De aantekeningen van Malte Laurids Brigge was het beslissende boek in het leven van de Vlaamse dichter en essayist Stefan Hertmans. In dit fictieve dagboek werd hij aangestoken door de hoop dat je in een kunstwerk ook de ervaring van een ander leven ziet. Veel schrijvers, zoals Rilke, komen uit de kleine middenklasse voort en missen een vast sociaal frame.
“In de arbeidersklasse,” zegt Hertmans, “zijn de mensen heel erg gedefinieerd, evenals in de hogere klasse. In de schemerzone daartussen zoeken sommigen naar een beter leven van de ervaringen, een cultuurleven.”
Die theorie klopt in zoverre niet dat Rilke van zijn alter ego Malte Laurids Brigge een jonge Deense edelman maakt. Voor de rest lijkt dit prozawerk me inderdaad een boek dat bij uitstek schrijvers en andere kunstenaars zal aanspreken.
Vanwege de vele poëticale bespiegelingen. Wat Rilke schrijft over de kunst van het observeren is bijvoorbeeld prachtig. Die obsessie met kijken komt overigens niet uit de lucht gevallen: Rilke was in zijn eigen (eerste) Parijse periode even de secretaris van Rodin en was ook geboeid door het werk van Cézanne.
Maar zien (en voelen) alléén is niet genoeg: er is ook levenservaring nodig. Met een beetje geluk kristalliseren dan na een tijdje de juiste ervaringen (de essentie) uit die nodig zijn om, bijvoorbeeld, een gedicht te schrijven. De passus waarin Rilke stelt dat gedichten niet van emoties maar van ervaringen gemaakt worden, is klassiek, en zou verplichte kost moeten zijn voor elke aspirant-dichter.
Ik geloof, dat ik zou moeten beginnen wat te werken, nu, nu ik leer zien. Ik ben acht en twintig, en er is zo goed als niets gebeurd. Laten wij recapituleren: ik heb een studie over Carpaccio geschreven, die slecht is, en een drama, dat ‘Huwelijk’ heet, en een foute stelling met dubbelzinnige argumenten bewijzen wil, en verzen. Ach, maar verzen zeggen zo weinig, als men ze in zijn jeugd heeft geschreven. Men moest daar liever mee wachten en zin en zoetheid verzamelen, een leven lang en een lang leven zo mogelijk, en dan heel aan het eind, misschien zou men dan tien regels kunnen schrijven, die goed zijn. Want verzen zijn niet, zoals de mensen denken, gevoelens [die heeft men altijd vroeg genoeg] – het zijn ervaringen. Ter wille van één vers moet je vele steden zien, mensen en dingen, je moet de dieren kennen, waarmee de kleine bloemen ’s morgens open gaan.
De aantekeningen – meer een hoop lyrische prozafragmenten dan een echte roman – verschenen in 1910 en bevatten al typisch modernistische obsessies een dik decennium vóór de Angelsaksische modernisten hun meesterwerken zouden plegen.
Zo is er de dubbelhartige relatie met de grootstad: een eindeloze, en eindeloos boeiende, verzameling prikkels die tegelijk de eigen persoonlijkheid kunnen versnipperen. Het geïndustrialiseerde Parijs van rond de vorige eeuwwisseling – met zijn geurhinder en geluidsoverlast – weegt op Malte, die kennelijk zo geïsoleerd mogelijk leeft, aangezien je het maken van grote kunst nu eenmaal “met eenzaamheid moet afkopen”.
Malte Laurids Brigge wordt ook beschouwd als een proto-existentialistische roman: het type roman waarin een eenzame woelwater zich suf tobt over leven en dood, schijn en wezen, individualiteit en identititeit, en het alsmaar leger wordende uurglas. Een katalysator van die gedachten is de dood van de vader van het hoofdpersonage (Rilkes eigen vader stierf tijdens het schrijven van het boek).
Malte Laurids Brigge bestaat voor een groot deel uit jeugdherinneringen. Zijn jeugd lijkt de vaste wijkplaats te zijn als de grootstad Malte te zwaar wordt. Hij komt erin naar voren als een intelligent, overgevoelig kind met angsten en koortsdromen. Vooral ook als een kind dat chocola probeert te maken van zijn zintuiglijke ervaringen (sense data zouden de logisch-positivisten zeggen). Ik moest af en toe aan Mijn woningen denken, de tetralogie van Raymond Brulez.
Enfin. Dit was de eerste keer dat ik dit moeilijke boek doornam. Mijn lezen beperkte zich hoofdzakelijk tot het zetten van kruisjes bij mooie fragmenten die om herlezen smeekten. De impact van de fragmenten varieerde immers nogal. Overal waar Rilke om een of andere reden de historische toer opgaat, was er alleen maar ergernis en onbegrip.
Als er iets is dat me bij zal blijven, dan de verkleedpartijen van de jonge Malte wel. Wijlen mijn oom was een priester in een landelijke gemeente. Hij woonde in een enorme pastorij, waar ik me als kind vaak uren onledig hield met het passen van priestergewaden. Met behulp van net zo’n penantspiegel als Rilke beschrijft. De gedachten over persoonlijkheid en identiteit die de auteur koppelt aan dat tafereel zijn bovendien prachtig.
Ook wat Rilke schrijft over het theater van Orange raakte mij om autobiografische redenen.
Over de stokoude vertaling (die nog gewag maakt van ‘het dagboek’ van Malte) zal ik maar niets zeggen.
(Deze snelle impressie verscheen eerder, kort na lectuur, op checkthis.com)
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
Rainer Maria Rilke, Het dagboek van Malte Laurids Brigge
244 p.
Uitgeverij Querido, 1951
Oorspr. Die Aufzeichnungen des Malte Laurids Brigge (1910)
Vertaald door N. Brunt en D.A.M. Binnendijk
