Wat verwacht ik van een historicus die een welomlijnde periode beschrijft? Na het lezen van zijn boek weet ik graag hoe de gemiddelde boer, arbeider, bediende, bedrijfsleider en aristocraat leefde in dat tijdsvak. Hoe lastig het ook spreken is van gemiddelden. Bovendien moet de auteur duidelijk maken wat de verschillen en raakpunten zijn met hun lotgenoten in de periode ervoor, de periode erna en in ons huidig bestel.
De duizelingwekkende jaren was te weinig inzichtelijk in bovenstaande kwesties en dat komt niet omdat Philipp Blom zijn materiaal thematisch organiseert, en niet volgens sociale stratificatie.
Hoewel hij zijn hoofdstukken chronologische titels meegeeft (‘1900’, ‘1901’, ‘1902’,…) schreef Blom dus een boek dat cirkelt rond een vijftiental thema’s. Elk hoofdstuk vertrekt weliswaar van een concreet verhaal in het besproken jaar, maar dat is louter het vertrekpunt voor een essay over een facet van de periode 1900-1914. Zo’n facet kan zijn: de ontwikkeling van de moderne natuurkunde (maar zonder Max Planck), de positie van de vrouw vóór de Eerste Wereldoorlog, de versplintering van het ik, de opmars van de eugenetica, de geboorte van de consumptiemaatschappij enzovoort.
Blom doet zich daarbij gelden als een uitstekend raconteur. Hij vertelt verhalen, schetst portretten van echte mensen, illustreert met lange, beeldende citaten en zorgt ervoor dat elk hoofdstuk – 25 à 35 bladzijden – eindigt bij de gebeurtenis waarmee het begon. Vakwerk. Voor zijn openingsscènes trapt hij ook geen open deuren in. 1903 vertrekt niet vanuit de Tour de France, het hoofdstuk over 1912 laat de Titanic zo goed als onbesproken. Fijn voor mensen zoals ik zijn de literaire verwijzingen in de tekst. Zo komt de roman Petersburg van Andrej Bely opvallend vaak voorbij.
Het probleem is dat De duizelingwekkende jaren de geschiedenis voornamelijk ophangt aan celebrities. Beroemde uitvinders, activisten, kunstenaars, denkers. Dat levert natuurlijk een eminent leesbaar boek op. Tegelijk is het een beetje valsspelen: avant-garde kunstenaars zijn immers alleen maar in retrospect zo groot — dus mét kennis van de daaropvolgende twintigste eeuw. Groter probleem is wellicht dat het ook in een boek resulteert zonder veel verrassingen, en met veel trends die al eerder dan het tijdsvak 1900-1914 waren ingezet.
Dat is jammer. De periode voor de Eerste Wereldoorlog wordt al zo weinig geëxploreerd. Veel historici, zoals een Hobsbawm, laten haar weg en schrijven een geschiedenis van de ‘korte twintigste eeuw’ – 1914-1989. Het is ook niet dat ik me veel bij de beschreven periode kan voorstellen, behalve de gebruikelijke clichés over het fin-de-siècle en de belle époque. Maar in plaats dat Blom mij verlicht, serveert hij nogmaals Freud, nogmaals Marinetti, nogmaals ‘Les demoiselles d’Avignon’ en andere flauwekul.
Daarbij laat Blom, zoals zoveel historici na, te stipuleren in welke mate die voortrekkers en gangmakers impact hadden op de ‘gewone’ bevolking. Ik wil althans niet voetstoots aannemen dat highbrow cultuur zo maar doorsijpelt in de gemiddelde huiskamer. Af en toe zegt Blom zich daarvan bewust te zijn, maar hij trekt er geen conclusies uit voor de aanpak van zijn boek. Je hoeft geen marxist te zijn om tijdens de lectuur van dit boek te verlangen naar de fundamenten waarop die bovenbouw kon rusten. Een geschiedenis zonder een goeie klont economie is als de dwarsdoorsnede van een auto waarin de motor is weggelaten. Waar dat evenwicht wel mooi wordt bereikt, zijn de hoofdstukken die draaien rond de Russische Revolutie van 1905 en de neergang van de aristocratie in Groot-Brittannnië.
Voor de rest is De duizelingwekkende jaren dus een socio-culturele kroniek en een bij momenten erg goede mentaliteitsgeschiedenis. Soms voelde dat toch te mager aan. Qua originele dwarsverbanden binnen dat socio-culturele kader scoort dit boek ook niet zo hoog als pakweg De metamorfose van de wereld, het boek waarin Peter Conrad ook nog eens de héle twintigste eeuw aanpakt.
De inzet van Blom is nochtans groot. Hij wil dat we de vreselijke gebeurtenissen van ‘14-‘18 even vergeten zodat we wat onmiddellijk aan die Eerste Wereldoorlog voorafgaat niet alleen maar interpreteren in het licht van de Mutterkatastrophe. Zijn onderliggende these is dat de Eerste Wereldoorlog géén beslissende breuk was tussen het Victoriaanse tijdperk en de moderniteit, maar hooguit als een katalysator werkte voor de moderne tendensen die zich al rond de eeuwwisseling lieten aftekenen. Het verschuiven van de macht van de grondbezitters naar stedelijke handelaars en industriëlen is zo’n tendens.
Dat lijkt me een zeer te prijzen aanpak. De ironie wil alleen dat wie inderdaad tabula rasa maakt in zijn hoofd, in dit boek weinig aanwijzingen vindt voor het ontstaan van zoiets enorms als de Eerste Wereldoorlog. Dan lijkt mij er toch iets niet pluis.
Goed, Blom tekent een mooi portret van het militaristische expansieve Duitsland van Wilhelm II, het maritieme British Empire en het onzekere, vernederde Frankrijk. Maar dat is maar één conflicthaard. Over de politieke spanningen in het multinationale keizerrijk Oostenrijk-Hongarije – een enorm, losvast gebied dat naast Oostenrijk en Hongarije ook Bosnië, Tsjechoslovakije en een stuk van Roemenië omvatte – zegt Blom weinig.
En wat met Rusland? Het tsaristische Rusland (door de Duitsers overschat) was de hinderpaal die Duitsland belette naar het Oosten uit te breiden. Rusland had bovendien ambities op de Balkan, in het vaarwater van Oostenrijk-Hongarije.
Maar het ‘Europa 1900-1914’ van Blom bevat geen Balkan. Ook geen Scandinavië, Nederland, Spanje, Italië of Turkije, for that matter. Het bestaat uit Frankrijk, Duitsland, Groot-Brittannië, Oostenrijk-Hongarije en Rusland. Klaar. België komt wel aan bod en krijgt het gruwelijkste hoofdstuk: de moorddadige exploitatie van Congo-Vrijstaat door Leopold II.
Mooi boek. Toegankelijk boek. Geen belangrijk boek.
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> uitgebreide bibliografie in de reacties hieronder
Philipp Blom, De duizelingwekkende jaren : Europa 1900-1914
560 p.
Uitgeverij De Bezige Bij, 2009
Oorspr. The vertigo years : change and culture in the west 1900-1914 (2008)
Vertaald door Toon Dohmen
Hieronder een samenvatting in telegramstijl. De jaartallen verwijzen enkel naar de titels van de hoofdstukken. Evoluties beschreven onder een bepaald jaar beperken zich uiteraard niet tot (of zijn niet ontstaan in) dat jaar. Blom schreef een thematisch, geen chronologisch boek.
Inleiding
Het gebruikelijke beeld: de feniks van de moderniteit die uit de as van de Eerste Wereldoorlog herrijst. Maar daarvoor al verandering in de verhouding tussen mannen en vrouwen (onderwijs, geld verdienen, stemrecht, fysieke kracht en krijgshaftige deugden hebben hun beste tijd gehad). Dalende vruchtbaarheidscijfers. Ontmanning. Opwinding, snelheid, angst en duizeling. Massaproductie. Mediabedrijven. De Eerste Wereldoorlog was een katalysator voor het uiteenvallen van de oude structuren en het ontstaan van nieuwe identiteiten. Kwantumfysica, vrouwenrechten, abstracte kunst, communisme, fascisme, consumptiemaatschappij, geïndustrialiseerde moord en de macht van de media: had allemaal al voor 1914 indruk gemaakt.
1900
De wereldtentoonstelling in Parijs: handelsbeurs, wetenschappelijk congres en gigantisch kermisterrein. “Frankrijk nog altijd meest vooraanstaande land ter wereld.” Nationale paviljoens: pastiches op historische bouwstijlen. De nieuwe eeuw was onzeker voor veel Fransen: oorlog tegen Duitsland verloren, Elzas-Lotharingen verloren, Napoleon III gedwongen tot troonsafstand, Frans leger verslagen, Commune bloedig neergeslagen, opkomst van nieuw Duits rijk en de kroning van Wilhelm I in de Spiegelzaal van Versailles, Dreyfus-affaire in 1894. Londen financiële hart van de wereld. Duitse wetenschappers en ingenieurs lopen voorop. Anders dan elders in Europa stagnatie van de bevolkingsgroei in Frankrijk. Antisemitisme gemeengoed onder nationalisten en conservatieven – een vlag waaronder katholieken en republikeinse atheïsten elkaar vonden. Maurice Barrès: la terre et les morts. “Frankrijk gecorrumpeerd door protestanten, joden en vrijmetselaars.” Zola: “De stad dood vitale levenscellen.” Het beeld van de stad als mensetende reus. Proust: introspectief herscheppen van een voorbije wereld (geen arbeiders, geen petite bourgeoisie). Eugène Atget legt Parijs vast dat snel verleden tijd zou zijn. Romans waarin de neergang van een wereld vol energie en vertrouwen werd geanalyseerd (p. 32). Studie van Émile Durkheim over zelfmoord. Het decadente estheticisme is voorbij: bij de nieuwe schrijvers staat angst en neergang centraal. Henry Adams en het vertrouwen in de brute kracht van technologie.
1901
Jarenlang was het Britse rijk bestuurd vanuit Osborne House op het Isle of Wright. Vastberadenheid van de Britten, het geloof in hun rijk en in de koningin. Rijkste en machtigste natie ter wereld. Nam de helft van de mondiale industriële productie ter wereld. Burgerlijke cultuur. Strenge hiëarchie maar geen militair vertoon. De glorie van de marine. Nieuwe koning na Victoria: Edward VII, ‘Bertie’. Grof en extravert in tegenstelling tot zijn kalme, discrete moeder. Jachtpartijtjes. Op grondbezit gebaseerde rijkdom in Oostenrijk-Hongarije, Rusland en Groot-Brittannië. Eerstgeboorterecht. Landbouwkundige innovaties in het middenwesten van Amerika. Uitvinding van het koelschip: internationale markt en internationale concurrentie vanuit Nieuw-Zeeland, Australië en Argentinië. Inkomenscrisis in de Britse landbouw weegt sterk op de landadel. Eén enkel sterfgeval kon hen nu ruïneren. Verbintenissen tussen adel en nouveaux riches, rijke ondernemers (Mann, Koninklijke Hoogheid). Radicale Franse president Émiles Combes laat 10.000 katholieke scholen sluiten. Wet aagenomen over de scheiding van kerk en staat. Russische adel zo goed als failliet. Bevrijding van lijfeigenen in 1861 niet te boven gekomen. Nieuwe landbouwtechnieken mislukken. Habsburgse rijk gericht op het platteland, zelfvoorzienend en minder vatbaar voor schommelingen in de markt. Adel verbonden aan de Kroon; Frans Jozef zet ze op zijn loonlijst. Drie afzonderlijke legers: Oostenrijkse, Hongaarse en gezamenlijk leger. Nooit had een revolutie de Duitse adel omverworpen (p. 54): provinciale en militaire mentaliteit. Landsbestuur beloonde zijn aristocraten rijkelijk. De machtige klasse van Junkers in Oost-Pruisen. Machtige noordelijke havensteden als Hamburg, Bremen, Lübeck en Danzig waren kleine republieken. Het Duitse Bürgertum, de middenklasse. Titel van Kommerzienrat: teken van onbesproken gedrag. Sanitätsrat, Justizrat enz. Edward en Wilhelm II verzekerden zich van zulke machtige nieuwe vrienden. Muziek van Edward Elgar op tekst van Arthur Benson.
1902
Dubbelmonarchie: twintig procent van Europa (p. 68). Een verzameling landen die toebehoorde aan de familie Habsburg, een politiek overblijfsel uit de Middeleeuwen. Interne verdeeldheid, streven naar onafhankelijkheid (p. 68). Geen nationale groep was groot en machtig genoeg om dominant te kunnen zijn. De keizer was de enige echt samenbindende factor: de bejaarde Frans Jozef I (1830-1916). Middelmatig man en punctuele beambte. Immorele familie: keizerin Elisabeth (Sisi), kroonprins Rudolf en zijn vrouw (dubbele zelfmoord in Schloss Mayerling), aartshertog Otto en cultuurbarbaar Frans Ferdinand. Het toedekken wat iedereen wist is het parool in Wenen. Ringstrasse in historiserende stijl. Operettewereld. Wijdverbreide praktijk van prostitutie. Dubbelkoppige adelaar waarvan de koppen elk een andere kant opkijken. Collectieve vlucht in het genot. In Wenen, Praag, Boedapest en Lemberg bloeiden het theater, de literatuur en de muziek. Freud zoekt naar behandelwijze waarbij woorden de plek van een scalpel konden innemen. Seks speelde ook voor andere artsen een belangrijke rol, voor Freud waren alle aandoeningen seksueel. Niet rationeel, moreel. Charcot: “La théorie, c’est bon, mais ça n’empêche pas les faits d’exister.” Conflict tussen bewuste waarden en onbewuste verlangens. Elk normaal functioneren is een leugen. De samenleving is één grote collectieve droom. Deze theorie is ook als een commentaar te lezen op de situatie in Oostenrijk-Hongarije. Freuds theorie tegenwoordig nuttiger om sociale en literaire werelden te analyseren dan individuele patiënten. Ook in de kunst en literatuur figuren verminkt door rigide sociale conventies (p. 81). De taal was niet geschikt voor het weergeven van de waarheid (Hofmannsthal). Filosofie van Fritz Mauthner. De mens is volgens Ernst Mach een voortdurende stroom fysiologische indrukken. Mahler, Schönberg, Berg, Webern. Filosofische scepsis over de taal bij Wittgenstein. Relatie tussen stijl en persoonlijkheid: Karl Kraus. De kale ontwerpen van architect Adolf Loos tegen de slechte smaak van de middenklasse. De bekering van architect Otto Wagner. De turbinehal van Peter Behrens voor AEG (Allgemeine Elektrizitäts-Gesellschaft). Walter Gropius. Wiener Secession, met als motto ‘Nuda veritas’, de naakte waarheid, sensueel en subversief. Objecten stileren om hun innerlijk weer te geven. Gustav Klimt en Egon Schiele, de beschermende mythologische deken van Klimt wegliet. Kokoschka en Richard Gerstl. Elke Habsburgse onderdaan was een Oedipus tegenover de verpletterende vaderfiguur van de keizer.
1903
Bio van Marie Curie (p. 98). Röntgenstraling is het onderzoeksgebied van het fin de siècle. Diepste geheimen van het menselijk lichaam blootleggen zonder te moeten snijden. Maar ook een memento mori: in elk lichaam zit een skelet. Hans Castor (p. 102). Wilhelm Röntgen ontdekt dus de röntgenstraling. Kort daarna ontdekt de Fransman Henri Becquerel dat mineralen die uranium bevatten ook een onbekende straling afgaven. Samen met haar (latere) echtgenoot bestudeerde Curie radioactieve materialen, met name uraniumerts, ook wel uraniniet of pekblende genoemd. Pekblende bleek sterker radioactief te zijn dan het uranium en thorium dat eruit werd gewonnen, terwijl er geen andere radioactieve elementen bekend waren. De logische verklaring hiervan was dat pekblende sporen van een andere, onbekende, radioactieve stof moest bevatten, die veel meer straling produceerde dan uranium. Door verscheidene jaren van onophoudelijk werk isoleerden zij uit een aantal ton erts uiteindelijk twee nieuwe scheikundige elementen. Het eerste element werd polonium genoemd naar Maries geliefde, onderdrukte vaderland en het tweede radium, vanwege de intense radioactiviteit van het element. Nobelprijs 1903 (natuurkunde, samen) en 1911 (scheikunde). De wetenschap is een goede plaats voor buitenstaanders. Ernest Rutherford, Max Planck en Niels Bohr (atoommodel). Albert Einstein (de aard van tijd en ruimte). Michelson-Morley-experiment: eerste sterke bewijs tegen het bestaan van ether. Einstein: de tijd is relatief en hangt af van de mate van beweging van de waarnemer, ook al heeft dit gegeven pas echt betekenis bij zeer hoge snelheden. Einstein had logische consistentie boven de menselijke waarneming gesteld. Verwantschap met Ernst Machs epistemologische impressionisme. Henri Bergson: de ervaring van de tijd is een voortdurend inkrimpen en uitdijen. De westerse cultuur had de menselijke ervaring de slaaf gemaakt van de harde, ruimtelijke cultuur van feiten en cijfers, centimeters en tonnen. William James: waarheid is alleen relevant als die een bewezen gunstig effect had. Hans Vaihinger: we behandelen modellen alsof ze met de realiteit samenvallen. Veelvoudige perspectieven: de geboorte van het modernisme. Musil contrasteert objectiviteit met de persoonlijke ervaring. Gasverlichting vervangen door elektrisch licht. Telefoon. Telegraaf. Automobiel. Goedkope camera’s. Synthetische verfstoffen. Kunstmes. Wetenschappelijke halfgoden als Edison (1847-1931). Elektriciteit was wonderbaarlijk en verontrustend tegelijk. Brenger van het licht, en zogenaamd alles genezende energiebron. Executie van William Kemmler met de electrische stoel. Ongekende kracht van electriciteit, radioactiviteit, röntgenstraling en de atoomstructuur. Sciencefictionschrijvers en hun toekomstvisies met valkuilen. Jules Verne, H.G. Wells, Hugo Gernsback, Arnould Galopin, Maurice Leblanc, Hans Dominik, Karl May, Arthur Conan Doyle, Edgar Rice Burroughs.
1904
Verhalen van Roger Casement, Britse consul in diverse Afrikaanse gebieden waaronder Congo-Vrijstaat. Terreur door de Europese kolonisten vanwege het rubber van John Dunlop (rubberslangen gevuld met lucht). Door Stanley kon Leopold II hand leggen op een stuk van Congo ter grootte van Europa. Ivoor. Tewerkstelling van inboorlingen. Rubberbomen. Gruwelverhalen per ongeluk otnhuld door Engelse expeditieklerk Edmund Dene Morel. Al eerder aandacht gevraagd door George Washington Willliams en Mary Kingsley. Voor het persoonlijk leengoed werden ongeveer tien miljoen mensen vermoord. “Vernietigingsoorlog” tegen de Afrikanen. “Grootste genocide die de wereld ooit had gekend.” “Tussen 1885 en 1908 meer dan tien miljoen mensen vermoord door Leopolds beulen.” Leopold stak de winst in eigen zak en verhaalde de schulden op de Belgische staat. Het verhaal van Roger Casement en Joseph Conrad. Leopold voert humanitaire en filantropische drogredenen aan. Alle koloniale projecten waaren gewelddadig van inslag. Internationale pers kreeg steeds meer oog voor wantoestanden. Geen koloniale conflict maakte meer indruk dan de Boerenoorlog (1899-1902) (p. 135). Groot-Brittannië won uiteindelijk, maar werd eerst grondig vernederd door een ongeregel stelletje kolonisten. Militaire overwinning, morele nederlaag. De koloniale ervaring beviel feitelijk geen enkele koloniale heerser erg goed. Duitsland en de Herero’s. Armeense genocides. Nederlandse gruwel in de koloniën, vooral Java en Sumatra. Steeds grotere nieuwshonger. De krant was uitgegroeid tot dé bron van informatie en vermaak. Leopold bespeelt zelf de media en betaalde lobbyisten om journalisten te beïnvloeden. Verkoopt uiteindelijk het land aan de Belgische regering. Pers en activisme blijken resultaten te boeken. Imago wordt belangrijk. In het beste geval erfenis van landsgrenzen, spoorwegen, scholen, rechtstelsels en een schijn van democratie in de koloniën. De koloniën waren in de verste verte niet zo belangrijk voor de grote mogendheden als die hun onderdanen deden geloven. Voor Groot-Brittannië was het ook noodzakelijk om de grootste vloot ter wereld operationeel te houden. Thuis meer betrokken bij eigen problemen dan bij exotische verten. Britse schrijvers voelden zich niet aangetrokken tot koloniale thema’s. Bloms kritiek op het concept van de ’impliciete subtekst’ van Edward Said (p. 149). Kunstenaars die gefascineerd waren door primitieve culturen reisden zelden af naar dat land. Franse pers besteedde wel veel aandacht aan de Franse koloniën, ter compensatie van de nationale neergang. Ook thema in de Franse literatuur. Voor Duitsland was het bezit van een koloniaal rijk gewoon een kwestie van het bijbenen van de buren. De imperialistische cultuur en de (escapistische) oriëntalistische verbeelding waren niet hetzelfde! Oosterse sensualiteit stond voor de levenskracht die men in het Westen stervende waande onder de tirannie van de moderniteit.
1905
Bloedige Zondag, de dag dat de tsaar het vuur op zijn eigen volk had laten openen. De Russische steden waern modern en geïndustrialiseerd, maar slechts 1/5de van de Russen woonde in de stad. Houten boerendorpjes: derevni. Tot het einde van de negentiende eeuw waren de meeste dorpelingen analfabeet. Stedelijke onderklasse voldoet wel niet aan het industriële proletariaat dat Marx had geschetst: de Russische fabrieksarbeiders waren alleen tijdelijk geleend van het dorp. De exemplarische snelle opmars van Sergej Witte van ambtenaar in de provincie tot regeringshoofd: hij was vakbekwaam en praktisch en dat had het moderniserende Rusland nodig. Tweestrijd in Rusland: op het westen gerichten modernisten versus slavofiele opponenten. Slechte kwaliteiten van Russische bestuurders vanwege benoemingen volgens ancienniteit. Tsaar Nicolaas II, volgens Witte “een gemiddelde kolonel van wacht van goede komaf”. Hof leeft geïsoleerd in een parallelle wereld waarin een mystieke band tussen het ‘Heilige Rusland en zijn eeuwige God’ bestond. De tsaar kon niet buiten de praktische en technische kennis van de middenklasse, terwijl hij niets moest hebben van haar tegendraadse liberale idealen. Roman over het revolutionaire ideaal: Wat te doen? van Nikolaj Tsjernysjevski. Invloed op Lenin. Rampzalige oorlog met Japan ondermijnde de Russische status van grootmacht. Storm van protest in het binnenland. Belegerde havenstad Port Arthur. Zoebatov, hoofd van de Moskouse Ochrana, stimuleert oprichting van patriottische arbeidersorganisaties. Charismatische gevangeniskapelaan Vader Gapon. Het kapitalisme was een smet op de Russische ziel. Staking. Vreedzame mars naar het Winterpaleis. De tsaar en tsarina zitten achter de gesloten poorten van Tsarskoje Selo. Raadgevende doema van Boelygin, maar komt niet tegemoet aan de eisen van de revolutionairen op straat. Contraterreur: de Zwarte Honderd. De regering macht kwijt over grote delen van haar grondgebied. Muiterij op de Potemkin. Vrije verkiezingen voor een Staatsdoema. Strafexpedities. De rust van het kerkhof (Schiller). 1905 bood voorproefje op wat ging komen: elk rationeel pad vooruit leek geblokkeed door de autocratische heerschappij. Terrorisme? Dilemma in Petersburg van Bely. Tsaar gritst macht uit handen van de Doema. Losbandige monnik Raspoetin aan het hof. Bloei Russische cultuur: Stravinsky, Skrjabin, Kandinsky, Malevitsj, Larionov, Brsjoesov, Leonid Andrejev.
1906
De tewaterlating van HMS Dreadnought, het symbool van de Britse militaire macht te water. Zowel gevolg als de aanjager van een internationale wapenwedloop. De agressieve Duitse marinepolitiek deels het gevolg van de nostalgische jeugdherinneringen van één man: keizer Wilhelm II. Hij had een Engelse moeder die alles beter vond in Engeland, een Engelse grootmoeder, Victoria. Schaduw van zijn oom, Edward. Duitsland was eigenlijk alleen een koloniale mogendheid bij de genade van de Britten (Duitse schepen moesten altijd naar open zee varen langs Groot-Brittannië). Het wilhelmistische Duitsland was vastbesloten een mondiale rol voor zichzelf op te eisen. Admiraal Alfred von Tirptiz versus Jackie Fisher, die de zelfgenoegzame Britse marine hervormde. Na Frankrijk werd Duitsland de te duchten vijand. Typische mannenrace: hele samenlevingen waren in de ban van uniformen en militair machtsvertoon. Leger en samenleving nauw met elkaar verweven. Hiërarchie, rangenstelsel, verdediging binnenland. In Frankrijk dispuut tussen republikeinse en katholieke krachten over de rol van het leger. Het duel groeide in de jaren tachtig van de negentiende eeuw tot een ware rage. Militaristische Duitsland onder Wilhelm II. Het was het leger dat Pruisen van een zanderig nergenshuizen zonder natuurlijke hulpbronnen en natuurlijke grenzen had veranderd in een wereldmacht, een wonder dat het gevolg was van het pact tussen de Pruisische vorsten en hun adel. Pruisen was de machtigste partij in de federatie van staten en de Pruisische cultuur werd verbreid op school, aan de universiteit, in het leger en door een stroom van propaganda. Om de docenten van het Gymnasium (middelbaar) hing een bijna mystiek waas. Om toegang te krijgen tot de hoogste echelons van het openbaar bestuur, de rechterlijke macht of zelfs de industrie, was het raadzaam lid te worden van het reservistenleger. Gevechten in de Mensur. Geestdriftige retoriek van Wilhelm de Plotselinge. Daily Telegraph-affaire. Trouwste en machtige adviseur: prins Philipp ‘Phili’ zu Eulenburg. Eulenburgs bondgenoot: Friedrich von Holstein. Invloedrijke journalist Maximilian Harden die zinspeelde op homoseksualiteit van Eulenburg en Von Moltke. Veel grote schandalen in de twee decennia voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog draaiden om het leger en beschuldigingen van homoseksualiteit (‘uranisme’): Oscar Wilde, Alfred Redl, Eulenburg, Casement. Mannen gingen zich minder zeker voelen. Homoseksualiteit was een schrikbeeld geworden. Overal in Europa was het nog een misdrijf. Eugene Sandow: krachtpatser, fitheidsgoeroe, zakenman en internationaal fenomeen. Het landleger was in Groot-Brittannië minder groot, minder zichtbaar en vooral in de koloniën actief. Het militaire enthousiasme op het Europese vasteland legde de onderliggende angsten van de Britse burgerlijke cultuur bloot. “Het is een van de grootste charmes van de Britten dat ze weigeren dingen al te serieus te nemen, in de eerste plaats hun eigen grote symbolen. Het is een van hun grootste zwaktes dat ze net zo veel aandacht hebben voor de subtiliteiten van klassenverschillen als de Duitsers voor epauletten”: fake Abessiniërs. De Muskeljude van Max Nordau: mix van zijn twee fascinaties, de neergang van het westen en de toekomst van zij volk. Zionisme was voor hem ook een geestelijke wedergeboorte. Joodse sportclubs. Invloedrijker was Friedrich Nietzsche en zijn strijd tegen de verzwakkende slavernij van conventies – ook die van de burgerlijke waarden. De cultus van de viriele kracht.
1907
Internationale Vredesconferentie in Den Haag. Vooral voor de publieke opinie. Nobelprijs voor de Vrede barones Bertha von Suttner (Die Waffen nieder!). Controversiële prijs: meeste burgers beschouwden oorlog als een gezond, vitaliserend mechanisme dat nu eenmaal bij de historische vooruitgang hoorde. Volken waren volgens Hegel de dragers van idealen, waarin de Weltgeist zich in de geschiedenis manifesteerde. Tijd waarin het sociaal-darwinisme en argumenten ontleed aan ‘natuurwetten’ hoogtij vierden. Geseksualiseerde argumenten: mannelijk versus vrouwelijk gedrag, mannelijke en vrouwelijke principes. Oostenrijkse socialiste Rosa Mayreder. Duitse suffragette Lida Gustava Heymann. De jaren voor 1914 staan bekend als een tijd van vergaand militarisme maar het waren ook jaren van vergaand ijveren voor de vrede. Deutsche Friedengesellschaft. Ernst Bloch (La guerre future) meende dat de oorlogen voortaan een industrieel karakter zouden krijgen: productiecapaciteit, het spoornet en de logistiek van de landen. De gewapende strijd werd een allesomvattend conflict tussen nationale economieën. Er kwamen een groot aantal alternatieve sociale bewegingen, profeten en modestromingen op. Leo Tolstoj. Raspoetin. Vader Gapon. Vjatsjeslav Ivanov en zijn cult van Dionysus. Het Duitse stadje Schwabing was een laboratorium voor nieuwe levenswijzen. Fanny von Reventlow. Karl Wolfskehl. Wilhelm Diefenbach (Fidus). Barfuss-Propheten. Gustav Nagel. Gusto Gräser en de commune Monte Verità. Hermann Hesse. De Wandervögel-beweging. Het geestelijk zionisme van een studentenvereniging in Praag: Bar Kochba en hun profeet Martin Buber. Ontsnappen uit het dubbele getto van het antisemitisme en de ‘buitenlandse’ cultuur. Duitse romantische nationalisten als Paul de Lagarde en Eugen Diederichs. De cultus van het leven en het idee van een ware gemeenschap, van vrije geesten die niet waren onderworpen aan de regels van de samenleving, en het visioen van een wedergeboorte van lang verloren waarheden. Richard Strauss. Gustav Mahler. Stefan George. Klimt belichaamde bijna een alternatief eenmansuniversum (drieluik voor de universiteit). De occulte leer van de theosofie en de antroposofie. Helena Blavatsky. Charles Webster Leadbeater. Krishnamurti. De Theosofische Vereniging. George Frazer en The Golden Bough. Edward Carpenter (spirituele én seksuele bevrijding). Cf. Ergernis van George Orwell. Augustus John. Rudolf Steiner in Duitsland: van materialistische Saulus naar esoterische Paulus (p. 273), met een hegeliaanse geschiedfilosofie als ondergrond. Kritiek van Kafka en Einstein op Steiner. Vooral Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en Rusland. Groot-Brittannië matig, Frankrijk nauwelijks interesse. Ook qua onderwijs. Opkomst van het alternatief onderwijs. Zweedse pedagoge Ellen Key: traditionele onderwijs is karaktermoord, fnuikend voor het individueel bewustzijn dat tegen heersende meningen, gebruiken of bekende emoties durft in te gaan. Duitse onderwijshervormers: Hermann Lietz, Gustav Wyneken, Paul Geheeb. Elders: Maria Montessori, Francisco Ferrer, Janusz Korczak, Eugenie Schwarzwald. In Groot-Brittannië was de situatie veel kalmer: Ceile Reddie, John Haden Badley. Intellectuelen met mystieke ideeën zoals Yeats en Shaw waren Iers. In Frankrijk waren experimentele scholen verboden; alle onderwijsinstellingen moesten de republikeinse idealen toegedaan zijn. Er waren ook geen occulte of mystieke afsplitsingsbewegingen. Na de trauma’s van de Commune en Dreyfus was eenheid het devies.
1908
Vrouwenrechtenactivisten in Hyde Park. Bedoeld om de critici van het vrouwenkiesrecht onder druk te zetten. WSPU: Women’s Social and Political Union.Vrouwenkiesrecht was o.a. door minister-president Asquith lang naast zich neergelegd, omdat hij niet geloofde dat behalve een paar radicalen veel vrouwen geïnteresseerd waren in zo’n belachelijk idee. De suffragettebeweging wortelde niet in Londen, maar in de noordelijke industriesteden: Manchester, Huddersfield, Bradford en Salford. Vanaf tweede helft van de achttiende eeuw: Mary Wollstonecraft. De textielindustrie bood een groot aantal vrouwen betaald werk, in tegenstelling tot de mijnstreken. Een noodzakelijk inkomen; de arbeidersvrouwen zaten klem. Biografieën van suffragettes uit de arbeidersklasse: Mary Gawthorpe, Emmeline Pankhurst, Lavena Saltonstall, Leonora Cohen, Lillian Lenton, Emily Wilding Watson. De campagne van de suffragettes werd steeds gewelddadiger en kwam met vette koppen in de krant: stenen door ruiten, brandstichting, incidentele aanvallen op regeringsleden met paraplu’s, hongerstakingen. De aandacht verlegde zich naar de Eerste Wereldoorlog, die wel een belangrijke katalysator voor verandering bleek. Steeds meer vrouwen deden het werk van mannen in de fabrieken en mijnen, waarmee ze in de praktijk bewezen te kunnen waarmaken wat hen tot dusver formeel was geweigerd. Het feminisme in het Rusland van voor de Oktoberrevolutie was zeker een complete mislukking. Het land kende maar een kleine middenklasse. Russische feministen: Anna Filosofora, Anna Nikititsnja Sjabanova. Onmogelijkheid iets aan de eigen situatie te doen leidt tot ‘oblomovisme’. De vrouwen in Finland en Noorwegen konden al vroeg stemmen en actief aan de politiek deelnemen. In Frankrijk heel wat activisme, maar het ontbrak aan doelmatige organisatie. Publiek nog steeds uitgeput door Dreyfus-affaire. Marguerite Durand, Madeleine Pelletier. Clemenceau was tegen omdat plattelandsvrouwen op confessionele partijen zouden gaan stemmen. Carrières van beroemde vrouwen deden het wat minder urgent lijken (p. 304). In de twee Duitstalige rijken in Europa maar heel weinig openlijk geëmancipeerde vrouwen. De weinige feministes (zoals Anita Augspur) wilden wel meteen de grondslagen van de samenleving als geheel veranderen. Fotostudio Atelier Elvira groeide uit tot pleisterplaats van de Münchense bohème. Lida Gustava Heymann. Sinds August Bebel hadden de Duitse socialisten de zaak van de vrouwenemancipatie omarmd. Socialistische activiste Clara Zetkin. Feministen in het Habsburgse Wenen: Bertha von Suttner, Alma Mahler, Eugenie Schwarzwald, Berta Zuckerkandl, Eleonora Duse. Volgens Grete Meisel-Hess had de westerse cultuur de mensheid afgeleid van een natuurlijke benadering van seksuele impulsen vrij van machts en eigendomsverhoudingen. Hetzelfde systeem dat kinderen humanistische waarden en morele zuiverheid bijbracht dwong vrouwen tot seksuele slavernij of onthouding. Rosa Mayreder: veel uitzonderlijke mannen die meestal blijk geven van een open geest zijn barbaren als het gaat over vrouwen. Beschaving doet de levens van mannen en vrouwen meer op elkaar lijken. Verborgen revolutie met een blijvend effect: ook anti-feministen gingen op den duur betaald werk doen, kregen toegang tot basisonderwijs, hadden de keuze minder kinderen te baren. Antifeministische kopstukken: Nietzsche, Weininger (die joden en vrouwen als de twee belangrijkse vijanden van de individualiteit en de mannelijkheid aanwees), Paul Julius Möbius. Stadsleven, kranten, aandelenmarkt en andere aspecten van het moderne leven werden sterk vereenzelvigd met de joden. De antisemieten en de antifeministen verwarden zichtbare personen en groepen met onzichtbare oorzaken. Manwijven en verwijfde mannen – spelletjes met seksualiteit trok kunstenaars aan: De Chirico, Derain, Kokoschka, Mann, Musil, Sitwell, Achmatova, Bernhardt, Duncan. Dit was geen decadente erotiek van het fin de siècle maar een gevaarlijke sensualiteit die geen belofte van een betere toekomst inhield.
1909
Louis Blériot was de eerste mens die het Kanaal over was gevlogen. Nu konden vliegtuigen echt worden ingezet als vervoermiddel. Autocoureurs, rallyrijders en fietskampioenen groeiden uit tot volkshelden. De elektrische locomotief wordt getest. In de loop van één generatie had Duitsland zichzelf omgevormd van een versleten lappendeken van feodale staatjes tot een industriële reus. Duitsland had erfvijand Frankrijk verslagen, had koloniën verworven en was een echt Duits rijk geworden. Wereldleider in de chemische industrie, fabricage van precisieinstrumenten. Zeehavens. Ruhrgebied: steenkool en staal. Fabrieken van Krupp, Bayer, BASF, AEG Siemens, Daimler Benz. Telefoon holde de hoffelijkheid van schriftelijke correspondentie uit. Spoorwegen. Elektrische trams in Berlijn sinds 1879. De Amerikaanse ingenieur Frederick Winslow Taylor wijdde zijn leven aan het rationaliseren van arbeidsprocessen. Henry Ford zag in dat hij meer geld kon verdienen door honderdduizenden goedkope auto’s tegen een lage prijs te verkopen dan een paar luxemodellen aan de rijken. Nam de lopende band in gebruik. Vooruitziende Europeanen voelden zich aangetrokken tot de Amerikaanse manieren van leven en de gerichtheid op het nu. Snelheid was een alledaagse lichamelijke ervaring geworden. Vrouwen dragen praktische kleding zoals de broek. Associatie van snelheid met seksuele losbandigheid. Technologie en snelheid riepen een nieuw soort kunstmatig verbeterde supermens in het leven. Tour de France vanaf 1903. Sportpalast vanaf 1906. Vastleggen van sportieve prestaties. Vestzakhorloge. T-Ford ofte Tin Lizzie. Max.snelheid 25 à 30 km/u. Scheepsramp Titanic: snelle berichtgeving, speciale edities. Eerst telegraafkabel in 1865. Door nieuwe druktechniek konden foto’s voortaan direct in druk verschijnen. Camera’s snel genoeg om zelfs de vluchtigste verschijnselen te fotograferen. Röntgenstralen: de menselijke zintuigen waren duidelijk niet scherp genoeg genoeg om de volle vaart van de wereld te kunnen waarnemen. Snapshot: fotografie voor leken. Lartigue. Films en bioscoopjournaals. Het medium veranderde de manier waarop verhalen werden verteld. Cultus van snelheid en technologie met nadelen in scifi. Het futurisme van Marinetti: gevaar, roekeloosheid, energie, geweld, snelheid, de eeuwige alomtegenwoordige tijd. Futuristische schilders: Giacomo Balla, Umberto Boccioni. Pirandello schrijft Dagboek van Serafino Gubbio, cameraman. Dynamisme vond in de Duitse kunst geen weerklank. Estheten: Mann, Hofmannsthal, Rilke. Sociaal-kritisch: Kollwitz, Hauptmann, Wedekind. Velen klagen over ontredderde zenuwen: neurasthenie. Symptomen beschreven door George Miller Beard. Steden groeien, net als het aantal neurasthenische patiënten. De aandoening treft vooral hoofdwerkers en mensen in de voorhoefde van de technologie. De angst niet genoeg te presteren. De stad bood met zijn anonimiteit en hoge inwonertal een veelheid aan erotische verleidingen en bijbehorende werkelijke en ingebeelde gevaren. Syfilis. Het kapitalistische arbeidsethos bood mensen meer dan vroeger de mogelijkheid het lot in eigen handen te nemen. Seks was wel nog altijd doodszonde. Het amorele Frankrijk boezemde Rusland het meest angst in. Oostenrijk-Hongarije: meer nieuwsgierigheid dan angst en het besef dat neurasthenie gelijkstond met cultuur. Cf. Mahler. Wilhelm de Plotselinge in Duitsland. Goed en kwaad worden vervangen door energiek en slap. Der Zauberberg. Henry Adams roept het einde van het tijdperk van de maagd uit en het begin van het tijdperk van de dynamo. Mensen moeten zich aanpassen en raken soms verlamd door kloof tussen publieke moraal en persoonlijke driften.
1910
Het modernisme van Virginia Woolf. Romanschrijvers hadden de wereld min of meer kunnen beschrijven zoals hij was, gericht op personages en het verhaal, of personages inzettend om ideeën te verbeelden. Nu lijken de werktuigen van het vertellen niet meer toereikend om gevoelens en de aard van mensen en gebeurtenissen vast te leggen. Conventies, rollen en verwachtingen veranderden zo snel dat het metaforische web van de taal ze nauwelijks meer kon vangen. Er kwam creatieve energie los, maar de lezer had nog weinig houvast. Lytton Strachey. Roger Fry. Exit Whistler en Sargent, exit Rossetti en Millais. Nu Van Gogh, Cézanne en Gauguin. De Engelse kunstwereld liep als het ware een generatie achter in vergelijking met de Franse avant-garde uit de jaren tachtig van de negentiende eeuw. George V na Edward de troon. In de muziek beleefde de Romantiek haar nadagen. In de boekhandel pulp, scifi, decadentie en realisme. Experimenten in groep. Bloomsburygroep. De groep rond Gertrude Stein in Parijs. Münchense Schwabingkring. Darmstadt. Worpswede. Die Brücke. De Toren van Vjatsjeslav Ivanov in Sint-Petersburg. Futurisme in Milaan. De Secession en de salons van Eugenie Schwarzwald en Bertha Zuckerkandl in Wenen. Geïsoleerd, niet internationaal. Pius X sprak zijn banvloek uit over het modernisme. Rode draad: snelheid, stadsleven, zenuwinzinkingen, oriëntatie op de toekomst. Vorm: ruis, collage, citaat, versplintering. De menselijke aard was altijd al woest, oeroud en mythologisch. De burger is een verklede aap. Stravinsky, Diaghilev, Borodin, Arenski, Rimski-Korsakov, Nijinsky, Debussy. L’après-midi d’un faune. Le sacre du printemps. Stravinsky’s fascinatie voor archaïsche rituelen. Geometrische vormen zijn symbolen met een universele zeggingskracht voor Kandinsky. Matisse, Larionov, Gontsjarova, Malevitsj, Picasso, Braque, kubisme. Fragmentatie van identiteiten versterkt door eigentijdse invloeden zoals de cinema. Stream of consciousness bij Pirandello, Schnitzler, Bely. Sequentiële fotografie van Muybridge en Eakins. Duchamp. Empirische waarneming verandert wat er te zien is en hoe dat vertaald kan worden in gevoelens en ervaringen. De lokroep van een natuurlijker leven in het buitenland: Macke, Klee, Gauguin, Wilhelm von Gloeden, Friedrich Alfred Krupp, André Gide. Oost-Europese authenticiteit bij componisten als Bartók en Kodály. Smetana en Dvorak maken zich sterk voor de nationale zaak. Nolde. Pechstein. Freud putte als een van de velen uit het oude Griekenland. Waren voorchristelijke ontstaansmythen de remedie tegen de vermoeide beschaving? Invloed van Elektra op Hofmannsthal, op muziek van Richard Strauss. Vergaande herinterpretatie van de Griekse mythologie door Klimt. De sluier van de conventionele moraal is weinig meer dan een extra zintuiglijke prikkeling voor diegenen die hebben geleerd hem te doorzien. Avant-garde: neen, de menselijke natuur is niet veranderd, wel op een dwaalspoor door christendom en verzet tegen de begeerte. Gecastreerde slaven van de enorme machines van het kapitalisme. Max Weber (p. 390): na de onderdrukking door de leer van de kerkvaders, komt hun seculiere opvolger: die van de burgerij. Protestants arbeidsethos versus katholieke ascese. Freuds analyse borduurt hierop verder: kapitalistisch succes is profijtelijk voor de groep en de welvaart, maar nadelig voor het individu. Redding ligt volgens de psychoanalyse in het zich bewust worden van ontkende impulsen.
1911
De zoektocht naar archaïsche authenticiteit in de kunst was een obsessie van een paar briljante enkelingen. Intussen betraden miljoenen mensen een tijdperk van ongekend gemak en opwinding. De meeste mensen wilden juist deelnemen aan de kapitalistische samenleving: genoeg te eten, betere behuizing, fatsoenlijke baan, een goed inkomen, mooie kleren, auto en nieuwe soorten vermaak. Nieuwe tempels van verstrooiing: filmtheaters, omgebouwde cafés, paardenrenbanen. Léon Gaumont en zijn concurrenten de gebroeders Pathé waren de grootste spelers in de Franse cinema – voor WOI haast uitsluitend Franse aangelegenheid. Edisons kinetoscoop, Lumières cinématographe, bioscoop van de gebroeders Skladanowsky. Eerst was beweging een attractie, later vroeg het publiek meer verhaal en een aansprekender decor. Nickelodeons (goedkope buurtbioscopen) in de VS. De nieuwe sterren van het witte doek: Max Linder, Sarah Bernhardt. Roem op deze schaal was het symptoom van een nieuw soort cultuur: voor de komst van de massamedia, de film en de grammofoon was elke ervaring uniek geweest. Er was minder sociale bagage nodig (plaat in plaats van operabezoek) en minder financiële middelen (goedkope opname). Meer en meer mensen legden de tijd zelf stil: de Browniecamera van George Eastman. Foto’s maakten de wereld tot een kleiner, sneller oord. De omgeving was wel bedekt met de mantel der geschiedenis: gipsen bustes, replica’s in een gouden lijst, fabrieksmatige meubels in historiserende stijlen. Jugendstil, art nouveau en Arts and Crafts formuleerden een artistiek antwoord op de oprukkende massaproductie. Maar de angst voor het boze oog maakte langzaam plaats voor functionaliteit, mechanisering en productieprocessen. Stedelijke consumenten hadden nieuwe plekken nodig om te winkelen: warenhuizen. Bon Marché, Louvre, Printemps, Galeries Lafayette, Grand Magasin Dufayel, Macy’s, Harrods, Whiteleys, Derry and Toms, Muir & Mirrielees, Innovation, Holzer, Fischer, Wertheim, Schocken en Tietz. Totaalervaringen. Postordercatalogi (Sears Roebuck & Company). Historicus Georges d’Avenel: elke keer dat de industrie haar bereik vergroot, wordt het leven van een groot aantal individuen verrijkt. De gevolgen van industrialisering duidelijkst in VS (geen verschillende rechtsstelsels, douanebepalingen, landsgrenzen): distributienetwerken, consumentenonderzoek, gerationaliseerde manier van verkopen en produceren. Confectiekleding. Statistiek in het verzekeringswezen. Upton Sinclair waarschuwt voor de ontmenselijking als gevolg van de gemechaniseerde productie. Op de Wereldtentoonstelling in Parijs 1900 vindt Maurice Talmeyr dat de werkelijkheid heeft plaatsgemaakt voor een commercieel geïnspireerd fantasiebeeld. De wereld van de massaconsumptie stond gelijk met economisch gemotiveerde leugens. Doorbetaalde vakantiedagen. Goedkoper spoorverbindingen. Vakantiehuisjes. De wereld leek naderbij te komen, moeilijker om je eraan te onttrekken. Waar vroeger zich traag ontwikkelende traditionele structuren – streek van herkomst, geloofsovertuiging, gilden en staden – bepalend waren geweest voor iemands identiteit, werden nu door de industrie en massaproductie in het leven geroepen zelfgemaakte keuzen belangrijk. Politieke ideologieën verspreidden zich via grote partijorganisaties en kranten. Vakbonden en partijen sloten aan bij de sociale realiteit van de geïndustrialiseerde samenlevingen. Sportclubs en verenigingen. De industrie laat jongeren als consumenten nog links liggen. Wel voortekenen daarvan: veranderde status van de vrouw, meer onderwijs, clubs en verenigingen. Deze nieuwe stammen/consumptiegemeenschappen waren een belangrijk kenmerk van de nieuwe sociale orde. Zelfdefinities waren vluchtig. Vooral vrouwen bood de massasamenleving veel keus. Dominantie van seks in advertenties. Georg Simmel en de seismografische metingen van zijn tijd. Stripfiguren. Animatiefilm. David Horsley opent in het dorpje Hollywood zijn studio.
1912
Het Eerste Internationale Eugeneticaproces van 1912. Eugenetica voorheen terrein van zonderlingen, nu opgeklommen tot de voorhoede van de wetenschap: wetten en maatregelen als gedwongen sterilisatie. Twee ontdekkingen, door Mendel en Weismann. Georg Mendel: de erfelijke informatie wordt in twee informatiestrengen doorgegeven, namelijk dominant en recessief, zodat de recessieve kenmerken alleen naar boven kwamen als die twee informatiestrengen samen voorkwamen, terwijl anders alleen de dominante informatiestreng naar boven kwam. Genegeerd, ook door Darwin voor wie het aanpassen van organismen aan hun omgeving zo een raadsel bleef. Mendel kreeg aandacht door William Bateson. August Weismann: ontdekte het kiemplasma van cellen (grofweg wat we tegenwoordig DNA noemen) en droeg een theorie uit volgens welke erfelijke factoren alleen doorgegeven worden in gameten en niet door middel van somatische cellen. Verwierp Lamarck die dacht in termen van beïnvloeding van ouders of later verworven kenmerken. Weisman bedacht zijn theorie nog voor genetica een wetenschap werd dankzij de herontdekking van de Wetten van Mendel. Thomas Hunt Morgan ontdekte willekeurige mutaties bij fruitvliegjes en bood tegelijk een bondige weerlegging van de eugenetica, die uitging van de cultivering van erfelelijke eigenschappen! In de debatten over eugenetica omstreeks 1910 (in welke mate zijn eigenschappen erfelijk?) wist men nog niet het hoe en waarom van het mechanisme van mutatie en recombinatie van losse genen, noch de structuur van het genetische materiaal – de dubbele helix van Watson en Crick. Francis Galton was de deken van alle onderzoekers op het gebied van erfelijkheid: meeste talenten werden voorgebracht door families van goede komaf (post hoc, ergo propter hoc-redenering). Galton bracht het idee naar voren dat de mensheid alleen een hoger beschavingspeil kon bereiken door waardevolle individuen voorrang te geven en de juiste huwelijken te arrangeren. Voorkeur voor de Engelse bovenklasse. Brits spookbeeld van een degenererende natie: Boerenoorlog, industriesteden, Londense achterbuurten beschreven door Jack London. Einde maken aan de ellende door de reproductie hiervan een halt toe te roepen? De tweede profeet van dit wereldbeeld was de Duitse anatoom en popsci-schrijver Ernst Haeckel (p. 434). Politiek was voor hem niets anders dan toegepaste biologie. Heel bizarre definities van sympathie en medelijden. Zijn beschermeling Wilhelm Schallmayer: de dood is een dienst aan de soort ten koste van het individu. Beschaving werkte de natuurlijke selectie tegen. Alfred Ploetz. Het grootbrengen van de sterken (positieve eugenetica) had geen zin zonder het uitroeien van de zwakken (negatieve eugenetica). Eugenetica leek een oplossing te bieden voor de angsten uit de vorige hoofdstukken. Het debat was overigens niet gematigder in andere landen dan Duitsland en Groot-Brittannië. Lombroso deed biometrische metingen: wie is een geboren crimineel? Socialisten ijverden voor een gezonder proletariaat. Eugenetische pedagoog Paul Robin in Frankrijk. Het Eugenics Records Office van Charles Davenport. Intelligentietest van Henry Goddard. Amerikaanse sterilisatiewetgeving. In Rusland ander accent: aantonen dat alle wezens voortgekomen zijn uit hetzelfde slijm. Darwin eerder dan eugenetica. Russiche criticus van Darwin: Kropotkin en zijn op gedeelde belangen gebaseerd altruïsme in de natuur en in de samenleving. Ook Havelock Ellis stelde zich vraag over het soort toekomst waar men naartoe werkte. Welke maatstaf bepaalt fysieke of intellectuele volmaaktheid? Erfenis van Nietzsche, de mengeling van het klassieke en het mythische die een logicus als Bertrand Russell afstootte (p. 449). Hij lijkt een ideale profeeet voor de eugenetica, maar hij was een anti-anitsemiet en zijn Übermensch is geen heerser maar een zoeker, wiens grootste uitdaging erin ligt zichzelf te overwinnen, en zuivere levenskracht na te streven voorbij het dogmatische denken. Profeten, filosofen en zieners plunderden de wetenschap op zoek naar bruikbare losse feiten en theorieën en manipuleerbare ideeën – racisten als Madame Blavatsky, Rudolf Steiner, Guido von List, Jörg Lancz von Liebenfels, Hugo Ribbert, Bartholomäus von Carneri, Houston Stewart Chamberlain en Maurice Barrès. Veranderende culturele normen konden ‘wetenschappelijk’ worden gedemoniseerd in termen van degeneratie en raszuiverheid.
1913
Schrijver, schoolhoofd en massamoordenaar Ernst August Wagner: “Alles in mij is verlangen en lust’. Laat autobiografische geschriften na die inzicht geven in zijn motieven. Schreef een drama (Wahn) over Ludwig II. De waanzin houdt zijn tijd een lachspiegel voor: het eugenetisch uitwieden van zwakken en zieken, een pseudonietzscheaanse machtscultus, een seksueel geladen opvatting van de wetenschap, een diagnose van neurasthenie en ontaarding in termen van onbeheersbare lustgevoelens. Ander psychiatrisch geval: Daniel Paul Schreber, rationele beschrijving van zijn hallucinaties – Denkwürdigkeiten eines Nervenkranken – waaronder een obsessie met zijn eigen seksuele onvermogen. Ook filosofiestudente Natalja A. leed aan hallucinaties. Robert Gie dacht aangestuurd te worden door machines. Les aliénés: de Franse benaming voor geesteszieken. Wie niet meekon in een samenleving gebaseerd op professionele deskundigheid en rationele orde was een probleem. Ook de groei van de misdaad baarde zorgen. Rivialiserende jeugdbendes (apachen) in Parijs, snel voorbijgestreefd door de bende van Jules Bonnot. Via de pers verspreidde hun roem zich snel. Maar was er daarmee ook sprake van een nieuwe misdaadgolf? Geen duidelijke bewijzen, behalve in Rusland, met name Sint-Petersburg en zijn vandalen. Geboorte van de criminologie. Cesare Lombroso: er bestaat een mensensoort die vanuit zijn diepste aard aan de misdaad is toegewijd en hebben daar dus geen schuld aan. De natuur is onsterfelijk volgens hem, en cultuur is niets anders dan de bloem op de mestvaalt van de geschiedenis. Navolger van fysioloog Franz Josef Gall: activiteit in de verschillende centra van het brein. Genieën zijn een speling van de natuur, compensatie van gebreken (genie en psychose, romantische link vb. p. 481). Alfred Kubin: de verpletterende erotische aantrekkingskracht van de vrouw. Krankzinnigheid en geweld bij Musil. Aan het begin van de twintigste eeuw, waarin niets meer werd aanbeden dan gezondheid en kracht, vielen kunstenaars uit de boot. Ontaarding binnen één familie: Buddenbrooks. Het grote publiek las wel graag over andere buitenstaanders in detectives. Sherlock Holmes en Arsène Lupin van Maurice Leblanc, gebaseerd op de anarchist Marius Jacob en zijn travailleurs de la nuit. Andere grote Franse boef: Fantomas van Marcel Allain. Duitse pulp: avonturenverhalen à la Karl May of liefdessentiment van Hedwig Courts-Mahler. De zaak-Wagner illustreert ook de verlichte verhouding van de psychiatie en de rechterlijke macht (ontoerekingsvatbaar verklaren).
1914
Rampzalige Frans-Duitse en internationale verhoudingen. Strijd om maritiem overwicht. Agadir-affaire. Henriette Caillaux was de vrouw die op 16 maart 1914 krantendirecteur Gaston Calmette van de krant Le Figaro doodschoot om de eer van haar man Joseph Caillaux (pro-Duitse politiek) te redden. Jean Jaurès wordt later neergeschoten. Bij de moord op Calmette kwamen veel motieven samen: de zorgen van de Fransen of ze wel over genoeg kracht beschikken om het dreigende Duitsland af te slaan; de opkomst van technocraten als Caillaux en de machinaties van de moderne politiek; de belangrijke rol van de massamedia; de koloniale geschiedenis en haar vreselijke details; de wapenwedloop in de marine en de constante dreiging van escalatie; de gewelddaden verheerlijkt door het futurisme en de angst voor meer geweld in het dagelijks leven en ten slotte het feit dat Mme. Caillaux niet passief bleef. De moderne wereld was al een feit voordat de eerste Duitse soldaat de Belgische grens was overgestoken. Angst om voort te razen zonder richting: een electriciteitskabel onder stroom die alle kanten uitzwiept. De jaren na 1900 waren eerst en vooral dynamisch (synthese vanaf p. 500): steden, industriële productie, snelheid, massamedia, opkomende wereldmarkt, schrikbeeld van ontaarding, dood van Victoria, afbrokkeling van de oude heersende klasse van Europa door economische factoren, consumentisme, vakbonden, feministen, transformatie in minder dan één generatie, nationalisten en radicale denkers, eugenetici, zoektocht naar nieuwe esthetica en waarachtige moraal – buiten de christelijke beschaving. De groei van de industriële samenleving en de veranderingen in de verhoudingen tussen de seksen en op het gebied van seksualiteit glipten vonden zonder grote veldslag plaats. Vrouwen kregen minder kinderen, die meer opleiding genoten. De moderne man lijdt aan militarisme en intellectualisme. Antisemitisme, oriëntalisme, koloniale wreedheden. Tijdruimte: een nieuw geheimzinnig continuüm. De vaste ruimte en het unieke moment hielden op te bestaan. Mens en machine gingen een merkwaardig huwelijk aan. Verlies van de heelheid van het zelf, van persoonlijkheid, van duidelijk afgebakende grenzen, versterkt door de wetenschap die moest breken met de positivistische zekerheden uit de negentiende eeuw. Waarheid berust op een misvatting. Taal is een ontoereikend instrument. Moraal berust op narcistische constructies. De geruststellende zekerheden van het Duitse idealisme, Kants kritische rede en Hegels obsessief methodische wereldgeest zijn passé. De filosofische rede had zijn eigen samenstellende delen (taal en waarneming) op de korrel genomen. Volgens velen school redding in het instinct, in oerkrachten. Redeloosheid werd een politieke kracht en werd onderdeel van de massacultuur. Het vraagstuk van de redeloosheid was een seksueel vraagstuk. Het was het genie van Freud dat hij het irrationele en de seksualiteit een centrale rol gaf in de psychologie. Zoals niemand de jaren negentig van de twintigste eeuw louter wil bekijken vanuit het standpunt van 9/11, moet niemand de jaren voor 1914 bekijken vanuit het licht van de Eerste Wereldoorlog. De modernistische helden van de cultuurgeschiedenis hadden allemaal hun eigen blinde vlekken (p. 515).




Adams – The education of Henry Adams
Aleramo – Una donna
Allen – Feminism and motherhood in Western Europe 1890-1970
Anderson – Utopian feminism : women’s movements in fin-de-siècle Vienna
Anderson en Zinsser – A history of their own : women in Europe from prehistory to the present
Andrejev – De zeven gehangenen
Antiseri – Popper’s Vienna
Apollinaire – À propos d’art nègre
Apollinaire en Abel – The cubist painters
Aschhelm – The Nietzsche legacy in Germany
Aseijeff – Tagebuchblätter einer Emancipierten
Augsburg – Frauenstimmricht!
August – The selling of the empire : British and French imperialist propaganda
Avenel – Le méchanisme de la vie moderne
Bahr – Buch der Jugend
Baldacci, Daverio en Daverio – Futurism 1911-1918
Barrès – Le culte du moi
Bazin – La terre qui meurt
Beard – American nervousness
Bebel – De vrouw en het socialisme
Bedwell – The parallellism of artistic and literary tendencies in Germany 1880-1910
Beliën – In de vaart der volken : Nederlanders rond 1900
Bennett – The modern malady, or sufferers from nerves
Berglar – Walter Rathenau : ein Leben zwischen Philosophie und Politik
Berlage – Empfindung : Ich und Sprache um 1900 : Ernst Mach, Hermann Bahr und Fritz Mauthner in Zusammenhang
Blackbourn – History of Germany 1780-1918
Blackbourn – Populists and patricians : essays in modern German history
Blackbourn – The German bourgeoisie
Blackbourn en Eley – The pecularities of German history : bourgeois society and politics in nineteenth-century Germany
Blanchard en Lemaire – Culture coloniale : la France conquise par son empire 1871-1931
Bland – Banishing the beast : sexuality and the early feminists
Blunt – My diaries : being a personal narrative of events, 1888-1914
Bölsche – Das Liebesleben in der Natur
Bonnell – The Russian worker : life and labor under the tsarist regime
Boorstin – The Americans : the democratic experience
Borscheid – Das Tempo-Virus
Bossenbroek – Holland op zijn breedst : Indië en Zuid-Afrika in de Nederlandse cultuur omstreeks 1900
Boyd – Manliness and the boy’s story paper in Britain : a cultural history 1855-1940
Bradley – Muzhik und Muscovite : urbanization in late imperial Russia
Brooks – When Russia learned to read : literacy and popular literature 1861-1917
Brower – The Russian city between tradition and modernity 1850-1900
Brumfield – The origins of modernism in Russian architecture
Burrow – The crisis of European reason : European thought 1848-1914
Cain en Hopkins – Gentlemanly capitalism and British imperialism : the new debate on empire
Cannadien – Ornamentalism : how the British saw their empire
Cannadine – The decline and fall of the British aristocracy
Carlino en Muzzioli – La letteratura italiana del primo Novecento 1900-1915
Carneri – Sittlichkeit und Darwinismus
Casement – Roger Casement’s diaries
Casement – The crime against Europe
Charle – La crise des sociétés impériales : Allemagne, France, Grande-Bretagne 1900-1940
Charle – Paris fin de siècle : culture et politique
Childers – Het raadsel van de Waden
Clark – Iron kingdom : the rise and downfall of Prussia 1600-1947
Clark – Kaiser Wilhelm II
Clifford – The predicament of culture : twentieth-century ethnography, literature and art
Clowes, Kassow en West – Between tsar and people : educated society and the quest for public identity in late imperial Russia
Colijn – De slag om Tjakra Negra
Confino – Société et mentalités collectives en Russie sous l’Ancien Régime
Cossick – Cathedrals of consumption
Daniels – Coming to America : a history of immigration and ethnicity in American life
Delathuy – De Kongostaat van Leopold II : het verloren paradijs
Di Gregorio – From here to etnernity : Ernst Haeckel and the scientific faith
Doetry – Übergangsmensche : die Mentalität der Wilhelminer und die Krise der Kaiserreichs
Dunant en Porter – The age of anxiety
Durkheim – La sociologie
Eksteins – Rites of spring : the great war and the birth of the modern age
Engel – Between the fields and the city : women, work, and family in Russia 1861-1914
Evans – The German working class 1888-1933
Ferro – Le livre noir du colonialisme
Forth – The Dreyfus Affair and the crisis of French manhood
Fritsch – Handbuch der Judenfrage
Fröhlich – Das Kaiserrecih : Portrait einer Epoche in Biographien
Fröhlich – Imperalismus : deutsche Kolonial- und Weltpolitik 1880-1914
Gay – The bourgeois experience : Victoria to Freud
Haferkamp en Smelser – Social change and modernity
Hamann – Bertha von Suttner : a life for peace
Hamann – Hitler’s Vienna
Hamm – The city in late imperial Russia
Harrison – 1910 : the emancipation of dissonance
Heller – Ernst Mach : Wegbereiter der modernen Physik
Hirschfeld – Berlins drittes Geslecht
Hofmannsthal – Elektra
Hofmannsthal, Kessler en Burger – Briefwechsel 1898-1929
Humphries – Hooligans or rebels? : an oral history of the working-class childhood and youth 1889-1939
Hüppauf – Expressionismus und Kulturkrise
James – Pragmatisme : een nieuwe naam voor enkele oude denkwijzen
James – The meaning of truth
James – The principles of psychology
James – Vormen van relgieuze ervaring
Jaurès, Cahm en Rebérioux – Les temps de l’affaire Dreyfus
Johnson – Urbanization and crime : Germany 1871-1914
Johnston – The Austrian mind : an intellectual and social history 1848-1938
Joll – Europe since 1870 : an international history
Judd – Eclipse of kings : European monarchies in the twentieth century
Judd – Empire : the Britih empirial experience from 1765 to the present
Judd – The lion and the tiger : the rise and fall of the British raj 1600-1947
Judd en Surridge – The Boer war
Kanigel – The one best way : Frederick Winslow Taylor and the enigma of efficiency
Kasson – Houdini, Tarzan and the perfect an : the white male body and the challenge of modernity in America
Kassow – Students, professors, and the state in tsarist Russia
Kayali – Arabs and Young Turks : Ottomanism, Arabism, and Islamism in the Ottoman Empire 1908-1918
Kean – All the empty palaces : the merchant patrons of modern art in pre-revolutionary Russia
Kern – Anatomie en noodlot : een cultuurgeschiedenis van het menselijk lichaam
Kern – The culture of love : Victorians to moderns
Kern – The culture of time and space 1880-1918
Kessler – Das Tagebuch 1880-1937
Klejman – L’Égalité en marche : le féminisme sous la Troisième République
Klemperer – Curriculum Vitae : Jugend um 1900
Koezmin en Markov – Modern Russian literature and culture, studies and texts
Kohut – Wilhelm II and the Germans
Landes – The unbound Prometheus : technical change and industrial development in Western Europe 1750 to the present
Lears – No place of grace : antimodernism and the transformation of American culture 1880-1920
Liauzu – L’Islam de l’Occident : la question de l’Islam dans la conscience occidentale
Liauzu – Race et civilisation : l’Autre dans la culture occidentale : anthologie historique
Liauzu – Violence et colonisation : pour en finir avec les guerres de mémoires
Liddington – Rebel girls : their fight for the vote
Liddington en Norris – One hand tied behind us : the rise of the women’s suffrage movement
Loeffler – Walther Rathenau : ein Europäer im Kaiserreich
Long – High anxiety : masculinity in crisis in early modern France
Loos – Ornament en misdaad
Löther – Wegbereiter der Genetik : Gregor Johann Mendel und August Weismann
Ludovici – Who is to be master of the world
Lukacs – Budapest 1900
MacDonnell en De Courcy – King Leopld II : his rule in Belgium and the Congo
Malcolm – Bosnia : a short history
Manning – The crisis of the old order in Russia
Marks – Bicycles, bangs, and bloomers : the new woman in the popular press
Massie – Dreadnought: : Britain, Germany, and the coming of the great war
Matich – Erotic utopia : the decadent imagination in Russia’s fin-de-siècle
Maynes – Taking the hard road : life course in French and German worker’s autobiographies in the era of the industrialization
Mayreder – Zur Kritik der Weiblichkeit
Mayreder en Anderson – Tagebücher 1873-1937
Meyssels – In meinem Salon ist Österreich : Berta Zuckerkandl und ihre Zeit
Miller – Einstein Picasso : space, time, and the beauty that causes havoc
Miller – Sonja Knips und die Wiener Moderne : Gustav Klimt, Jusef Hoffmann und die Wiener Werkstätte gestalten eine Lebenswelt
Morel – The British case in French Congo
Morton – A nervous splendor : Vienna 1888/1889
Morton – Thunder at twilight : Vienna 1913/1914
Mosse – German Jews beyond judaism
Mosse – Germans and Jews : the right, the left, and the search for a “third force” in pre-Nazi Germany
Mosse – Masses and man : nationalist and fascist perceptions of reality
Mosse – The culture of Western Europe : the nineteenth and twentieth centuries : an introduction
Mosse – The nationalization of the masses : political symbolism and mass movements in Germany from the Napoleonic wars through the Third Reich
Mugner en d’Hendecourt – Journal de l’abbé Mugnier 1879-1939
Nicholson – Among the bohemians : experiments in living 1900-1939
Noble – Emmeline and her daughters : the Pankhurst suffragettes
Nordau – Ontaarding
Nye – Crime, madness and politics in modern France
Ostwald – Berliner Cafés
Ostwald – Dunkle Winkel in Berlin
Padfield – The great naval race : the Anglo-German rivalry 1900-1914
Parton – Mikhail Larionov and the Russian avant-garde
Pearson – Hooligan : a history of respectable fears
Perkin – The rise of professional society : England since 1880
Pipes – The Russian revolution
Pluchon – Histoire de la colonisation française
Porter – Madness : a brief history
Porter – The lion’s share : a short history of British imperialism 1850-1970
Rabinbach – The human motor
Radkau – Das Zeitalter der Nervosität : Deutschland zwischen Bismarck und Hitler
Radkau – Max Weber : die Leidenschaft des Denkens
Radkau – Technik in Deutschland
Rathenau – Tagebuch 1907-1922
Richards – The commodity culture of Victorian England : advertising and spectable 1851-1914
Rioux en Sivinelli – La culture de masse en France de la belle époque à aujourd’hui
Robertson – Futility
Robinson – Rural Russia under the old régime : a history of the landlord-peasant world and a prologue to the peasant revolution of 1917
Röhl – Germany without Bismarck : the crisis of government in the second Reich 1890-1900
Röhl – The Kaiser and his court : Wilhelm II and the goverment of the Germany
Röhl – Wilhelm II : the Kaiser’s personal monarchy 1888-1900
Rosen – Rise up, women!
Rosenblum e.a. – 1900 : art the crossroads
Salisbury – Black night, white snow : Russia’s revolution 1905-1917
Sandow – Body-Building
Sass – Madnes and modernism : insanity in the light of modern art, literature, and thought
Sassoon – The culture of the Europeans from 1800 to the present
Schwarz – The Russian Revoluton of 1905 : the worker’s movement and the formation of Bolshevism and Menshevism
Scull – Social order/mental disorder : Anglo-American psychiatry in historical perspective
Seregny – Russian teachers and peasant revolution : the politics of education in 1905
Sieg – Jüdische Intellektuelle im Ersten Weltkrieg
Simmel – Der Konflikt der modernen Kultur
Simmel – Philosophie des Geldes
Simmel – Soziologie
Sorel – Réflexions sur la violence
Springel, Streim en North – Berliner und Wiener Moderne : Vermittlungen und Abgrenzungen in Literatur, Theater, Publizistik, Literatur in der Geschichte, Geschichte in der Literatur
Sseigel – The private worlds of Marcel Duchamp
Stansky – Early Bloomsbury and its intimate world
Steinberg – Moral communities : the culture class relations in the Russian printing industry 1867-1907
Stengers – Congo, mythes et réalités
Stengers en Van Neck – Histoire d’une grande peur, la masturbation
Stites – Russian popular culture : entertainment and society since 1900
Stöcker – Die Liebe und die Frauen
Stone – Breeding superman : Nietzsche, race and eugenics in Edwardian and interwar Britain
Stone – Europe transformed 1878-1919
Strauss – Der alte und der neue Glaube
Streibel – Eugenie Schwarzwald und ihr Kreis
Surh – 1905 in St.Petersburg : labor, society, and revolution
Suttner – De wapens neer!
Taylor – The principles of scientific management
Teich – Fin de siècle and its legacy
Tichy – Alltag und Traum : Leben und Lektüre der Wiener Dienstmädchen um die Jahrhundertwende
Tille – Von Darwin bis Nietzsche
Toorn – Stravinsky and the rite of spring
Torgovnick – Gone primitive : savage intellects, modern lives
Tuchman – De trotse toren : een portret van de jaren voor de Eerste Wereldoorlog 1890-1914
Ullrich – Die nervöse Grossmacht 1871-1918 : Aufstieg und Untergang des deutschen Kaiserreichs
Valkenier – Valentin Serov : portraits of Russia’s silver age
Verner – The crisis of Russian autocracy : Nicholas II and the 1905 Revolution
Vucinich – Darwin in Russian thought
Warner – The urban wilderness : a history of the American city
Webb – The diary of Beatrice Webb
Weikart – From Darwin to Hitler : evolutionary ethics, eugenics, and racism in Germany
Wesseling en Webb – The European colonial empires 1815-1919
Whitman – Things I remember : the recollections of a political writer in the capitals of Europe
Williams – Dream worlds : mass consumption in late nineteenth-century France
Wilson – The Victorians
Winock – La Belle Epoque : la France de 1900 à 1914
Witte – The memoirs of Count Witte
Zeldin – Conflicts in French society : anticlericalism, education and morals in the nineteenth century
Zeldin – France 1848-1945
Zeldin – The French
Zelnik – A radical worker in tsarist Russia
Zola – De waarheid rukt op : alle teksten over de Dreyfus-affaire
Ongelooflijk dat je naast het lezen van lange, penibele teksten op een weblog ook nog de tijd vindt (of maakt) om een duizelingwekkende boekbespreking neer te schrijven. Petje af voor jou!
Dank. Verlof, dus tijd voor besprekingen waar ik onder het jaar tegenop zie. De realiteit is dat ik nooit minder lees dan in de vakantie. Al twee weken nauwelijks een boek aangeraakt. Avonden aan een stuk de hele Twin Peaks erdoor jagen, dat wel. Wat hopelijk nog wordt afgerond met een korte impressie op deze site. Maar voor het lezen heb ik tijdslimieten nodig — ik ben het meest gemotiveerd om te lezen als ik mezelf de opdracht kan geven elke dag een tijdscapsule van een paar uur zo nuttig mogelijk door te brengen met lezen.
[...] zich te bekommeren om een correct beeld van de Edwardiaanse maatschappij. In een populair boek als De duizelingwekkende jaren geeft Phillipp Blom nochtans stof genoeg ter overweging. Bloms onderliggende these is dat de Eerste [...]