Toen Philip Larkin eind jaren zeventig in de jury van de Booker Prize zetelde, benaderde hij de ingezonden romans met vier eenvoudige vragen: “Could I read it? If I could read it, did I believe it? If I believed it, did I care about it? And if I cared about it, what was the quality of my caring, and would it last?” Larkin stelde vast haast nooit vier groene vinkjes te kunnen plaatsen. Zijn wenslijstje blijft tot op vandaag zijn nut behouden.

In mijn beleving voldoet de laatste roman van Stefan Brijs niet eens aan de eerste twee eisen. Post voor mevrouw Bromley was nauwelijks door te komen. Een schrijver moet goed kunnen schrijven en iets te vertellen hebben. Vooral die laatste eis wordt weleens over het hoofd gezien. Ik ken momenteel geen enkele Vlaamse schrijver die stof genoeg heeft om een roman van vijfhonderd bladzijden drijvende te houden. Dat Stefan Brijs toch met zo’n baksteen komt, kon dus maar één ding betekenen: hij heeft een beperkt verhaal eindeloos uitgesmeerd, en opgetekend in een verwaterde schriftuur.

Dat dit vooroordeel bleek te kloppen was nog niet eens het probleem. Bromley is geen tel geloofwaardig. Ambitie kan Brijs niet ontzegd worden. Hij wou een aangrijpende roman schrijven over eenvoudige Britse jongens die, misleid door propaganda, geslachtofferd worden in de Eerste Wereldoorlog. Wat hij aflevert is het duidelijk verzonnen product van een buitenstaander, geënt op een rist platvloerse narratieve clichés.

Zo moeten we aannemen dat zijn hoofdfiguur John Patterson een Britse jongen is die zo’n honderdtwintig jaar geleden werd geboren. Maar behalve dat deze knul zich beweegt op een goed gedocumenteerd Londens stratenplan en dat hij houdt van Britse klassieke auteurs, verschilt hij nauwelijks van een modale Vlaamse jongen van vandaag. John is een saai, continentaal, in zichzelf gekeerd personage. Om enkele voor de hand liggende karakteristieken te noemen: bij John geen spoor van Britse humor, van duidelijk klassebewustzijn, van de vieve taal die je zou verwachten van een joch uit een gewoon arbeidersgezin.

In plaats daarvan maakt Brijs van John een amorfe, negentienjarige boekenwurm. Typisch de schepping van een literator, lijkt me. Zelfs zijn vader verzamelt antiquarische boeken. De elementen waarmee Brijs de beroepsactiviteiten van deze postbode gestalte heeft, heb je in drie minuten bij elkaar verzonnen.

Mijn vader was al sinds jaar en dag postbode in Hoxton. Bij sommige inwoners was hij kind aan huis, bij andere kwam hij zelden, maar iedereen kende hem en apprecieerde wat hij deed. Vooral zijn discretie werd op prijs gesteld. Mensen die het lezen niet machtig waren, vroegen hem meer dan eens te vertellen wat er in hun brieven of kennisgevingen stond.
‘Als hij dat wou zou hij alle straten van Hoxton vol vuile was kunnen hangen,’ beweerde mevrouw Bromley, die af en toe een beroep op hem deed om een kaart of brief van haar man uit een ver land voor te lezen.
Ook mijn vaders stiptheid werd gewaardeerd, want anders dan zijn collega’s zwichtte hij slechts zelden voor een glaasje en sloeg een tweede steeds af.
‘Je kunt de klok op hem gelijk zetten,’ zei meneer Kohlmann, wiens horlogerie op de vaste route van mijn vader lag.
Als dank kreeg hij geregeld wat toegestopt. Soms ging het om een kleine fooi, maar vaak waren het groenten of fruit en ook wel eens een droge haring van de viskramer of een varkenspoot van de slager in Shepherdess Walk, die mijn vader thuis in een hutspot verwerkte.

“Kind aan huis.” “Stiptheid.” “Je kunt de klok op hem gelijk zetten.” “Als dank kreeg hij geregeld wat toegestopt.” Jawel, een levensechte beschrijving van een brievenbesteller uit het Edwardiaanse tijdsvak.

Stefan Brijs houdt van overzichtelijke tweedelingen. Dat hij zijn boek opsplitst in een ‘thuisfront’ en een ‘westfront’ is nog wel aardig. Maar wat te denken van die tegenpolen van personages? De passieve, zachtaardige John Patterson wordt tegenover zijn actieve, militante broer Martin geplaatst, die zich via een list als vrijwilliger kan melden om te dienen in het Britse leger. De naïeve John blijft achter in Londen met zijn geliefde Dickens, Keats en Milton, en maakt kennis met de wereldwijze William, die in zijn laatste jaar Duitse letterkunde zit en John in contact brengt met Heine en Goethe. Ach.

Wil ik echt kunnen meeleven met mensen die naar de oorlog worden gestuurd, moet ik hen grondig leren kennen. Daar dienen die tweehonderdvijftig bladzijden ‘thuisfront’ voor. Maar, zoals gezegd, Brijs laat zijn personages niet landen in de werkelijkheid. John en de figuren in zijn omgeving worden vlak beschreven. William is bovendien een idealistische student en dus twéé keer afgesneden van de realiteit.

Zeppelins boven Londen
Brijs heeft zich verwoed ingelezen in de Eerste Wereldoorlog, zoveel is duidelijk, maar zonder zich te bekommeren om een correct beeld van de Edwardiaanse maatschappij. In een populair boek als De duizelingwekkende jaren geeft Phillipp Blom nochtans stof genoeg ter overweging. Bloms onderliggende these is dat de Eerste Wereldoorlog géén beslissende breuk was tussen het Victoriaanse tijdperk en de moderniteit, maar hooguit als een katalysator werkte voor de moderne tendensen die zich al rond de eeuwwisseling lieten aftekenen.

De verhouding tussen mannen en vrouwen begon te kantelen, daar hadden de suffragettes voor gezorgd met hun vaak gewelddadige campagnes. Fysieke kracht en krijgshaftige deugden namen in belang af, waardoor mannen zich niet meer zo zeker in hun vel voelden. De massaproductie kwam op gang en leidde tot wat je een voorzichtige consumptiemaatschappij zou kunnen noemen. Mediabedrijven werden machtig. De krant was uitgegroeid tot dé bron van informatie en vermaak, zodat ongure types als Leopold II de media goed moest bespelen om met zijn misdaden tegen de mensheid weg te komen. Nieuwe media zoals fotografie en film (bioscoopjournaals) veranderden de manier waarop verhalen werden verteld.

Blom beschrijft een tijdperk van “opwinding, snelheid, angst en duizeling”. Gasverlichting werd vervangen door elektrisch licht. In een korte tijd kwam de telefoon er, de telegraaf, de automobiel, goedkope camera’s. Zoveel nieuwe uitvindingen waren wonderbaarlijk en verontrustend tegelijk. Velen kloegen over neurasthenie: ontredderde zenuwen. Sciencefictionschrijvers speelden gretig in op die gevoelens en doorspekten hun toekomstvisies met wetenschappelijke worstcase scenario’s. Dat H.G. Wells in Bromley als een schrijver van “fantasy” wordt aangeduid, slaat nergens op.

De wereld leek naderbij te komen na de eeuwwisseling, en moeilijker om je eraan te onttrekken. Waar vroeger zich traag ontwikkelende traditionele structuren – streek van herkomst, geloofsovertuiging, gilden en standen – bepalend waren geweest voor iemands identiteit, werden nu door de industrie en massaproductie in het leven geroepen zelfgemaakte keuzen belangrijk. Politieke ideologieën – communisme, socialisme – verspreidden zich via grote partijorganisaties en kranten.

Opwinding over technologische vooruitgang werd vaak overschaduwd door het schrikbeeld van een degenererende mensheid. De vruchtbaarheidscijfers daalden. Steden werden vlak voor de Eerste Wereldoorlog vaak gezien als mensetende reuzen. Het grootstadleven, de achterbuurten en de industrie waren ongezond voor de mens. Het decadente estheticisme uit de jaren negentig van de negentiende eeuw was dan ook voorbij: bij de schrijvers van kort na 1900 staat angst en neergang centraal.

Temidden van deze algemene ontwikkelingen vinden we het Britse Rijk terug: het machtigste rijk ter wereld dat de helft van de mondiale industriële productie voor zijn rekening nam. Londen is het onbetwiste financiële hart van de wereld. Enerzijds is er dan ook de vastberadenheid van de Britten, het geloof in hun rijk en in de koningin. De HMS Dreadnought, het symbool van de Britse militaire macht, wordt te water gelaten: zowel gevolg als de aanjager van een internationale wapenwedloop.

Anderzijds is er onzekerheid. In de loop van één generatie had Duitsland zichzelf omgevormd van een versleten lappendeken van feodale staatjes tot een industriële reus. Duitsland had erfvijand Frankrijk verslagen, had koloniën verworven en was een echt Duits rijk geworden. Na Frankrijk werd Duitsland nu de te duchten vijand. En terwijl Duitsland een soldatencultuur heerste, met gesteven uniformen en gedisciplineerd machtsvertoon, was de Britse maatschappij eerder een burgerlijke cultuur. Even hiërarchisch, maar minder militair geïnspireerd. Het landleger was in Groot-Brittannië minder groot, minder zichtbaar en vooral in de koloniën actief. De Boerenoorlog was niet bepaald voorspoedig verlopen.

Interessant allemaal. Brijs maakt het zich echter gemakkelijk en pikt in bij het begin van de oorlog, alsof die uit de lucht komt gevallen. Het stoorde me dat hij alleen inzoomt op het patriottisme van de Britten. De grote druk die uitging van de wervende campagne van minister van Oorlog, Lord Kitchener. Terwijl een niet gering aantal jonge vrijwilligers naar de oorlog trok op zoek naar avontuur. In zijn jeugdmemoires herinnert V.S. Pritchett zich nog goed hoe de oorlog in bepaalde middens werd verwelkomd als een ontsnappingsroute uit de “douceur de vivre” en de “high bourgeois culture”.

‘Het thuisfront’ laat een nogal voorspelbaar beeld zien van wat er van de Eerste Wereldoorlog doordringt in Londen, zoals de verbroedering tussen de vijandelijke troepen met Kerst en het mosterdgas dat voor het eerst door ‘Fritz’ als chemisch wapen wordt ingezet.

De voortdurende staat van opwinding — en later paniek — die uit ‘Het thuisfront’ spreekt, lijkt me hooguit een gedeeltelijke weergave van de realiteit. Uit contemporaine verslagen treft me toch altijd hoe in tijden van oorlog de mensen koppig proberen te volharden in hun gewone leventje.

Brijs beschrijft afschrikwekkende scènes wanneer de zeppelins boven Londen hangen, en goed, bij die bombardementen zullen ook zevenhonderd mensen omkomen. Maar evengoed had hij relativerende toetsen kunnen aanbrengen. Het Londense afweergeschut werkte behoorlijk tegen de luchtschepen zodat de Duitsers uiteindelijk vliegtuigen zouden inzetten voor beter effect. Pritchett, toch ook maar een piepjonge Londenaar uit de lagere middenklasse, besteedt vijftien bladzijden aan de hele Eerste Wereldoorlog – één hoofdstukje van de twaalf.

De anti-Duitse vergeldingsacties komen behoorlijk uit de verf. Ook de scène waarbij feministen John gekscherend een witte pluim opspelden — en hem daarmee als softie brandmerken, een lid van de Order of the White Feather — blijft bij. Maar het is te weinig.

Van het westelijk front nauwelijks iets nieuws
Het tweede deel van de roman, ‘Het westfront’, is iets beter geslaagd. Waar je in deel 1 meestal in één oogopslag de portee van een dialoog kon vatten, wordt er aan het front minder geleuterd. De verstandhouding tussen John Patterson en de jonge luitenant Ashwell (“Zelfs een kogel dringt niet tot hem door”) is acceptabel. Mooi hoe Ashwell, een botanist, blij is met het vooruitzicht in den vreemde nieuwe plantjes te kunnen verzamelen.

Student Duits William is inmiddels dood, maar leeft verder als het geweten van John. Zijn vroegere waarschuwingen helpen John nu de propagandamachine van de Britse overheid te doorzien. Opnieuw een spiegelbeeld: zijn vader komt om in Londen met zijn postzak in de aanslag en aan het front heeft ook John – zijdelings – te maken met de postbestelling. Berichten naar huis worden gecensureerd. Ze mogen geen plaatsnamen, geen aantallen en zeker geen details over slachtoffers bevatten. Met de beste bedoelingen gaat John nog een stap verder, en houdt hij brieven achter of past hun inhoud aan.

Onbegrijpelijk is waarom Brijs al na dertig bladzijden de plot weggeeft. Vroeg in het boek kom je aan de weet dat jonge mensen naar de oorlog trekken. Wie dan een boek met de titel Post voor mevrouw Bromley in handen houdt, hoeft geen geoefend lezer te zijn om te weten hoe laat het is. Dat Brijs uiteindelijk voor een kleine variant kiest op de meest voorspelbare ontknoping, maakt dan niet veel meer uit.

Niet alleen daarom blijft lezen behoorlijk gedisciplineerd werken in deel 2. Brijs heeft de feiten en de materiële details van de Eerste Wereldoorlog beslist op orde. Maar die documentaire soliditeit staat in zo’n schril contrast met de stilistische slapte waarmee de psychologie van de personages wordt weergegeven.

Vijfhonderd bladzijden lang doet Brijs de lezer struikelen over de regieaanwijzingen. Bekijk het fragmentje op Prins van Denemarken om te zien hoe zelfs in één van de betere passages alles van naadje tot draadje wordt uitgelegd. Ongetwijfeld wreekte zich bij mij het feit dat ik kort hiervoor het uitgepuurde Afscheid van de wapenen had gelezen.

Ook aan ‘Het westfront’ zijn angst en opwinding weer troef. Ashwell lijdt aan shell shock, dienstweigeraars worden ook in het Britse leger geëxecuteerd. Terwijl beroemde collega’s van Brijs mij hebben laten voelen dat oorlog vooral bestaat uit wachten, wachten en nog eens wachten.

Besluit: Post voor mevrouw Bromley is een volksroman. Ongetwijfeld zullen duizenden lezers meer aan dit boek hebben dan aan eender welk non-fictiewerk over de Groote Oorlog. Dat jongvolwassenen met drogredenen naar de oorlog worden versluisd is bovendien een tijdloos gegeven, denk alleen aan de Nederlandse troepen in Afghanistan.

Maar ik kan er niet bij dat Bromley bij de grote literatuur wordt gerekend. “Brijs schreef met Post voor mevrouw Bromley de beste verhalende roman over de Eerste Wereldoorlog in de Nederlandstalige literatuur,” jubelt Knack op de flap. Dat zal. Net zoals de poes op de bank het gevaarlijkste roofdier is in huis.


13 reacties op “Post voor mevrouw Bromley – Stefan Brijs”

  1. Terryn MartinNo Gravatar says:

    Bedankt Achille, nu hoef ik er mijn tijd niet aan te verspillen. Onder druk van ‘Iedereen leest’, een vooral uit vrouwen samengestelde leesgroep op fb had ik bijna overwogen het boek uit de bibliotheek te halen. Edoch, toen ik dhr. Brijs op de tv in De Slimste Mens zag optreden verminderde de druk om zijn boek te lezen. Hoe erudiet en belezen de man ook mag lijken, ik heb altijd het vage vermoeden dat noch hij, noch een andere Vlaamse auteur mij kan boeien en tegelijkertijd iets bijbrengen.

    • Achille van den BrandenNo Gravatar says:

      Autobiografische boeken over WOI die ik wel de moeite vind zijn de getuigenissen van Ernst Jünger, Robert Graves en Erich Maria Remarque. Ook met de journalistieke reportages van Max Deauville zit u gebeiteld.

  2. Hele goede bespreking, zoals gewoonlijk.
    Heb je de twee werken die in Nederland recentelijk meesterwerkstatus worden toebedicht ook gelezen?
    Bonita Avenue en de nieuwe Tommy Wieringa waarover een recensent schreef ‘Nederland is te klein voor Wieringa’. Bonita heb ik gelezen en vond ik een heel goed boek. Wierenga nog niet, ik vond Joe Speedboot namelijk een heel matig boek en dat werd destijds ook de hemel in geprezen, dus zou benieuwd zijn wat jij over deze twee te melden zou kunnen hebben. Groetjes.

    • Achille van den BrandenNo Gravatar says:

      Dank. Beide boeken nog niet gelezen.

      Buwalda maakt nieuwsgierig, omdat de literatuuropvattingen waarvan hij blijk geeft in interviews mij erg sympathiek zijn. Hij vindt geloof ik dat in de literatuur te veel passieve losers rondlopen, in plaats van figuren die iets doen en hun leven in eigen handen nemen. Ik ga zijn boek lezen als de storm wat is gaan liggen. Niet uit snobisme, maar omdat ik mezelf erg vatbaar acht voor beïnvloeding van buitenaf. Ofwel ga ik te snel mee in de hype, ofwel ga ik me daar juist tegen afzetten, en dat is ook weer deformatie. Een van de nuchterste besprekingen van Bonita Avenue las ik een klein jaar geleden, hier.

      Tommy Wieringa kan een goede zin schrijven, weet ik nog van Joe Speedboot. Ik meen me nog de aanstekelijke luim te herinneren uit die tekst, en settings die je zo gauw nog niet vindt in de doorsnee Nederlandse roman. Voor de rest zit dat boek te ver om er hier iets zinnigs over te kunnen zeggen. Ook de nieuwe Wieringa zal er ooit wel eens van komen. Ik kan ‘m als publieke persoonlijkheid wel niet zo goed uitstaan. Te veel bezig met de precieuze schrijver te spelen, weet je wel. Komt-ie op tv, gaat de knop om. Nederland lijkt me precies groot genoeg voor Tommy.

  3. Ik zie mijzelf als een erg kritisch lezer – en tegelijk een erg onbelezen lezer, want ik lees niet veel romans, ik lees vooral veel oosteuropese poezie. Ik beperk me verder tot de wereldliteratuur, en vaak nog de wat oudere, simpelweg omdat ik geen tijd heb voor iets anders. Ik geloof nooit in enige hypes, ik heb Buwelda gelezen voor een turkse uitgever die wou weten of het boek de moeite waard was. Ik vond het een heel goed boek, vind ik bijna nooit van Nederlandse boeken (kreeg een hele stapel Thomas Roosenboom van die uitgever mijn hemel zeg, wat een verschrikkelijk saaie boeken zijn dat) – trouwens, wat me een keer verbaasde is dat je ongeveer hetzelfde over Borges denkt als ik – je schreef ooit dat je hem helemaal geen goed stilist vind, maar dat hij juist nogal harkerig schrijft, en dat is natuurlijk ook zo. Borges was een goed conceptualist maar een belabberd stilist. Ik ben Borges trouwens pas gaan lezen toen iemand me met hem vergeleek (wat als een tang op een varken sloeg ook, hoewel het me destijds wel even liet glunderen..)

    • Achille van den BrandenNo Gravatar says:

      Borges schreef in het Spaans natuurlijk, dus misschien werkt de Nederlandse vertaling wel tegen hem.

      Mijn bezwaren liggen elders. Een levensecht iemand neerzetten is het moeilijkste wat er is in fictie, denk ik. Haast niemand kan het. Vrijblijvende filosofietjes opzetten in kortverhalen schat ik dan ook een stuk lager in. Alleen daarom kan Borges voor mij nooit een groot schrijver zijn. Al dat gezwam over dubbelgangers en zo. Borges begreep geen barst van mensen, en van hoe de wereld in elkaar zit, toch naar mijn smaak. Tegen de figuur zelf heb ik niets. Borges nam zichzelf als schrijver veel minder serieus dan zijn bewonderaars.

  4. Klopt, hij is ook helemaal niet echt de superintellectueel die mensen van hem maken – hoewel ik hem weer een stuk hoger inschat dan Pablo Neruda, het is mij een absoluut raadsel wat mensen in de poezie van die man zien. Borges was gewoon een nogal harkerige man, die conceptueel een aantal hele goede verhalen in elkaar stak op een wat stijve manier. Een groot schrijver, nee, ik heb Marquez veel en veel hoger zitten. Ik weet niet of Buwelda erin geslaagd is een levensecht iemand neer te zetten in Bonita. Ik denk dat als dat je primaire criterium is je het boek misschien minder gaat vinden, omdat Buwelda vooral sterk persiflerend schrijft. Hoe dan ook, hij trok me wel erg het verhaal in.

    • Achille van den BrandenNo Gravatar says:

      Realisme en persiflages zijn best, maar meestal, niet altijd, heb ik het moeilijk met onduidelijke mengvormen.

      Neruda schrijft luidgalmende catalogus-gedichten. Al het materiaal dat ‘m te pas komt moet in het gedicht, dat maar aantikt en aantikt. De talrijke sonetos de amor van deze Stalin-verheerlijker willen weleens helpen als er een meisje dient versierd.

      Bij Márquez houd ik van de kortverhalen. Bij Márquez kan werkelijk alles, en in romans zie ik liever wat een auteur klaarspeelt binnen een duidelijk afgebakend terrein. Márquez leerde de stiel o.a. van de Mexicaan Juan Rulfo. Aanrader.

  5. Onduidelijk is Buwelda niet. Hij schrijft bijzonder scherp en beeldend. Nou ja je moet het zelf maar zien zodra je eraan toekomt. Juan Rulfo zal ik eens achteraan gaan. Zoals gezegd ik heb niet zo’n enorm uitgebreide bibliotheek qua romans, ik hou vooral van Camus, Marquez, Max Frisch, Gogol en o ja, Roald Dahl! Ik ben iets beter onderlegd in filosofie, hoewel ik toch vooral veel Nietzsche las. En als je eens wat poezie aanraders wil, dan raad ik je deze boeken aan:

    http://www.amazon.co.uk/Before-After-Fall-Translations-Selections/dp/192991847X/ref=sr_1_8?ie=UTF8&qid=1349793692&sr=8-8

    http://www.amazon.co.uk/Longing-Light-Selected-Vicente-Aleixandre/dp/155659254X/ref=sr_1_1?s=books&ie=UTF8&qid=1349793747&sr=1-1

    En deze bijzonder mooie nederlandse vertaling van Hikmet:

    http://www.bol.com/nl/p/mensenlandschappen/1001004005487642/

  6. (Heb trouwens laatst als antwoord op wat stellingen van de soms op scherp schrijvende vlaamse cultuurfilosoof Johan Sanctorum dit engelstalige stuk geschreven, ter verdediging van het boek. naar mijn idee is die hele eboeken cultuur een grandioze vergissing namelijk. Hier te lezen: http://www.loewak.nl/2012/09/11/an-argument-in-defense-of-real-books/ )

    • Achille van den BrandenNo Gravatar says:

      Even geen tijd om te lezen. Er moet ook nog wat gebeuren vandaag. ‘Cultuurfilosoof’ is alvast veel eer voor Sanctorum. ‘Schreeuwlelijk die uit al zijn halfbegrepen lectuur een eigen hutsenpotje bereidt’ komt dichter in de buurt. Op Twitter heb ik eens beweerd: “Wat Hans Teeuwen is voor de Nederlandse bijbelexegese, is Johan Sanctorum voor de Vlaamse cultuurkritiek.”

  7. NellygwynNo Gravatar says:

    Beauty is in the eye of the beholder. Na de woordenbrij van Buwalda vond ik Post voor mevrouw Bromley een verademing. John Patterson is gewoon een wereldvreemde jonge man die moederliefde heeft gemist. Niets vreemds aan. Deel 2 is inderdaad beter dan het eerste deel maar dat fungeerde als aanloop, een beetje lange aanloop. Maar ik heb van het boek genoten, heb het aan anderen aangeraden die het ook met plezier gelezen hebben. Voor mij voldeed het in ieder geval aan 3 eisen van Larkin.

  8. Ik som een hele waslijst van dingen op die het boek in mijn ogen ongeloofwaardig maken. U, daarentegen, beargumenteert uw oordeel niet. Ik vond het goed, ik heb genoten, ik had plezier. Dat is allemaal niet interessant. De eeuwige vraag is: waarom dan wel? Waarom klikte het op dit moment tussen dit particuliere boek en deze particuliere lezer?

Zeg uw gedacht