Auteurs kunnen klinken als je vader of je moeder. Sommigen klinken als je zus, oudere broer, jongere broer. Saul Bellow klinkt als een verre oom die ik maar eenmaal per jaar zie, met Kerstmis. Een intelligente, wereldwijze man die, juist daarom, het sociaal contact wat schuwt. Het was een eeuwigheid geleden dat ik nog iets van ‘m gelezen had. Door een samenleesprojectje met een collega-boekenlogger kwam het machtige Herzog op mijn pad.

Gedurende vijf weken lazen we telkens een tachtigtal bladzijden uit het boek. Elke week bracht ik mijn leesnotities in op Twitter, een medium dat daar niet geschikt voor was. Het lezen in staties kwam wel met de verplichting wekelijks iets van waarde op te schrijven en dwong me daarom iets analytischer te lezen dan gewoonlijk.

In de lange bespreking hieronder vertel ik iets over de personages waar Bellow mee werkt en geef ik mijn eerste indrukken tijdens het lezen van de roman. Daarna ga ik in op de intellectuele moeilijkheden waar het hoofdpersonage mee kampt, en mijn mening over de vormtechnische truc van Bellow om hem korte brieven te laten schrijven. Tenslotte probeer ik de tonen op welke manier Herzog opnieuw contact krijgt met de wereld en tot welke finale dat leidt. De bespreking rondt af met twee citaten over mijn lievelingspersonage uit dit boek, Ramona. Zelden naar zo’n mooi vrouwenportret gekeken.

Vertrekpunt
Schrijver Saul Bellow en zijn held Herzog hebben nogal wat gemeen. Beiden zijn zevenenveertig jaar oud. Beiden zijn joden met ouders die uit Rusland zijn geëmigreerd. Alletwee groeiden ze op in Canada en zijn tweemaal gescheiden (Bellow op het moment van schrijven toch – hij zou nóg twee keer scheiden). En zowel bij Bellow als bij Herzog begint de echtgenote een affaire met een goede vriend.

Vooral die laatste affaire treft Herzog als een moker. Het doet hem voor het eerst reflecteren over zijn twee mislukte huwelijken, de twee kinderen die buiten zijn bereik leven en de academische carrière van ‘m die jammerlijk is gestrand. Al die mislukkingen plagen hem en doen hem twijfelen over zijn mentale toestand tout court. De roman begint, zowel in het Engels als in Nederlandse vertaling, met een mooi in monosyllaben verpakte probleemstelling:

Als ik gek ben, vind ik het best hoor, dacht Moses Herzog.

Gek? Is Herzog gek? Madeleine Pontritter, zoals zijn tweede ex heet, en Valentine, de vriend die met haar is gaan lopen, hebben alvast het gerucht verspreid dat Herzog geestelijk in elkaar is gestort. Herzog is er zelf niet nog niet uit of dat gerucht klopt. Hele dagen brengt hij door met het rechtvaardigen, verhelderen, in perspectief zetten en de balans opmaken van zijn geestelijke toestand – een proces dat veel wegheeft van boetedoening.

Zijn zelfonderzoek hervattend gaf hij toe dat hij een slechte echtgenoot was geweest – twee maal. Daisy, zijn eerste vrouw, had hij ellendig behandeld. Madeleine, zijn tweede, had geprobeerd hem kapot te maken. Voor zijn zoon en zijn dochter was hij een liefhebbende maar slechte vader. Voor zijn ouders was hij een ondankbaar kind geweest. Voor zijn vaderland een onverschillig burger. Voor zijn broers en zussen hartelijk maar op een afstand. In gezelschap van zijn vrienden was hij te veel met zichzelf bezig. In de liefde was hij lui. In algemene vrolijkheid vervelend. Tegenover macht passief. In zijn eigen ziel ontwijkend.

Herzog had voor Madeleine een comfortabele positie aan de universiteit verlaten en een groot oud huis in (het fictieve plaatsje) Ludeyville, Massachusetts gekocht. In de vredige Berkshires waar hij vrienden had (Valentine Gersbarch dus, en zijn vrouw Phoebe) zal het immers makkelijker voor hem zijn het tweede deel over de sociale ideeën van de Romantici te schrijven. Herzog is namelijk ideeënhistoricus. Enfin, kind of. Hij heeft al enkele artikelen op zijn naam staan en een boek, Romantiek en christendom. Maar verder zijn z’n grootste plannen de een na de ander opgedroogd. Uiteindelijk blijkt ook in de Berkshires zijn studie van de Romantiek, bekostigd door de ‘Narragansett Corporation’, niet te zullen lukken. Achthonderd pagina’s met chaotische notities liggen te beschimmelen in een oude koffer.

Na deze periode hadden zijn vrouw en zijn vrienden werk gevonden in Chicago, en waren ze verhuisd. De relatie van Herzog met Madeleine, met hij het dochtertje June krijgt, loopt echter uit op een scheiding. Terwijl Herzog geestelijk meer en meer in de knoop raakte, en seksueel meer en meer gehavend, is er iets moois gebloeid tussen Madeleine en Valentine (een dandy met een houten been die als twee tellen lijkt op Putzi Hanfstaengel, de persoonlijke pianist van Hitler). Zij sturen Herzog naar dr. Edvig, een psychiater in Chicago met een passie voor Barth, Tillich en Brunner. De behandeling zal Herzog bezig houden, hem doen opgaan in zijn eigen ziektegeval. Vier middagen per week weten ze waar hij is, op de divan, en zijn ze dus veilig — in bed.

In een hartverscheurende passage herinnert Herzog zich hoe hij ooit dacht Madeleine nog steeds voor zich te kunnen winnen door “de aantrekkingskracht van zijn duldzaamheid, zijn persoonlijkheid”. Per slot van rekening was hij een goed mens. Om niet te zeggen de persoonlijke weldoener van Madeleine – een labiele vrouw, kind van bohémienouders (die haar leerden lezen aan de hand van Staat en Revolutie van Lenin), seksueel misbruikt in haar jeugd, eerst verslingerd aan het katholicisme, daarna haar interesse verleggend naar citers en tarotkaarten, eigen brood bakken en Slavische letterkunde (Zadonski, Dostojevski en Herzen).

Maar neen, het komt tot een breuk met Madeleine en sindsdien is Herzog op de dool. Hier begint ons boek: Herzog. Meer een warboel van gedachten dan een echte roman, zo lijkt het in het begin. Want in een poging al zijn gedachten op een rij te krijgen (“Is hij een verstandig mens, een idioot, een dromer?”) is Herzog met de manie behept geraakt brieven te schrijven “aan ieder wezen onder de zon”. Ondergedoken op het platteland schrijft hij eindeloos en fanatiek naar de kranten, naar personen uit het openbare leven, naar vrienden en familieleden en “uiteindelijk naar de doden, zijn eigen onbekende doden en tenslotte naar beroemde doden”. De keuken is bij dat brievenschrijven zijn hoofdkwartier.

Bellow beschrijft hoe Herzog’s krachtige gestel zich koppig verzet tegen zijn zwaarmoedigheid. Het wordt dus geen deprimerende roman zonder meer. Misschien kan Herzog “door te wankelen zijn evenwicht opnieuw hervinden”, of “door lichte krankzinnigheid te erkennen weer verstandig kunnen worden”. En, niet onbelangrijk, Herzog houdt van grappen over zichzelf.

Bellow heeft bovendien voor een lichte toets gezorgd in de persoon van Ramona. Zij is een lieve zakenvrouw met een bloemenwinkel op Lexington Avenue in New York. Bijna veertig is ze, maar uitermate aantrekkelijk, een beetje uitheems en welopgevoed. Ramona heeft een graad in de kunstgeschiedenis en ziet wel iets in Herzog, “een voormalig knappe man”. Ideeën winden haar op. Zij houdt van gesprekken en kan uitstekend koken. Ze komt uit Buenos Aires, maar heeft een internationale achtergrond – Spaans, Frans, Russisch, Pools en Joods. Seksueel kent ze de kneepjes uit eerdere relaties, denkt Herzog, en nu is ze allicht op zoek naar een vaste relatie – reden waarom hij de boot afhoudt.

Hij wist wat ervan terecht zou komen als hij met haar meeging naar Montauk. Zij zou hem als een tamme beer met zich meevoeren in Easthampton, van cocktailparty naar cocktailparty. Hij kon zich dat voorstellen – Ramona lachend, pratend, haar schouders bloot in een van haar boerenbloeses (het waren prachtig vrouwelijke schouders, dat moest hij toegeven), haar haar in zwarte krullen, haar gezicht, haar mond geverfd; hij kon haar parfum ruiken. In het diepste van een mannelijk wezen was er altijd iets dat met gekwaak reageerde op zulk parfum. Kwak-kwak! Een seksuele reflex die niets te maken had met leeftijd of fijnzinnigheid, wijsheid, ervaring, geschiedenis, Wissenschaft, Bildung, Wahrheit. Ziek of gezond, altijd kwam er dat bekende kwak-kwak bij de geur van een geparfumeerde, vrouwelijke huid. Ja, Ramona zou hem meevoeren in zijn nieuwe broek en zijn gestreepte colbertje, met een martini in zijn hand… Martini’s waren vergif voor Herzog en hij kon dat geklets niet uitstaan. En hij zou dus zijn buik intrekken en met pijnlijke voeten blijven staan – , hij, de gevangen professor, zij de rijpe, succesvolle, lachende, seksuele vrouw. Kwak-kwak!

Mijn indrukken
Ik was eerst teleurgesteld dat de held van Bellow een professor bleek te zijn. Dat zou de schrijver erg veel ruimte laten voor essayistische terzijdes – een techniek die bij mindere goden vooral tot doel heeft de eigen ideeën over van alles en nog wat door de strot van de lezer te duwen. En ging Ravelstein ook al niet over een professor, gebaseerd op Allan Bloom? Ik heb dat boek jaren geleden gelezen en er staat me niets meer van bij. Misschien was ik er toen te jong voor. Ik had ook nog De gedachtenloze generatie niet gelezen, van die Bloom. Ander probleem: Herzogs leven is helemaal in elkaar geklapt. Hoe bouw je een roman van vierhonderd bladzijde op een ruïne? Met terugblikken? Met hoogdravende bespiegelingen over leven, liefde en dood? En knapt de Nederlandstalige literatuur niet uit elkaar van zulke boeken?

Mijn gereserveerde houding was terecht en ook weer niet. De wereld van Herzog is inderdaad een ijlhoofdige ideeënwereld. “Beseffen is zijn werk, diepgaand bewustzijn zijn artikel, zijn handel,” schrijft Bellow over zijn held. Van zoiets aards als geld heeft Herzog bijvoorbeeld geen verstand. “Voor mij is geld geen middel. Ik ben middel van het geld. Het gaat door me heen – belasting, verzekeringen, hypotheek, alimentatie, huur, gerechtelijke onkosten.” Af en toe doet Herzog weliswaar een poging belangstelling te hebben voor de sociale problemen in de buitenwereld. Dan krijgen we toespelingen geserveerd op de Bhave-beweging, Jimmy Hoffa, de “negers” (de Civil Rights Act dateert uit 1964, het jaar waarin Herzog verscheen). Maar Herzog houdt dat nooit lang vol. Hij blijft een man van de introspectie.

Maar waar ik niet op gerekend had, is dat Bellow de hele roman door die modus vivendi parodieert. De auteur schetst de moderne mens en zijn weifelende persoonlijkheid, verstoken van het rotsvaste wereldbeeld van de Middeleeuwen én de solide theorieën van de zeventiende eeuw (toen het hartstochtelijke zoeken naar waarheid ophield ten faveure van het praktische denken). In de plaats van die zekerheden is de drang naar reflectie gekomen. Het eigen zieleleven moet verklaard worden, de persoonlijke geschiedenis blootgelegd als een archeologische site. De twintigste eeuw is de eeuw van psychiaters en klinische psychologen: “Zou zijn intellect niet doelmatiger zijn geweest als hij een agressief paranoïde karakter had gehad, belust op macht?” Bellow schept dus met Herzog (1964) de eerste overtuigende joodse romanheld in de Amerikaanse letteren die zijn seksuele problemen zo exhaustief voor de lezer te grabbel gooit. Philip Roth zal de trouwste navolger worden van dit concept, te beginnen met Portnoy’s complaint (1969).

En net als in dat vrolijke masturbatieboek, gooit Bellow er de nodige humor tegenaan. Herzog zoekt hulp en bijstand, luistert naar iedereen, in het echt of op papier. Tegelijk is hij niet in staat lering te trekken uit wat hem wordt verteld. Herzog neemt dan van een psychiater een lijstje over met de kenmerken van paranoia en maakt er een bladwijzer van bij zijn lectuur. Zoals ik al zei: humor.

Ik stopte het volgekrabbelde papiertje in mijn portefeuille en bestudeerde het als de plagen van Egypte. Net als ‘DOM, SFARDEYA, KINNIM’ in de Haggadah. Er stond ‘Trots, Woede, Overmatige ‘Redelijkheid’, Homoseksuele neigingen, Concurrentiezucht, Wantrouwen van de Emotie, Niet in Staat zijn Kritiek te Verdragen, Vijandige Projekties, Waandenkbeelden.’ Het is er allemaal – alles!

De voortdurende kloof tussen het topzware denkwerk van Herzog en zijn betrekkelijk banale leven is een van de smaakmakers van het boek. Zo laat Bellow de moeder van Herzog op indrukwekkende wijze sterven (“Mijn zoon, dit is de dood”) terwijl Herzog zelf doodleuk over de ondergang van het avondland bij Spengler zit te lezen. Ander voorbeeld: wanneer hij nog Madeleine samen is, knapt Herzog zijn landhuis op in Ludeyville, tegelijk worstelend met de problemen uit De fenomenologie van de Geest van Hegel – het belang van de ‘wet van het hart’ in de westerse tradities, de oorsprong van het moreel sentimentalisme en aanverwante zaken. Tot grote ergernis van Madeleine, natuurlijk. Ergernis die Herzog op zijn beurt vruchteloos analyseert… met de proposities van Spinoza.

‘Je kunt je Hegel meenemen naar de stad. Je hebt toch al in geen maanden een boek aangeraakt. De hele boel is een neurotische wanorde. Die bundels aantekeningen. Het is grotesk, zo weinig georganiseerd als jij bent. Je bent niets beter dan elke andere verslaafde – ziek van abstracte denkbeelden. Naar de hel met Hegel in ieder geval en met dit rottige oude huis. Er zijn vier bedienden voor nodig en jij wilt dat ik alleen al dit werk doen.’
Herzog maakte zichzelf suf door te herhalen wat juist was. Hij was ook om gek van te worden. Dat realiseerde hij zich. Het leek of hij wist hoe alles moest gaan, tot in het kleinste detail (in de categorie van het ‘Vrije Concrete Verstand’, misvatting van een algemene stelling door de ontwikkeling van het besef – de werkelijkheid tegenover de ‘wet van het hart’, noodzaak van buitenaf die op griezelige manier de individualiteit vermorzelt, undsoweiter). O, Herzog, gaf toe dat hij ongelijk had. Maar al wat hij verlangde, zo leek het hem, was een beetje samenwerking bij zijn pogingen iedereen goed te doen en naar betekenisvol leven toe te werken. Hegel was merkwaardig veelzeggend maar ook uiterst dwaas. Natuurlijk. Dat was de hele zaak. Eenvoudiger en zonder die uitgebreide metafysische nonsens was Spinoza’s Prop. XXXVIII; het verlangen van de mens om anderen te laten meegenieten van de dingen waarvan hijzelf geniet, niet om anderen te laten leven naar zijn eigen denkwijze – ex ipsius ingenio.

Niettemin bleef het een bladzijde of honderd duren tot ik de opzet van dit boek beet had. Omdat ik een bijziend type lezer ben, die graag helemaal opgaat in de tekst, had ik het voordien te druk met het volgen van de – in doodlopende straatjes resulterende – metafysische excursies die Herzog maakt, in zijn hoofd en in die briefjes. Bellow blijft ook maar nieuwe personages introduceren, wier karakteristieken je dan allemaal probeert in je op te nemen, omdat die misschien later van belang zijn. Stilaan begin je het dan te snappen: via talloze epistolaire aanzetjes, gericht aan een veelvoud van personen die meestal niet meer terugkeren, krijgen we een, komt-ie, kaleidoscopisch beeld van Herzog.

Als het wat moeilijk vlotte met lezen, kwam Bellow altijd terug met zeer zinnelijke beschrijvingen. Daar putte ik moed uit. Het kenmerkt waarschijnlijk de waarlijk grote schrijver: Bellow, deels bij monde van zijn personage, maar nog veel meer in het commentaar waarmee hij dat personage omkranst, is even goed in het concrete leven als in het abstracte denken. Bellow is een man van de wereld. Hij heeft evenveel aandacht voor de kreeftenschalen van Descoware (‘made in Belgium’) als voor de ideeën van T.E. Hulme. Even goed als hij kan mijmeren over de intellectuele erfenis van Proudhon, weet Bellow de grote Amerikaanse metropolen (New York, Chicago) zintuiglijk te vatten. Herzog is ook een prachtige grootstadsroman. Herzog wordt overvoerd door prikkels. In een drukke taxi, of in de metro.

Uit de hitte en het stof haastte hij zich onder de grond de trappen af, terwijl hij luisterde of er een trein aankwam en met zijn vingers de munten in zijn zak onderzocht, of er een munt voor de ondergrondse bij was. Hij ademde de geuren in van steen, van urine, bitter opwekkend, de luchtjes van roest en smeermiddelen, en voelde de aanwezigheid van een stroom van noodzaak, snelheid, van een eindeloos verlangen, wat misschien verband hield met de drang in hemzelf, zijn eigen stromende, nerveuze vitaliteit. (Hartstocht? Misschien hysterie? Ramona kon hem er misschien van verlossen door middel van het seksuele.) Hij haalde lang en diep adem en inhaleerde steeds dieper de duffe vochtige lucht, met steken in beide schouders naarmate zijn borst zich uitzette, maar hij ging door. Daarna ademde hij de lucht heel langzaam uit. Hij deed het nog eens en nog eens, en hij voelde zich ervan opknappen. Hij deed zijn munt in de gleuf en zag een hele serie munten zitten, van binnen uit verlicht en vergroot door het glas. Ontelbare miljoenen passagiers hadden het hout van het tourniquet gepolijst met hun heupen. Hieruit ontstond een gevoel van gemeenschap – broederschap in een van zijn goedkoopste vormen. Dit was ernstig, dacht Herzog terwijl hij er doorheen ging. Hoe meer individuen er verwoest worden (door gebeurtenissen zoals ik die ken) des te erger wordt hun zucht naar collectiviteit. Erger, omdat zij opgewonden terugkeren naar de massa, fervent door hun falen. Niet als broeders, maar als gedegenereerden. Met een wilde honger naar apeliefde. Zo doet zich een tweede vertekening van het goddelijke evenbeeld voor, dat al zo bezoedeld was en wankelend en worstelend. Het ware probleem. Hij stond neer te zien op de rails. Het meest ware probleem!

Zeer welkom was ook het mooie, haast op zichzelf staande interludium over de ouders en grootouders van Herzog, in het midden van het boek. Bellow vertelt daarin over de twaalf stielen en dertien ongelukken van vader Herzog. Eerst in Sint-Petersburg. Daar had hij er in één jaar twee bruidschatten doorheengejaagd. Hij had uien uit Egypte geïmporteerd zonder veel succes, en onder Pobedonostsev kreeg de politie hem te pakken vanwege illegaal wonen. Vader Herzog werd gevonnisd en veroordeeld, en kwam naar Canada, waar zijn zuster Zipporah Yaffe woonde. In 1913 kocht hij een stukje grond bij Valleyfield, Quebec, om daar ook weer te mislukken, als boer. “Toen kwam hij naar de stad [Montréal] en mislukte als bakker; mislukte in de manufakturenhandel; mislukte als stalhouder, mislukte als zakkenfabrikant in de oorlog toen niemand anders mislukte. Hij mislukte als uitdrager. Toen werd hij huwelijksmakelaar en mislukte – te heetgebakerd en kortaf.” Tenslotte mislukte vader Herzog als drankstoker/dranksmokkelaar, met de provinciale Liquor Commissie achter zich aan. Dat alles terwijl hij vijf monden te voeden had, en achterstallige huur en doktersrekeningen dienden betaald. Hij kende geen Engels, geen invloedrijke personen, had geen vrienden, geen handel, geen enkel bezit behalve zijn stokerij en werd door niemand ter wereld geholpen. Zijn zuster Zipporah in St.Anne was rijk, erg rijk, en dat maakte de zaak alleen maar erger.

“Ik ben nog steeds slaaf van papa’s pijn,” biecht Herzog op aan het einde van dat hoofdstuk. Daarom worden we dus in de oude familiegeschiedenis ingewijd. Omdat deze historie zo ver weg in plaats, tijd en cultuur (de joodse) speelt, is ze een mooie afwisseling in dit anders zo benepen boek, dat nooit uit het reservaat van de relatieproblemen lijkt te kunnen ontsnappen. Dat armoe en emigratie altijd indruk maken, speelt hier geen rol. Bellow is authentiek; dat lees je.

Een ander facet waar ik me aan optrok, zijn de sublieme vrouwenportretten in dit boek. Ik denk aan hoe tante Zelda Herzog de les spelt. (Vrouwen hebben doorgaans een klaardere kijk op de dingen in Herzog, en zijn heel geestig.) Ik denk aan het weekmakende Franse gekir van de Japanse vriendin van Herzog, Sono. Ik denk aan hoe Madeleine bezwijkt voor de wijsneuzigheden van de intellectuele verleider Shapiro. Ik denk aan de wijze waarop Bellow Libbie portretteert, een vriendin van Herzog : “Ze was op die leeftijd waarop het laatste bedrijf van de erflijkheid begint, de smetten van de voorouders aan het licht komen – een vlekje, of het verdiepen van rimpels, aanvankelijk een vermeerdering van de schoonheid van een vrouw. De dood, een kunstenaar, bracht heel langzaam zijn eerste toetsen aan.”

Een van de grootste prestaties van Bellow lijkt me de figuur van Ramona te zijn. De vrouw die Herzog zal leren dat als men zijn zelfvertrouwen heeft teruggekregen, men de gewone macht van eenvoudige verlangens opnieuw leert kennen. Jammer genoeg duurt het tot pagina 175 voor we de vrouw die in het begin van het boek verwachtingen schiep in volle glorie te zien en te horen krijgen. Daarover straks meer.

De intellectueel, zijn ideeën en zijn briefjes
Ik las ergens dat een van de voornaamste doelstellingen van Saul Bellow was, te tonen hoe mensen gestuurd worden door ideeën. Net op dat punt vind ik Herzog niet geslaagd. Herzog wordt dan wel hopeloos in beslag genomen door ideeën, inzoverre dat ze hem verhinderen te leven, maar of ze hem sturen? Mij leek het eerder dat wanneer hem iets is gebeurd, Herzog daarop reflecteert met geleende kennis. Dat is iets anders dan dat hij door voorafgaandelijke studie zijn denken weet te structureren en zijn acties daarvan af laat hangen.

Waar het voor mij misloopt, en natuurlijk ook voor Herzog, is dat zijn ideeën als een veel te hoge koepel boven zijn leven hangen om daaronder nog een gevoel van beschutting te vinden. Bij denkers als Hegel en Rousseau en Tocqueville en Nietzsche en Heidegger gaat het toch vooral over De Mens in een bijna nietszeggende algemeenheid. Veel van die denkers minachten juist de oppervlakkige privébesognes van ‘de massamens’. Filosofen hebben bovendien de onverbeterlijke neiging om De Mens te verklaren vanuit één enkel Principe.

Een denker als Hegel dacht na over de mate waarin de mens bepaald wordt door de geschiedenis. Hij zag de geschiedenis als een evolutie waarbij de natuur steeds meer aan zelfbewustzijn wint. Duitse existentialisten als Heidegger vertellen dan weer hoe goed angst is voor de mens: “Hoe dat je redt van verwarring en je vrijheid geeft en je authentiek maakt. God is niet meer. Maar er is Dood. Dat is hun verhaal. En we leven in een hedonistische wereld waarin geluk wordt gevormd naar een mechanisch model. Alles wat je moet doen is je gulp openmaken en je geluk grijpen. En zo voeren deze andere theoretici de spanning van schuld en angst in als remedie.” Staat de mens op het punt van zijn ondergang zoals Spengler dat beschreef, en het Wasteland van T.S. Eliot laat zien? Moeten we het eens zijn met marxistische cultuurpessimisten (zoals de geflipte ouders van Madeleine!) die vinden dat het de mens onwaardig is te verlangen naar het kleinburgerdom? Om te denken dat het heelal is geschapen voor ons veilige gebruik en om ons gerieflijkheid, gemak en steun te geven? “Het licht heeft een snelheid van miljoenen kilometer per seconde om iets te kunnen zien als we ons haar kammen of om in de krant te lezen dat hamschijven goedkoper zijn dan gisteren.”

Natuurlijk kan ook Nietzsche niet op het appel ontbreken. Heeft Jezus inderdaad de wereld verziekt met zijn slavenmentaliteit? Sinds Nietzsche wordt liefdadigheid verdacht van ziekelijkheid – sadomasochisme, een soort perversiteit. Op alle hogere of deugdzame neigingen rust de verdenking dat het spektakelstukjes zijn. Dingen die we gewoon maar vereren met oude woorden, maar die we in ons diepste innerlijk verraden of ontkennen. Of had Nietzsche zelf een christelijke kijk op de geschiedenis? Hij beschouwde immers het huidige ogenblik altijd als een soort crisis, een soort verval van de klassieke grootheid, een soort van bederf of kwaad waaruit wij gered moeten worden. Dat kan je gerust christelijk noemen. Denken dat we van een soort vergiftiging moeten herstellen, dat we gered moeten worden, verlost.

Herzog leeft, kortom, temidden van grote ideeën en begrippen die onvoldoende betrekking hebben op de huidige, alledaagse, Amerikaanse omstandigheden. Het probleem van de gewone menselijke ervaring is het belangrijkste probleem van de moderniteit, zegt hij, maar “geen filosoof weet wat het ordinaire is, is er nog niet diep genoeg voor gevallen.” De tragiek van Herzog is zijn mentale estafetteloop, van denker naar denker, van principe naar principe, om steeds opnieuw vast te stellen dat er iets ontbreekt aan de verklaring, aan het model. Dat is pijnlijk, want op dit punt in zijn leven lijkt het alsof Herzog alle ideeën achter de werkelijkheid eerst moet begrijpen om aan die werkelijkheid te mogen deelnemen. Tevergeefs: nooit en nergens vindt hij een volledige verklaring van wat het betekent een man te zijn

In een stad. In een eeuw. In een overgangstijdperk. In een massa. Vervormd door wetenschap. Onder georganiseerd gezag. Onderworpen aan kolossale krachten. In een situatie die veroorzaakt werd door mechanisatie. Na het late fiasco van fundamentele verwachtingen. In een maatschappij die geen gemeenschap was en de persoonlijkheid devalueerde. Dank zij een zich vermenigvuldigende macht van de massa die het eigen ik wegcijferde.

Bovendien blijft Herzog geloven in de humanistische wereldopvatting. Het stoort hem fundamenteel dat hij de onbetekenende speelbal zou zijn van één leidend principe. Zelfs na Auschwitz, zelfs in het anonieme leven van de Amerikaanse grootstad en dito massacultuur, zelfs in een wereld van voortgalopperende technologie, wil Herzog zich doen kennen als een unieke persoonlijkheid, in al zijn grillen en onvoorspelbaarheid. Géén massamens. Een individu. Niet op een naïeve manier zoals de Romantici het wilden, of Tolstoj, maar toch. Tegelijk lukt het hem niet vol te houden dat hij een ondeelbaar iemand (in-dividu) is, iemand met een identiteit waar je duidelijk de vinger kan op leggen. Dan hunkert hij ineens naar het collectief, heeft hij een “wilde honger naar apeliefde.”

Het lukt Herzog natuurlijk ook niet om de verschillende ideeën waar hij op botst tot iets ondeelbaars met elkaar te verzoenen. De Waarheid, de Werkelijkheid zo u wil, laat zich niet vatten. Eigenlijk is dat lang niet zo slecht voor de lezer: hij mag meedelen in de verwarring en zijn eigen keuze/synthese maken uit wat uit de moppentrommel van de metafysica wordt aangeboden. Misschien ligt de waarheid, geheel volgens psychoanalystisch recept, wel verborgen in het losjes associëren. Een briefje aan Spinoza is voor mij de sleutel om de structuur waar Bellow voor gekozen heeft te begrijpen:

Gedachten die geen oorzakelijk verband hielden moesten volgens u pijn veroorzaken. Ik vind dat dit inderdaad het geval is. Als het intellect passief is, is vrije associatie een vorm van knechtschap. Of beter, elke vorm van knechtschap is dan mogelijk. Misschien vindt u het interessant om te weten dat in de twintigste eeuw vrije associatie geacht wordt de diepste geheimen van de psyche vrij te geven.

IJsbrand, met wie ik dit boek las, nam de hele ideeënvloed van Herzog veel luchtiger op en hield de leeswijzer van Bellow zelf in gedachten: het gaat hier duidelijk om pastiches. Zijn conclusie dat het hier een parodie betreft op die professoren aan de Amerikaanse letterenfaculteiten “waar zo vaak ineens éen denker kritiekloos omarmd wordt” had ik op basis van mijn eigen lectuur niet getrokken, geloof ik. Omdat Herzog tientallen denkers worden behandeld, terwijl de Amerikaanse literatuurwetenschap in mijn beleving juist ontsierd wordt door het eindeloze herkauwen van een handvol denkers. Al speelt dit boek natuurlijk in de eerste helft van de jaren zestig, toen een Foucault bijvoorbeeld zijn meest invloedrijke werken nog moest schrijven.

Op enkele plaatsen in het boek lijkt Herzog even te beseffen dat hij op een dood spoor zit. Dat denkers die op zoek gingen naar de aard van de mensen – we zijn nog Hobbes vergeten, en Freud – niet onze grootste weldoeners zijn. De moderne wetenschap, van haar kant, is absoluut niet bezorgd over de definitie van het wezen der mensen en toont alleen interesse in de activiteit van het onderzoek. De waarheden die gevonden worden door wetenschappers vormen misschien geen basis tot leven, maar een opschorting van de vruchteloze queeste om het wezen der mensheid te definiëren. Maar buiten een intermezzo over Schrödinger en entropie – ook al geen kennis die psychische problemen à la carte kan oplossen – komt er nauwelijks harde wetenschap in deze roman voor. Darwin is een naam die een enkele keer wordt gedropt. Het boek speelt bovendien in de eerste helft van de jaren zestig, wanneer de evolutiepsychologie zoals we die nu kennen als verklaringsmodel nog in volle ontwikkeling is. Als Herzog al een moment van verlichting kent, lijkt dat te worden ingegeven door de contemplatie van de natuur.

In de zachte namiddag, later, aan de waterkant in Woodshole, toen hij op de veerpont wachtte, keek hij door de groene schaduw naar het net van heldere weerspiegelingen op de bodem. Hij dacht graag na over de kracht van de zon, over licht, over de oceaan. De zuiverheid van de lucht ontroerde hem. Er was geen smet in het water, waar scholen kleine voorntjes zwommen. Herzog zuchtte en zei bij zichzelf, ‘Loof God – loof God.’ Zijn ademhaling was ruimer geworden. Zijn hart werd geweldig ontroerd door de wijze horizon; de diepe kleuren; de zwakke scherpte van de jodiumlucht van de Atlantische Oceaan die uit het zeegras en de schelpdieren opsteeg, het witte, fijne, zware zand; maar hoofdzakelijk door de groene doorzichtigheid als hij naar beneden keek naar de steenachtige bodem die doorweven was van gouden lijnen. Nooit stil. Als zijn ziel zo’n heldere, zo’n geweldig lieftallige weerschijn zou kunnen werpen. Maar dat zou te eenvoudig zijn. Maar dat zou te kinderachtig zijn. De werkelijke sfeer is niet zo helder als deze hier, maar woelig, kwaad. Er is een uitgebreid menselijk bedrijf gaande. De dood kijkt toe. Dus als je een beetje geluk hebt, verberg het. En wanneer je hart vol is, houd dan ook je mond gesloten.

Los van dit alles moet ik bekennen nooit echt het nut te hebben ingezien van de briefjes die Herzog schrijft. Het romantechnische nut, bedoel ik. Bellow zal wel lol gehad hebben in deze pseudo-intellectuele aanzetjes, gecursiveerd over het hele boek gespreid. Boompjes opzetten, zonder grondig te moeten zijn als een vakfilosoof. Maar voor de rest? Omdat Herzog zijn briefjes niet verstuurt, en reactie dus uitblijft, blijft het surplacen en verschillen de epistels nauwelijks van een klassieke stream of consciousness in andere romans. Goed, de directe aanspreking van persoon Zus of Zo brengt een zekere zwier met zich mee die fraai contrasteert met de dorheid van de ideeën. Ik snap ook wel dat het niet-versturen van de brieven Herzogs aarzeling illustreert om de echte wereld tegemoet te treden: hij die zo op zoek is naar contact, blijft steken in de monoloog. Bovendien weet iedereen dat het schrijven van brieven onvermoede gedachten aan het licht kunnen brengen – Herzog wordt zo zijn eigen zieleknijper. Maar toch, de brieven worden niet verstuurd, wat zonde is, en Bellow doet nauwelijks moeite om de akt van het schrijven geloofwaardig te maken. Ik zie amper één scène voor me waarin Herzog een briefje schrijft. In een pashokje.

Over stream of consciousness gesproken. Het versnipperde geestes- én grootstadleven van Herzog deden me nadenken of de roman, afgezien van evidente tijdsindicatoren, tijdens de hoogconjunctuur van het modernisme in de jaren twintig geschreven had kunnen worden. In zijn voorwoord bij de Penguin Classics-editie ziet Philip Roth alvast belangrijke verschilpunten:

This Herzog is Bellow’s grandest creation, American literature’s Leopold Bloom, except with a difference: in Ulysses, the encyclopedic mind of the author is transmuted into the linguistic flesh of the novel, and Joyce never cedes to Bloom his own great erudition, intellect, and breadth of rhetoric, whereas in Herzog Bellow endows his hero with all of that, not only with a state of mind and a cast of mind but with a mind that is a mind.

[…]

In Herzog, there is no sustained chronological action— there’s barely any action—that takes place outside Herzog’s brain. It isn’t that, as a storyteller, Bellow apes Faulkner in The Sound and the Fury or Virginia Woolf in The Waves. The long, shifting, fragmented interior monologue of Herzog seems to have more in common with Gogol’s ‘Diary of a Madman,’ where the disjointed perception is dictated by the mental state of the central character rather than by an author’s impatience with traditional means of narration. What makes Gogol’s madman mad, however, and Bellow’s sane, is that Gogol’s madman, incapable of overhearing himself, is unfortified by the spontaneous current of irony and parody that ripples through Herzog’s every thought— even when Herzog is most bewildered—and that is inseparable from his take on himself and his disaster, however excruciating his pain.

Tegengewichten
Daadkracht en een wereldse kijk op de zaak komt in Herzog van andere mensen dan de held. Zo voert Bellow een aantal advocaten op in zijn boek, gepokt en gemazeld in de juridische jungle van de Amerikaanse grootstad. Zij zijn de realitycheckers van Herzog. Het is tekenend voor de klasse van de auteur dat hij ook deze mensen natuurgetrouw weet te tekenen.

Om te beginnen Sandor Himmelstein, de advocaat die voor Herzog heeft gezorgd toen deze door Madeleine het huis uit werd gezet. Maar misschien speelde hij wel onder een hoedje met haar.

‘Ik zal je eens wat zeggen,’ zei Sandor. ‘Het is je eigen stomme schuld ook, als je mijn mening wilt weten.’
‘Van mij? Wat bedoel je?’
‘Omdat jij een intellectueel bent en een intellectueel wijf hebt getrouwd. Ergens in elke intellectueel zit een stomme klootzak. Jullie kerels kunnen je eigen problemen niet oplossen – toch, ik zie hoop voor je, Moos.’
‘Wat voor hoop?’
‘Je bent niet een van die aanstellers van de universiteit. Jij bent een mensch. Wat voor nut hebben die verdomde intellectuelen eigenlijk? Er is een onwetende stomkop als ik nodig om liberale zaken uit te vechten! Die zijige sufferds van Yale mogen dan een bul in hun kantoor hebben hangen, wanneer het er op aan komt in Trumbull Park betrokken te raken, of tegen die lafbekken in Deerfield te vechten of om het op te nemen voor een man als Tompkins – ’ Sandor was trots op zijn overwinning in de zaak van Tompkins, een neger in dienst van de posterijen die hij verdedigd had.

Harvey Simkin is er ook zo eentje: technocratisch, wereldwijs en nuchter. Een patjepeeër (“Ik heb 2 schilderijen op de kop getikt van een Joegoslavische primitief, Pachich.”) die niettemin eerbied koestert voor verstrooide hoogstaande mensen als Herzog – “mensen met zedelijke impulsen”. Hij plaagt Herzog graag met zijn problemen; “dat houdt hem lenig”.  Het komt tot een heerlijk twistgesprek tussen de man van de wereld en de intellectueel. Op zijn Dostojevski’s. Bij hem zal Herzog laat in het boek aankloppen om advies in te winnen over hoe hij zijn dochter kan beschermen of de voogdij terugwinnen. Simkins antwoord is dat van de praktische realist.

‘Ze zullen Madeleine aankijken, bloeiend en mooi, en dan jou, verwilderd en grijs van haren, en ffft! daar gaat je voogdijaanvragen.’

[…]

‘Neem een keurige niet-joodse advocaat van een van de grote bureaus. Laat niet een stel joden staan schreeuwen in de rechtszaal. Geef waardigheid aan je zaak. Dan laat je al de hoofdschuldigen sub poena dagvaarden, Madeleine, Gersbach, mevrouw Gersbach, en je laat ze onder ede getuigenis afleggen. Waarschuw ze voor meineed. Als de vragen op de juiste manier worden gesteld – en ik ben bereid een keurige advocaat te instrueren, en het meesterbrein te zijn van het hele proces, dan zal je nooit een haar op je hoofd hoeven aan te raken.’

Uitgerekend tijdens een bezoek aan de Strafrechtbank in New York komt Herzog tot een bepalend inzicht. Wachtend op Simkin (waar hij mee afgesproken heeft) zit hij als een antropoloog de verschillende mensensoorten daar te observeren: rechters, beklaagden, pleiters, jury, medische experten… Verschillende rechtszaken passeren de revue, als verhevigde Middeleeuwse exempels. Alsof Bellow hiermee de moeilijkheden van het concrete leven op scherp wil stellen voor zijn hoofdpersonage: armoede, conflict, ellende. Eén rechtszaak werkt als trigger. Een verdorven moeder heeft haar kindje tot moes geslagen tegen de muur.

Ik kan het maar niet begrijpen! dacht Herzog (…). Ik kan het maar niet… maar dat is de moeilijkheid van mensen die hun leven verdoen met het bestuderen van de mens en zich daarom verbeelden dat wreedheid, als het eenmaal in de boeken beschreven staat, is afgelopen. Natuurlijk wist hij werkelijk wel beter – begreep dat menselijke wezens niet zo wilden leven dat ze door de Herzogs werden begrepen. Waarom zouden ze?

Waar begrip en rationalisatie Herzog al driekwart boek van elke daadkracht heeft gehouden, begrijpt hij er nu niets meer van en ontstaat er kortsluiting. Dat zet hem eindelijk aan tot actie. New York kan hem niet langer vasthouden: hij wil naar Chicago om zijn dochter te redden uit handen van Madeleine en Valentine. Zeker nadat hij te weten is gekomen dat Val zijn dochtertje van pure onmacht een avond heeft opgesloten in een auto! Een superjet brengt hem in negentig minuten naar Chicago, “pal naar het westen, het draaien van de planeet bijhoudend en hem een verlenging van middag en zonlicht verschaffend”.

Maar eerst moet hij nog langs zijn vaders huis. Hier ligt namelijk de revolver – Mischa de Vreede vertaalt consequent met ‘pistool’, maar uit de beschrijving is af te lezen dat het gaat om ’n revolver – waarmee zijn vader hem ooit in een bui van colère wou doodschieten. Vader Herzog was gefrustreerd door de verwaandheid van zijn zoon die zijn tijd verdeed met stomme plannen en “het vrijmaken van zijn geest”. Herzog krijgt de revolver te pakken. Hij heeft nu een moordwapen en twee kogels. En hij is gefocust: voor het eerst in het boek blijven de brieven lange tijd achterwege.

Het is niet voor iedereen weggelegd om met een zuiver geweten te doden. Zij hadden de weg gebaand voor een moord die te rechtvaardigen was. Zij verdienden te sterven. Hij had het recht ze te doden. Zij zouden zelfs weten waarom ze stierven; uitleg was overbodig.

Dat Herzog toch niet tot schieten komt, zal niemand verbazen, maar de ‘demografische’ onderbouwing die Bellow op het moment suprême uit zijn mouw schudt, doet meer dan glimlachen. Herzog heeft er bij nader inzien meer deugd van dat hij eindelijk zijn dochter krijgt te zien. June. Die ontmoeting wordt geregeld door een oude vriend in Chicago, Lucas Asphalter – een van de waarlijk komische personages van Bellow: een zoöloog aan de universiteit die mond-op-mond-beademing heeft toegepast op een gesneuveld aapje (Rocco) en nu gevaar loopt voor tuberculose.

Even is Herzog in evenwicht, als hij June ziet. Alsof hij met zijn dochter al een prachtig produkt gemaakt heeft dat de tand des tijds even zal doorstaan. Geen proefschrift, of andere vruchteloze intellectuele arbeid. Back to basics. Familie. Kinderen. Een nageslacht. Mooi: Bellow laat Herzog zijn dochter meenemen naar een wetenschappelijk museum waar ze samen kijken hoe de kuikens uit hun ei kwamen. Briljant ook is het wrange compliment waarmee June haar natuurlijke vader hoger inschat dan haar stiefpapa: Herzog vertelt “betere verhaaltjes” dan Valentine! Natuurlijk blijft de idylle niet duren. Ze wordt verstoord door een dom ongeluk dat Herzog naar het politiebureel brengt, waarna de roman enige tientallen bladzijden als een betrekkelijk normale policier oogt. Door de stress haalt hij er zijn filosofen weer bij – herschikt, verhaspeld, aangepast. Al lijkt er door die hele kwestie wel een belangrijk inzicht te dagen bij Herzog:

Wel, er bestaat een beroemd advies, een geweldig advies, zelfs al is het Duits, namelijk te vergeten wat je niet kunt verdragen. De krachtigen kunnen vergeten, kunnen de geschiedenis buitensluiten. Heel goed! Zelfs al is het jezelf vleien als je over kracht spreekt – die esthetische filosofen nemen een houding aan, maar macht veegt houdingen opzij. Toch is het waar dat je niet door kunt gaan de ene nachtmerrie in de andere om te zetten. Daar had Nietzsche zeker gelijk in. De teergevoeligen moeten zich harden. Is deze wereld niets anders dan een kale brok ruwe steenkool? Nee, nee, maar iets wat soms lijkt op een middel ter voorkoming, een ontkenning van wat ieder menselijk wezen weet. Ik houd van mijn kinderen, ik beteken de wereld voor ze, maar ik bezorg ze nachtmerries. Ik had dit kind bij mijn vijand. En ik houd van haar. Haar aanblik, de geur van haar haar, doet me op dit ogenblik huiveren van liefde. Is het niet wonderbaarlijk hoeveel ik houd van het kind van mijn vijand? Maar een mens heeft geluk niet nodig voor zichzelf. Nee, hij kan iedere hoeveelheid kwellingen verdragen – in zijn herinneringen, in zijn eigen, welbekende zonden, wanhoop. En dit is de ongeschreven geschiedenis van de mens, zijn onzichtbare, negatieve welslagen, zijn macht het te kunnen stellen zonder voldoening voor zichzelf mits er iets groots is, iets waarin zijn wezen, en alle wezens, in kunnen opgaan. Hij hoeft niet betekenisvol te zijn zolang er voor zulke intensiteit ruimte is. Want dan is het vanzelfsprekend; het is betekenisvol.

Aftermath
Op het einde van Herzog vinden we onze held na een interventie van zijn familie terug op zijn landgoed. Terug naar af, lijkt het wel. Maar neen: Herzog verkeert in een bui van “opgewekte eenzaamheid”. “Ik ben er raar aan toe,” verklapt hij zijn broer Willie, “maar niet slecht.” Ik, als lezers, begreep alleen niet zo goed waar dat opgewekte vandaan kwam. In een laatste reeks brieven, zet Herzog de puntjes op de i.

Trouwens, kan ik voorgeven veel keus te hebben? Ik kijk naar mezelf en zie borst, dijen, voeten – een hoofd. Deze vreemde organisatie, ik weet dat die sterven zal. En daarbinnen – iets, iets, geluk… ‘Gij ontroert me.’ Dat laat me geen keus. Iets maakt intensiteit, een heilig gevoel, zoals sinaasappelen oranje maken, gras groen, vogels warmte. Sommige harten brengen meer liefde op, en anderen minder, vermoedelijk. Heeft dat iets te betekenen? Er zijn er ook die zeggen dat dit maaksel van het hart wetenschap heet. ‘Je sens mon coeur et je connais les hommes.’ Maar zijn geest nam nu ook afstand van zijn Frans. Dat zou ik niet met zekerheid kunnen zeggen. Mijn gezicht te blind, mijn verstand te begrensd, mijn instincten te beperkt. Maar deze intensiteit, heeft die dan niets te betekenen? Is het een idiote vreugde die dit dier, het vreemdste dier van allemaal, iets doet uitroepen? En denkt hij dat deze reactie een teken is, een bewijs, van de eeuwigheid? En heeft hij dat in zijn borst? Maar ik kan er geen bewijzen voor levern. ‘Gij ontroert me.’ ‘Maar wat wil je dan, Herzog?’ ‘Maar dat is het juist – helemaal niets. Ik ben tamelijk tevreden dat ik er ben, dat ik ben zoals dat gewild is, en zolang ik maar bezig kan zijn.’

We houden te veel van apocalypsen, zegt Herzog wijs, van crisisethiek, van “extremisme en de opwindende taal die er bij hoort”.

Een vreemd gevolg van het groeiend historisch bewustzijn is dat de mensen denken dat een uitleg noodzakelijk is om in leven te blijven. Zij moeten hun toestand kunnen verklaren. En als het niet-verklaarde leven niet waard is geleefd te worden, is het wel-verklaarde leven ons ook onverdraaglijk. ‘Vorm een synthese of ga ten onder!’ Is dat de nieuwe wet? Maar als je ziet wat een vreemde begrippen, hallucinaties, projekties er voortkomen uit het menselijk verstand begin je weer in de Voorzienigheid te geloven. Om deze idioterieën te overleven… In ieder geval is de intellectueel een Separatist. En met wat voor synthese zal de Separatist waarschijnlijk voor de dag komen?

Herzog opent de ramen van zijn verlaten huis, zodat de zon en de buitenlucht meteen naar binnen komt. Hij plukt bloemen voor op tafel en stopt met brieven schrijven. Hij heeft Madeleine en de herinnering aan haar “uit zijn vlees verwijderd”, staat er dan. Maar hoe? Waarom ineens? De confrontatie met Madeleine aan het einde van het boek is relatief kort geweest en wat mij betreft verstoken van vuurwerk. Heb ik iets gemist? Het boek eindigt na bijna vierhonderd bladzijden, maar het hadden er ook driehonderd kunnen zijn, of vijfhonderd. Een boek waarin veel scènes en parodieën konden overtuigen, maar niet de roman als geheel. Juist vanwege die willekeur. De laatste zinnen zijn:

Op het ogenblik had hij voor niemand een bericht. Niets. Geen enkel woord.

Waarmee Bellow een laatste maal suggereert dat kennis weliswaar macht is, maar ook tot ballast kan verworden. Met de slotzin lijkt hij te zeggen: als je de drang hebt naar woorden, teksten, theorieën is er al iets niet pluis. De lezer moet het doen met de wetenschap dat Herzog een deal met zichzelf heeft gesloten om zijn leven te beteren. Hoe dat uitpakt in de werkelijkheid – waar in de loop van de roman alle problemen onopgelost zijn blijven liggen! – wordt ons onthouden. Misschien heb ik inderdaad inmiddels zoveel boeken gelezen over intellectuele losers, dat ik te veel verwacht van deze pioniersroman. IJsbrand verwoordt dat mooi:

Navolgers hebben waarschijnlijk allang onzichtbaar gemaakt wat er ooit origineel was aan dit boek.

Wat er ook van zij, ik betrapte me er op dat ik ging terugbladeren in Herzog, op zoek naar mijn eigen finale. Voor mij situeert het hoogtepunt zich immers tussen bladzijde 200 en 300, wanneer Herzog onder meer tussen de lakens beland met Ramona. Al dat vruchteloos cerebraal gedoe van Herzog kan je ook zien als een verstopping van de vitale levensfuncties en juist in die scènes, met Ramona, lijkt zijn lust tot leven weer goed doorbloed.

Ramona is namelijk in de ban van de ideeën van Norman O. Brown en ziet het lichaam als een zorgvuldig te onderhouden tempel van de geest. Zij belichaamt “de ernst van het plezier” dat Herzog uit het oog verliest onder invloed van Kierkegaard, die vond dat mensen alleen beschaafde, ernstige wezens worden wanneer ze de hel door en door hebben leren kennen. “Zo niet, dan zullen genotzucht en lichtzinnigheid de hel over heel ons leven uitspreiden.” Ramona gelooft echter in geen andere zonde dan de zonde tegen het lichaam. Mens sana in corpore sano. Lichamelijke spanning moet seksueel worden gebroken.

Ramona zal weinig problemen hebben om Herzog op de knieën te krijgen. Zij roept seksuele reflexen in hem op waar jaren van fijnzinnigheid en Bildung – “geabsorbeerd zaad dat de grote brandstof was van zijn creativiteit” – weinig kunnen tegen beginnen. Haar eigen drijfveer is echter niet seks, maar liefde. Zodra ze Herzog ziet, realiseert ze zich “hoeveel van hem er nooit was gebruikt”. Een eenvoudig zinnetje dat me de krop in de keel deed krijgen. Ze is vastbesloten de rijkdom van Herzogs persoonlijkheid te ontginnen. Ook in het jachtige, geëmancipeerde New York van de jaren zestig, waarin man en vrouw als “twee wilden die tot vijandige stammen behoren, tegenover elkaar staan”.

Zij zei dat haar gevoelens voor hem diepte en rijpheid bezaten en dat ze een enorm verlangen koesterde om hem te helpen. Ze vertelde Herzog dat hij een betere man was dan hij dacht – een diepe man, mooi (hij kon het niet helpen dat hij in elkaar kromp als zij dit zei), maar treurig en niet in staat te nemen waar zijn hart werkelijk naar verlangde, een man door God beproefd, hunkerend naar genade, maar hals over kop op de vlucht voor zijn redding die dikwijls zo vlakbij was. Deze Herzog, deze rijkgezegende man, had om de een of andere reden een frigide, middelmatig begaafde, castrerende vrouw in zijn bed geduld, haar zijn naam gegeven en haar tot scheppend instrument gemaakt, en Madeleine had hem met minachting en wreedheid behandeld als om hem te straffen omdat hij zich verlaagd en gekleineerd had, omdat hij zichzelf had voorgelogen dat hij verliefd op haar was en de belofte van zijn ziel had verrraden. Wat hij werkelijk moest doen, zo ging ze door op dezelfde theatrale manier, – zonder schaamte dat ze zo welbespraakt was; hij bewonderde dit – was zijn verplichtingen na te komen jegens de grote gaven die hij ontvangen had, zijn intelligentie, zijn charme, zijn ontwikkeling, en zich los te maken om de zin van het leven na te streven, niet door desintegratie, waarin hij nooit zou vinden, maar door nederig en toch trots zijn geleerde studie voort te zetten. Zij, Ramona, wilde rijkdom aan zijn leven toevoegen en hem geven waar hij op de verkeerde plaatsen naar gestreefd had. Dit kon zij doen door de kunst van het beminnen zei zij – de kunst van het beminnen was een van de sublieme verworvenheden van de geest. Wat ze met rijkdom bedoelde was liefde. Wat hij van haar moest leren – zolang er nog tijd voor was; zolang hij nog mannelijk was en zijn krachten wezenlijk intact waren – was hoe hij de geest moest vernieuwen door middel van het vlees (een kostbaar vat waarin de geest rustte). Ramona was verdraaid net zo bloemrijk in deze sermoenen als in haar uiterlijk.

Met veel inlevingsvermogen tekent Bellow Ramona die eerst haar liefde uitdrukt in de bereiding van een lekkere maaltijd. Dit is de vrouw in één van haar favoriete rollen, een rol die niet verward mag worden met domme serviliteit: mensen ontvangen, mensen geruststellen. “Vrouwen willen ons niet laten klaarkomen, maar laten thuiskomen,” heb ik in potlood gekrabbeld in de kantlijn. Nog geen bladzijde later vertelt Bellow hetzelfde: “Vervulling in een ander zoeken, in interpersoonlijke verhoudingen, was een vrouwelijke sport.”

Maar vergis u niet, na het tafelen, het babbelen, het ceremonieel, wordt er ook geneukt. Ramona schijnt er goed in te zijn: “Haar methoden konden dan wel grof zijn, maar haar berekeningen klopten,” herinnert Herzog zich van eerdere stoeipartijen. Wat er door hem heen gaat als Ramona zich aan het uitkleden is in de belendende kamer, is gewoon magistraal:

Ramona wilde dat hij geen half werk deed (pecca fortiter!). Waarom was hij zo saai in de liefde? Hij zei dat hij na al zijn teleurstellingen zo kort geleden al blij was dat hij het tenslotte klaarspeelde, op de eenvoudige zendelingenmanier. Zij zei dat hem dat tot een zeldzaamheid maakte in New York. Een vrouw had hier zo haar problemen. Mannen, die er zo fatsoenlijk uitzagen, hadden dikwijls een zeer speciale smaak. Ze wilde hem terwille zijn op elke manier die hij maar wilde. Hij zei dat ze nooit een oude bokking in een dolfijn kon veranderen. Het was vreemd dat Ramona zich soms gedroeg als een van die meiden in obscene blaadjes. Waarvoor ze de meest hoogstaande redenen opgaf. Als ontwikkelde vrouw citeerde ze hem dan Catullus en de grote minnedichters aller tijden. En de klassieken van de psychologie. En tenslotte het Mystieke Lichaam. En zo was ze nu in de andere kamer zich vreugdevol aan het voorbereiden en ontkleedde en parfumeerde zich. Zij wilde voldoening geven. Hij hoefde alleen maar voldaan te zijn en het haar te laten weten, en dan zou ze eenvoudiger doen. Wat zou ze blij als ze kon veranderen! Wat zou het haar opluchten als hij zei, ‘Ramona, waar dient dit allemaal voor?’ Maar zou ik dan met haar moeten trouwen?
De gedachten aan trouwen maakte hem nerveus, maar hij ging er op door. Haar instinkten waren goed, ze was praktisch, capabel en zou hem niet kwetsen. Een vrouw die al het geld van haar man erdoor joeg, daar waren de psychiaters het over eens, was er op uit om hem te castreren. Wat de praktische kant betrof – en hij vond het zeer opwindend om praktische ideeën te hebben – hij kon de wanorde van de eenzaamheid van het vrijgezel-zijn niet verdragen. Hij hield van schone overhemden, gestreken zakdoeken, hakken aan zijn schoenen, al de dingen die Madeleine verachtte. Tante Tamara wilde dat Ramona een echtgenoot kreeg. Er moesten nog een paar jiddische woorden hangen in het geheugen van de oude juffrouw – shiddah, tachles. Hij zou een patriarch kunnen zijn, waartoe elke Herzog was voorbestemd. Het gezinshoofd, de vader, de overbrenger van leven, de bemiddelaar tussen verleden en toekomst, het instrument van mysterieuze scheppingsdrang, was uit de mode. Vaders verouderd? Alleen in de ogen van mannelijke vrouwen – diep ongelukkige, zielige blauwkousen. (Wat was het verfrissend om scherpe gedachten te hebben!) Hij wist dat Ramona gesteld was op geleerdheid, zijn boeken en artikelen in encyclopedieën, zijn doctorstitel aan de universiteit van Chicago, en graag Frau Professor Herzog zou willen zijn. Geamuseerd zag hij voor zich hoe ze zouden arriveren op deftige bijeenkomsten in het Hotel Pierre, Ramona met lange handschoenen aan die Moses voorstelde met haar bekoorlijke hoge stem: ‘Dit is mijn man, Professor Herzog.’ En hijzelf, Moses, een ander mens, welzijn uitstralend, badend in waardigheid, vriendelijk jegens een iegelijk. Zich een hele Piet voelend. Wat een kostelijk paar zouden zij vormen, zij met haar tics en hij met de zijne! Wat een vaudeville vertoning! Ramona zou zich wreken op de mensen die het haar vroeger moeilijk hadden gemaakt. En hij? Ook hij zou het zijn vijanden betaald zetten. Jemach sjemo! Laten hun namen worden uitgewist! Zij hebben een net voor mijn voeten gespannen. Zij hebben een kuil voor me gegraven. Breek hun de tanden, o God, in hun mond!
Met zijn gezicht en vooral zijn ogen donker en strak, deed hij zijn broek uit en maakte zijn hemd verder open. Hij vroeg zich af wat Ramona zou zeggen als hij aanbood in de bloemenhandel te gaan. Waarom niet? Meer contact met het leven door al de klanten die je ontmoet. De beperkingen van wetenschappelijke isolatie waren te veel geweest voor een man met zijn temperament. Hij had onlangs gelezen dat eenzame mensen in New York, opgesloten in hun kamers, de gewoonte kregen om de politie de bellen om bijstand. ‘Stuur een overvalwagen, om godswil! Stuur iemand! Stop me met iemand in de cel! Red me. Raak me aan. Kom. Wie dan ook – kom alsjeblieft!’
Herzog kon niet met zekerheid zeggen dat hij zijn studie niet zou afmaken. Het hoofdstuk over ‘Romantisch moralisme’ was aardig goed gegaan, maar het hoofdstuk dat ‘Rousseau, Kant, en Hegel’ heette, had hem op een dood spoor gebracht. Als hij werkelijk een bloemist zou worden, wat dan? Het was een buitensporig overschatte handel, maar dat hoefde zijn probleem niet te zijn. Hij zag zichzelf al in een gestreepte broek, suède schoenen. Hij zou moeten wennen aan de geur van aarde en van bloemen. Meer dan dertig jaar geleden, toen hij doodziek lag met longontsteking en peritonitis, had hij niet kunnen ademenen door de zoetheid van rode rozen. Die waren, waarschijnlijk gestolen, hem toegestuurd door zijn broer Shura die toen bij de bloemist in de Peel Street werkte. Herzog dacht dat hij misschien nu wel in staat zou zijn de rozen te verdragen. Dat verderfelijke ding, die welriekende schoonheid, zo bevallig rood. Je moest de kracht hebben om zulke dingen te verdragen anders zouden ze je door hun intensiteit van binnen kunnen doorboren en je zou dood kunnen bloeden.
Op dit ogenblik verscheen Ramona. Zij wierp de deur open en stond, om door hem bezichtigd te worden in de verlichte omlijsting van badkamertegels. Ze was geparfumeerd en, tot op haar heupen, naakt. Op haar heupen droeg ze het zwarte kanten stukje ondergoed, enkel dat ene kledingstuk en laag op haar buik. Zij stond op schoenen met naaldhakken, zeven centimeter hoog. Alleen dat, en de parfum en de lippestift en haar zwarte haar.
‘Beval ik je, Moses?’
‘O, Ramona! Natuurlijk! Hoe kun je dat vragen! Ik ben verrukt!’

Terwijl een John Updike hier nog wel een tijdje was doorgegaan, plaatst Bellow zedige witruimte. Laat ik dat dan ook maar doen.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Saul Bellow, Herzog
391 p.
Uitgeverij De Bezige Bij, 1970
Oorspr. Herzog (1964)
Vertaald door Mischa de Vreede


7 reacties op “Herzog – Saul Bellow”

  1. ijsbrandNo Gravatar says:

    Het dossier overziend dat ik over Saul Bellow heb aangelegd op mijn weblog, merk ik met altijd graagte cultuurkritische en relativerende citaten van hem te hebben opgenomen.

    Mijn blik op hem als schrijver is dus gekleurd. Waarmee het lezen van Herzog een lakmoestest had kunnen zijn die ik niet heb uitgevoerd. Was Bellow al zo voor dat boek uit 1964, of heeft hij met de roman juist zijn demonen beter zichtbaar weten te maken?

    Antwoord op zo’n vraag levert al gauw een doctorshoed op, ergens. Dat vergt inspanning.

    [Hé, de trackback van boeklog werkt weer]

    • Achille van den BrandenNo Gravatar says:

      Ik ben blij dat ik eindelijk eens zo’n intimiderend dik boek van Bellow heb willen lezen. Dat effent het pad voor Augie, Henderson en hoe heten ze daar allemaal. Ik ken zijn oeuvre heel slecht, en van zijn biografie niets meer dan het Wikipedia-lemma. Ik weet niet of ik zijn verzamelde essays (in het Engels dan) nu al moet bestellen, of best nog wat fictie lees. Hetzelfde met zijn Letters, die volgens Vrij Nederland in niets gelijken op de briefjes van Herzog.

      Eigenlijk is het een schandaal dat ik deze roman, met dat prachtige schrijven en hardop denken, niet als ‘aanbevolen’ heb gemarkeerd. Daarvoor was de worsteling soms te groot. Maar een worstelpartij kan ook iets opleveren, nu ik deze lange recensie met een klaardere kijk (het zweet inmiddels weggedept uit de ogen) herlees.

      [Ironie: mijn avatar werkt overal, behalve op mijn eigen site. Zorgen voor later.]

  2. ijsbrandNo Gravatar says:

    De essays zijn niet per se vergelijkbaar met de romans; op de soms flonkerende formuleringskracht na. Dat boek over zijn bezoek aan Jeruzalem is gekleurd door dat. En It All Adds Up bevat stukken uit ruim veertig jaar aan schrijverschap — interessant, boeiend, meer niet heel evenwichtig.

    Nee, het wonder is toch echt het best in die heel dikke boeken te beleven.

  3. […] wat boeken gelezen. Dat loonde. Zonder die duoformule had ik nooit Catch 22 (Joseph Heller) en Herzog (Saul Bellow) uitgekregen. Trager lezen resulteerde in beter nadenken over wat ik las. Misschien […]

  4. […] van de auteur laten de pagina’s in het boek oplichten, in het bijzonder wanneer ze een pagina uit ‘Herzog’ van Saul Bellow  neemt en daarmee gepassioneerde brieven afvuurt naar zowel levende als dode beroemdheden. Ze is […]

  5. […] van de auteur laten de pagina’s in het boek oplichten, in het bijzonder wanneer ze een pagina uit ‘Herzog’ van Saul Bellow  neemt en daarmee gepassioneerde brieven afvuurt naar zowel levende als dode beroemdheden. Ze is […]