Boudewijn Büch (1948-2002) is al bijna tien jaar dood. Dat ik schrok toen ik het opzocht, kan alleen maar betekenen dat ik de schrijver intussen weinig heb gemist. Ik geef toe dat ik nooit helemaal ongevoelig zal worden voor Büchs romantische, door geatomiseerde weetjes aangejaagde dweepzucht. Maar door contact met intelligentere schrijvers die wel het overzicht hebben of een interessante synthese kunnen maken, kan ik me niet lang meer warmen aan zijn opstellen.

De romanschrijver Büch heb ik sowieso nooit goed gekend. Deels omdat veel van zijn verhalend werk een variatie is op een handvol overtrokken thema’s. Deels omdat de weinig opvallende schriftuur van Büch mijn aandacht niet op eigen kracht kon vasthouden.

De succesroman De kleine blonde dood (1985) zal wel voor altijd het zenuwcentrum zijn van Büchs innerlijk universum. Zijn vader, zo wil de legende in dat boek, is een uit Duitsland gevluchte jood die ternauwernood aan een concentratiekamp is ontsnapt en als piloot bij de RAF zijn eigen geboortestad Danzig moet bombarderen.

Deze Rainer Büch komt dan ook mentaal verhakkeld uit de oorlog en terroriseert zijn gezin. Alleen met Boudewijn, één van zijn zeven zoons, kan hij het goed vinden. Als kind belandt Boudewijn niettemin in een psychiatrische instelling. Zijn vader zal zelfmoord plegen.

Boudewijn is homoseksueel, maar bezwangert in een alcoholische roes een veertien jaar oudere vrouw, Mieke. Het kind dat geboren wordt heet Micky (allicht naar Büchs grote popheld Mick Jagger). Ook Mieke heeft een alcoholprobleem en is niet in staat voor haar zoontje te zorgen: in een onbewaakt moment komt Micky lelijk ten val; zijn hersendood wordt geconstateerd in het ziekenhuis. Boudewijn beslist het zoontje te laten inslapen. Micky wordt later gecremeerd.

Maar zo wil het dus alleen de legende. Want hoewel Büch delen van dit verhaal als werkelijkheid verkocht — onder meer aan zijn goede vriend en mentor Harry Prick, die deels instond voor de crematie van het kind — klopt er weinig van. De psychiatrische inrichting was in werkelijkheid de vakantiekolonie De Lindenlust in Boxtel. In werkelijkheid was Büchs vader een Haagse gemeenteambtenaar die in 1975 stierf aan een hartaanval.

En bovenal: er is geen zoontje, laat staan een dood zoontje. ‘Micky’ bleek kort na het overlijden van Büch (ook hartaanval) het kind van een bevriend echtpaar en is gezond en wel. Eén van de motoren van dit bij wijlen hysterische schrijversleven is dus een waanidee.

Soit. Tien jaar na verschijnen werd een licht uitgebreide versie van De kleine blonde dood uitgebracht, dat tientallen drukken beleefde. In hetzelfde jaar verscheen Geestgrond, een nieuwe roman waarin Büch de relatie met zijn vader uitdiept. Geen kwaad boek, vind ik nu: een hoge concentratie incestueze ellende en extase wordt verpakt in lichte, pretentieloze zinnetjes en dat werkt verrassend goed.

Büch neemt op drie manieren afstand. Net zoals in De hel en Het dolhuis vervangt hij de ik-figuur Boudewijn door de fictieve figuur Winkler Brockhaus (verwijzend naar twee gereputeerde encyclopedieën), waar hij dan deels in de hij-vorm over schrijft. Hij laat een psychiater weerwerk bieden. En hij laat veel te raden over. Geestgrond wordt door dit alles een slimmer boek.

Büch beschrijft een zoektocht naar een afwezige, dode vader. Ooit bekende de getormenteerde Rainer aan zijn zoon dat de Bering Zee zijn eigenlijke geestgrond vormde — beeldspraak om te zeggen dat hij overal ontheemd voelde. Büch laat de volwassen Brockhaus dit zinnetje letterlijk opvatten. Dáár komt zijn eeuwige reiszucht vandaan. Ooit, ergens, hoopt hij zijn vader nog eens tegen te komen, aan het andere eind van de wereld. Psychologische praatjes of niet: ik, die de reisverslagen van Büch trouw heb gevolgd, werd hierdoor geraakt.

Net als Büch heeft Brockhaus niet zoveel nodig om geprikkeld te worden. De poëzie van een plaatsnaam, de vergezichten die een boektitel belooft… De Vatersuche voert de hoofdpersoon naar Siberië en Nieuw-Zeeland, om uiteindelijk in een Hollandse duin rust te vinden. Daar heeft hij met zijn vader mooie incestueuze momenten beleefd.

Of niet? En zit zijn psychiater er voor iets tussen? Vooral in de jaren tachtig in de VS zijn er veel gevallen bekend van zieleknijpers die hun patiënten allerlei ‘verdrongen ervaringen’ hebben aangepraat.

Over de oudere vrouw waarmee Brockhaus een relatie had, komen we nu aan de weet dat zij een docente was. Zij en Brockhaus’ vader zouden de relatie in scène gezet hebben om hem van zijn homoseksualiteit af te helpen. Die openbaring was er voor mij te veel aan. Een onnodig knaleffect in een roman die bij momenten een geloofwaardig (niet al te literair zicht) biedt op iemands melancholie.

Tot de zwakkere aspecten van het boek behoort verder de clichématige evocatie van de jaren vijftig.

(Deze snelle impressie verscheen eerder, kort na lectuur, op checkthis.com)

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Boudewijn Büch, Geestgrond
153 p.
Uitgeverij De Arbeiderspers, 1995


1 reactie op “Geestgrond – Boudewijn Büch”

  1. [...] Meer: Athenaeum Scholieren.com Achille van den Branden [...]

Zeg uw gedacht