Paul Auster doet het weer. Brooklyn dwaasheid is zijn zoveelste boek-in-een-boek. Laf vind ik dat. Auster wil schrijven over de levens van doodgewone Amerikanen — doodgewoon, in de zin dat de American Dream voor hen ook echt een droom is gebleven — maar vertikt het rechtstreeks over hen te rapporteren. Hij laat zijn hoofdpersonage, een van die doorsnee Amerikanen dus, zijn leven en andermans levens optekenen in een boek. Dat boek is dan de roman die we lezen.
.
Dit procedé maakt het voor Paul Auster op twee terreinen makkelijk. Vooreerst kan hij zijn verteller rustig tussenbeide laten komen in het verhaal: hem commentaar doen geven op wat gebeurd is, hem doen voorspellen wat er gáát gebeuren — kortom: alle gras voor de voeten van de lezer wegmaaien. Daarenboven is het hoofdpersonage geen geboren schrijver, dus hoeft Auster zich niet te schamen voor platitudes in diens schriftuur, zijn babbelzieke toon, de langdradige afwikkeling van de plot.
.
In Brooklyn dwaasheid heet de zelfbewuste verteller Nathan Glass — een naam die meteen een slaapverwekkend soort diepte suggereert. Nathan is een gewezen verkoper van levensverzekeringen, negenenvijftig jaar oud. In de herfst van zijn leven gaat het hem niet bepaald voor de wind: hij recupereert net van een ernstige longkanker, zijn huwelijk is gestrand en er is de hevige brouille met zijn dochter Rachel. Na de echtscheiding keert Nathan terug naar zijn geboorteplaats Brooklyn, om daar in alle rust te sterven. Dat zegt hij ook letterlijk, “rustig sterven”. Een levensverzekeraar in het volle bewustzijn van de nakende dood: het uitgangspunt van Auster is zeker niet kwaad.
.
Eenmaal in Brooklyn gaat Nathan — zoals zoveel Auster-figuren, en dat gaat dus irriteren — aan de slag met een stapel notitieschriftjes. Geïsoleerd van alles en iedereen wil hij zijn verleden van zich af schrijven. Zonder veel animo neemt hij zich voor in zo helder mogelijke taal “iedere blunder, flater, uitglijer, dwaasheid, tekortkoming, zinloze daad die hij tijdens zijn lange en kleurrijke carrière als man begaan en gepleegd heeft” op schrift te stellen: het zogenaamde Boek van de menselijke dwaasheid.
.
In feite is dit project het negatief van de klassieke beroemde mannen-biografie. Waar in zo’n biografie de cruciale daden van toonaangevende, doeltreffende mannen op een rijtje worden gezet, is Nathans verhaal dat van een doorsnee burger zonder veel noemenswaardige vertelstof, met masochistisch veel nadruk op de rol die het toeval speelt in het leven.
Hoe snel verandert de wereld om ons heen; hoe snel maakt het ene probleem plaats voor een ander, zonder dat je even kunt genieten van je overwinningen.
Glass krijgt het gezelschap van twee andere losers. Na jaren van verwijdering komt hij terug in contact met de zoon van zijn dode zuster. Deze Tom Wood was ooit een veelbelovend student literatuur, maar gleed van de literaire kritiek langzaam af in het moeras van ijle filosofische bespiegeling en depressie. Na een mislukte dissertatie heeft hij zich moeten beperken tot een trits minderwaardige baantjes — taxichauffeur en verkoper in een tweedehandsboekwinkel. Hij hoopt dat zijn leven alsnog in de plooi zal vallen, maar dat gebeurt natuurlijk niet. Intussen komen er zienderogen kilo’s bij.
.
De tweedehandsboekwinkel waar Tom Wood werkt, is eigendom van raté nummer drie: een doortrapte, homoseksuele kunstvervalser. Na een carrière als bajesklant wil deze Harry Dunkel zijn leven beteren, of toch op zijn minst voor de buitenwereld: hij doopt zichzelf om tot, jawel, Harry Brightman.
.
De bedoeling is duidelijk. Dit triumviraat belichaamt de drie manieren waarop een man in het leven kan mislukken: door ziekte (Nathan), door lethargie (Tom) en door fraude (Harry). In hun falen, en vooral in het vluchtgedrag daarna, vinden de drie heren elkaar. Teleurstelling in de liefde is een extra bindmiddel.
‘De wereld wordt geregeerd door oplichters en bedriegers. De deugnieten hebben het voor het zeggen. En weet je waarom?’
‘Vertel het me, o Meester. Ik ben een en al oor.’
‘Omdat ze hongeriger en gretiger zijn dan wij. Omdat ze weten wat ze willen. Omdat ze meer geloven in het leven dan wij.’
Via de figuur van Tom introduceert Auster dan, mooi symmetrisch, een tweede driemanschap, om aan te tonen dat bovenstaande problemen van alle tijden zijn.
.
Zo heeft Tom drie jaar van zijn leven gewerkt aan een doctoraatsverhandeling met de titel Imaginary edens : the life of the mind in pre-civil-war America — een studie over welke vluchtroutes overblijven als het leven in de burgermaatschappij te lastig wordt. Centraal in het werkstuk staan Poe, die zich terugtrok in zijn fantasie om de realiteit van de Amerikaanse burgeroorlog te ontlopen, en Thoreau, die zich terugtrok in de vrije natuur uit protest tegen de opmars van het westerse materialisme. De baas van Tom, Dunkel/Brightman, wil dan weer een manuscript vervalsen van Hawthorne — een derde schrijver die zich een tijdje terugtrok, in een commune.
.
Hoewel Tom, Harry en Nathan, na zelf eerst te hebben gemijmerd over zo’n idyllische wijkplaats (“het hotel van het bestaan”), besluiten om de ruggen te rechten en het leven weer in eigen handen te nemen, is het toch weer het toeval dat hen uit hun lijden verlost, of op zijn minst afleiding biedt.
.
Wanneer Lucy, de dochter van Toms zuster, zich aandient in Brooklyn, geeft dat de heren iets om handen. Dit jonge meisje is vooruitgestuurd door haar wanhopige moeder Aurora, een voormalige pornoactrice die verstrikt is geraakt in een kliek van godsdienstfanatici. (Een lid van die gemeenschap heeft haar uit de afkickkliniek gehaald.) Tom en Nathan reizen af naar Vermont om de vrouw uit de klauwen van de sektariërs te redden; een tocht die hen, uiteraard aangestuurd door nieuw en weldadig toeval, tot rijpere inzichten brengt.
.
Over de finale, gratuite finale, verklap ik natuurlijk niets. Maar is dit een goed boek? Neen. Brooklyn dwaasheid is lichter dan Austers vorige roman, consistenter ook — Orakelnacht waaierde uit in nutteloze spiegeleffecten — , maar die kwaliteiten worden overwoekerd door het al te vlakke proza van Auster en de onbenullige anekdotes die veel te breed worden uitgesmeerd. Na 220 pagina’s had ik er schoon genoeg van.
.
Auster speelt zoals altijd met intertekstualiteit, en zoals altijd op een zeer gemakzuchtige manier: door een literatuurexpert en een boekhandelaar in het leven te roepen. De verwijzingen — denk aan Kafka‘s overbekende verhaal van het meisje met de pop — blijven onder de maat.
.
Komt daarbij: het lichtzinnig gebruik van toeval in Brooklyn dwaasheid. Door toeval te laten inwerken op wilszwakke personages creeërt een schrijver de facto een gedetermineerd universum, een hefboom waarmee hij zijn artistieke bedoelingen kan onderstrepen. Austers postmoderne toeval verschilt met andere woorden in niets van het toeval in een negentiende-eeuwse keukenmeidenroman.
.
Een verwijzing naar hoe het anders kan, zit aan het einde van Brooklyn dwaasheid. Wanneer Nathan beseft dat belangeloze aandacht voor de medemens het leven lichter maakt, besluit hij tot een nieuw project. Hij denkt eraan een bedrijfje op te richten dat boeken publiceert over onbekende mensen — biografieën met verhalen van mensen die anders vergeten zouden worden.
.
Mooie vondst, jazeker, maar in deze roman niet meer dan dat, een vondst. Terwijl Auster zo’n boek ook echt heeft geschreven. Vier jaar eerder, in de bundel Ik dacht: mijn vader is God, bracht hij verhalen samen van gewone Amerikanen, in het kader van het National Story Project. En die bundel heeft dus niets van het steriele van Brooklyn dwaasheid.
.
(Gebaseerd op notities van 1 mei 2006.)
.
> bombastisch dossier over Auster en Brooklyn follies
.
Paul Auster, Brooklyn dwaasheid
283 p.
Uitgeverij De Arbeiderspers, 2005
Oorspr. Brooklyn follies (2005)
Vertaald door Ton Heuvelmans

[...] een eerdere bespreking vatte ik mijn probleem met Paul Auster als volgt samen: “Door toeval te laten inwerken op [...]