Ik wist wat met een ‘catch 22’ bedoeld werd: een vicieuze cirkel in een set van regels waardoor geen ontsnapping aan het status quo mogelijk is. Toch is het altijd weer schrikken dat aan zo’n staande uitdrukking een mammoet van een roman ten grondslag ligt. Daarin probeert een Amerikaanse luchtmachtkadet onder gevaarlijke gevechtsmissies uit te komen. Tevergeefs: hij blijft gekluisterd aan zijn basis.
En net zoals het madeleinekoekje al na een bladzij of zeventig opduikt bij Proust, zodat snobs zich niet door de hele cyclus moeten wurmen, valt ook bij Heller de verwijzing naar de beruchte paragraaf 22 vrij vroeg. De eerste keer wanneer de held van het boek, Yossarian, het opneemt voor zijn labiele maatje Orr:
Yossarian nam hem ernstig op en gooide het over een andere boeg. ‘Is Orr gek?’
‘Ja, zeker,’ zei Doc Daneeka.
‘Kun je hem afkeuren?’
‘Natuurlijk wel. Maar hij moet het me eerst vragen. Dat staat ook in de voorschriften.’
‘Waarom vraagt hij het je dan niet?’
‘Omdat hij gek is,’ zei Doc Daneeka. ‘Hij moet wel gek zijn om nog altijd gevechtsmissies te vliegen na zo vaak op het nippertje aan de dood te zijn ontsnapt. Natuurlijk kan ik Orr afkeuren. Maar dan moet hij het me eerst vragen.’
‘Dat is dus het enige wat hij hoeft te doen om te worden afgekeurd?’
‘Dat is alles. Laat hem maar bij me komen.’
‘En dan kun je hem afkeuren?’ vroeg Yossarian.
‘Nee. Dan kan ik hem niet afkeuren.’
Bedoel je dat ze daar een maatregel tegen hebben getroffen?’
‘Natuurlijk hebben ze een maatregel getroffen,’ antwoordde Doc Daneeka. ‘§ 22. Iemand die geen gevechtsmissies meer wil vliegen, is nog zo gek niet.’
Er was maar één handicap en dat was § 22: iemand die, geconfronteerd met reële en onmiddellijke gevaren, een bezorgdheid over zijn eigen veiligheid aan de dag legde, bewees daarmee dat hij geestelijk normaal was.
Catch 22 is de tweede kloeke roman die ik aan de zijde van IJsbrand las. Een maand lang elke week honderd bladzijden, met een tussentijds verslagje op zondag. Oorspronkelijk verscheen de vertaling van Kliphuis onder de titel Paragraaf 22. Mijn heruitgave heet Catch 22, omdat iedereen het cliché intussen kent.
Het strenge leesregime waarvan sprake was absoluut nodig. Zonder had ik het einde niet gehaald. Catch 22 bleek een treintje waar Heller altijd meer wagonnetjes aanhaakte. Het ontbreekt de roman aan een overkoepelende spanningsboog. Tijdens het lezen heb ik meermaals het verhaalelement proberen te voorspellen waar ik kon naar uitkijken. Geen van die voorspellingen klopte.
In principe zou dat niet mogen uitmaken. Ik lees allang geen romans meer om de ontknoping. Het aantal plots is eindig. Goed schrijven, realistische personages en onontgonnen situaties zijn ruim voldoende om me bij de les te houden. Heller schrijft goed. Veel dialoog, hilarische dialoog, waar persoonlijke expertise uit spreekt. En Heller plaatste zijn verhaal in een marginaal legerkamp, een locatie waar ik weinig eerder over las.
Maar die personages. Het zijn er te veel, en wat ze doen blijft op zichzelf staan. Natuurlijk, er is de strijd tussen het kanonnevlees en de onverschillige legerleiding. Maar binnen die twee kampen leeft iedereen in zijn eigen wereldje, probeert iedereen op zijn manier voor zijn hachje te zorgen. En anders dan wat je zou denken, zorgde dat niet voor botsingen die me konden boeien. Veel verhaaltjes die werden opgezet, bleven sowieso losse eindjes.
Dat de mensen van Heller karikaturen zijn, is niet zo erg. IJsbrand noemt het boek een soort sitcom avant la lettre, die je daarom best in kleine doses inneemt. En allicht wreekt het pionierswerk van Heller zich op dat punt.
Tegenwoordig is het gemeengoed om hele weekends door te brengen met dvd’s van je favoriete serie. Zelfs dvd’s van sitcoms, met op zichzelf staande afleveringen. De scenario’s zijn inmiddels berekend op dat tweede leven: onder meer Steven Johnson bracht mooi in kaart hoe de verhaallijnen alsmaar complexer geworden zijn. House M.D. is ambitieuzer dan ER. Dat gaat prima, de tv-kijker kan steeds meer hebben. Cultuurpessimisten die roepen dat tv-programma’s steeds dommer worden, debiteren niet meer dan hun eigen domme vooroordeel.
Maar goed, laten we maar aannemen dat ik dit boek niet op de best mogelijke manier heb gelezen. Ik las niet zoals IJsbrand elke dag een stukje, maar tweemaal vijftig bladzijden in twee opeenvolgende dagen. Dat was te veel. Ik onderschat vaak het belang van een aangepaste leesstrategie. En voor je het weet is het te laat.
Hieronder dus een aarzelend en tastend leesverslag, zoals ik het elke zondag opschreef. Die wat ongewone vorm heeft ook zijn merites. Een klassieke recensie is alleen al leugenachtig omdat de bespreker voorwendt een boek in zijn geheel te hebben verteerd. Terwijl elk lezen een bombardement is van honderden afzonderlijke indrukken, die elkaar vaak tegenspreken.
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
Joseph Heller, Catch 22
417 p.
Uitgeverij Anthos, 1990
Oorspr. Catch 22 (1961)
Vertaald door Jan Frits Kliphuis
Hoofdstuk 1 t/m 10
Yossarian moet tijdens zijn opleiding in Europa dienen, waar het einde van de Tweede Wereldoorlog nog lang niet in zicht is. Zijn squadron is gestationeerd op Pianosa, een eilandje bij Elba in de Tyrreense zee, ter hoogte van Toscane. Vlak als een biljartlaken, dit Pianosa. Er is een officierscasino, een openluchtbioscoop waar stervende rekruten hun laatste filmpje kunnen meepikken, en voor de militairen een tentenkamp aan de rand van een uitgedund woud.
Pianosa ressorteert onder de 27ste Luchtmacht in Italië. Vanaf de lollyvormige parkeerplaatsen stijgen B-25’s op om doelen in Noord-Italië of Frankrijk te bombarderen. In principe kan een militair na enige tientallen missies naar huis. In werkelijkheid zijn de piloten overgeleverd aan de willekeur van hun oversten. Daar zit paragraaf 22 voor iets tussen. Wie dat niet zint, wordt doodgeschoten:
‘Nee, je kunt nog niet naar huis,’ corrigeerde ex-soldaat e.k. Wintergreen.
‘Ben jij dwaas, of hoe zit het?’
‘Waarom dan niet?’
‘§ 22.’
‘§ 22?’ Yossarian was verbluft. ‘Wat heeft § 22 ermee te maken?’
‘§ 22,’ legde Doc Daneeka geduldig uit, toen Hungry Joe Yossarian terug had gevlogen naar Pianosa, ‘bepaalt dat je altijd moet doen wat je superieur zegt.’
‘Maar de 27ste Luchtmacht heeft verklaard dat ik na veertig missies naar huis mag.
‘Maar er is niet gezegd dat je naar huis moet. De voorschriften bepalen nu eenmaal dat je ieder bevel moet opvolgen. Daar zit hem de kneep. Ook al zou de kolonel zich niet houden aan de instructies van de 27ste Luchtmacht door je meer missies te laten vliegen, dan zou jij ze toch moeten vliegen, omdat je je anders schuldig zou maken aan het niet opvolgen van een dienstbevel. En dan zou de 27ste luchtmacht je pas goed in je kraag grijpen.’
Is Catch 22 een fijn boek? Wel, het regent personages in de eerste honderd bladzijden. Elk hoofdstukje heeft als titel een eigennaam. Het boek doorbladerend zag ik dat Heller dat principe min of meer aanhoudt tot op het eind, wat me deed afvragen of Catch 22 één lange portrettengalerij blijft, danwel of er nog iets van een verhaal tot ontwikkeling komt. De lezer hoopt vanzelfsprekend het laatste.
Tot nu toe hebben we kennis gemaakt met de intellectuele kneus Clevinger, ex-Harvard. Met Chief White Halfout, een donkere uit zijn geboortestreek verjaagde indiaan uit Oklahama. Reserveofficier luitenant Scheisskopf: is gek op exercitiewedstrijden en kan niet om met zijn geile vrouw. De vrouwengek Hungry Joe, de held van het kamp die meer missies heeft gevlogen dan iedereen en geteisterd wordt door nachtmerries. De roekeloze eerste bombardeur Havermeyer. Beroepsdeserteur e.k. Wintergreen, die keer op keer lijdzaam zijn straf ondergaat. Vliegenaar McWatt, de normaalste van het stel die toch niet gebukt gaat onder de oorlog. Tot slot de gefrustreerde majoor Major, een Henry Fonda-lookalike van een squadroncommandant die nergens geaccepteerd wordt op de basis, zich dan maar afzondert in zijn kantoortje en bij wijze van stil protest alle officiële stukken ondertekent met ‘Washington Irving’ (Amerikaans schrijver), ‘Irving Washington’, ‘John Milton’ (Engels dichter) of ‘Milton John’.
Maar centraal staat dus Yossarian, een kadet van “Assyrische” afkomst, die zich het liefst medisch ongeschikt laat verklaren. Hij lijdt aan het syndroom van Garnett-Fleischaker, een (fictieve) leverkwaal. En hij kampt met paranoia:
Happend naar lucht begon Clevinger woedend Yossarians symptomen op te sommen: het op niets steunende vermoeden dat iedereen in zijn omgeving gek was, de moordlustige neiging die hij niet kende te mitrailleren, het onjuist voorstellen van vroegere gebeurtenissen, het totaal ongegronde vermoeden dat de mensen hem haatten en complotten smeeden om hem te doden.
Catch 22 is een satire. Heller focust vooral op de kleine kantjes van de basis. Hoe het militaire personeel de tijd doodt met veldmuizen doodschieten, hoe het zich verliest in seksuele escapades op het vasteland, hoe het handeltjes drijft op de zwarte markt… Maar door de kleine lettertjes en wijde regels van mijn uitgave, die de tekst strenger doen lijken, had ik dat minder snel door dan had gemoeten.
Ik werd meer in beslag genomen door de angst en de kleine waanzin van Yossarian. Als bombardeur wordt zijn plaats in de neus van plexiglas door een smal gangetje afgescheiden van het dichtstbijzijnde ontsnappingsluik, en dat zorgt voor extra stress en noodlotsfantasieën tijdens de missies.
Ondanks een matige vertaling kan het boek makkelijk mijn aandacht vasthouden. Joseph Heller hoeft nergens literair te wezen om zijn roman gevuld te krijgen. Hij gebruikt literaire stijlmiddelen, zoals de overdrijving en veel cabareteske dialoog, maar de grondstof is duidelijk niet verzonnen. Heller dikt aan en fuseert anekdotes waar nodig, maar in essentie kan hij putten uit een overdaad aan autobiografisch materiaal. Catch 22 zit vol authentieke details, zaken waarvan duidelijk is: dit verzin je niet. Het enige storende, soms, is redundantie à la Voskuil:
‘U bent predikant!’ riep hij verrukt uit. ‘Ik wist niet dat u predikant was.’
‘Ja, zeker,’ antwoordde de legerpredikant. ‘Wist u niet dat ik predikant was?’
Uitgeverij Anthos had zich wel de moeite kunnen getroosten een echte B-25 op de cover te plaatsen, en geen B-17. Tenzij de Flying Fortress later opduikt in het verhaal [dat gebeurt inderdaad, maar kort, AvdB].
Hoofdstuk 11 t/m 21
Na een bladzij of honderd lijkt de introductieronde van Heller voorbij en heeft het er even de schijn van dat Catch 22 een echt oorlogsboek gaat worden, in plaats van een boek dat zich alleen in de coulissen van een oorlog afspeelt. De piloten en bombardeurs kunnen ieder ogenblik op missie naar Bologna gestuurd worden.
Dat zorgt voor onrust, die gevoed wordt met geruchten over het Duitse ‘Lepagekanon’. Mannen ijsberen ’s nachts tussen de tenten, sigaret in de mond. Men hoopt dat de regen niet ophoudt, omdat dan de missie wordt afgeblazen. Bovenal wordt er koortsachtig gekeken naar de bomlijn: het roodsatijnen lint dat op een wiebelende ezel over de kaart van Italië wordt verschoven en de voorste posities van de geallieerde grondstrijdkrachten aanduidt. Als het lint over Bologna schuift is de stad veroverd, en de eigen troepen bombarderen, dat kan natuurlijk niet.
Behalve de kapiteins Piltchard en Wren is niemand die aan de gevechtsmissies moet deelnemen echt blij met de oorlog. Iedereen probeert op zijn eigen manier met de angst om te gaan. Het fatalisme van ex-soldaat e.k. Wintergreen is zo’n manier: wat moet gebeuren, zal gebeuren, is zijn filosofie; het is niet de taak van de ‘minderen’ om uit te maken of ze sterven of niet; dat is aan de officieren, zoals kolonel Cathcart.
Yossarian is, spijts alle waanzin, beter bij de pinken. ‘De vijand,’ zegt hij ergens, ‘is iedereen die erop bedacht is jou te laten sneuvelen, aan welke kant hij ook staat, en daartoe reken ik dus ook kolonel Cathcart. En vergeet dat vooral niet; zolang je dat goed voor ogen houdt, blijf je misschien wat langer in leven.’
Mooi zijn de trucs die worden toegepast om onder de missie vandaan te komen. Men doet zeep in de zoete aardappelen. De draden van de boordtelefoon worden losgerukt. De aandrang van de soldaten om de bomlijn een handje te helpen met opschuiven wordt door Clevinger, die zal sneuvelen, mooi omschreven als ‘primitief bijgeloof’: ‘Ze verwarren oorzaak en gevolg!’
Toch draait Catch 22 niet alleen rond de vijandschap tussen de officieren en administratieve diensten enerzijds, en de soldaten anderzijds. De officieren hinderen ook elkaar. Majoors willen kolonels worden, kolonels generaals. Sommige hoge pieten lijden aan een contraproductieve profileringsdrang; kijk naar kapitein Black, die de leiding heeft over een veel te omslachtige Eed van Trouw-campagne. Andere mannen die niet zelf moeten vechten, zoals de legerpredikant, lijken alleen maar inerte ballast.
De roman mist vrouwen. Althans: vrouwen die niet meteen als lustobject worden gezien en zich probleemloos laten neuken. Al heeft Heller een mooie scène paraat met ene Luciana die Yossarian op het Italiaanse vasteland voor een nieuwe catch 22 stelt. Zij wil niet met hem trouwen omdat hij gek is. En ze vindt hem gek omdat hij met haar wil trouwen.
In een van de weinige flashbacks grijpt Heller terug naar Yossarians gelukzalige periode in het hospitaal. Het hospitaal is een bastion van beschaving in een barre oorlog. Er stierven natuurlijk ook mensen binnen de hospitaalmuren, maar het is toch anders. De Dood moest zich daar als een heer gedragen, schrijft Heller. De mensen gaven op een verfijnde, tactvolle manier de geest in het hospitaal.
Ze verdwenen niet spoorloos in een wolk zoals Clevinger had gedaan. Ze spatten niet uiteen in bloed en stukjes vlees. Ze verdronken niet, ze werden niet getroffen door de bliksem, niet gemangeld door een andere machine of verpletterd bij een aardverschuiving. Ze werden niet doodgeschoten bij overvallen, niet gewurgd bij verkrachtingen, niet doodgestoken in kroegen, niet met bijlen doodgeslagen door hun ouders of hun kinderen, en ze kwamen er ook niet door andere omstandigheden plotseling aan hun eind. Niemand stikte er. Je bloedde er keurig netjes dood in een operatiekamer of je stierf zonder commentaar in een zuurstoftent. Het motief zo-zie-je-me-en-zo-zie-je-me-niet, dat buiten het hospitaal zo in de mode was, kwam hier niet voor. Je maakte er geen hongersnoden en geen overstromingen mee. Kinderen stikten er niet in wiegen of koelkasten en ze kwamen er niet onder vrachtauto’s. Niemand werd er doodgeknuppeld. De mensen staken hun hoofden niet in gasovens met de kraan open, ze sprongen er niet voor ondergrondse treinen, ze suisden niet omlaag uit ramen van hotelkamers om met steeds toenemende snelheid te vallen en ten slotte met een weerzinwekkende plof op het trottoir neer te smakken, en in het publiek op een walgelijke manier de laatste adem uit te blazen, terwijl ze deden denken aan een zak vol harig aardbeienijs.
De lezer leert dat Yossarian een leverkwaal voorwendt omdat de lever een relatief mysterieus orgaan is voor de dokters, die de patiënten daarom altijd lang in observatie houden. Niet dat de dokter niet begrijpt dat Yossarian maar doet alsof. Dat mag zelfs. Maar er staat wel iets tegenover: Yossarian moet zich als een mummie laten inwikkelen en een rolletje spelen voor een ouderpaar dat nog een laatste keer naar hun stervende zoon komt kijken.
De mooiste passus van het tweede honderdtal bladzijden is ook een herinnering. Yossarian praat in een hotelkamer met de echtgenote van luitenant Scheisskopf. Een dovemansgesprek werd het, over de zin van het leven, de zin van pijn, het amateurisme van God. Het boek Job revisited, maar dan met humor.
‘Wees dankbaar dat je gezond bent.’
‘Voel wrok omdat het niet altijd zo zal blijven.’
‘Wees blij dat je leeft.’
‘Wees woedend omdat je doodgaat.’
Nu ik in het midden van het boek ben aanbeland, blijft de vraag of Heller zijn helden nog laat kennis maken met de officiële vijand: de Wehrmacht in Italië. Spanning is er al wel geweest, met een squadron vliegtuigen dat in de problemen raakt. Maar zoals je op grote hoogte minder last hebt van hoogtevrees omdat de wereld beneden er te abstract uitziet, blijven de vijandelijkheden voorlopig vaag en tandeloos. Een kitscherig mannetje in mij hoopt op klassieke schietstoeltoestanden en een overlevingstocht in vijandelijk gebied.
Belangrijkste stimulus om verder te lezen is de figuur van Yossarian, die nu langzaam maar zeker door de legerleiding wordt opgemerkt als een structureel subversief element. Zijn laatste plaagstoot is dat hij zijn medaille naakt in ontvangst wil nemen, want er zit bloed op zijn uniform. Kolonel Cathcart kan nog niet alle eindjes aan elkaar knopen – (“Een ogenblik geleden hadden Yossarians geen rol gespeeld in zijn leven: nu vermenigvuldigden ze zich met de snelheid van kobolden”) – maar misschien komt dat nog.
Er is alvast die wilskrachtige aantekening van hem:
Yossarian!!! (?)!
Hoofdstuk 22 t/m 30
Yossarian keert in bijna alle chapiters terug, terwijl andere personages op zijn best een drietal hoofdstukjes krijgen, verspreid over het boek. Toch is de gekwelde bommenrichter geen figuur worden waar ik echt geboeid door ben geraakt. Daarvoor is het misschien wachten op een groot openlijk conflict met de legerleiding. Maar in tegenstelling tot wat ik vorige week dacht, komt het voorlopig niet tot een escalatie.
Ik wil verder lezen, omdat de korte, met zichtbaar plezier geschreven hoofdstukken van Heller de moeite waard zijn. Ze zijn scènisch, visueel, met veel dialoog. Maar veel doorlopend verhaal brengt Catch 22 uiteindelijk niet. En dat mag een beginnersfout heten, zelfs al werkte Heller acht jaar aan zijn boek, en ging hij tot publicatie over toen hij bijna veertig was. Met dikkere, steviger met elkaar vervlochten rode draden had de roman een meesterwerk kunnen worden. Nu is Catch 22 een treintje waar je altijd meer wagonnetjes kunt aanhaken.
De locomotief die het verhaal stuwt is hoe dan ook de Tweede Wereldoorlog. Dat onvoorstelbare event waar iedereen, getuige die honderdduizend documentaires, altijd meer over wil weten. Wat een vreugde is het om eens over dat strijdgewoel te mogen lezen zonder sonore, politiek correcte commentaarstem, maar met het weinig verheven gekakel van de manschappen zelf door de speakers.
‘Verdwenen in een wolk’ – het trieste lot van Clevinger is nog steeds het schrikbeeld dat de piloten en bombardeurs hebben als ze aan een nieuwe missie beginnen. De vliegeniers haten de oorlog, maar ze kunnen hun superieuren er niet van overtuigen dat ze niet meer in staat zijn een vliegtuig te besturen. Integendeel, aan het einde van dit derde kwart is het aantal verplichte missies verhoogd naar 65. Heller brengt een paar scènes die goed de koortsachtige dynamiek in een vliegtuig weergeven als zo’n kist binnen bereik van de flak (afkorting van Flugabwehrkanone, de benaming voor het Duitse luchtafweergeschut tijdens de Tweede Wereldoorlog) komt.
Het gevaar bestaat dat de missie in dit deel van Europa ten einde komt en dat de piloten naar de Pacific gestuurd worden om daar te gaan dienen. Nieuwe catch 22: alleen wie hier in een missie om het leven komt, kan daar dan nog aan ontsnappen. Moordfantasieën steken dus de kop op: piloot Dobbs wil een officier met zijn Luger ombrengen en hunkert naar de goedkeuring van Yossarian. Normaal altijd het slachtoffer van cirkelredeneringen, mag Yossarian er nu zelf eentje ten beste geven:
Dobbs werd wanhopig. ‘Laten we dan een compromis sluiten,’ zei hij smekend.’ Je hoeft me niet te zeggen dat het oké is. Zeg alleen dat je het een goed idee vindt. Ja? Vind je het een goed idee?
Weer schudde Yossarian het hoofd. ‘Ik zou het een geweldig idee hebben gevonden als je je plan had uitgevoerd zonder er met mij over te spreken. Nu is het te laat.’
Ook een meester van cirkelredeneringen is majoor Milo Minderbinder, de messofficier. Hij probeert met een wijdvertakt systeem van handeltjes winst te puren uit de oorlog, of, in zijn eigen woorden, “de oorlog alleen op een zakelijke basis te brengen”. Voor alles heeft hij wel een glibberige uitleg paraat. Hij is bezig met winst maken, ten behoeve van een weinig zichtbaar netwerk dat ‘het syndicaat’ wordt genoemd en waar velen ‘een aandeel in hebben’ . In feite staan de initialen van zijn bedrijfje ‘M & M Ondernemingen’ voor de voorletters van zijn eigen naam. De ampersand moet alleen de indruk geven van andere zakenpartners.
In de figuur van Milo Minderbinder, de kapitalist die geen kant kiest, drijft Heller de satire wel erg ver. Een beetje makkelijk, want zonder details te geven over hoe Milo zijn netwerk heeft opgebouwd, laat de schrijver het voorkomen alsof hij de etenswaren van overal in Europa maar in te vliegen heeft. Milo’s rijk strekt zich uit tot Oran – van Camus geleden dat ik die naam nog eens in druk zag – en op bepaald moment zitten zelfs de Duitsers mee in het complot. Het begint met verse eieren en als eetbaar verpatst katoen, het eindigt met het bombardement op Milo’s eigen legerbasis.
Ditmaal was Milo te ver gegaan. Het bombarderen van zijn eigen mensen en toestellen werd ook door de meest flegmatieke waarnemers ontoelaatbaar geacht en het zag er naar uit dat hij ten val zou worden gebracht.
Mja. Maar het derde hondertal bladzijden brengt ook veel goeds. Geestig is de dialoog tussen Nately en een oude Italiaanse man van 107. Luitenant Nately heeft weinig geluk met zijn hoertje op het vasteland (“Zijn eigen meisje zat met een gruwelijk verveeld gezicht en in zeer onbevallige houding op een plompe diva”). Het gesprek komt op de zin en onzin van de oorlog. De grijsaard legt een aanstekelijke nuchterheid aan de dag (“Een land is een stuk grond, aan alle kant omringd door grenzen, gewoonlijk onnatuurlijke”) en bekampt het atlantisch patriottisme met mediterraan opportunisme. Waarschijnlijk haal ik uit dit gesprek een fragmentje om op Prins van Denemarken te plaatsen.
‘Italië is eerst bezet door de Duitsers en wordt nu door ons bezet. Hoe kunt u dan zeggen dat het uw land goed gaat?’
‘Natuurlijk wel,’ riep de oude man vrolijk uit. ‘De Duitsers worden verdreven maar wij zijn er nog altijd. Over een paar jaar zijn jullie ook weg en dan zijn wij er nog. Italië is eigenlijk een heel zwak en arm land en daarom is het zo sterk. De Italiaanse soldaten sterven niet meer. Maar de Amerikaanse en de Duitse soldaten wel. Daarom vind ik dat het ons bijzonder goed gaat. Ja, ik ben ervan overtuigd dat Italië de oorlog zal overleven en nog altijd zal bestaan wanneer jullie land al lang is vernietigd.’
Ook fraai is de manier waarop Heller het portret van de anabaptistische legerpredikant aanvult. Een eenzame, door ontologische vraagstukken en morbide fantasieën gekwelde dominee die er maar wat bijhangt tussen de militairen. Óf hij wordt gepasseerd, óf zijn ideetjes worden ingepikt. Zoals het ideetje om de brieven aan nabestaanden persoonlijk te ondertekenen – iets waar de legerleiding kennelijk zelf niet op kon komen. Fotogeniek voor een roman is het gegeven dat zijn geloof nooit voor blijvend soelaas kan zorgen.
“Kolonel Cathcart liet de generaal met rust; hij slikte moeilijk en schopte de legerpredikant het casino uit en het was bijna zo geweest als ongeveer twee maanden later, toen de legerpredikant een poging had gedaan om kolonel Cathcart over te halen zijn order waarbij het aantal missies tot zestig werd opgevoerd in te trekken en daarin op de meest jammerlijke wijze had gefaald. De dominee was nu bijna bereid zich geheel over te geven aan zijn wanhoop, maar hij werd hiervan weerhouden door de herinnering aan zijn vrouw die hij liefhad en miste met een even verheven als zinnelijke hartstocht, en bovendien door het vertrouwen dat hij van kind af had gesteld in de wijsheid en de rechtvaardigheid van een onsterfelijke, almachtige, alwetende, humane, universele, antropomorfe, Engels sprekende, Angelsaksische, pro-Amerikaanse God, een geloof, dat nu begon te wankelen. Er waren zoveel dingen die dit geloof op een zware proef stelden. Je had natuurlijk steun aan de bijbel, maar de bijbel was een boek, en Bleak house, Treasure island, Ethan Frome en The last of the Mohicans waren ook boeken.
Heel geestig is het dovemansgesprek tussen de witty, belezen, zelfingenomen generaal Peckem en mannetjesputter kolonel Scheisskopf. De kolonel krijgt te horen dat zijn stokpaardje (exercitiewedstrijden) op stal moet blijven. Er wordt een compromis gesloten: hij mag de wedstrijden organiseren, maar moet ze op het laatste moment uitstellen. (“Kolonel Cargill is jaloers omdat je zo’n enorm succes hebt met de afgelaste wedstrijden.”)
Mooiste portret, naar mijn smaak, is dat van de corpulente stafpsychiater majoor Sanderson. Yossarian wordt op missie in zijn lies geraakt (“in mijn ballen!”) en komt eerst in de handen van zuster Cramer. Hier hoort hij expliciet dat elke militair maar een onbetekenend radertje is in een groot anoniem geheel.
‘Het is uw been helemaal niet!’ repliceerde zuster Cramer. ‘Dat been is het eigendom van de Amerikaanse regering. Net zo goed als een tandwiel of een ondersteek. Het leger heeft veel geld in u geïnvesteerd om u een vliegeropleiding te geven en u hebt niet het recht doktersvoorschriften naast u neer te leggen.’
Dan komt dus het onderhoud met de psychiater, die uit hoofde van zijn beroep overal onbewuste motieven waarneemt.
‘Waar doet die vis u aan denken?’
‘Aan andere vissen.’
‘En waaraan doet andere vissen u denken?’
‘Aan andere vissen.’
Majoor Sanderson leunde teleurgesteld achterover. ‘Houdt u van vis?’
‘Niet bijzonder.’
‘Waarom hebt u eigenlijk zo’n morbide afkeer van vis?’ vroeg majoor Sanderson triomfantelijk.
‘Ze zijn me te week,’ antwoordde Yossarian. ‘En te graterig.’
Majoor Sanderson knikte begrijpend, zijn glimlach was vriendelijk maar onoprecht. ‘Dat is een heel interessante verklaring. Maar we zullen de werkelijke reden nog wel ontdekken. Voelt u zich aangetrokken tot die speciale vis? De vis die u in uw hand houdt?’
‘Ik sta er neutraal tegenover.’
‘Hebt u een hekel aan de vis? Wekt hij vijandige of agressieve emoties bij u op?’
‘Nee, helemaal niet. Ik vind het een nogal sympathieke vis.’
‘U hebt dus wel sympathie voor vis.’
‘Och nee. Ik sta er neutraal tegenover.’
‘Maar zoëven zei u dat de vis u sympathiek was. En nu beweert u dat er neutraal tegenover staat. Ik heb u er dus op betrapt dat u zichzelf tegenspreekt. Nietwaar?’
‘Ja, majoor. U hebt me erop betrapt dat ik mezelf tegenspreek.’
Majoor Sanderson schreef met een dik zwart potlood triomfantelijk ‘Spreekt zichzelf tegen’ op zijn blocnote. ‘Hebt u er enig idee van,’ vroeg hij opkijkend toen hij klaar was met zijn notitie, ‘waarom u verklaringen hebt afgelegd die van tegenstrijdige emotionele reacties op de vis getuigen?’
De analyse gaat verder. De verpleegsters werden daarnet aangerand — vrouwen zijn bij Heller altijd en overal neukpopjes — en Zuster Duckett lijkt een beetje op een vis. Zou Yossarian zich daarom tot haar aangetrokken voelen? Dat werk.
Ik moest tot slot vreselijk lachen met het label ‘gespleten persoonlijkheid’ dat Sanderson op Yossarian plakt nadat deze vergeefs probeert aan te tonen dat hij verwisseld is met een andere patiënt. En wat te denken van het laatste deel van de diagnose?
‘U hebt een morbide afkeer van sterven. U schijnt het onprettig te vinden dat u moet meedoen aan de oorlog en ieder ogenblik het risico loopt dat uw hoofd van uw romp wordt geschoten.’
‘Ik vind het meer dan onprettig, majoor. Ik ben er absoluut razend over.’
‘U hebt een diep gewortelde vrees uw leven te verliezen. En u houdt niet van fanatici, tirannen, snobs en farizeeërs. Er zijn veel mensen die u onbewust haat.’
‘Bewust, majoor, bewust,’ verbeterde Yossarian, die hem graag wilde helpen. ‘Ik haat hen bewust.’
‘Het idee te worden beroofd, uitgebuit, vernederd, bedrogen of onteerd wekt bij u antagonistische gevoelens. Armoede deprimeert u. Onwetendheid deprimeert u. Vervolging deprimeert u. Gewelddadigheid deprimeert u. Achterbuurten deprimeren u. Hebzucht deprimeert u. Misdadigheid deprimeert u. Corruptie deprimeert u. Het zou me niets verbazen als u manisch-depressief was.’
Catch 22 wordt alsmaar zwarter, dat zeker. De practical jokes beginnen doden te eisen. Kid Sampson wordt uit elkaar gereten door een propeller wanneer piloot McWatt een te lage scheervlucht maakt. Omdat er niets meer te redden valt op de begane grond boort McWatt zijn kist in een bergflank.
Hoofdstuk 31 t/m 42
Tien jaar voor Márquez met Honderd jaar eenzaamheid het grote publiek zijn magisch-realistische wereld binnenleidde, verscheen met Catch 22 al een grote roman in een geloofwaardige setting waarin de auteur de natuurwetten oprekt of afbindt als hem dat uitkomt. Zonder boe of ba.
Volgens officiële documenten zat Doc Daneeka in het toestel dat door een wanhopige McWatt in de berg werd gevlogen. Dus is deze dokter dood. Dat de man gezond en wel rondloopt in het tentenkamp is van geen tel meer: de bureaucratie haalt het van de werkelijkheid. Mevrouw Daneeka wordt op de hoogte gesteld, en omdat haar als weduwe mooie bedragen worden uitgekeerd, komt het wel goed met mevrouw. Het genie van Heller toont zich wanneer hij de arme Doc op den duur zelf laat geloven dat hij dood is.
Het leven op dat rare eilandje Pianosa, dat in werkelijkheid niet groot genoeg is om de gebeurtenissen te herbergen die Heller verzint, is allang niet fraai meer. “Er kwamen geen mooie dagen meer. Er kwamen geen gemakkelijke missies meer.” De rottende benen van de aan flarden gevlogen Kid Sampson spoelen aan op het strand. Het aantal oorlogsslachtoffers begint grote gaten te slaan in het personeelsbestand en de Duitsers vechten nog steeds. Van de stress en de paranoia beginnen de soldaten op elkaar te schieten.
Yossarian haat daarom het viertal enthousiaste nieuwkomers dat in hun jeugdige naïviteit nog niets begrijpt van de oorlog. “Ze zwegen nooit, ze waren erger dan vrouwen. En ze hadden niet genoeg hersens om introvert en geremd te zijn,” schrijft Heller, en plots besef ik dat de auteur met dat laatste zinnetje misschien wel veel over zijn eigen persoonlijkheid prijsgeeft.
De enige vrijhaven waar de manschappen hun gedachten kunnen verzetten zijn de bordelen in Rome. Dat is hun (of Hellers?) opvatting van een idylle: seks zonder verplichtingen, vrouwen als speeltuig dat kan praten. En kijk, de soldaten worden ineens sentimenteel en moralistisch als ze iets beginnen te voelen voor hun favorietje. Overigens doen ook de officieren mee ondertussen, en staan ze er dubbel naakt bij, zo zonder uniform.
Tijdens het laatste kwart van mijn lectuur dacht ik veel na over de roman in zijn geheel. Wanneer een fragment verschijnt op Prins van Denemarken kan daar de kwalificatie ‘aanrader’ bijkomen of niet. En hoewel het dilemma thumbs up of thumbs down nooit de essentie is van een bespreking, vind ik het leuk om de verdiensten en de gebreken van een boek tegen elkaar af te wegen en kleur te bekennen.
Dus, terwijl ik het boek eerst nogal koeltjes lieten passeren op PvD, kreeg het een dag later alsnog een stermarkering. Catch 22 bleef vier weken lang een opdracht, en daarom ben ik blij het lezen aan de zijde van collega IJsbrand te hebben mogen doen. Ik werd nergens helemaal in het verhaal gezogen en Heller had 120 pagina’s mogen weglaten. Ronduit nieuwsgierig ben ik naar wat vrouwen van dit jongetjes-onder-elkaar-gedoe vinden.
Aan de andere kant moest ik tijdens de laatste honderd bladzijden meer lachen dan ooit. Als bij een standup comedian die me na een paar avonden zwoegen eindelijk heeft kunnen pakken met zijn toon. Het lemma op Wikipedia – dat ik nu eindelijk mag bekijken van mezelf – vertelt dat Heller inspiratie vond bij Jaroslav Hašek en De lotgevallen van de brave soldaat Švejk. Maar omdat ik dat boek nog niet las, was de humor van Heller nieuw.
Zo heeft de vrolijke kapitalist Milo de prijzen van de maaltijden opgedreven tot een volledig maandsalaris, maar blijft hij zich niettemin profileren als een “warme voorstander van de vrije keuze”: men kan nog altijd kiezen om te verhongeren. De duivelse logica van kiezen tussen de pest en de cholera: Heller op zijn best. Een paar bladzijden later handelt Milo zelfs in de Piltdown Mens…
Wat te denken ook van kolonel Cathcart, die maar redenen blijft verzinnen waarom Milo met zijn vijf, veelal ongevaarlijke, missies zich voldoende heeft bewezen (“de luchtfoto van het explosiepatroon was schitterend”)?
Er is een akkevietje met een manshoge in verbanden gehulde figuur: zit er wel iemand in de mummie?
En dan is er nog de afbladderende ethiek van de legerpredikant. Onze dominee veinst een hevige aanval van ‘Wisconsin shingles’, een zelfverzonnen aandoening:
De dominee had gezondigd en het was hem best bevallen. Zijn verstand zei hem dat liegen en simuleren zondig was. Aan de andere kant wist iedereen dat zondigen slecht was en er nooit goed kon voortkomen uit kwaad. Toch voelde hij zich beter dan ooit, hij voelde zich geweldig. Daaruit bleek dat liegen en simuleren niet zondig kon zijn. In een ogenblik van goddelijke inspiratie had de dominee de handige techniek van de rationalisatie uit eigenbelang ontdekt, en zijn ontdekking overweldigde hem. Het was gewoon een wonder. Het bleek heel eenvoudig te zijn om ondeugden zo voor te stellen dat het deugden schenen, laster te veranderen in waarheid, onmacht in soberheid, arrogantie in nederigheid, roof in filantropie, blasfemie in wijsheid, wreedheid in vaderlandsliefde en sadisme in recht. Iedereen kon het doen, je had er geen hersens voor nodig. Je moest alleen geen man van karakter zijn. Met de welsprekendheid van iemand die in een roes is, praatte de dominee alle algemeen aanvaarde ondeugden om tot deugden (…).
Later wordt de dominee het slachtoffer van een kafkaiaanse inbeschuldingsstelling. Hij wordt beticht van schriftvervalsing, en hoe het handschrift dat hij de rechercheurs voorlegt er ook uitziet, het kan hem niet redden. Voor de zoveelste keer doet het boek zijn titel eer aan.
Voor Heller pleit verder dat hij met veel personages heeft willen werken – dat is moeilijker dan te schrijven vanuit één krachtige ik-persoon die de werkelijkheid maar te overplakken heeft met zijn particuliere wereldbeeld. Voorts speelt de dikte van Catch 22 zeker een rol in mijn waardering. Bij auteurs die veel stof kwijt moeten, en zo iemand is Heller, is kwantiteit óók een kwaliteit. Tot slot speelt de auteur heel fijn met taal (“iemand verdwijnen”).
Jammer dat de finale teleurstelt. De apocalyptische dooltocht van Yossarian door de Roomse onderwereld – afgeboord met gecanneleerde Corintische zuilen – is mooi. Maar daar houdt het op. Yossarian kan nog steeds niet afzwaaien omwille van ‘paragraaf 22’, die absolute gehoorzaamheid aan de legerleiding eist. Of die beruchte paragraaf bestaat, is niet eens duidelijk: soldaten hebben niet het recht paragraaf 22 in te kijken. Waarom niet? Stáát in de paragraaf.
Moffen krijgen we niet meer te zien: op het laatst komt het grootste gevaar van een lichtekooi met een mes. Heller koos duidelijk voor het groepsportret. Voor een microkosmos die de strijd aanbindt met een vijand die nooit persoonlijke trekken mag krijgen. De eigen officieren, en het dom-patriottistische hinterland, zijn de ware vijand – zoals in alle grote oorlogsromans.
Daarom kon het boek ook zo populair worden toen het verscheen in 1961. De VS was al vier jaar op een desastreuze manier betrokken in de Vietnam-oorlog en zou dat nog veertien jaar blijven. Acht miljoen verkochte exemplaren, meldt Wikipedia: “It was joked around that every student who went off to college at the time took along a copy of Catch-22.”
Toch kan ik me niet van de indruk ontdoen dat Heller ook báng was om Duitsers toe te laten. Bang om niet de juiste toon te treffen, niet de correcte contouren van de karikatuur te trekken.

[...] [...]
[...] collega IJsbrand heb ik samen wat boeken gelezen. Dat loonde. Zonder die duoformule had ik nooit Catch 22 (Joseph Heller) en Herzog (Saul Bellow) uitgekregen. Trager lezen resulteerde in beter nadenken [...]