Ik weet te weinig van de academicus Nabokov. Dat was mijn eerste gedachte toen ik Pnin zat te lezen. Die Lectures on literature zullen er dit jaar dus echt moeten aan geloven. Soit. De beschrijving van Pnins eigenzinnige gedrag – de auteur moet zelf terugvallen op woorden als ‘pniniaans’ en ‘pniniseren’ – maakt van Pnin met voorsprong het grappigste en meest leesbare boek van Nabokov dat ik al onder ogen kreeg.

Plot is er nauwelijks. Pnin is een portret. Een boek voor taalliefhebbers en voor nerds, ook: iedere vierkante centimeter wordt opgevuld met grapjes en wijsneuzigheid. Gemiddeld om de vier bladzijden sla je steil achterover van een doordeweekse handeling die je nog nooit op soortgelijke – preciese, doorleefde, maar ook koldereske – manier zag beschreven. De meditatie van Pnin over zijn nieuwe kunstgebit kan als lakmoesproef gelden. Wie die leuk vindt, zit voor de rest van het boek gebeiteld.

Het verbaasde hem te beseffen hoezeer hij op zijn tanden gesteld was geweest. Zijn tong, een vette, gladde zeehond, had altijd zo blij gesparteld en geglipt rond die bekende rotsen, de contouren van een gehavend, maar nog steeds veilig koninkrijk gecontroleerd, zwemmend van grot naar kreek, hier op een rotspunt klauterend, daar een kerf besnuffelend, een flard zeewier ontdekkend in altijd dezelfde gleuf; maar nu was er geen enkel bekend punt meer over en bestond alleen nog een grote, donkere wond, een terra incognita van tandvlees, dat je uit angst en afkeer niet ging verkennen. En toen het kunstgebit erin werd gewrongen, leek het alsof een arme, fossiele schedel werd uitgerust met de grijnzende kaken van een volslagen vreemde.

Misschien even voorstellen: Timofej Pnin is een gedistingueerde Russische balling in het Amerika van de jaren vijftig. Op het Waindell College in New England doceert hij “een praktisch dode taal”, Russisch dus, aan een handvol studenten. Over Pnin wordt wat lacherig gedaan door zijn collega’s professoren. Een groot hoogleraar is hij inderdaad niet, al was het maar om zijn gebrekkige kennis van het Engels, maar Pnin is geliefd bij zijn gehoor om zijn afdwalingen. Tweeënvijftig jaar is hij. De persoonsbeschrijving van Nabokov is klassiek:

Aangezien hij op een ideale manier kaal was, door de zon gebruind en glad geschoren, begon hij nogal indrukwekkend, met die grote, bruine schedel van hem, bril met schildpadmontuur (die een infantiele afwezigheid van wenkbrauwen maskeerde), aapachtige bovenlip, dikke nek en het torso van een krachtpatser, gehuld in een vrij krappe tweed jas, maar hij eindigde op ietwat teleurstellende wijze met een paar spillebenen (nu over elkaar geslagen en met flanel bekleed) en broos uitziende, bijna vrouwelijke voeten.

Pnin heeft een hoogbegaafde zoon en een vrouw die er ooit met een ander – en die zoon – vandoor is gegaan. Het begon nochtans zo mooi, daar in Parijs, met Liza Bogolepova, toen een medisch studente van twintig, allercharmantst in haar zwart zijden jumper en tailor-made rok, en werkzaam in de Meudon-kliniek, “die geleid werd door die opmerkelijke, formidabele oude dame, dr. Rosetta Stone, een van de meest destructieve psychiaters van die tijd.” (haha) Liza schreef bovendien poëzie naar het voorbeeld van de Russische meesters, maar haar gerijmel – “voornamelijk in manke anapest” – heeft weinig uitstaans met de verzen van Achmatova. Aldus de ik-verteller.

Arme Liza! Ze had natuurlijk haar artistieke momenten, als ze op een meinacht verrukt bleef stilstaan in een armoedige straat om de bonte overblijfselen van een aanplakbiljet op een natte zwarte muur te bewonderen – nee, te aanbidden – bij het licht van een straatlantaarn, en het doorschijnende groen van de lindebladeren die naast de lantaarn neerhingen, maar ze was een van die vrouwen die een gezond, knap uiterlijk verenigen met hysterische slordigheid; lyrische uitbarstingen met een zeer praktische, laag-bij-de-grondse geest; en afschuwelijke driftbuien met sentimentaliteit; en zwoele overgave met een robuust vermogen om anderen van het kastje naar de muur te sturen.

Maar nu is Pnin dus alleen. Zonder Liza. Hoewel die aan zijn mouw trekt om hun zoon financieel te ondersteunen. Pnin probeert zich ondertussen te handhaven in de Amerikaanse maatschappij en in een academische cultuur die de zijne niet is. Hij is gesteld op orde in een wereld die verre van ordelijk is. En hij heeft een eigen willetje: dat hij de eerste maal voor zijn rijexamen is gezakt, komt voornamelijk doordat hij met de examinator in discussie getreden is

in een ontijdige poging om te bewijzen dat niets een redelijk wezen meer kon vernederen dan van hem te eisen dat hij een lage conditionele reflex ontwikkelde door voor een rood licht te stoppen wanneer er geen mens in de buurt was, hetzij lopend of rijdend.

De naamloze verteller zet Pnin aanvankelijk neer als een karikatuur, en toch ook weer niet. De openingsscène kan bijvoorbeeld zo in de film Clockwise – Pnin neemt de verkeerde trein – maar de verteller bezweert ons te geloven dat “Pnin in het geheel niets had van dat gemoedelijke Duitse cliché, de zerstreute Professor.”

Integendeel, hij was misschien te doorzichtig, ter hardnekkig op de uitkijk naar diabolische valstrikken, te krampachtig op zijn hoede voor het geval zijn wisselvallige omgeving (het onberekenbare Amerika) hem tot de een of andere dwaze vergissing zou verleiden. De wereld was de vergeetachtige en het was Pnins werk er orde in te scheppen. Zijn leven was één voortdurende strijd met gevoelloze voorwerpen die kapot gingen, hem aanvielen of weigerden te functioneren, of zich zelf op doortrapte wijze kwijt maakten zodra ze zijn bestaan binnenkwamen. Hij was zeldzaam onhandig; maar omdat hij in een oogwenk een ééntoonsmondorgeltje kon vervaardigen uit een erwtedop, een plat kiezelsteentje tien maal kon laten opspringen op het oppervlak van een vijver, met zijn knokkels een schimmenkonijn kon maken (compleet met knipperend oog) en nog een aantal van die tamme trucjes kende die Russen altijd bij de hand hebben, meende hij dat hij begiftigd was met aanzienlijke technische kennis en handigheid. Hij aanbad technische foefjes met een soort verdwaasde, bijgelovige verrukking. Elektrische apparaten brachten hem in vervoering. Hij was wèg van plastic. Hij koesterde diepe bewondering voor de ritssluiting. Maar de eerbiedig met het stopcontact verbonden klok stuurde zijn ochtenden in de war wanneer het plaatselijk electriciteitsbedrijf in het horst van de nacht door een storm was lamgelegd. Het montuur van zijn bril brak op het neusstuk doormidden, doordat hij met twee gelijke stukken bleef zitten die hij vagelijk trachtte te verenigen, misschien in de hoop dat een wonderlijk organisch herstel hem te hulp zou komen. De ritssluiting waarop een heer het meest bouwt, hield hij in zijn verbaasde hand, op een nachtmerrie-achtig ogenblik vol haast en wanhoop.

Nabokov is een zeer talige auteur, een zinnenschrijver bij uitstek, dus kon het niet anders of hij zou zich gaan vastbijten in de linguïstische beperkingen van zijn held. Het geworstel met de Engelse taal is een belangrijk motief in het boek. Alle lezingen van Pnin moeten worden bewerkt door een van de jongere assistenten van de Duitse faculteit. De kale prof heeft problemen met woordenschat, zinsbouw én uitspraak.

De organen die zijn betrokken bij het voortbrengen van Engelse spraakgeluiden zijn het strottehoofd, het verhemelte, de lippen, de tong (de hansworst van de troep) en de onderkaak, die een niet onaanzienlijke bijdrage levert; en Pnin steunde voornamelijk op de al te energieke, ietwat herkauwende beweging van laatsgenoemde wanneer hij voor zijn studenten passages uit de Russische grammatica of een gedicht van Poesjkin vertaalde. Zijn Russisch mocht dan als muziek klinken, zijn Engels was een regelrechte aanfluiting. Hij had enorm veel moeite (‘Dziefiekoeltsie’ in Pniniaans Engels) met de palatalisatie en slaagde er nooit in het Russische teveel aan speeksel te verwijderen uit de d’s en t’s voor de klinkers, die hij zo merkwaardig zacht maakte. Zijn explosieve uitspraak van het woord ‘hat’ (hoed) (‘Ik ga nooit in een hoed, zelfs in de winter’) verschilde alleen door de geringere lengte van de gebruikelijke Amerikaanse uitspraak (typerend voor de inwoners van Waindell, bij voorbeeld) van ‘hot’ (heet) en klonk zodoende als de Duitse werkwoordsvorm hat (heeft).

Zelfs de klemtonen van de simpelste woorden moet hij opzoeken in een woordenboek. Pnin overweegt op een gegeven moment een Petite histoire te schrijven van de Russische cultuur, met curiositeiten en literaire anekdotes, en doet daarvoor naspeuringen in de bibliotheek. Maar ook dan bakt Nabokov hem een poets.

Alvorens de bibliotheek te verlaten, besloot hij eerst de correcte uitspraak van ‘interested’ op te zoeken en ontdekte dat Webster, althans de gehavende editie uit 1930 die in de leeszaal op tafel lag, de klemtoon niet op de derde lettergreep legde, zoals hij zelf gewoon was. Hij zocht achterin naar een lijst met errata, vond er geen en toen hij het olifantachtige woordenboek dichtsloeg, besefte hij met een schok dat hij ergens daarbinnen zijn kaart met aantekeningen had ingemetseld. Moet nu zoeken tussen 2500 dunne bladzijden, waarvan sommige gescheurd?

In een kokosnotedop
De biotoop van Pnin, het (fictieve) Waindell College, zou gemodelleerd zijn naar de instituten waar Nabokov aan verbonden was. In 1940 vestigde de schrijver zich inderdaad de Verenigde Staten, waar hij eerst als hoogleraar werkte aan het Wellesley College en van 1948 tot 1956 als hoogleraar Russisch aan de Cornell Universiteit. Het personage Pnin is naar verluidt deels geboetseerd naar de figuur van Marc Szeftel.

Door de beschrijvingen van het geborneerde leven aan een kleine Amerikaanse universiteit kan Pnin beschouwd worden als een campusroman. Ooit was David Lodge de bekendste beoefenaar van de campusroman (Changing places, Small world en Nice work), maar het genre bloeide al op begin jaren vijftig met titels als The masters van C.P. Snow, The groves of Academe van Mary McCarthy en Lucky Jim van Kingsley Amis.

Meestal worden in een campusroman huizenhoge intellectuele pretenties gecontrasteerd met de doodnormale menselijke zwakheid van academici. Ook bij Nabokov is dat het geval. Dit is hoe hij in zijn roman de start van het academisch jaar 1954-1955 neerzet:

Weer ontving de marmeren hals van de alledaagse Venus in de Hal der Geesteswetenschappen het vermiljoenen merkteken, met lippenstift aangebracht, van een geparodieerde kus. Weer werd in de Waindell Koerier het Parkeerprobleem behandeld. Weer schreven serieuze eerstejaars in kantlijnen van bibliotheekboeken nuttige toelichtingen als ‘Natuurbeschrijving’ of ‘Ironie’; en in een mooie editie van de gedichten van Mallarmé had een bijzonder begaafd scholiast reeds het moeilijke woord ‘oiseaux’ onderstreept met violette inkt en er ‘vogels’ boven gekrabbeld. Weer plakten de herfststormen dode bladeren tegen één zijde van het latwerk langs de galerij, die van Geesteswetenschappen naar Frieze Hall liep. Weer wapperden op kalme middagen enorme, amberbruine koningsvlinders boven asfalt en gras, terwijl ze langzaam naar het zuiden zweefden, hun niet geheel ingetrokken zwarte pootjes tamelijk laag hangend onder hun gestippelde lijven.
En zo knarste de universiteit voort. Hard werkende kandidaten met zwangere vrouwen schreven nog steeds verhandelingen over Dostojevski en Simone de Beauvoir, Literaire activiteiten hadden nog altijd te kampen met de indruk dat Stendhal, Galsworthy, Dreiser en Mann grote schrijvers waren. Beeldende termen als ‘conflict’ en ‘patroon’ waren nog steeds in de mode. Zoals gebruikelijk trachtten steriele docenten met succes te ‘produceren’, door de boeken van vruchtbaarder collega’s te bespreken en zoals gebruikelijk genoot een groep gelukkige docenten van de verschillende beurzen die hun eerder in dat jaar waren toegekend, of begónnen juist aan dat genot. Zo bood een alleraardigst kleine beurs het veelzijdige echtpaar Starr – babyface Christopher en zijn kindvrouwtje Louise – van Schone Kunsten de unieke gelegenheid om naoorlogse volksliedjes op de band te zetten in Oost-Duitsland, voor welk land deze verbazingwekkende jongelui zowaar een visum hadden weten te bemachtigen. Tristram W. Thomas (‘Tom’ voor zijn vrienden), hoogleraar in de antropologie, had tienduizend dollar gekregen van de Mandoville Stichting om een studie te maken van de eetgewoonten van Cubaanse vissers en palmboomklauteraars. Een andere liefdadige instelling was dr. Bodo von Falternfels te hulp gekomen om hem in staat te stellen een bibliografie te voltooien, ‘betreffende dat materiaal, in druk en manuscriptvorm, dat gedurende de afgelopen jaren is gewijd aan een kritische beschouwing van de invloed van Nietzsches volgelingen op het Moderne Denken.’ En, lest best, de toekenning van een bijzonder gulle beurs stelde de beroemde psychiater van Waindell, dr. Rudolph Aurora, in staat tienduizend leerlingen van lagere scholen de Vingerkomtest voor te leggen, een test waarbij ieder kind verzocht wordt zijn wijsvinger te dopen in kopjes met gekleurde vloeistof, waarna de verhouding gemeten wordt tussen de lengte van de vinger en het natgemaakte deel en wordt ondergebracht in allerlei soorten fascinerende grafieken.

De figuur van Pnin is dan het ideale alibi om voor comic relief te zorgen in dit universitaire circuit, omdat hij het buitenbeentje is – een aristocratische Rus die na tal van omzwervingen in de Amerikaanse provincie is terechtgekomen. Nabokov laat hem geboren worden in Sint-Petersburg in 1898. Volgens zijn “curricum vitae in een kokosnotedop” verliest hij in 1917 zijn ouders aan tyfus, en vlucht na vijf maanden in het Witte Leger uit de door de Roden bezette Krim naar Constantinopel. Pnin verlaat uiteindelijk het Rusland van Lenin, haalt in Praag een doctorsgraad en vertoeft dan, alvorens naar de VS over te steken, vijftien jaar in het zestiende arrondissement van Parijs.

De parallellen met Nabokovs eigen leven zijn duidelijk. Ook de geestelijke vader van Pnin werd geboren in Petersburg. Na de revolutie van 1917 vluchtte het gezin – Nabokovs vader was een vooraanstaand jurist en liberaal – naar Berlijn. Van 1919 tot 1923 studeerde Nabokov Franse en Russische letterkunde en entomologie in Oxford. Vervolgens woonde hij in Berlijn (1922-1937) en Parijs (1937-1940). Daarna volgde een academische carrière in Amerika (met boeken over Gogol en vertalingen van Poesjkin die door Edmund Wilson scherp werden aangevallen), waarna hij terugkeerde naar Europa om de laatste zestien jaar van zijn leven in het Palace Hotel in Montreux door te brengen. De Russische autoriteiten hadden om begrijpelijke redenen weinig op met de “decadente”, “cynische”, “intellectualistische” erotomaan en individualist Nabokov.

Maar zowel Pnin (een naam als “een belachelijk ontploffinkje”) als Nabokov werden door het Nansenpaspoort  gered. Dit was een door de Volkenbond ingevoerd identiteitsbewijs of reisdocument voor vluchtelingen die niet beschikten over een paspoort uit het door hen ontvluchte land. Het werd genoemd naar de poolreiziger, wetenschapper en diplomaat Fridtjof Nansen, die in 1921 de eerste Commissioner for Refugees werd. Russen konden ervan profiteren, nadat het communistische regiem het Russische staatsburgerschap ontnam aan iedereen die na de Revolutie het land had verlaten. Het ging over ruim een miljoen mensen. Later kwam ook Armeense, Assyrische, Assyro-Chaldeeuwse en Turkse vluchtelingen ervoor in aanmerking.

Ook de andere autobiografische elementen van Pnin zijn makkelijk te turven. Er vliegen vlinders voorbij, Pnin doet zijn zegje over tal van Russische schrijvers en Nabokov kan in zijn held ook zijn hekel kwijt over psychoanalyse en aanverwante uitwassen.

De tweede helft van het boek, wanneer Pnin meer onder de mensen verkeert – deels onder professoren, deels onder mede-migranten– is melancholischer, serieuzer. Of misschien lijkt dat alleen maar zo, en kan ik al te subtiele exil-grapjes gewoon niet thuisbrengen. Pnin vertoeft dan op een buitenverblijf van genaturaliseerde Russen, speelt een spelletje croquet en twist over de precieze datum waarop het verhaal van Anna Karenina begint.

Pnin is Nabokovs vierde roman in een andere dan zijn moedertaal. Tot 1940 had Nabokov in het Russisch geschreven, daarna publiceerde hij in het Engels en begon hij met de hulp van zijn zoon zijn de Russische boeken te vertalen. Het maakt van Pnin een sterk staaltje ironie: het verhaal over een Engels onkundig meneertje, opgetekend door een van de weinige schrijvers uit de geschiedenis die literair uitblonk in twee talen. Joseph Conrad wordt in dit opzicht altijd in één adem met Nabokov genoemd, hoewel de Pool nog beter deed, door in het Frans én in het Engels te publiceren.

Genie is nonconformistisch
Pnin
is de eerste roman van Nabokov na zijn doorbraakboek-in-Amerika en succès de scandale Lolita. Het boek bestaat uit hoofdstukken die door Nabokov tussen 1953 en 1955 als aparte afleveringen werden opgestuurd naar The New Yorker om in zijn onderhoud te voorzien toen hij vruchteloos met het manuscript van Lolita leurde. Dat episodische valt sterk op. Een echte roman wil het maar niet worden. Hoewel Pnin ook weer geen meneertje is in de lijn van Monsieur Teste, Meneer Cogito, Barnabooth en Plume, voor wie de auteur een paar exemplarische situaties heeft uitgezocht om zijn meneertjesachtigheid in de verf te zetten. Daarvoor is hij te secuur getekend.

Een ander kritiekpunt, van mij dan, is dat Nabokov veel laat liggen. Zo had ik die vader/zoon-relatie uitgediept willen zien. Voor mij is het portret van Victor het beste hoofdstuk in dit boek. In een paar verrukkelijk sardonische bladzijden zet Nabokov een kereltje neer met een IQ van ongeveer 180 dat alle theorieën van Freud – wiens “vulgaire, versleten, in de grond middeleeuwse wereld, met zijn ziekelijk najagen van seksuele symbolen” Nabokov verwierp – vrolijk naar de prullenmand verwijst.

Zo doen beide ouders van Victor – Eric Wind en de hertrouwde Liza – in hun functie van psychotherapeut “hun best om Laïus en Iocaste te verpersoonlijken”, maar de jongen blijkt maar een “heel middelmatige kleine Oedipus te zijn”. En hoewel Victor een groot artistiek talent is, stellen geen van zijn tekeningen de mandola voor – vormen van een min of meer vierledig gespreide structuur die zo centraal staan in de theorieën van Jung. Nope. “Genie betekent non-conformisme,” staat er ergens, en ik denk dat we die opvatting ook gerust aan Nabokov mogen toeschrijven.

Toen hij twee was, tekende Victor geen spiraalvormige krabbeltjes om knopen of patrijspoorten aan te geven, zoals een miljoen andere kleuters doen, waarom jij dan niet? Liefdevol tekende hij volmaakt ronde, perfect gesloten cirkels. Als men een driejarig kind vraagt een vierkant na te tekenen, maakt hij één herkenbare hoek en ziet er vervolgens geen been in de rest van de omtrek golvend of rond te maken; maar op driejarige leeftijd tekende Victor niet alleen met minachtende accuratesse het verre van volmaakte vierkant van de onderzoeker (dr. Liza Wind) na, maar tekende nog een kleiner vierkant ernaast. Hij maakte nooit dat beginstadium in de grafische activiteit door, waarin kleine kinderen Kopffüsslers (kopvoetertjes) of humpty-dumpties met L-vormige benen en armen met harken aan het uiteinde tekenen; hij vermeed de menselijke vorm zelfs helemaal en toen papa (dr. Eric Wind) erop aandrong dat hij mama (dr. Liza Wind) zou uittekenen, tekende hij een prachtige golving, haar schaduw op de nieuwe ijskast, zo vertelde hij erbij. Op zijn vierde ontwikkelde hij een geheel eigen stippeltechniek. Op zijn vijfde begon hij voorwerpen te tekenen met perspectief – een keurig verkorte zijmuur, een boom die verkleind was vanwege de afstand, een voorwerp dat half achter een ander schuilging. En op zijn zesde jaar onderscheidde Victor al wat zovele volwassenenen nooit leren zien – de kleur van schaduwen, het verschil in kleur tussen de schaduw van een sinaasappel en die van een pruim of een avocado.

Slotakkoord? Het sympathieke aan de persoon Pnin is dat hij in elke situatie genoeg buigzaamheid en eigenwaarde bezit om niet ten onder te gaan in zijn zelfgeschapen malaise. Al weten we niet met zekerheid of hij ook de laatste klap van zijn geestelijke vader overleeft. Het boek eindigt abrupt, wanneer de verteller zich, zoals vaak bij Nabokov op het allerlaatste ogenblik, kenbaar maakt. Wat moeten we van deze verteller denken? Soms was het beeld dat hij van Pnin ophing karikaturaal, dan weer goedig-sentimenteel. Met andere woorden: net zoals onze auteur zijn marionnetten van personages soms humeurig dan weer met mededogen bejegende. Wat er ook van zij, bij zijn ontmaskering blijkt hij het prototype van de onbetrouwbare verteller, wiens specifieke portret van Pnin niet zonder eigenbelang kan zijn geweest.

Och, dit spelkarakter interesseert me nooit zo bij Nabokov. Ik zie hem toch meer als een groot stilist dan als een auteur. Meer zinnenschrijver dan romanschrijver, bedoel ik. Op de weblog van John Self ontwikkelde zich een interessante discussie of de aanpak van Nabokov daar iets mee te maken heeft. Nabokov schreef zoals bekend op steekkaarten. Zou het niet kunnen dat hij vooral lol beleefde aan die miniatuurtjes? Die dan achteraf, met gezonde tegenzin, aan elkaar dienden gelast tot roman?

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Vladimir Nabokov, Pnin
197 p.
Uitgeverij De Bezige Bij, 1978
Oorspr. Pnin (1957)
Vertaal door Else Hoog


Zeg uw gedacht