In het midden van de jaren negentig werkte W.G. Sebald aan een boek over Corsica. Het project bleef onvoltooid; een paar overgeleverde essays is in het eerste deel van Campo Santo verzameld. Reisimpressies zijn het, over een dodenakker in Piana, het museum van kunstverzamelaar Fesch in Ajaccio, en de oerbossen van Corsica. Weinig bijzonder allemaal. Sebald kijkt, maar ziet alleen literatuur en kunstgeschiedenis.
Het beste stuk in deze afdeling, het titelverhaal, is niet toevallig opgesierd met geleende kennis over inheemse rouwrituelen. Bottomline: Corsicanen behandelden hun doden alsof ze nog in leven waren; tot in de jaren zestig en zeventig deden er zelfs spookverhalen de ronde over doden die nog in het rijk der levenden rondzwierven.
Dat is niet oninteressant, maar Sebald heeft wel een aantal antropologen van doen om zijn gemijmer body te geven. Zelf koppelt hij er enkel de nogal plichtmatig-intellectuele bedenking aan vast dat in het huidige West-Europa doden meer ballast zijn dan wat anders.
De trias rouw, herinnering en verwoesting zijn, zoals bekend bij Sebald-liefhebbers, de voornaamste obsessies van de schrijver. Ze geven Campo Santo een eenheid die je niet vaak aantreft bij dergelijke bundels met mengelwerk. Alleen de vorm waarin de auteur die thema’s gestalte geeft, evolueert met de jaren. De weemoedige krullen van Sebald, en zijn complexloos combineren van feit, fictie en fotografie, waren er zeker niet van in het prille begin.
Zo bevat het tweede deel van Campo Santo een aantal wetenschappelijke artikels die Sebald vanaf de jaren zeventig schreef in zijn hoedanigheid van hoogleraar Europese literatuur aan de universiteit van Norwich. Literatuurwetenschap betekent ook bij Sebald: essayistiek met bronvermelding. Betrekkelijk eenvoudige ideeën worden vierkant geformuleerd, en wat me meteen ergerde: een handvol literaire teksten wordt zonder problemen representatief geacht voor de ziel van de natie.
Het onderwerp boeide me anders wel. Sebald schrijft over de afhandeling van het naoorlogse trauma in de Duitse literatuur (een literatuur, overigens, die ik veel te weinig ken). De bombardementen op Duitsland vormen het beginpunt van zijn onderzoek. Sebald zou er een apart boek aan wijden, De natuurlijke historie van de verwoesting. Er is de perverse logica van de geallieerden, die massaslachtingen aanrichten waar daar militair-strategisch geen reden toe was. En er is het gebrek aan reflectie bij de Duitsers, het ontbreken van de vraag: waarom hebben zij ons dit aangedaan?
Sebald heeft het over het grote zwijgen van de literatoren. Ze hielden zich liever bezig met wat hij noemt “larmoyante kritiek” op de nieuwe naoorlogse maatschappij. Of anders, tot het begin van de jaren zestig, werd de mythe van de goede doch misleide Duitser opgevoerd. Ook Grass wordt door de mangel gehaald. Met name zijn eenzijdige lof toen de sociaal-democraten in 1969 de verkiezingen wonnen. Ook Grass heeft nooit veel oog gehad voor de dubieuze hoofdstukken in de geschiedenis van de Duitse sociaal-democratie. Ook bij hem schort het aan historisch bewustzijn.
Twee portretten springen voor mij uit het boek. Wat Sebald vertelt over mij onbekende schrijvers als Wolfgang Hildesheimer, Hans Erich Nossack en Alexander Kluge kwam niet echt aan. Dat was anders met de stukken over Peter Weiss (schilder, en schrijver van het monumentale Die Ästhetik des Widerstands) en over Jean Améry. Van Améry las ik alleen zijn zelfmoordboek, jaren her. Maar hij heeft in zijn essays ook laconiek beschreven wat het betekende om ten prooi te vallen aan de martelmachine van nazi’s.
Een van de conclusies in de slipstream van Sebalds onderzoekingen is dat puur literaire technieken — fictie, verhaal, mythevorming — niet volstaan om bevredigend te schrijven over belangrijke thema’s. De boeken die hij hier het meest waardeert, hebben vaak documentaire eigenschappen, zijn essayistisch van aanpak. Verzinnen alléén is onvoldoende.
In een stuk over de invloed van de filmkunst op Kafka komt dan weer Sebalds ontevredenheid met de professionele literatuurwetenschap tot uiting. Kafka en de cinema: vorsers zijn lange tijd voorbijgegaan aan dit evidente maar niet-literaire gegeven.
Hoe Sebald zijn eigen stijl heeft gevonden, is niet uit te maken uit Campo Santo. Zijn grootste successen boekte hij met hybride boeken als De emigrés (1992), De ringen van Saturnus (1995) en natuurlijk Austerlitz (2001). Feit is dat ook de latere essays minder streng van toon zijn. Dan schudt Sebald iets uit zijn mouw over Stuttgart. Maakt hij bedenkingen bij Nabokov. Of schrijft een opstel, zeer persoonlijk van insteek, over hoe muziek en beslissende momenten soms hand in hand kunnen gaan.
Sebald is een prima schrijver. Auterlitz maakte grote indruk, ooit. Alleen zou ik mijn notities moeten bekijken of dat niet voornamelijk door Sebalds retorische kwaliteiten kwam. Wat hij in zijn beschouwend werk vertelt over het melancholische raadsel van de Tijd, leek me nogal opgeklopt. Geef mij maar iemand als Modiano. Ook niet wars van kitsch, maar altijd simpel en efficiënt.
(Deze snelle impressie verscheen eerder, kort na lectuur, op checkthis.com)
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
W.G. Sebald, Campo Santo
269 p.
Uitgeverij De Bezige Bij, 2010
Oorspr. Campo Santo (2003)
Vertaald door Ria van Hengel
