De romanschrijver Paul Auster heeft voor mij twee aspecten. Er is de sobere stilist en schepper van hoofdpersonen waar ik ogenblikkelijke sympathie voor voel. Een schrijver bovendien die de rol van het toeval in iemands leven zeer aanschouwelijk kan maken. Die Paul Auster is mij lief. Maar er is ook de postmoderne, naar oppervlakkige symbolen toeschrijvende Auster, die in toeval meer ziet dan gewoon toeval. De autobiografische kroniek Van de hand in de tand wordt gelukkig verteld door de eerste Auster.
.
Van de hand in de tand is een klein genreschilderij. Het klassieke portret van de jongeman als hongerkunstenaar. Paul Auster haalt herinneringen op aan de eerste vijfendertig jaar van zijn leven. Herinneringen die allemaal cirkelen rond het verlangen het tot schrijver te schoppen. Dit was een ambitie die hij al op zijn zestiende koesterde, maar het milieu waar hij opgroeide, de joodse middenklasse van South Orange, New Jersey, wezensvreemd was.

[Mijn moeder] zwolg in de ritus van het consumentisme, en zoals zoveel Amerikanen voor en na haar cultiveerde ze het winkelen als een vorm van zelfexpressie, die ze bij tijd en wijle tot een kunst wist te verheffen. Voor haar was het betreden van een winkel het teweegbrengen van een alchemische reactie die de kassa magische, transformerende krachten verleende. Onzegbare begeerten, immateriële behoeften en ongespecificeerde verlangens gingen de geldla in en kwamen er weer uit als dingen, tastbare voorwerpen die je in je hand kon houden.

Van de hand van de tand beschrijft voornamelijk de geldzorgen van een beginnend auteur die juist het nodige wou verdienen om zich aan zijn passie te kunnen wijden. Het boekje heeft dan ook een thema dat me aanspreekt: hoe creëert een intellectueel (iemand die voor de wereld van de gedachte leeft) de mogelijkheden voor verinnerlijking en noeste schrijfarbeid in een zakelijke, materiële, op status gerichte samenleving?
.
Antwoord: met baantjes. Auster heeft er nogal wat: garçon, installateur van airconditioners, hulpje in een hotel, dommekracht op een olietanker. Ze vergen nauwelijks intellectuele energie, wat goed is, maar putten hem op een andere, onzegbare manier uit; het echte schrijven schiet erbij in.
.
Gelukkig is er ook werk dat beter aansluit bij Austers passie: hij vertaalt, recenseert en werkt in een antiquariaat met kunstboeken (geen boeken over kunst maar kunstuitingen in boekvorm). Er is nog steeds weinig glamour mee gemoeid, maar dat hoeft niet; tal van grote schrijvers die niet van hun pen konden leven. Céline en William Carlos Williams waren arts, Wallace Stevens deed in verzekeringen, T.S. Eliot werkte in een bank, Salman Rushdie en Don Delillo zaten eerst in de reclame.

Als ik geen werk had, zocht ik werk. Als ik werk had, zon ik op manieren om meer werk te verkrijgen. (…) Aan het meeste werk kwam ik via vrienden of vrienden van vrienden, of vrienden van vrienden van vrienden.

Pogingen van Auster om het op een andere, Amerikaansere manier te maken, mislukken deerlijk. Hij ontwerpt een baseballkaartenspel (‘Action Baseball’) waar geen hond in geïnteresseerd is. Even laat hij zijn integriteit varen en schrijft een detective voor het grote geld, dat dan toch niet met hopen binnenkomt. De hoop om het in de cinema te maken, moet Auster — die later prachtige filmscenario’s als Smoke en Blue in the face zou afleveren — ook nog even opschorten.

Uiteidelijk schreef ik een synopsis in de extravagante oververhitte taal van binnenkort te verwachten Hollywoodproducties. Als ze het vulgair wilden, konden ze het vulgair krijgen. Ik had genoeg vooraankondigingen uitgezeten om te weten hoe die klonken, en door iedere uitgekauwde frase op te diepen die ik bedenken kon, door exces op exces te stapelen, wist ik het verhaal in te dikken tot zeven bladzijden koortsachtig voortijlende actie, een bloedblad gewrocht uit pulserend Technicolor-proza.

Ondertussen wordt zijn zoontje geboren, Daniel Auster. Dat is belangrijk; na het vaderschap voelt Auster zich voor het eerst aan de andere kant van de grote scheidslijn tussen jeugd en volwassenheid. Alleen begint het geldgebrek dan pas echt te schrijnen. Zijn eerste huwelijk, met de vertaalster Lydia Davis, die hij aan Columbia University leerde kennen, overleeft die spanningen niet.
.
Hoe dun ook, Van de hand in de tand wordt zo ook een Bildungsroman. Het verhaal van een jonge idealist die zich, in tegenstelling met vele andere artiesten, niet even goed thuis voelt in het kamp van het geld als in dat van de kunst, maar geleidelijk aan leert te improviseren, zich “traint om met de golven mee te deinen”.

Het geld sprak, en hoe meer je ernaar luisterde en zijn betoog volgde, des te beter leerde je de taal van het leven spreken.

Meer dan een interessant tijdsbeeld — Auster ontsnapt aan de Vietnamoorlog — is Van de hand in de tand een ontroerende portrettengalerij, waarbij het portret van de kunstenaar niets eens de bovenhand haalt. Heeft Auster het over zichzelf, gebeurt dat met de rustige afstandelijkheid van de succesvolle schrijver die achteroverleunend zijn jaren in de goot kan beschrijven, niet met de nostalgie van de romanticus of met de bitterheid van zij die het níet redden — schrijvers zoals Joris van Casteren ging opzoeken. Zelfs het geldgebrek is uiteindelijk toch niet zo ingrijpend als dat van George Orwell in Aan de grond in Londen en Parijs.
.
Maar de mensen die Auster ontmoet in Parijs, Mexico, Dublin, New York, op de olietanker — vooral onbekende verschoppelingen — die tekent hij naar het leven. Jean Genet, Mary McCarthy, Jerzy Kosinski en John Lennon krijgen gastrolletjes.
.
Overigens is dit weer zo’n Privé-domein dat stilzwijgend de oorspronkelijke uitgave verminkt. De Engelse editie van Hand to mouth bevat appendices met de eenakters die Auster ook schreef, het kaartspel dat hij maakte, en bovengenoemde detectiveroman.
.
(Gebaseerd op notities van 6 september 2000.)
.
Paul Auster, Van de hand in de tand : een kroniek van vroeg falen
130 p.
Uitgeverij De Arbeiderspers, 1998
Oorspr. Hand to mouth : a chronicle of early failure (1997)
Vertaald door René Kurpershoek

Privé-domein nr. 141


Zeg uw gedacht