Het avondrood der magiërs is een geestig boek dat afrekent met allerlei excessen uit de jaren zestig. De grote afkeer voor het rationele en de verheerlijking van het irrationele zijn de twee voornaamste mikpunten van spot. De voorbeelden van Rudy Kousbroek zijn gedateerd, de kern van zijn verhaal niet. Omdat ‘het mysterieuze’ nog steeds meer mensen boeit dan het abstracte. Het abstracte van de wetenschap, that is.
Het blijft iets raars in mijn leeshistoriek. In mei 2005 heb ik kort na elkaar drie deeltjes Anathema’s gelezen. Steeds met het grootste genoegen. Daarna heb ik jarenlang geen boek meer aangeraakt van Rudy Kousbroek. Hoe dat komt? Ik was voornamelijk een literair georiënteerde lezer in die dagen. Dat je literatuur en non-fictie zorgeloos naast elkaar kon lezen, had ik nog niemand zien voordoen. En uit eigen beweging rijpte het besef niet dat zo’n gecombineerde lectuur mijn visie op literatuur kon uitdiepen.
Dus bleef het bij romans en poëzie en aanverwanten. Kousbroek las ik toen hij in het blikveld kwam door één van mijn toenmalige interesses, de Franse cultuur. De Nederlander met de rare naam bood heerlijke lectuur, maar ik was nog te onwetend om het wereldbeeld te herkennen dat uit deze kristalheldere essays sprak.
Het avondrood der magiërs – verleden jaar pas gelezen – is een verzameling artikelen die voor het grootste deel verschenen in 1967 en 1968 in Vrij Nederland en het Algemeen Handelsblad. Laat ik eerst een waarschuwing afgeven. Tijdgebonden referenties maken dit boek minder leesbaar dan had gekund. Kousbroek reageert op fenomenen die in de jaren zestig in de mode waren: het gedachtengoed van Teilhard de Chardin, de teneur van het tijdschrift Planète, de vertogen van Timothy Leary, een bepaald soort science fiction, en schrijvers die in de wereld van het moderne bijgeloof de status van mentor, goeroe of mage genieten – Aldous Huxley, Carl Jung, Marshall McLuhan en nog een paar. De titel van het boek is een knipoog naar de klassieker Dageraad der magiërs (1960) van het schrijversduo Pauwels en Bergier, die een hernieuwde interesse in de occulte wetenschappen in de hand werkte.
Het avondrood der magiërs lezen lijkt dan ook op een rondje dossiervreten: in gedachten met fluor markeren wat nog bruikbaar is en de rest – sans rancune – uitspuwen. Maar dat loont: er is véél bruikbaars in Avondrood. In twee dozijn vaak militant getitelde essays (‘De weg naar Damascus’, ‘Het mystieke apenpak’, ‘Infantile omnipotence’) trekt Kousbroek ten strijde tegen kinderachtige ideeën. Rode draad is dat die ideeën de verworvenheden van de wetenschap ofwel ontkennen ofwel op een onjuiste manier recycleren voor eigen gebruik. Het mysterie wordt daarbij steevast op het schild gehesen: met veel bombarie schikt men zich in het onkenbare en ziet men af van pogingen om de werkelijkheid nog verder te begrijpen. Men interesseert zich niet voor oplossingen. Men wil per se het grote onbekende in stand houden, iets wat het verstand te boven gaat.
Toch verschilt het ‘moderne bijgeloof’, zoals Kousbroek het noemt, van eerdere vormen van kwezelarij. Het geloof in het bovennatuurlijke van de jaren zestig pretendeert namelijk aan te sluiten bij de moderne wereld van wetenschap en techniek. Dat betekent dat in Avondrood de grote gevestigde godsdiensten voor één keer niet worden aangevallen. Traditionele religies houden zich in de regel immers verre van gegoochel met cybernetica, onzekerheidsrelaties, artificiële intelligentie en de relativiteitstheorie.
Ik las dit boek met graagte, omdat Kousbroek heel wat van mijn eigen ergernissen definitief lijkt te verwoorden. Esoterische denkers die wetenschappelijk jargon recupereren. De domme angst van een bepaalde tegencultuur voor alles wat naar techniek ruikt. Het ‘verklaren’ van de werkelijkheid in onweerlegbare slogans. De verering van pseudo-intellectuele kutfilms als Alphaville.
Een voorbeeld uit de vele: hoewel ik niet weet of ik het ‘wij zijn ons brein’-segment onder de huidige generatie neurowetenschappers helemaal volg in zijn conclusies, tref ik in dit boek wel een mooie weerlegging aan van al te platte kritiek op hun visie.
In een recent nummer van Tirade leest G. van het Reve iemand de les die zich beroepen had op het motto van W.F. Hermans: ‘de mens is een chemisch proces als een ander.’ ‘Ik heb nog nooit een brief van een chemisch proces gehad,’ luidde van het Reve’s weerlegging van dat motto. Een klassiek voorbeeld van het te bewijzene als bewijs gebruiken: gesteld dat het motto juist is, dan krijgt van het Reve geregeld en uitsluitend brieven van chemische processen, en zijn weerlegging is dan iets als Juffrouw Lap die bewijst dat mensen geen zoogdieren zijn door te zeggen dat zij nog nooit een brief van een zoogdier (bv. een ezel) heeft gekregen.
Hieronder een uitgebreide samenvatting van de voornaamste ideeën die Kousbroek in dit boek ontwikkelt.
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> zeer beknopte bibliografie in de reacties hieronder
Rudy Kousbroek, Het avondrood der magiërs
158 p.
Uitgeverij Meulenhoff, 1979
Oorspr. (1970)
Pseudowetenschap
Kenmerkend voor het nieuwe bijgeloof in de jaren zestig is dat wetenschap en het ‘onkenbare’ een verbond met elkaar aangaan. Nieuwe bijgelovigen snappen het verschil niet tussen wetenschap en mysterie. Voor zulke mensen, zegt Kousbroek, is wetenschap een van de zovele mysteries, een onbegrijpelijke kracht waarover zij geen rationele controle heben, zodat zij hem naar klassiek model proberen te bezweren. Zeer gepreoccupeerd is het nieuwe bijgeloof dan ook met ‘de toekomst’. In die mythische toekomst zijn wetenschap en het onkenbare, techniek en mirakel niet langer met elkaar in tegenspraak, maar manifestaties van elkaar. Mystiek inzicht is niet meer “alleen een toegang, een Door of Perception, tot het transcendente, maar ook tot wetenschap. Het is de voorstelling dat men door middel van extase (al of niet teweeggebracht door chemische substanties) inzicht kan krijgen in – bijvoorbeeld – de Relativiteitstheorie of de DNA-code (Timothy Leary). De wetenschap zelf is iets geworden waarvan men mystieke, geopenbaarde kennis kan hebben.”
Een van de eerste slachtoffers van dit gedwongen huwelijk tussen wetenschap en mystiek, is het wetenschappelijk jargon. Dat is het verschil met vroeger: waar voorheen inspiratie werd geput uit exotische bronnen of Oosterse wijsheid, wordt nu ook het jargon uit de Westerse wetenschap gerecupereerd door de nieuwe bijgelovigen. Men neemt dan woorden als ‘straling’ of ‘energie’ in de mond, op een manier die volledig is losgerukt van hun gangbare betekenis.
Waar het om gaat is dat door de moderne mystici jacht wordt gemaakt op de tekens van het wetenschappelijke. Het is daarom dat een blad als Planète vol staat met foto’s van computers, laboratoria, sterrewachten, eenzame ingenieurs achter het schakelbord van een kerncentrale, etc., met daarnaast illustraties van het type ‘waar het verstand bij stilstaat’, zoals nevelvlekken, menselijke embryo’s, maanlandschappen, macromoleculen gezien door een electronenmicroscoop, en een enkele raadselachtig glimlachend godenbeeld uit deze of gene grijze oudheid. Deze foto’s vervullen grammaticaal precies dezelfde functie als de meer gesignaleerde woordcombinaties die ontbloot zijn van betekenis (Transrationeel, goddelijke energie, de analyse van het onkenbare, etc.), maar die de bedwelming van het mysterieuze paren aan een illusie van wetenschappelijkheid en exactheid.
Hier is volgens Kousbroek de algemeen menselijke capaciteit aan het werk om “zich de illusie van begrip te geven bij klanken zonder betekenis, de fysieke bevrediging van het begripsgevoel zonder de bijbehorende cerebrale voorstelling”. Waar het in dit verband om gaat is “een combinatie van dit vermogen en de bekende primitieve gedachte dat men iets ook kent, ook bezit, als men ‘het woord er voor weet’. Het taalgebruik waar het moderne bijgeloof aan herkenbaar is, is duidelijk een dwangmatig taalgebruik, een poging om zich gerust te stellen door het gebruiken van allerlei wetenschappelijke termen.”
Tegelijk blijft er voor de nieuwe bijgelovige een inwendige werkelijkheid bestaan die eeuwig tijdloos en onvergankelijk is. Achter de zichtbare fysieke werkelijkheid schuilt een ‘andere’ of ‘hogere’ werkelijkheid, die in feite de essentiële werkelijkheid zou zijn en waar het uitwendige – techniek, productie, communicatie, economie, uitrusting, informatieverwerking – geen invloed op heeft. In die optiek “verandert de wetenschap hoogstens de uitwendige wereld, zijn bovenbouw, zijn superstructuur; maar de eigenlijke kern, de ‘fundering waar alles op rust’, dat wil zeggen het oude denkpatroon, compleet met geloof in het bovennatuurlijke en de hele metafysische poppenkast, dat blijft onveranderd.” In feite, zegt Kousbroek, is het natuurlijk precies omgekeerd: dat is het juist wat veranderd is en op losse schroeven is komen te staan.
Het kennen van die hogere werkelijkheid, die de schijn van alledag overstijgt, gebeurt meestal via een plotseling irrationeel inzicht, een openbaring, die een ‘een nieuw licht’ werpt op ‘alles’. Het geloof dat de alledaagse werkelijkheid een illusie is, leidt tot de voorstelling dat alles één is: “verschillen en tegenstellingen zijn immers een onderdeel van de schijn. Ook het verschil tussen verleden, heden en toekomst is een manifestatie van die schijn, verleden en toekomst zijn één, vandaar dat mystici altijd eensgezind zijn in hun ontkenning van de werkelijkheid van de Tijd. Tijd, met een hoofdletter, is een illusie.”
Nog een trapje erger is de patafysica: “de wetenschap van het bijzondere, de kennis van de wetmatigheid der uitzonderingen, en van de denkbeeldige oplossingen.” De patafysicus verwerpt niet alleen iedere wetenschappelijke verklaring van de kosmos, maar ook iedere onwetenschappelijke verklaring. De patafysica wordt aldus de Hoogste Vorm van Kennen.
Waarom zou het Hogere niet bestaan? Waarom zou niet, zoals een briefschrijver mij voorhoudt, negen-tiende van de ijsberg onder water zitten? Inderdaad, waarom niet? En waarom zou achter dat Hogere niet het Nog Hogere zitten? Nieuwe ijsberg, weer voor negen-tiende onder water.
Achter de fysica verbergt zich de metafysica. Maar wat verbergt zich achter de metafysica? Het antwoord is: de patafysica, het Hogere in het Kwadraat. Het is de werkelijkheid achter de werkelijkheid, waar de metafysici helaas ziende blind voor zijn. Al het Hogere is niets dan schijn en illusie, die het uitzicht op het Nog Hogere daarachter belemmert.
De ironie wil dat, hoewel nieuwe bijgelovigen tevreden verklaren dat de traditionele wetenschap nooit het kraslaagje op de werkelijkheid kan wegkrabben, zij diezelfde ‘officiële wetenschap’ beschouwen als de hoogst bereikbare bevestiging, als het absolute bewijs van hun theorieën, wanneer de logica en de wetenschap een of ander onderdeel van hun ideeën ‘erkent’.

Alpha 60, de supercomputer uit Alphaville (1965) van Jean-Luc Godard
Drugs
Dat in bepaalde middens wordt geloofd dat drugs een koninklijke route naar de authentieke werkelijkheid (zoals hierboven beschreven) bieden, is geen geheim. Avondrood der magiërs bevat verschillende essays waarin door Kousbroek wordt getracht om zowel de angstgevoelens als de overspannen verwachtingen die drugs aankleven te counteren.
Het gebruik van het middel LSD zou volgens Kousbroek om te beginnen legaal moeten zijn, zelfs als het waar is dat er, in tegenstelling tot marihuana en hashish, risico aan verbonden is. “De mensen hebben tenslotte ook het recht om andere riskante dingen te doen, zoals vliegen, met auto’s racen, bergbeklimmen en wat dies meer zij. Dergelijke activiteiten zijn onderworpen aan formaliteiten als keuring, verzekering, gebruik van gidsen e.d., en iets analoogs is ook voor het gebruik van LSD denkbaar.”
Omdat LSD evenwel voor een mind altering middel doorgaat, gaat er maatschappelijk gevaar van uit. En dat heeft zijn weerslag op de juridische status van het roesproduct. Veel genotsmiddelen hebben dezelfde weg afgelegd. In het Midden-Oosten werd koffie aanvankelijk voor een ‘zinnenveranderende’ drank gehouden; zij werd in die tijd clandestien gedronken en op het verkopen of consumeren ervan stonden strenge straffen. En waarom kan iedereen nu weer net zoveel roken als hij zin heeft zonder geëxcommuniceerd te worden? Omdat wij nu weten dat men er alleen maar longkanker van kan krijgen, en geen visioenen. De orde van de samenleving is niet in gevaar.
Hoe zou onze samenleving reageren als de tabak in onze tijd in Europa geïntroduceerd werd in plaats van 400 jaar geleden? De tabak zou ongetwijfeld niet in de handel zijn. Alleen het artsengilde zou het recht hebben om kleine hoeveelheden ervan voor te schrijven, voor de door enkele vooruitstrevende specialisten toegepaste tabaktherapie. Henri Michaux zou ermee geëxperimenteerd hebben en hij zou op zijn tentoonstellingen een speciaal hoekje reserveren voor schilderijen ‘gemaakt onder de invloed van de tabak.’
Tot zover de overspannen angstreacties. Aan de andere kant van het spectrum vinden we de mensen die drugs verwelkomen als manna uit de hemel. Zij hebben de neiging de LSD-belevenis weer te geven in termen van heilige kennis, omdat het goedje werkzaam is in het gebied waar die kennis gesitueerd wordt, het brein.
Maar op de vraag of psychedelica invloed heeft op de creatieve vermogens, zoals het gebruik van het spul door schrijvers als Ginsberg en Burroughs doet uitschijnen, luidt het antwoord van Kousbroek laconiek: neen. De psychedelica zijn nu al zo lang in omloop en toch is er geen merkbare hausse in creatieve verbeelding. Als druggebruik de ‘doors of perception’ wijdopen zet, blijft het vermogen om psychedelische ervaringen iets te laten betekenen kennelijk maar voor héél enkelen weggelegd. Wie echter in staat is om de uitwerking van de hallucinogene substanties te zien als ‘een chemisch proces als een ander’ zal misschien die zogenaamde ‘bewustszijnsverruiming’ die gegeneerd wordt door drugs eerder beschouwen als bewustzijnsvernauwing.
Poëzie
Nu we het toch over Ginsberg hebben. In de afdeling ‘Poëzie als bijgeloof’ bekampt Kousbroek de neiging de nobele kunst der poëzy te misbruiken om aan het irrationele allerlei Hogers op te hangen. Poëzie “om ons opgesloten te houden in een wereldbeeld dat geen enkele relatie tot de wereld heeft, dat een ontkenning is van alle techniek en wetenschap waar wij mee leven.” De zienswijze die Kousbroek dan ook na aan het hart ligt is deze van mensen “die de poëzie beschouwen zoals [hij] de opera: archaïsch, folkloristisch, koddig, onmogelijk om ernstig te nemen; mensen die in de lach schieten bij een uitdrukking als: ‘de woorden loszingen van hun betekenis’, en in het algemeen bij alle beeldspraak die van dichters zangers maakt.”
Kousbroek ergert zich aan het feit dat poëzie, omdat ook zij werkt met de aantrekkingskracht van het onbegrijpelijke, geruisloos gelijkgeschakeld wordt met enerzijds esoterie, anderzijds met religie. In die laatste optiek wordt de dichter gezien als een moderne hogepriester. Een voorbeeld is The white goddess van Robert Graves, waarin dichters verklaard worden als priesters van de Witte Godin, en het dichten als een soort fatale lotsbestemming. De link tussen poëzie en esoterie? Bekijk een paar nummers van Planète, zegt Kousbroek, het fantastisch-realistische tijdschrift dat Jacques Bergier en Louis Pauwels een tiental jaren uitbrachten, terend op het succes van Dageraad der magiërs.
De betiteling ‘poëzie’ voor datgene waar Planète vol mee staat – de aantrekkingskracht van het onbegrijpelijke; thema’s als tijd, ruimte, liefde, dood en extase; de erotisering van het verontrustende – die betiteling wordt door iedereen onmiddellijk begrepen, want dit zijn stuk voor stuk attributen van de traditionele poëzie. Termen als: het wonderbaarlijke, het mystieke, het hogere, het goddelijke, en het poëtische zijn in dat verband practisch synoniem. In de klassieke driehoeksverhouding: poëzie/religie/wetenschap, zijn poëzie en religie verwant en staan diametraal tegenover wetenschap.
Dat ondanks dit alles Kousbroek toch poëzie leest en zelfs schrijft, komt doordat er dichtkunst bestaat die zich aan deze atmosfeer onttrekt. Poëzie die na aftrek van al het bovenstaande overblijft: “het irrationele waaraan niet op een of andere manier aan geknoeid is, dat niet als kapstok gebruikt wordt voor het een of ander gewichtigs. Een van de dingen die het dan beslist moet omvatten is verder ook de humor.” Alleen, dat poëzie intelligent en toch lichtvoetig kan zijn, is een idee dat zo moeilijk ingang vindt in de Republiek der Letteren. In Nederland wordt poëzie doorgaans met een grote P geschreven. Of met de H van Heilige ernst.
Net zoals de ernstige romanproductie ook goeddeels ‘poëtisch’ van aanleg is. “Onze romans zijn bijna altijd grote lappen stemmingsproza, met niet meer structuur dan appelmoes,” schrijft Kousbroek. In het essay getiteld ‘Glamour’ denkt hij na over het prestige van literatuur in het hedendaagse cultuuronderricht. Daarbij stelt hij iets vreemds vast. Literatuur is de enige tak van kunst waar geen opleiding voor bestaat. In zekere zin lijkt het zelfs een kunst die iedereen beheerst: iederéén kan schrijven. Naar school gaan is bij ons zelfs synoniem met ‘leren schrijven’. Dat is meer dan een flauwe woordspeling: in onze cultuur is onderricht a priori ‘literair’. Daarom wordt in alle westerse talen, om maar te zwijgen van de oosterse, een onontwikkeld mens ongeletterd genoemd. Kennis der klassieken, of ‘literaire’ kennis is in aanleg de nog steeds wijd verbreide gedachte dat men iets ook kent als men ‘het woord er voor weet’. Iets als zuivere wiskunde wordt in onze samenleving niet als ‘cultuur’ gezien.

De ‘Moloch-machine’ uit Metropolis (1927) van Fritz Lang
Computers
Typisch voor de tegencultuur in de jaren zestig: diametraal tegenover poëzie en religie (en bij uitbreiding al wat typisch ‘des mensen’ is), zou de wetenschap staan, en de techniek. Het volgen van een ijzeren logica en dito wetmatigheden zou monsters scheppen die mensen vervreemden van hun diepste kern. Avondrood der magiërs bevat een aantal kritische beschouwingen van films, alle behorend tot de canon van de cultureel correcte klasse, die dit vooroordeel uitspelen.
Kousbroek probeert onder meer het succes van Alphaville te verklaren. Het verhaal dat Jean-Luc Godard in die film vertelt, is cliché: de aloude tegenpolen liefde en poëzie worden lijnrecht tegenover technologie en wetenschap gezet. Centraal staat de supercomputer Alpha 60, die zo intelligent is dat hij zichzelf opnieuw heeft geprogrammeerd en nu in staat is zelf te denken. Alpha 60 maakt van de samenleving een totalitaire staat die – letterlijk – gedicteerd wordt door de logica. Emoties verdampen. Woorden als ‘liefde’ worden verbannen. De eenvoudige vraag ‘Waarom?’ is niet meer aan de orde.
Dat zo’n grove tegenstelling aanslaat bij intellectuelen komt volgens Kousbroek omdat zij “door de moderne wereld wandelen als Neanderthalers door een sterrewacht: ongerust, omgeven door apparaten waarvan de werking hun volslagen onbegrijpelijk is.” Het enige echt opmerkelijke aspect van de Alphaville is dan ook dat de film op een benauwende manier weergeeft wat er in het hoofd van een Neanderthaler omgaat. Het werkstuk van Godard is het zoveelste in een lange reeks van om de wetenschap en het logisch denken verantwoordelijk te houden voor allerlei lugubere aspecten van de moderne samenleving.
Komt daarbij dat intellectuelen kicken op het thuisbrengen van de citaten die in Godard in zijn film stopt en woordspelingen als ‘la Conscience’ (bewustzijn) versus ‘le con science’ (de stommeling wetenschap). Door het platvloerse karakter van deze allusies kan een niet bijster intelligente middenklasse zich tevreden stellen met de sensatie dat ze iets moeilijk begrepen heeft (lees: een van de citaten en woordgrapjes heeft opgepikt).
Waarom heeft doorsnee science-fiction voor het grote publiek altijd domme regressieve trekjes? Dat vraagt Kousbroek zich af wanneer hij daarna 2001: A space odyssey van Stanley Kubrick aanpakt. Kubrick wordt doorgaans hoger ingeschat dan Godard, en toch is zijn toekomstbeeld, gebaseerd op het verhaal ‘The sentinel’ van Arthur C. Clarke, in hetzelfde bedje ziek. In het futuristische jaar 1999 wordt bij een opgraving op de maan een vreemde magnetische monoliet ontdekt in de Tycho-krater. Terwijl een wetenschappelijke staf de steen onderzoekt, vallen er zonnestralen op, waarop het ding een oorverscheurend hoog signaal uitzendt richting Jupiter.
Typisch aan dit soort SF is voor Kousbroek dat de vondst geheim gehouden wordt. Dat hangt samen met het feit dat de monoliet niet wordt opgevat als een mechanisme (een schakelnetwerk, een chemisch proces) maar als vanzelfsprekend wordt beschouwd als een manifestatie van het bovennatuurlijke. Omgekeerd wordt de supercomputer HAL 9000 voorgesteld als een ‘brein zonder ziel’ en ‘dus’ het werk van een booswicht – “een machine die alleen bestaat in de verbeelding van het soort mensen dat Raymond Queneau eens heeft beschreven als ‘les pleurnicheurs sur les méchants robots’ (de huilebalken die jammeren over de boze robots)”. De conclusie van Kousbroek luidt dat het hier gaat om een bepaald type regressieve fantasie die ten onrechte met de term science-fiction aangeduid.
Men kan in de uitwerking van een science-fiction verhaal zoals dit in feite drie bestanddelen onderscheiden:
I. Het gegevene, dat niet in de bek wordt gezien. Datgene wat mensen op tot dusver onbekende hemellichamen vinden is nauwkeurig het domein van de fiction in een werk van science-fiction. Hoogstens zal men proberen die fiction zo te kiezen dat het niet in tegenspraak is met het reeds bekende (d.w.z. geen blauwe meren en wuivende palmbomen op de maan, etc.).
2. De science daarentegen is betrekkelijk op de analyse en interpretatie van het gevondene: de ‘objectieve’ verklaring van wat het is, hoe het functioneert, etc. Die analyse en interpretatie kunnen eventueel berusten op een fictieve wetenschap.
3. Datgene wat de mensen, geconfronteerd met het gevondene, doen. De mate waarin hun handelingen gebaseerd zijn op hun analyse (en de mate waarin zij dat niet zijn) vorm de psychologie van het verhaal. Het is in principe mogelijk om daarbij uit te gaan van een futuristische, fictieve psychologie (mensen die anders denken en reageren dan wij doen, hier en nu) maar daaran heeft nog bijna niemand zich ooit gewaagd. De meeste science-fiction is op dit terrein integendeel opvallend armoedig.
De vondst van een monoliet op de maan is dus axiomatisch en niet aan kritiek onderworpen. Het is het ‘als’ uit de voorwaarde: ‘als… dan’; de vraag is: als er een monoliet op de maan wordt gevonden, wat gebeurt er dan?
Laatste prent die voor de bijl gaat is Metropolis van Fritz Lang. Let wel, Kousbroek trekt de stilistisch-cinematografische verdiensten van de film niet in twijfel, hij vraagt alleen de kwaliteit van stijl en inhoud niet met elkaar te verwarren. Want ook bij Lang wordt de relatie tussen mens en, in dit geval, de ‘Moloch-machine’ vervalsd. Wat de moeite waard is voor Kousbroek is “de constatering dat juist degenen die bazelen over de onmenselijkheid van de machine steeds degenen zijn die machines als levende wezens trachten voor te stellen, en die er een gezicht of een stem of iets anders menselijks aan willen geven”. “Dat het in plaats van de machine niet deze animistische houding is die als een ‘gevaar’ wordt gezien, dat is goed beschouwd de grootste absurditeit van onze eeuw.”

HAL 9000, de computer uit 2001: A Space Odyssey (1968) van Stanley Kubrick
Goeroes
De jaren zestig laten een hausse zien van denkers die de samenleving denken te kunnen herleiden tot een handvol slogans. Zulke denkers verdienen per definitie ons wantrouwen. Een mooie afdeling van Het avondrood der magiërs is gewijd aan de Canadese mediaspecialist Marshall McLuhan, die in de jaren zestig een aantal klassiekers schreef over moderne media en communicatie. Elk boek – The Gutenberg galaxy (1962), Understanding media (1964), The medium is the massage (1967), War and peace in the global village (1968) – leverde wel een concept of catchphrase op die gezonken cultuurgoed is geworden.
Rudy Kousbroek was alvast niet onder de indruk. Hij wijst op twee verklikkerlichtjes die naderend onheil aankondigen. Eerst het feit dat McLuhan zich vergelijkt met Pasteur, het traditionele model voor miskende genieën. Voorts de wetenschap dat hij zwaar leunt op Henri Bergson, “de filosoof die de relativiteitstheorie ‘weerlegde’, de geestelijke vader van bedenkers van pseudo-wetenschappelijke kosmische theorieën zoals Teilhard de Chardin, een van de meest reactionaire en anti-wetenschappelijke geesten die er ooit geweest zijn. In 1937 waarschuwde Chardin, ter gelegenheid van het Descartes-Congres, dat ‘onze uitvindingen zich tegen ons zouden keren’, gehoorzamend aan de Bergsoniaanse dialectiek van la retombée die een obstakel is voor het élan, als la mystique niet neerdaalt op la mécanique.” Ook hier weer: een buitenproportionele angst voor de kwalijke gevolgen van de techniek.
Avondrood der magiërs legt mooi bloot hoe McLuhan het archetype is van de schrijver bij wie de belabberde stijl en de vage ideeën elkaar camoufleren.“Het lijkt mij,” schrijft Kousbroek,
dat literaire kwaliteiten als knapheid van formulering, oorspronkelijkheid, vindingrijkheid, economie van middelen, nuance, kortom: stijl, de natuurlijke bijproducten zijn van datgene wat iemand te zeggen heeft. Het hebben van oorspronkelijke, nieuwe denkbeelden, die niet al eens door een ander geformuleerd zijn, plus een zeker fanatisme omtrent die denkbeelden en omtrent de manier waarop een ander ze begrijpen zal, kan soms leiden tot obscuriteit en hermetiek, maar niet tot onverschillige benaderingen en platgetreden gemeenplaatsen.”
Maar vaagheden en gemeenplaatsen vind je bij McLuhan nu juist bij de vleet: ‘literature man’, ‘visual man’, ‘tribal man’, ‘western man’, ‘audile man’, ‘tactile man’ – “een eindeloze rij grauwe mannen sjokt door McLuhans proza, waarin de impuls om naar een beter woord te zoeken, of om een monotone herhaling te vermijden, ontbreekt als water in een woestijn.” Wanneer McLuhan wordt uitgenodigd om duidelijk omlijnde voorspellingen te doen, dan komen er altijd trivialiteiten als ‘de auto zal verdwijnen’, of in antwoord op de vraag welk type presidentskandidaten het het beste zal doen op tv: ‘De meer stijve, harkerige typen zullen helemaal niet bij het tv-publiek overkomen.’ Nee toch, wie had dat gedacht!
In een hilarisch stuk getiteld ‘Het licht uit Toronto’ demonstreert Kousbroek dan hoe McLuhan’s ideeën bol staan van de innerlijke tegenspraken en uitgerekend het succes en receptie van McLuhan’s boeken een paar van zijn voornaamste ideeën lijken te weerspreken. (Hier uitleggen waarom zou een snelcursus McLuhan vergen en daarom te ver leiden. Ik verwijs graag door naar het stuk.)
Bovenal ziet Kousbroek in McLuhan geen origineel denker, maar een gauwdief die andermans ideeën zonder bronvermelding vulgariseert middels hippe zinssneden. Een slogan als ‘the medium is the message’ kan opgevat worden als een populaire formulering van de hypothese van Sapir-Whorf. Een heel stuk McLuhanisme kan herleid worden tot een zin als: the meaning of a message is the change which it produces in the image, uit Kenneth Bouldings in 1956 verschenen The image. En er is nog meer.
Uitdrukkingen als ‘the medium is the message’, ‘the extensions of man’, ‘hot & cool media’, ‘the electronic village’, ‘instantaneous participation in depth’, e.d., zijn gevleugelde woorden geworden, en men kan dit verschijnsel beschouwen als een geslaagde verspreiding, op populair niveau, van een aantal begrippen afkomstig uit de informatie-theorie, de cybernetica en de semiotiek.
‘Een van de voornaamste karakteristieken van de media,’ schrijft McLuhan, ‘is dat hun inhoud hun aard verbergt.’ De mensen worden maar betrekkelijk weinig beïnvloed door de inhoud van de boeken die zij lezen; het is het feit van lezen, de manier waarop tijdens het lezen de informatie wordt opgenomen, die de mensen heeft veranderd en beïnvloed. En op die manier heeft elk der media – radio, televisie, telefoon, e.d. – een invloed die onafhankelijk is van hun inhoud.
McLuhan is echter niet de enige, en niet de eerste die deze ontdekking heeft gedaan, schrijft Kousbroek. In Frankrijk was men sinds Saussure al decennia aan de gang over signifiants, signifiées en signes. Soms wordt het ook ‘het inhoudende en het ingehoudene’, ‘bericht en signaal’, ‘inhoud en vorm’ genoemd, afhankelijk van welk hoofd men aanspreekt. Deze kwesties waren dus niet bepaald nieuw, en vooral sedert de communicatietheorie van Shannon en Weaver heeft men vorderingen gemaakt op dit gebied. Het punt is nu: van de de auteurs bij wie McLuhan zijn voornaamste denkbeelden heeft geleend komen er maar een heel enkele voorkomt in zijn bibliografie; Bouldings wel, maar Shannon en Weaver niet en Whorf niet en Norbert Wiener ook niet.
Vooral Understanding media moet het bekopen bij Kousbroek. Dit was niet het eerste boek van McLuhan, maar wel het eerste dat praktisch helemaal bevrijd was “van de hinder van rede, verifieerbaarheid of relatie met de werkelijkheid”. Voor Kousbroek is het vanzelfsprekend dat dit boek in de jaren zestig, de jaren van het nieuwe bijgeloof, juist daarom zo bekend werd, en niet de twee er aan voorafgaande. Het is volgens Kousbroek een karakteristiek van alle ideeënliteratuur die het in onze samenleving tot werkelijke bekendheid brengt – bekend bij een groot publiek, op de manier van een bestseller. Figuren als vroeger Sartre en Heidegger en later Lévi-Strauss, Michel Foucault en Jacques Lacan danken hun beroemdheid aan het irrationele in hun denken. Dit wil zeggen: “niet door de belofte een werkelijke oplossing te geven aan werkelijke vraagstukken, maar door de belofte van inwijding in een mysterie.” De neologismenvloed die deze denkers produceren is lood om ijzer. Zoals Arthur Koestler de ideeën van Teilhard de Chardin typeerde: “a mystery wrapped in a metaphor”.
Vergis u niet. De populariteit van Heidegger, Foucault en Lacan duurt nog altijd voort in de menswetenschappen, en in de literatuurwichelarij in het bijzonder. Reden waarom Het avondrood der magiërs nog steeds een actueel boek is en weleens herdrukt zou mogen worden. Kousbroek zag het in 1970 al somber in:
Ideeën zijn een soort hybride tussen esthetiek en objectieve kennis, tussen natuur en natuurkunde. Aan de ene kant onbewijsbaar – de waarheid van een formule als ‘racisme is slecht’ is evenmin aantoonbaar als die van ‘krokodillen zijn lelijk’ – vertonen ideeën aan de andere kant een aspect van structuur van worteling in feiten, waarover het mogelijk is om concrete opmerkingen te maken. Men kan bv. aantonen dat de opbouw van een argument niet logisch is terwijl het wel die pretentie heeft, dat een auteur bepaalde zaken niet wist of weg heeft gelaten, dat hij iets verkeerd citeert, of dat zijn conclusies gebaseerd zijn op ondeugdelijke observaties. Dit maakt dat de kritiek van ideeën aan de ene kant een opwekkender bezigheid is dan die van schone kunsten of letteren. Aan de andere kant past een diepere moedeloosheid tegenover de constatering dat ideeënliteratuur zich niet merkbaar méér aan kritiek stoort dan belles lettres.

Enige opmerkingen over nut en waarde der klassieke vorming – A.J. Koster
Theories of perception and the concept of structure – F.H. Allport
Sense and nonsense of McLuhan – S. Finkelstein
The strangeld cry – John Strachey
La révolution introuvable – Raymond Aron
Science and sanity – Alfred Korzybski
The meaning of meaning – Ogden en Richards
George Adams: invloeden van Teilhard de Chardin en Rudolf Steiner
Mysticism and logic – Bertrand Russell
Le phénomène humain – Teilhard de Chardin
Lettre sur les chimpanzés, suivi d’un essai sur Teilhard de Chardin – Clément Rosset
Paradoxes de la conscience et limites de l’automatisme – Raymond Ruyer