Ik ben dit boek begonnen met een bang hart. Als ik aan lesbische feministes uit de Verenigde Staten denkt, doemt het schrikbeeld van Judith Butler op. Ik blief de woordendiarree niet waar een bepaald soort gender studies altijd toe moet leiden – ook dichter bij huis, met Luce Irigaray. Maar ik had What is found there – een bundel aantekeningen over poëzie – horen prijzen door conservatieve lezers. En die goede reputatie bleek terecht.

Van de Amerikaanse dichteres en activiste Adrienne Rich, vorige maand overleden, wist ik nauwelijks iets af. The fact of a doorframe, haar selected poems uit de periode 1950-2001, staat hier al jaren ongelezen in de kast. Verder had ik Rich nog maar één keer ontmoet, in dat boek van Ariel Levy over het moderne feminisme.

Levy rekent haar bij de hardliners uit de jaren zeventig, voor wie emancipatie meer betekende dan een simpel streven naar gelijkheid. Deze radicalisering van het feminisme kwam er na ervaringen met de burgerrechtenbeweging, waar vrouwen, net als in de vredesbeweging en de studentenbeweging al bij al een ondergeschikte rol speelden, en na de vaststelling dat de gelijkheid van vrouwen in de praktijk niet de gewenste vorm aannam. “Mannen zochten hen op, wierven hen aan, namen hen serieus, prezen hun intelligentie — en degradeerden hen vervolgens langzaam maar zeker tot vriendin, echtgenote, notuliste, koffiejuffrouw.”

De National Organization for Women (NOW) van Betty Friedan, die de nadruk legde op verandering door middel van wetgeving liet deze radicalen koud. Wat Susan Brownmiller en andere radicale zusters eigenlijk wilden was de omvorming van alle aspecten van de maatschappij — politiek, het zakenleven, opvoeding, seks, liefde, huishoudelijk werk, amusement, wetenschap. En ze geloofden echt dat ze het voor elkaar zouden krijgen.

Een belangrijk twistpunt was seksueel genot. Een van de eerste kerndoelen van het feminisme was de bevordering van seksueel genot voor vrouwen. Maar aan het eind van de jaren zeventig richtte een groep prominente feministen, onder wie Brownmiller, Gloria Steinem, Shere Hite, Robin Morgan, de dichteres Adrienne Rich en schrijfster Grace Paley de aandacht op de bestrijding van pornografie. Verkrachting werd door hen niet langer gezien als alleenstaande misdadige handeling, maar een systematisch proces van demoralisatie.

Er ontstond een schisma binnen de vrouwenrechtenbeweging. Een factie die de repressie door de man aanklaagde, maar ook een factie die opkwam tegen de repressie in de eigen gelederen. Een van de belangrijkste dingen die nogal wat vrouwen aan het feminisme te danken hadden, was een veel betere band met het eigen lichaam. Daarom betekende het voor hen een teleurstelling toen de vrouwenbeweging een richting insloeg die voelde als anti seks. Lesbische liefde werd verheerlijkt en veel heteroseksuele vrouwen kregen van de weeromstuit het gevoel dat ze zich niet aan de partijlijn hielden, alsof ze met de vijand in bed doken.

What is found there (1993) is een mêlée van korte essays, dagboekfragmenten en bijeengelezen citaten waarin Adrienne Rich op zoek gaat naar wat poëzie voor haar betekent en hoe dichters functioneren in de maatschappij. Het is niet speciaal een feministische strijdschrift, maar een snoer meditaties over de rol die poëzie kan spelen bij de emancipatie van élke minderheidsgroep, en bij uitbreiding zelfs alle mensen.

Dichten is voor Rich immers een manier om humaan te blijven in een steeds technocratischer wereld die menselijke behoeftes veronachtzaamt als ze niet meteen in termen van efficiëntie kunnen worden gevat. “This book is about desire and daily life,” schrijft ze. Poëzie is voor Rich even essentieel als eten en drinken.William Carlos Williams schreef het vers waar dit boek zijn titel aan ontleent: It is difficult / to get the news from poems / yet men die miserably every day for lack / of what is found there.

In het boek worden veel gedichten geciteerd, meestal van mij totaal onbekende auteurs. Daar waren twee dingen mis mee, voor mij dan. Nergens was er een vers dat mij raakte. Op een paar regels van Wallace Stevens na – de blanke, mannelijke, heteroseksuele Wallace Stevens, die nu juist niet representatief is voor de minoriteiten die Adrienne Rich onder de aandacht wil brengen. Bovendien vond ik de conclusies die Rich verbindt aan de gedichten die ze citeert niet streng volgen uit de tekst. Er wordt in What is found there weinig aan close reading gedaan. Er wordt op het gedicht-en-bloc gereageerd. Dat mag natuurlijk; het enthousiasme voor net dit of dat gedicht wordt er alleen niet inzichtelijker van.

Rich is op haar best als ze het nut en de werkzaamheid van poëzie in algemene termen mag verwoorden. Ik kan niet beweren dat er veel nieuws stond in het boek, maar het behandelt vele facetten van de dichtkunst en zijn maatschappelijke inbedding, en ik werd vaak genoeg getroffen door een mooi credo of precieze formulering. Geen gezwatel bij Rich, geen onmogelijk jargon waar zovele theoretici van het cultuurrelativisme zich aan bezondigen. Wel hardnekkige, lucide passie die indruk maakte.

A poem can’t free us from the struggle for existence, but it can uncover desires and appetites buried under the accumulating emergencies of our lives, the fabricated wants and needs we have urged on us, have accepted as our own. It’s not a philosophical or psychological blueprint; it’s an instrument for embodied experience. But we seek that experience, or recognize it when it is offered to, because it reminds us in some way of our need. After that rearousal of desire, the task of acting on that truth, or making love, or meeting our needs, is ours.

Dat ik weinig heb met de politieke stellingnames van Rich was ook absoluut geen bezwaar. Waar in mijn ogen de liberale democratie het systeem is dat zoveel mogelijk verschillende mensen maximale vrijheid geeft om zich te ontplooien, ziet de joodse, lesbische dichteres Rich overal repressie op basis van ras, geslacht, culturele achtergrond en klasse. Ik vind domweg dat ze twee dingen door elkaar haalt: enerzijds de vrijheid om je leven naar eigen goeddunken in te richten, anderzijds de mate waarin jouw way of life toonaangevend is op het publieke forum (waar de massa’s en meerderheden het sinds de twintigste eeuw voor het zeggen hebben).

Poëzie als manier van spreken
What is found there verscheen in 1993. De Koude Oorlog is voorbij en het kapitalisme heeft zodanig getriomfeerd dat er over mogelijke alternatieven niet meer wordt gesproken. Het beste bewijs is dat het begrip ‘kapitalisme’ stilaan vervangen raakt door minder gepolitiseerde woorden als ‘democratie’, ‘vrij ondernemen’ of ‘de vrije markteconomie’. Maar een dichter, vindt Rich, moet oude woorden opgraven, gesloten kamers openbreken, afstomping tegengaan, mensen terug opladen met begeerte. Literatuur houdt de souplesse in stand waarmee mensen nieuwe mogelijkheden bedenken.

In die zin is poëzie al politiek. Een dichter maakt heterogene beelden en creeërt zo een betekenis die er eerst niet was. Hij smeedt nieuwe verbanden en duidt nieuwe scheidslijnen aan. Hij trekt contouren opdat anderen onopgemerkte vormen zien. De dichter gebruikt de taal niet om namen te geven, maar om de lezer opnieuw te leren kijken, door alle overgeleverde nomenclatuur heen. In die zin is het werk van de dichter altijd in strijd met de bestaande orde, met de bestaande ordening. Omdat een gedicht, als het goed is, voor een groot stuk nieuwe dingen probeert – dingen waar de dichter zich evenmin goed van bewust is als de lezer – is het het minst manipulatieve genre.

I can’t write a poem to manipulate you; it will not succeed. Perhaps you have read such poems and decided you don’t care for poetry; something turned you away. I can’t write a poem from dishonest motives; it will betray its shoddy provencance, like an ill-made tool, a scissors, a drill, it will not serve its purpose, it will come apart in your hands at the point of stress. I can’t write a poem simply from good intentions, wanting to set things right, make it all better; the energy will leak out of it, it will end by meaning less than it says.
I can’t write a poem that transcends my own limits, though poetry has often pushed me beyond old horizons, and writing a poem has shown me how far out a part of me was walking beyond the rest. I can expect a reader to feel my limits as I cannot, in terms of her or his own landscape, to ask: But what has this to do with me? Do I exist in this poem? And this is not a simple or naive question. We go to poetry because we believe it has something to do with us. We also go to poetry to receive the experience of the not me, enter a field of vision we could not otherwise apprehend.
Someone writing a poem believes in a reader, in readers, of that poem. The “who” of that reader quivers like a jellyfish. Self-reference is always possible: that my “I” is a universal “we,” that the reader is my clone. That sending letters to myself is enough for attention to be paid. That my chip of mirror contains the world.
But most often someone writing a poem believes in, depends on, a delicate, vibrating range of difference, that an “I” can become a “we” without extinguishing others, that a partly common language exists to which strangers can bring their own heartbeat, memories, images. A language that itself has learned from the heartbeat, images of strangers.

Nu bestaan er evengoed binnen de poëzie dominante en minder dominante manieren van spreken. Avantgardisten nemen geen genoegen met het heersende discours. Het doet ze kokhalzen. Rich leunt op het werk van de Amerikaanse dichter, anarchist en activist Paul Goodman om haar punt te maken. Lang voor het woord soundbyte in voege kwam, beschreef hij al de effecten van wat hij formats noemde op het gebruik van taal in de publieke ruimte.

Format. – n. I. the shape and size of a book as determined by the number of times the original sheet has been folded to form the leaves. 2. the general physical appearance of a book, magazine, or newspaper, such as the type face, binding, quality of paper, margins, etc. 3. the orginization, plan style, or type of something: They tailored their script to a half-hour format. The format of the show allowed for topical and controversial gags. 4. Computer Technol., the organization of disposition of symbols on a magnetic tape, punch card, or the like, in accoradance with the input requirement of a computer, card-sort machine, etc…
Format has no literary power, and finally it destroys literary power. It is especially disastrous to the common standard style, because it co-opts it and takes the heart of of it.

Rich betreurt dat Goodman hier het begrip literary power gebruikt, dat haar doet denken aan verticaal geklasseerde teksten uit de traditie, in plaats van poetic power, dat een bredere wereld oproept van velerlei soorten teksten (gesproken of geschreven) die een revolutionair karakter kunnen hebben. Ze laat Goodman nog uitleggen waarin een dominant discours anders, maar even verpletterend kan werken als officiële censuur.

Format is not like censorhip that tries to obliterate speech, and so sometimes empowers it by making it important. And it not like propaganda that simply tells lies. Rather, authority imposes format on speech because it needs speech, but not autonomous speech. Format is speech colonized, broken-spirited. … The government of a complicated modern society cannot lie much. But by format, even without trying, it can kill feeling, memory, learning, observation, imagination, logic, grammar, or any other faculty of free writing.

Om daar zelf aan toe te voegen dat een dichter om te beginnen altijd worstelt met de limieten van zijn instrument – taal en de literaire traditie – , maar vooral dat zijn instrument, het middel, niet met het wezen, het doel van de poëzie mag verward worden, zoals in het onderwijs al te vaak gebeurt.

Poetic forms – meters, rhyming patterns, the shaping of poems into symmetrical blocks of lines called couplets or stanzas – have existed since poetry was an oral activity. Such forms can easily become format, of course, where the dynamics of experience and desire are forced to fit a pattern to which they have no organic relationship. People are often taught in school to confuse closed poetic forms (or formulas) with poetry itself, the lifeblood of the poem. Or, that a poem consists merely in a series of sentences broken (formatted) into short lines called “free verse.” But a closed form like the sestina, the sonnet, the villanelle remains inert formula or format unless the “triggering subject,” as Richard Hugo called it, acts on the imagination to make the form evolve, become responsive, or works almost in resistance to the form. It’s a struggle not to let the form take over, lapse into format, assimilate poetry; and that very struggle can produce a movement, a music, of its own.

Poëzie, zegt Rich, is een evenwichtsoefening tussen ‘solitariteit’ en ‘solidariteit’. Een dichter bedient zich van een traditie van taal en grammatica. Tegelijk probeert hij in zijn gedicht haarfijn rekenschap af te leggen van wat woorden voor hem persoonlijk betekenen, door ze in te nestelen temidden van andere woorden. Immers, woorden betekenen an sich niets, tenzij hun schrale woordenboekdefinitie. Ze krijgen pas reliëf als ze ingebed zijn in een individuele context.

Someone is writing a poem. Words are being set down in a force field. It’s as if the words themselves have magnetic charges; they veer together or in polarity, they swerve against each other. Part of the force field, the charge, is the working history of the words themselves, how someone has known them, used them, doubted and relied on them in a life. Part of the movement among the words belongs to sound – the guttural, the liquid, the choppy, the drawn-out, the breathy, the visceral, the downlight. The theater of any poem is a collection of decisions about space and time – how are these word to lie on the page, with what pauses, what headlong notion, what phrasing, how can they meet the breath of the someone who comes along to read them? And in part the field is charged by the way images swim into the brain through written language: swan, kettle, icicle, ashes, crab, tamarack, tractor, veil, slime, teeth, freckle.


Adrienne Rich; foto Colleen McKay, via The Poetry Foundation

Poëzie als revolutie
Voor een boek dat over poëzie spreekt als politieke factor, hangt What is found there een oppervlakkig beeld op van dat dominante maatschappelijke discours – de Amerikaanse politiek in het begin van de jaren negentig. De inval in Irak komt eventjes voorbij, en de herdenking van de vijfhonderdste verjaardag van de Amerika’s, waarbij de geschiedenis van de twee continenten natuurlijk vooral bekeken wordt door de ogen van de veroveraars. Dat is het zo’n beetje.

Rich geeft liever algemene kritiek op het kapitalisme en het bijbehorende consumentisme. Dat politiek in essentie gaat over keuzes maken, wordt hoe langer hoe meer naar het achterplan gedrukt, zegt ze. Politiek, zo lijkt het wel, is besturen geworden. Alsof het huidige maatschappelijke bestel de enige mogelijke keuze is. De macht achter de bestaande keuze wordt niet meer getoond.

Dan kuiert ze bijvoorbeeld gedeprimeerd rond in een shopping mall, stapt een boekenwinkel binnen en verwondert zich erover dat problemen enkel in termen van zelfhulpboeken worden besproken. Alsof de wanhoop die mensen voelen, hun isolement, het verlies aan gemeenschapszin, de afstompende routine van een actieve loopbaan, onmogelijk kan verwijzen naar structurele problemen.

Symptomatisch is in haar ogen dat mensen zich laten afstompen en zich zo weinig meer bedienen van “human equipment” – “memory, image making, narrative, voice, hand, eye” – om contact te maken met andere mensen. Zingen, vertellen, musiceren – niet om de artiest uit te hangen, maar als doodnormale vormen van communicatie. Ook poëzie voordragen hoort daarbij. Rich schrijft zich graag in in de orale traditie van literatuur. Poëzie, dat is vertellen en muziek maken in één vloeiende beweging. Jammer dat die kunst nu zo archaïsch oogt.

You must write, and read, as if your life depended on it. That is not generally taught in school. At most, as if your livelihood depended on it: the next step, the next job, grant, scholarship, professional advancement, fame; no questions asked as to further meanings. And, let’s face, in the lesson of the schools for a vast number of children – hence, of readers – is This is not for you.
To read as if your life depended on it would mean to let me into your reading your beliefs, the swirl of your dreamlife, the physical sensations of your ordinary carnal life; and, simultaneously, to allow what you’re reading to pierce the routines, safe and impermeable, in which ordinary carnal life is tracked, charted, chaneled.

Het heeft met passie te maken, met een driftleven waar we ons misschien te ver vanaf laten duwen. In een van de mooiste passages in het boek nuttigt Adrienne Rich een glaasje bronwater, ergens in het platteland van Vermont. Het punt: wanneer een mens niet kan genieten van de smaak van water, maar zich in plaats daarvan complexere genoegens heeft laten voorschrijven, dan heeft hij al een stukje levenskracht verloren. Vitaliteit om de strijd met het leven aan te kunnen.

Whenever I walk into this house after an absence, I drink, slowly and deliberately, a glass of pure cold water from the spring-fed tap. I don’t drink from most taps because I don’t like their ill flavor. And the taste of bottled water from the supermarkt has no savor; it reminds me of nothing. The spring water flowing into this house does – in its transparency, its lucidity, its original cold. Of course it tastes of this place, sharp with memories, but also of water I drank as a child in the 1930s, from an iron pipe set in the side of a ravine where I used to play.

Mooi. In haar analyses komt Rich alleen niet verder dan de spektaktelmaatschappij zoals Guy Debord die zag. Een samenleving waarin dichters maar beter een winterslaap kunnen houden en een poëzielezing – niet ‘geformatteerd’, niet passief te ondergaan, niet hoogtechnologisch, niet inspelend op massale sentimenten – nauwelijks serieus wordt genomen. Hoe het tij valt te keren, daar heeft Rich ook geen antwoord op. Beter poëzieonderricht, meer dichters op de radio en televisie, en poëzievideo’s: dat zal de klus moeten klaren.

How compete with the structures of excitement offered by the passive media – the manic hecticity of human experience represented to us by television and commercial film – the screeching of brakes, the exploding of guns, the strobe-lit blood splashing white limousines of the rich and famous, organ transplants, babies switched at birth, lottery winner dies of stress, paranoid schizophrenic kills children in schoolyard, self and entire family, sixteen women students, girl who refused to date him surrogate mother wants visitation, terror on campus, criminal court as theater, everything wrenched from everything else from history, from context, the meaninglessness of lives reflected in a fun-house mirror, a communications system designed to seperate, fragment, disinform mass audiences.
For a mass audience in the United States is not an audience for a collectively generated idea, welded together by the power of that idea and by common debates about it. Mass audiences are created by promotion, by the marketing of excitements that take the place of ideas, or real collective debate, vision, or catharsis; excitements that come an go, flash on and off, so fast that they serve only to isolate us in the littleness of our town lives – we become incoherent to one another.

Maar Rich blijft koppig dromen van revolutionaire poëzie. Al mogen we haar niet verkeerd begrijpen. Dichters kunnen revolutionair zijn op verschillende manieren. Er is de geëngageerde poëzie die volgens strenge ideologische uitgangspunten werkt en veel gemeen heeft met revolutionaire propaganda – type Brecht, Rubén Darío, Neruda. Rich heeft het eerder voor een ander soort poëzie.

Ze voelt zich verwant met de vroege, humanistische Marx en leest bij Trotski (“It is one thing to understand something and express it logically, and quite another to assimilate it organically, reconstructing the whole system of one’s feelings, and to find a new kind of artistic expression for this new entity”) dat in echte poëzie een mens net niet zomaar te herleiden valt tot een paar politiek correcte richtlijnen.

Een gedicht dat de innerlijke contracties, irrationele verlangens en dromen van een mens kan vangen, is op zijn manier revolutionair. Rich probeert naar eigen zeggen twee soorten poëzie te verenigen. De poëzie van het niet te verifiëren feit: die ontstaat uit dromen, seksualiteit, subjectivteit; en de poëzie van het documentaire feit: letterlijke berichten, van oorlog, maatschappelijke problemen, wetenschappelijke ontdekkingen en historische personages.

A revolutionary poem will not tell you who or when to kill, what and when to burn, or even how to theorize. It reminds you (for you have known, somehow, all along, maybe lost track) where and when and how you are living and might live – it is a wick of desire. It may do its work in the language and images of dreams, lists, love letters, prison letters, chants, filmic jump cuts, meditations, cries of pain, documentary fragments, blues, latenight long-distance calls. It is not programmatic: it searches for words amid the jamming of unfree, free-market idiom, for images that will burn true outside the emotional theme parks. A revolutionary poem is written out of one individual’s confrontation with her/his own longings (including all that s/he is expected to deny) in the belief that is readers or hearers (in that old, unending sense of the people) deserve an art as complex, as open to contradictions as themselves.
Any truly revolutionary art is an alchemy through which waste, greed, brutality, frozen indifference, “blind sorrow,” and anger are transmuted into some drenching recognition of the What if? – the possible. What if? – ? – the first revolutionary question, the question the dying forces don’t know how to ask. The theme of revolutionary art may of necessity be prevailing conditions, yet the art signals other ways and means. In depicting lives ordinarily downpressed, shredded, erased, this art reveals through fierce attention their innate and latent vitality and beauty. In portraying alienated and exploited labor with delicate, steady concern for the faces and bodies of the laborers, it call to mind that work is a human blessing, that alienation does not have to be inseparable companion. In figuring the hunted, whether Indians or slaves or migrants or women, it calls up a landscape where all might be free to travel unmolested.

Poëzie als persoonlijk dialect
Over de helft van het boek wordt Adrienne Rich iets persoonlijker. Ze verlaat dan de anekdote als aanleiding om het over een bepaalde poëtische functie te hebben, en gaat de grote lijnen van haar biografie schetsen, min of meer chronologisch.

Rich werd geboren in Baltimore op 16 mei 1929, als dochter van een professor geneeskunde en een pianiste. Kort na de Tweede Wereldoorlog maakt ze een reis door de Europa, om de cultuurerfenis van dat oude continent, waar ze een geromantiseerd beeld over had, met eigen ogen waar te nemen. Reeds als studente bracht ze haar eerste dichtbundel uit, die werd opgemerkt door W.H. Auden.

Begin jaren vijftig trouwt ze met Harvard-econoom Alfred H. Conrad, met wie ze drie zonen op de wereld zet. Ze publiceert verschillende dichtbundels – vanaf 1966 ook essays en proza – en is een notoir feministe. Het huwelijk strandt in 1970, waarna ze meer dan dertig jaar samenwoont met schrijfster Michelle Cliff. Haar maatschappelijk engagement – als lesbiënne, voor burgerrechten en vrouwenemancipatie, tegen racisme en oorlog – zal zich steeds luider doen gelden. Minoriteiten hebben haar speciale aandacht.

Niet in het minst minoriteiten binnen de literaire avant-garde. Rich legt uit hoe de Black Arts Movement en de vredesbeweging van de jaren zestig inderdaad revolteerden tegen het establishment. In de jaren zeventig kwam het kritisch geluid echter vooral uit vrouwenmonden, die niet alleen tegen de conventionele puriteinse mores tekeer gingen, maar zich ook juist bij die door mannen gedomineerde tegencultuur en poëziecercles vragen gingen stellen (The censorship-by-clique”). De modernisten, waren dat geen select groepje blanke jongemannen die leefden van beurzen en voor de rest de rangen goed gesloten hielden?

Kleine uitgevers en marginale tijdschriftjes bloeiden en publiceerden werk van deze minderheidsgroepen: gekleurde dichters, homo’s en lesbiënnes, migranten en schrijvers uit de arbeidersklasse. Deze auteurs brachten vaak een eigen scala aan vormtradities mee – “ballad, blues, corrido, reggae, sonnet, chant, cuentos, sestina, sermon, calypso”. What is found there bulkt van de aandacht voor zwarte Amerikanen, nazaten uit de Japanse kampen, Caribische dichters en chicano’s. Vaak voor minoriteiten in de tweede macht: Mexicaanse homoseksuele dichters, ik noem maar wat.

Maar vooral voor vrouwen. Het lijstje met mij onbekende namen is lang en oogt onbehaaglijk: Alta, Audre Lorde, Cherríe Moraga, Enid Dame, Fay Chiang, Honor Moore, Irena Klepfisz, Jan Clausen, Joan Gibbs, Joan Larkin, Judy Grahn, June Jordan, Karen Brodine, Kathleen Fraser, Kitty Tsui, Linda Hogan, Marge Piercy, Marilyn Hacker, Minnie Bruce Pratt, Nellie Wong, Pat Parker, Patricia Jones, Rikki Lights, Robin Morgan, Sara Miles, Sharon Olds, Sonia Sanchez, Stephanie Byrd, Susan Griffin, Susan Sherman, Teru Kanazawa, Toi Derricotte, Wendy Rose, Willyce Kim.

Verschillende malen in de notities van de dichteres komt hetzelfde tussentiteltje voorbij: A poet’s education. Rich is erg begaan met de persoonlijke ontwikkeling van de dichter. Want zonder persoonlijke ontwikkeling geen poëzie die een verschil kan maken. What is found there illustreert hoe Rich en vele anderen moeizaam een eigen stem hebben gezocht en daarvoor moesten inbeuken op heersende reputaties.

To have a birthright a poetic tradition that everyone around you recognizes and respects is one kind of privilege. At very least, it lets you know what you hold in your hands, as person and artist. Like a strong parent who both teaches and browbeats, can be learned from, stormed away from, forgiven, but whose influence can never be denied. Like a family from which, even in separation, you bring away certain gestures, tones, ways of looking: something taken for granted, perhaps felt as constriction, nonetheless a source, a point of departure.
Until recently, North American poetry has largely been the province of people who possessed – or took on through education – a literary family tree beginning with the King James Bible, the Greek and Latin classics, branching into the Renaissances of Europe and England, and transported to the colonies by the colonizers as part of their civilizing mission to the wilderness. On that mission, they violently disrupted the original poetry of this continent, inseparable as it was and is from Indian life. In the determination to destroy tribal life, poetry had to be desecrated. Later, the descendants of the desecraters collected, transcribed, and printed surviving Indian songs and chants as artifacts of a “vanishing people”. Only in the late twentieth century, a renaissance of American Indian culture has produced a new, written, poetic literature expressive of indigenous people who, in the words of the poet Chrystos, are empathically “Not Vanishing.”
Africans carried poetry in contraband memory across the Middle Passage to create in slavery the “Sorrow Songs.” A young girl in slavery in Boston, Phillis Wheatley, mastered Anglo-American metrics and conventions to become, after Anne Bradstreet, the second woman (and the first black) poet published in this country. African-American poets have had to invent and synthesize a language in which to be both African and American, to “write… towards the personal truth” of being African-American and create a poetics of that experience. They have above all created a musical language, jazz, which has incalculably affected the national poetic language.
Such writers – men and women of color, poets born to a language other than English, lesbian and gay poets, poets writing in the upsurge of the women’s poetry movement of the past twenty years – have not started in cultural poverty even though their cultures have been ruptured and misprized. The relationship to more than one culture, nonassimilating in spirit and therefore living amid contradictions, is a constant act of self-creation. I see the life of North American poetry at the end of the century as a pulsing, racing convergence of tributaries – regional, ethnic, racial, social, sexual – that, rising from lost or long-blocked springs, intersect and infuse each other while reaching back to the strengths of their origins. (A metaphor, perhaps, for a future society of which poetry, in its present suspect social conditions, is the precursor.)

Ook Rich ontdekte pas langzaam dat ze Amerikaans moest schrijven, geen Engels. Ze heeft haar persoonlijke dialect moeten brouwen temidden van blanke mannenpoëzie. Dat was moeilijk: beelden en metaforen zijn niet rasse- of klasseloos, “but rooted in an apartheid of the imagination”. Zelfs als Rich het werk van Elizabeth Bishop aankaart, wordt die meteen “ a white North American with middle-class roots” genoemd.

Wallace Stevens was een van de schrijvers die haar het licht deden zien: Throw away the lights, the definitions / And say of what you see in the dark // That it is this or it is that, / But do not use the rotted names. Daarnaast gaat veel aandacht uit naar twee heldinnen van Rich, de Amerikaanse schrijfsters en activistes Audre Lorde en Muriel Rukeyser. Verder is er een essay over Whitman en Dickinson – twee belangrijke beginners in de Amerikaanse poëzie. Niet in de zin van beginnelingen maar van pioniers.

The woman choosing her inner life and language over inconvenient domestic, social, and literary claims; the man overriding Puritan strictures against desire and insisting that democracy is of the body, by the body, and for the body, that the body is multiple, diverse, untypic. (…) But the wild woman and the wild man are Americana now: folded into textbooks, glossed in exhaustive scholarly editions.

Nu zit er niets anders op dan ook The fact of a doorframe : selected poems 1950-2001 ter hand te nemen. Dit jaar nog. In bio’s van Adrienne Rich lees ik dat ze in 1997 weigerde de National Medal of the Arts aan te nemen van president Clinton “because the very meaning of art, as I understand it, is incompatible with the cynical politics of this administration… [Art] means nothing if it simply decorates the dinner table of the power which holds it hostage.” Dat maakt haar alleen maar interessanter.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> uitgebreide bibliografie in de reacties hieronder

Adrienne Rich, What is found there
Notebooks on poetry and politics
304 p.
Uitgeverij W.W. Norton and Company, 1993


2 reacties op “What is found there – Adrienne Rich”

  1. Achille van den BrandenNo Gravatar says:

    Bibliografie:

    Anthologieën:
    A gathering of spirit : a collection of North American Indian women
    Breaking silence : an anthology of contemporary Asian American poets
    Songs from this earth on turtle’s back : contemporary American Indian poetry
    Lesbian poetry : an anthology – Bulking, Elly en Larkin
    Dissident song : a contemporary Asian American anthology
    The jazz poetry anthology – Feinstein en Komunyakaa
    After Atzlan : Latino poets of the nineties
    We stand our ground : three women, their vision, their poems – Hahn, Jackson en Sherman
    The open boat : poems from Asian America
    Poets for life : seventy-six poets respond to AIDS
    Gay and lesbian poetry in our time : an anthology – Larkin en Morse
    The guerilla is like a poet : an anthology of Filipino poetry – Majzels
    The before Columbus foundation poetry anthology
    Early ripening : American women’s poetry
    The road before us : 100 gay black poets
    Out of this world : the poetry project of St. Mark’s chuch-in-the-bowery
    Sowing ti leaves : writings by multi-cultural women

    Werken door dichters die werden geciteerd:
    Snake poems : an Aztec incantation – Alarcón
    No golden gate for us – Alarcón
    Primitive offensive – Brand
    Winter epigrams and epigrams for Ernesto Cardenal in defense of Claudia – Brand
    Food and spirits – Brant
    Woman sitting at the machine : thinking : poems 1978-1987 – Brodine
    Selected shorter poems 1946-1991 – Carruth
    Selected writings on jazz, blues, and related topics – Carruth
    Bending the bow – Duncan
    Ground work II : in the dark – Duncan
    Bluestown mockingbird mambo – Esteves
    Usahn : twelve poems and a story – Gardinier
    Iron woman – Glancy
    Drawing the line : a pamphlet – Goodman
    Growing up absurd : problems of youth in the organized system – Goodman
    The lordly hudson – Goodman
    Utopian essays and practical proposals – Goodman
    Hawkweed – Goodman
    News from the glacier : selected poems 1960-1980 – Haines
    She had some horses – Harjo
    Dear John, dear Coltrane – Harper
    History is your own heartbeat – Harper
    Debridement – Haprer
    Making certain it goes on : collected poems – Hugo
    Technical difficulties : African American notes on the state of the union – Jordan
    Haruko / Love poems : new and selected love poems – Jordan
    What a kingdom it was – Kinnell
    The book of nightmares – Kinnell
    The past – Kinnell
    When one has lived for a long time alone – Kinnell
    The poet in the world – Levertov
    Poems 1960-1967 – Levertov
    Poems 1968-1972 – Levertov
    New and selected essays – Levertov
    Undersong – Lorde
    The marvelous arithmetics of distance – Lorde
    Letter to an imaginary friend, parts I and II – McGrath
    Letter to an imaginary friend, parts III and IV – McGrath
    After we lost our way – Mura
    Rebellion : essays 1980-1991 – Pratt

    Ander werk:
    Zones of pain – Agosin
    Circles of madness – Agosin
    Correspondance between the stonehaulers – Agüeros
    A comrade is as precious as a rice seedling – Aguilar
    The women who hate me : poetry 1980-1990 – Allison
    Cantos – Arteaga
    Nova – Ashanti
    Discourse on colonialism – Césaire
    My wicked, wicked ways – Cisneros
    Scaffolding – Cooper
    Green notebook – Cooper
    Captivity – Derricotte
    Hard country – Doubiago
    The book of seeing with one’s own eyes – Doubiago
    A poet’s work : the other side of poetry – Hamill
    Ceremonies : prose and poetry – Hemphill
    Red clay : poems and stories – Hogan
    New and collected poems 1970-1985 – Ignatow
    The one in the many : a poet’s memoirs – Ignatow
    The rain God : a desert tale – Islas
    Migrant souls – Islas
    Shouting at no one – Joseph
    Curriculum vitae – Joseph
    Bien cai dau – Komunyakaa
    Magic city – Komunyakaa
    Awake – Laux
    Rose – Lee
    The city in which I love you – Lee
    New and selected poems – Levine
    What work is – Levine
    Writings for an unfinished accompaniment – Merwin
    Travels – Merwin
    Voices in the whirlwind – Mphalele
    New and collected poems – Paley
    Risking a somersault in the air : conversations with Nicaraguan writers – Randall
    Gathering rage : the failue of twentieth century revolutions to develop a feminist agenda – Randall
    Poems across the pavement – Rodriguez
    Home girls and hand grenades – Sanchez
    Under a soprana sky – Sanchez
    Star quilt – Whiteman
    Dreams in Harrison Railroad Park – Wong
    The death of long steam lady – Wong

    Geciteerd uit:
    Mohawk trail – Beth Brant
    The collected poems of Wallace Stevens
    Illegal assembly – Karen Brodine
    Collected poetry – Aimé Césaire
    Selected poems – W.S. Merwin
    On lies, secrets, and silence : selected prose 1966-1978 – Adrienne Rich
    Beyond the limits – Irina Ratushinskaya
    Coming home – Margaret Randall
    The provincials : a personal history of Jews in the South – Eli Evans
    Books in chains : chain bookstores and marketplace censorship – Stan Luxenberg
    Pablo Neruda : absence and presence – Luis Poirot
    The poems of Hart Crane
    Suicides and jazzers – Hayden Carruth
    The letters of Samuel Taylor Coleridge
    Memoirs of a revolutionist – Peter Kropotkin
    Selected poems 1938-1988 – Thomas McGrath
    The poet in the world – Denise Levertov
    The winner names the age : a collection of writings by Lillian Smith
    Becoming a poet : Elizabeth Bishop with Marianne Moore and Robert Lowell – David Kalstone
    We cannot live without our lives – Barbara Deming
    Prisons that could not hold : prison notes – Barbara Deming
    The new world – Suzanne Gardinier
    Selected poems – June Jordan
    The black unicorn – Audre Lorde
    Sister outsider : essays and speeches – Audre Lorde
    Children of the Holocaust – Irena Klepfisz
    Red diaper babies : children of the Left – Judy Kaplan en Linn Shapiro
    Claiming breath – Diane Glancy
    The dig – Lynn Emanuel
    Complete poetry and collected prose – Walt Whitman
    The complete poems of Emily Dickinson
    The writer on her work – Janet Sternburg
    The traces of Thomas Hariot – Muriel Rukeyser
    The poet’s craft : interviews from the New York Quaterly – William Packard
    William Gibbs – Muriel Rukeyser
    Poetry and the age – Randall Jarrell
    The Norton Anthology of Modern Poetry
    A Muriel Rukeyser Reader
    The complete poems of Anna Akhmatova
    Selected poems – Delmore Schwartz
    Claims for poetry – John Haines
    New poems : 1980-1988 – John Haines
    The collected poems of Muriel Rukeyser
    Always running : la vida loca, gang days in L.A. – Luis J. Rodriguez
    Making certain it goes on : the collected poems of Richard Hugo
    Hope against hope – Nadezhda Mandelstam
    Moving towards home : political essays – June Jordan
    A few words in the mother tongue : poems selected and new 1971-1990 – Irena Klepfisz
    The souls of black folk – W.E.B. Du Bois
    Dreams of an insomniac : jewish feminist essays – Irena Klepfisz
    Crime against nature – Minnie Bruce Pratt
    The sound of one fork – Minnie Bruce Pratt
    We sa we love each other – Minnie Bruce Pratt
    Bending the bow – Robert Duncan
    Undersong : chosen poems old and new – Audre Lorde
    The work of a common woman – Judy Grahn
    Ordinary women: an anthology of poetry by New York City Women
    The delicacy and strength of lace : letters – Leslie Marmon Silko en James Wright
    The poetical works of John Keats
    The poetry and prose of William Blake
    The voice that is great within us : American poetry of the twentieth century – Hayden Carruth
    A change of world – Adrienne Rich
    Reading race : white American poets and the racial discourse in the twentieth century – Aldon Lynn Nielsen
    Wallace Stevens : the poetics of modernism – Albert J. Gelpi
    Letters of Wallace Stevens
    Playing in the dark : whiteness and the literary imagination – Toni Morrison
    Speaking and language : a defence of poetry – Paul Goodman
    The triggering town : lectures and essays on poetry and writing – Richard Hguo
    Poems of Gerald Manley Hopkins
    Selected poems of Claude McKay
    Truth and lies that press for life : sixty Los Angeles poets – Conny Hersheym
    The life of poetry – Muriel Rukeyser
    Song : I want a witness – Michael Harper
    Without discovery : a native response to Columbus – Inés Hernández
    MiddlePassages – Kamau Brathwaite
    In mad love and war – Joy Harjo
    No language is neutral – Dionne Brand
    Selected poems 1965-1975 – Margaret Atwood
    The complete poems 1927-1979 – Elizabeth Bishop
    In the forest without leaves : new poems 1980-1988 – John Haines

  2. […] grondige, netjes gestructureerde bespreking hier te lezen. Deel […]

Zeg uw gedacht