat, een verpauperde buurt in Sint-Truiden. Daar wordt het pientere communistenjoch August opgemerkt door een kapelaan die vastbesloten is de ruwe en dieprode arbeiderswijk te kerstenen. Het betreffende hoofdstuk zien we door de ogen van die kapelaan, die door de bisschop van Luik naar Limburg is gestuurd (heel Limburg valt tot 1967 onder het bisdom Luik). Geert van Istendael treedt op als buikspreker, een romantechniek die hij in de loop van het boek nog een paar keer zal toepassen..

Zie jij dan niets? riep ik. Of wil jij het niet zien? Dat jong van jou heeft meer verstand in zijn krullenkop dan de hele straat hier samen. Zie jij dan niet dat dat manneke aan de hele wereld zal bewijzen dat er in de Rode Straat mensen wonen die zo goed zijn als iedereen?

De kapelaan pleit voor een studiebeurs en laat Gust sturen naar de paters Salesianen in Hechtel. Kostschool dus, opdat zijn vader zijn goddeloze invloed niet meer zou kunnen laten gelden — de kapelaan zelf zal ook geen invloed meer hebben: het gezin verhuist spoedig naar Brussel, vroeg in de jaren dertig. Maar zijn moeite is vergeefs. Het ventje gelooft in de katholieke leer, doet de Latijnse en de retorica, maar voelt geen priesterroeping. Leuven, en een studie theologie of filosofie, zitten er niet in. Die openlijk bekentenis kost hem — volgens Geert, Gust zelf heeft het nooit willen geloven — zijn middelbare diploma.Het gezin Vanistendael verhuist trouwens vele malen, in het Brusselse, in het Antwerpse. Het is eigen aan armoe. Het is crisis. Mensen lijden honger en er is geen werk. Nergens. “Tegenwoordig zeggen ze, armoedecultuur,” laat Geert zijn vader opmerken. “Dat zeggen mensen die nooit met de armoe aan tafel hebben gezeten. Armoe maakt mensen moreel kapot. Geen vreten, geen moraal.” Een allusie, dat laatste, op de Driestuiversopera van Brecht, uit 1928.
.
De jaren dertig zijn een periode van klassenstrijd, stakingen, bereden politie, volkswoede. Van Misère au Borinage en goede resultaten voor Vlaamse nationalisten en communisten. Paul van Zeeland kondigt in juni 1936 sociale maatregelen aan: de veertigurenweek, de eerste betaalde vakantie, verplichte ziekteverzekering, een hoger minimumloon. De aanvaring met armoede zal Gust Vanistendael inspireren en zijn solidariteit met de minderbedeelden een stevige basis geven.
.
Don Augusto
Hij wordt om te beginnen een kajotter: hij gaat bij de Katholieke Arbeidersjeugd (KAJ), de jongerentak van het Algemeen Christelijk Werknemersverbond (ACW). Stichter en bezieler van de KAJ is priester (later kardinaal) Jozef Cardijn (1882-1967). Door de pauselijke encycliek Rerum Novarum uit 1891, door zijn bewondering voor priester Daens en door zijn contacten met arbeidersbewegingen in binnen- en buitenland wou Cardijn iets voor de Belgische (jonge) arbeiders te doen. Na zijn onderhoud met Paus Pius XI in 1925 werd zijn beweging als katholieke actie voor de arbeidersjeugd officieel erkend, en werd hij er de eerste proost van.
.
De actiemethode van Cardijn, schrijft Van Istendael in zijn boek, stond haaks op de katholieke traditie. Er moest geen leger van volgzame leken opstaan, milites Christi, maar actie ontstaan “voor, door en met jongeren.” Niettemin was het een conservatieve beweging, tégen het socialisme gekeerd en tégen een open seksuele moraal à la Walschap. In 1935 opent de Kajotterscentrale aan de Poincarélaan in Brussel, een voormalige breigoedfabriek. De beweging van Cardijn staat met de Franstalige afdeling Jeunesse Ouvrière Chrétienne (JOC) zeker in het begin sterker in Brussel en Wallonië (een van de belangrijkste industriegebieden in Europa) dan in Vlaanderen.
.
In 1938 stapt Vanistendael over van de christelijke arbeidersbeweging (ACW) naar de christelijke vakbond (ACV): eerst doet hij stage aan de Sociale Hogeschool van het ACW, studeert alweer niet af (“Mijn enige hogere diploma is het diploma van het leven”), gaat werken voor de coöperatieve bank van de vakbeweging (de BAC), legt het examen af om vakbondssecretaris te worden en slaagt.
.
Vanistendael krijgt de sector hotel en restaurant en trekt naar Antwerpen. Hij moet de katholieke arbeidersbeweging daar als het ware “uit de grond trekken”. In die dagen zwaaien de socialisten in de arbeidersbeweging de plak; de katholieken, “dat waren de kleine misdienaars”. Tegenwoordig zijn de rollen omgedraaid.
.
De Tweede Wereldoorlog zorgt voor een nieuwe wending in het leven van de vakbondsman. In 1940 worden de bestaande vakbonden door de Duitsers vervangen door de Union des Travailleurs Manuels et Intellectuels (UTMI). Ze stellen Jozef de Ridder van het ACV aan als beheerder. De Ridder had immers voordien al sympathie voor het nationaalsocialisme laten blijken. Gust ziet die UTMI niet zitten, weigert samen te werken met De Ridder, en neemt ontslag. Zijn ACV-connecties helpen hem snel aan een post bij het ministerie van Economische Zaken. De Duitse speurhonden indachtig kiest hij voor een leven in de luwte in Onze-Lieve-Vrouw Tielt, bij Leuven.
.
Na de oorlog, schrijft Van Istendael, treden de grote vakbonden snel weer op de voorgrond. Zoals in andere West-Europese landen, hebben ze mee het omvangrijke stelsel van sociale zekerheid bedacht en opgebouwd. In het jaar waarin hij wordt geboren, 1947, verlaat zijn vader de katholieke vakbond in België en trekt naar het Internationaal Christelijk Vakverbond (ICV, nu WVA), waar hij benoemd wordt tot adjunct-secretaris-generaal (vanaf 1952 secretaris-generaal).
.
Hier ligt de kiem voor de verering van Geert van Istendael voor Nederland. Want vooraleer het ICV-hoofdkwartier naar Brussel komt, ligt het in Utrecht — een stad in een neutraal gebleven land, alsmede een spoorwegknooppunt in een tijd waar de trein het internationale vervoermiddel bij uitstek is — zodat vader Vanistendael zijn eerste vijf jaren dienstjaren in Nederland volbrengt. “Ze hadden daar een Belg nodig die talen sprak.” De Roomse Belg dwingt respect af bij de calvinisten, en ook kleine Geert wil voorlopig niet naar Vlaanderen — “een vijandig gebied, waar de mensen modderig spreken en de huizen hoog en donker zijn” — spijts het knippen van zijn amandelen (een verhaal dat de schrijver al elders in extenso heeft opgetekend) hem met een trauma opzadelt.
.
De tijd dat bonden vlot konden federeren over de landsgrenzen heen is voorbij en komt na de Tweede Wereldoorlog ook niet meer terug. Wil August dat ‘zijn’ christelijke arbeidersbeweging internationale afdelingen kent, dan moet hij daar de hele wereldbol voor afreizen. Geert van Istendael schetst in het midden van Gesprekken met mijn dode god wat de functie van zijn vader behelsde. De secretaris geeft advies, stampt nieuwe afdelingen uit de grond, montert militanten op, tolkt (want kent Spaans, Frans, Duits, Engels, Portugees), schrijft rapporten en geeft motivational speeches. In het hoofdstuk ‘Rede tot de zwarte arbeiders’ reconstrueert Geert van Istendael zo’n toespraak, waarvan meestal niet meer dan een handvol steekwoorden zijn overgeleverd.
.
Het harde werk werpt wel zijn vruchten af. In 1947 werkte de christelijke arbeidersbeweging in een half dozijn Europese landen. Toen vader Vanistendael wegging was ze een feit in meer dan zestig landen, ook in Azië, Afrika en Latijns-Amerika. Een trotse zoon: “In Latijns-Amerika werd hij begroet als de legendarische Don Augusto, in India als een ware brother, in West-Afrika was hij un vrai frère.”
.
Zijn truc: hij kan goed luisteren en zoekt in de grote wereldgodsdiensten naar een gemeenschappelijke ethische basis om de sociale actie van hun aanhangers te oriënteren. “Hij dacht, de Katholieke Kerk is al een halve eeuw lang een sociale leer aan het ontwikkelen, sinds 1891, sinds de grote encycliek Rerum Novarum. Het kan toch haast niet anders of de kernstukken van die leer zijn ook geldig in andere godsdiensten.”
.
Die aanpak lijdt tot kritiek vanwege het Heilig Officie én van figuren binnen de vakbeweging. Men vindt hem een verrader (Rome) of een fantast (intern). Het Vaticaan was sowieso altijd nogal zuinigjes geweest met steunbetuigingen voor de christelijke vakbond. “In de antichambres van de curie,” schrijft Geert van Istendael, “wonen de onbetwistbare meesters van het sfumato.”
.
August Vanistendael betreurt het feit dat de kerk een machtsbastion is geworden, dat neerkijkt op het lekeninitatief. De grootste historische vergissing van het christendom vindt hij de verbinding tussen kerk en macht onder Constantijn in de vierde eeuw.
.
Voorts neemt hij het de officiële Kerk kwalijk dat zij achttien eeuwen de tijd heeft gehad om de verzuchtingen van de armen te belichamen, dat heeft nagelaten en zodoende ruimte heeft geschapen voor de heilsleer van het communisme. Katholieken moeten ook niet zeuren dat de Wereldgezondheidsorganisatie, de UNO of de UNESCO zich keren tegen christelijke waarden. Ze hebben die instellingen zelf verwaarloosd. De kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders — verwend, zich bewegend in een overbeschermde omgeving — hebben geen benul van het dagelijkse leven. De katholieke sociale leer beperkt zich tot liefdadigheid en goede werken. Om dat uit te leggen vertelt de vakbondsman een parabel.
.

Hij zei: ‘Als je in een café een glas bier bestelt en de baas tapt het zonder schuim, tja, dan neem je het, maar eigenlijk is het toch zuur en zuinigjes. Goed, je drinkt het op, zonder er plezier aan te beleven. Als ze je een glas voorzetten met alleen schuim erin, dan ga je buiten. Dat hoef je niet te nemen, dat is schaamteloos bedrog. De goede kastelein, die tapt je een glas met genoeg helder koud bier en een fraaie schuimkraag, niet te dik, niet te dun. Een waar genot! Dat schuim is de liefdadigheid. De vloeistof is de rechtvaardigheid. Een beetje liefdadigheid en veel rechtvaardigheid, dat moet het principe zijn van de sociale leer van de Kerk.’

Zevenenzeventig uitroeptekens
Tegelijk blijft Vanistendael altijd en overal overtuigd katholiek. Hij kan het niet verkroppen dat het marxisme de mensen de hoop ontnomen heeft — de laatste waardigheid van mensen die uitgebuit worden: dat wat het aardse te boven gaat. De socialistische bonden zijn hem te materialistisch, te weinig volksverheffend. Een geloof zonder gerechtigheid was voor hem een contradictio in terminis. Maar ook omgekeerd, zonder geloof was echte gerechtigheid onmogelijk. Dat leidt tot een intellectuele breuk met zijn zoon, die in dit boek schrijft:

Met het eerste idee ben ik het nog altijd eens. Met het tweede ben ik het nooit eens geweest. Meestal kon mijn vader de dingen breed zien en gul, maar onverhoeds, bij een atheïstisch argument, versmalde zijn blik, werd roomser dan rooms, er viel een onbehaaglijk stemmende zweem van superioriteit over hem heen. Niet vaak, soms. Op zulke momenten had ik het te kwaad, werd ik ongeduldig, had ik moeite om van hem te houden. Je bent toch beter dan dat, dacht ik dan.
Maar daarna erkende hij weer volmondig dat het christendom niet meer dan een twijfelachtig alternatief bood voor het humanisme. Dat volgens hem te wijten aan de onwaardigheid van de christenen zelf. Zijn geloof wankelde niet, maar talrijk waren de medegelovigen die hem tot de rand van de wanhoop dreven.

In de jaren zeventig gaat diezelfde zoon “uit verlaten puberale balorigheid” bij de socialistische bond werken in Brussel. Het betekent niet dat hij niets heeft meegekregen van zijn vader.

Hij heeft me nooit aangesproken op die overstap naar de rode bond, die zowel tegenstander was als medestander. Geen verwijt kwam over zijn lippen, nog veel minder is hij uitgebarsten in donderpreken en zeker niet in tranen, terwijl ik toch ostentatief zijn idealen de rug had toegedraaid. Een deel van die idealen, het roomse deel, het kerkse. Het deed hem meer pijn dan hij kon zeggen. Was het daarom dat hij zweeg? We hebben er nooit over gepraat, maar op den duur hadden we geen woorden meer nodig om het te vatten. Denk ik. Hoop ik. In ieder geval is hij het geweest die me behoed heeft voor de totalitaire bekoring die in mijn studententijd schier onweerstaanbaar leek te zijn. Mijn vaders opvattingen over vrije vakbonden kwamen me voor als huis-tuin-en-keukenmeubelen die er altijd gestaan hadden en altijd zouden blijven staan. Dankzij hem heb ik nooit de aanvechting gevoeld om lid te worden van een of ander maoïstisch, trotskistisch of Moskovisch kerkgenootschap. Ik heb daar geen enkele verdienste aan en hij hoefde er niets speciaals voor te doen. Zijn leven volstond, al was hij dan zelden thuis. En nog steeds geldt, na al die jaren, wie op de vakbond trapt, trapt op mijn ziel. Die kern, zijn kern, heb ik bewaard en wil ik blijven bewaren.

Latijns-Amerika wordt het favoriete werkterrein van Gust Vanistendael, die al vroeg doorheeft dat Europa en het christendom niet langer het centrum van de wereld zijn. In het katholieke Latijns-Amerika kan hij tegen de communisten strijden, tegen de Amerikanen en hun imperialistische ambities, en tegen de armoede.Vooral in de jaren 1960-1964 ontplooit hij grote activiteit op het Zuid-Amerikaanse continent, meer bepaald in Chili. Hij steunt de verkiezingscampagne van christendemoraat Eduardo Frei. Maar we zitten midden in de Koude Oorlog: helemaal koosjer verloopt dat niet. Zo trekt Geert van Istendael bijna een derde van zijn boek uit om de aard van de samenwerking met Pater Roger Vekemans uit te spitten. Deze jezuïet zou CIA-gelden doorgesluisd zou hebben naar het campagneteam van Frei. Het resultaat van dat onderzoek krijgt zijn beslag in de hoofdstukken ‘De jezuïet’ en ‘De oude vrienden’. De auteur steekt er de Atlantische oceaan voor over.
.
Wat — los van de affaire Vekemans — buiten kijf staat is dat August Vanistendael een weinig transparante bestuurder was, en er een chaotische boekhouding op nahield. Zijn ontslag komt niet onverwacht. Hij verlaat het ICV in 1967, en leidt nog acht jaar de Cooperation Internationale pour le Développement Socio-Economique (CIDSE), een netwerk van katholieke organisaties die aan ontwikkelingshulp doen — ziekenhuizen, gezondsheidszorg, preventie, onderwijs, opleiding, plattelandsontwikkeling, cultuur. Daarna wordt hij acht jaar lang voorzitter van Caritas Catholica, van 1975 tot zijn pensioen in 1983.
.
Het respect blijft ook na het beëindigen van zijn actieve loopbaan groot. De koning benoemt hem tot minister van staat in 1983, de KULeuven verleent hem een eredoctoraat in 1988. Sinds zijn dood in 2003 berusten de 704 mappen van zijn archief bij het Katholiek Documentatiecentrum in Leuven.
.
Het is voornamelijk aan de hand van die archiefdozen, plus geschiedenisboeken, plus gesprekken met bejaarde getuigen, dat Geert van Istendael dit monument voor zijn vader heeft opgetrokken. Hij kon niet anders. De titelloze litanie aan het begin van het boek (waar de auteur een voorkeur voor heeft, zie ook Het Belgisch labyrint) begint met de niet mis te verstane regel “Je was de eeuwig afwezige, vader”. Gesprekken met mijn dode god gaat, hoewel het woord nergens valt, over een workaholic. Nooit thuis, altijd onderweg.
.
Alleen in het hoofdstuk ‘Liefde in Vlaanderen in 1937’ komen we iets te weten over Vanistendael privé. Daarin wordt de prille verliefdheid tussen August en zijn latere vrouw Paula Smout beschreven. Of eigenlijk ook weer gereconstrueerd, goeddeels, aan de hand van de briefwisseling tussen die twee, met tussenteksten van zoonlief.
.

Op honderd korte regels zevenenzeventig uitroeptekens. Het ongemeen fraaie, zwierige en regelmatige handschrift, dat klassieke, heldere handschrift dat ik altijd zo bewonderd heb, raakt gaandeweg in het ongerede, duikt boven en onder de regel, kan ik hier en daar moeilijk ontcijferen. Ziek van passie is hij.

Paula’s ouders zijn gegoede burgerij, August een proleet. Maar de verhouding, eerst clandestien, houdt stand. Paula en Gust trouwen op 22 april 1941. Mooi is de scène waarin de eerste ontmoeting van Gust met Paula’s vader wordt beschreven: “De patriarch heeft zijn pianohand op de werkmanshand gelegd. Die dat niet is. Gust heeft in zijn leven misschien drie keer de binnenkant van een fabriek gezien.”Persoonlijke appreciatie
Biografie, sociale geschiedenis, in memoriam, onderzoeksjournalistiek — dit boek is vele dingen onder één dak, en dat is juist zijn geluk. De lyrische en documentaire intuïtie van de schrijver houden elkaar mooi in evenwicht. Gesprekken met mijn dode god lijdt soms onder de galm die de titel suggereert — de galm van een lege kerk — maar de collagevorm en de meningsverschillen tussen senior en junior maken de vaderverering draaglijk.
.
Het boek doet me nog het meest denken aan de zelfbewuste confessies van Günter Grass, type De rokken van de ui. Het zit ‘m in de taalbeheersing, in de listige manieren om droge informatie toch ingang te doen vinden bij de lezer, maar dus ook in de sterk uitvergrotende stijl van Van Istendael, die alle details betekenis wil geven.
.
Vergeeflijk maar overbodig, overbodig maar vergeeflijk, is bijvoorbeeld ‘Soprattutto io sono poeta’, het hoofdstuk waarin de marginale dichterscarrière — penneprobeersels op het vliegtuig, voor de maaltijd, in een onbewaakt moment — van vader Van Istendael met veel te veel serieux wordt opgerakeld. Deze richtte met Jos de Haes en Hubert van Herreweghen het kortstondige tijdschrift Podium op (1942-1944, niet te verwarren met het Nederlandse blad) en pleegde ook zelf sonnetten, soms.
.
Daar staat tegenover dat ik door dit boek eindelijk begrijp waar het engagement van zijn zoon vandaan komt. En niet alleen diens engagement, ook de kosmopolitische instelling, de liefde voor talen, de fascinatie voor Duitsland. (August Vanistendael schopte het tot persoonlijk raadgever van Adenauer en kardinaal Frings van Keulen.)
.
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
.
> Joos Florquin ten huize van… August Vanistendael[dbnl.org]

Geert van Istendael, Gesprekken met mijn dode god
302 p.
Uitgeverij Atlas, 2009


Zeg uw gedacht