(Oorspronkelijk gepubliceerd op 7 februari 2010.)
.
Af en toe sturen mensen me hun gedichten op, met het verzoek of ik er eens naar wil kijken. Omdat het van die vrouwen — want dat zijn het meestal, vrouwen — moed vraagt om met hun meestal zeer persoonlijke schrijfsels naar buiten te komen, behandel ik die vragen met respect en omzichtigheid. Altijd stuur ik een antwoordje terug. Dat kan ook prima, met een standaardbriefje. Omdat de gedichten lijden aan standaardfouten.
.
Binnenvallen in die verzen is als binnenvallen — met al je kleren aan — in een heetgestookte sauna. Stafrijm, eindrijm, binnenrijm, halfrijm, in niet te verteren hoeveelheden. Dat zeg ik ook met zoveel woorden: één van de eerste regels bij het schrijven van poëzie is dat je de effecten met zorg uitkiest. Niet elke regel moet een vondst bevatten die de aandacht naar zich toetrekt. Een gedicht moet in zijn geheel werken. Een gedicht is geen opeenstapeling van alle losse ideetjes waar je trots op bent.
.
Al even beklemmend is de hoge concentratie adjectieven in die poëmen. Beginnende dichters koesteren een blind vertrouwen in het juiste woord, of beter: het juiste bijvoeglijke naamwoord. Gedichten gaan over intense, onverwerkte gevoelens, en dat zadelt de auteur blijkbaar met de verplichting op daar het correcte adjectief (‘exquis’, ‘verzengend’, ‘heldhaftig’) bij te kiezen, het juiste kleur uit een doos met kleurpotloden.
.
In mijn antwoord praat ik stevig op de aspirant-dichters in. Ik begin niet over poëtica’s en literatuurgeschiedenis. Ik drop geen namen. Mijn adviezen zijn ruw en algemeen, voor discussie vatbaar zelfs. Maar in dit prille stadium kan ik daarmee volstaan.
.
Maak je regels wat langer en verdeel je gedicht in blokjes; dat is makkelijker te verteren voor de lezer, en een zichtbare structuur is een bijkomend middel om betekenis te scheppen (these/antithese, theorie/voorbeeld, heden/verleden).
.
Schrijf aanschouwelijk en scènisch; laat je gedicht draaien om iets concreets, een voorval, een observatie, niet om gevoelens die in het ijle zweven. Gebruik beelden; een metafoor is altijd krachtiger dan een woordtechnisch trucje; en als je toch die toer op wil, trek dan de woorden die je door rijm laat knipogen naar elkaar ver genoeg uiteen.
.
Benoem geen gevoelens, maar roep gevoelens op; je moet niet zeggen dat je ‘weerloos’ bent, je moet dat illustreren, je moet iets bedenken, een voorval op zo’n manier geformuleerd, dat de lezer denkt: ‘weerloos meisje’. In het verlengde daarvan: spring zuinig om met adjectieven.
.
Tot slot wil ik (ik heb natuurlijk niets te willen, maar ze vragen erom) dat ze veel poëzie lezen. Het is de logica zelve, maar veel beginnelingen laten het na. Ik zeg: lees veel, en bedenk persoonlijke varianten op de gedichten die je aanspreken. Een prima manier is dat om te ontdekken wat de dichter heeft uitgevoerd.
.
.
Het opmerkelijke is nu dat verdere correspondentie uitblijft. Nooit krijg ik verbeterde versies te lezen, nieuwe pogingen tot poëzie te zien. Het blijft stil. Zien de schrijvers nu al de limieten van hun talent in? Was beter worden überhaupt nooit de bedoeling?
.
Of voelt men zich geraakt in de persoonlijke leefwereld? De thematiek van amateurdichters ligt meestal dicht bij huis. Maken ze dat werk openbaar, en komt er kritiek op, dan is het alsof de ervaring die aan die poëzie ten grondslag lag, ook devalueert. Het ís niet prettig. Een foto met sentimentele waarde, beduimeld door vreemde handen. Een intieme herinnering, roestend nu, want blootgesteld aan de lucht.
.
Een gelijkaardig gevoel van ontwaarding komt opzetten bij het besef dat je werk ongelezen ligt te rotten op de bodem van het internet. Webloggers die om de verkeerde redenen schrijven, hebben er last van.
.
Ik heb de drie narcistische krenkingen van Freud altijd een vermakelijk idee gevonden. Freud meende dat de mensheid de laatste eeuwen driemaal in zijn ego was geraakt. De eerste keer gekrenkt werden we door de copernicaanse ontdekking dat onze aarde niet het middelpunt van het heelal is, maar een verwaarloosbaar pluisje in een veel groter geheel. De tweede krenking kwam van Darwin, die aantoonde dat de mens zich niet verheven hoefde te voelen, want een diersoort onder de diersoorten is. De derde slag had Freud zelf toegebracht, door zijn aanname dat de mens ook in zijn eigen psychè geen baas is, maar gestuurd wordt door onbewuste driften.
.
Online hebben we onze vierde krenking opgelopen. Internet brengt ons tot onze ware proporties terug: een eenling tussen miljarden medemensen. Schrijvers hebben niet langer een uitgever nodig, en een gepubliceerd boek, om vast te stellen dat geen mens op hun schrijfsels zit te wachten. Het net laat zien dat iedereen schrijft. En vooral: het laat zien dat haast niemand wordt gelezen. De meeste weblogs worden dan ook na een jaar of drie in de steek gelaten.
.
Het weblog als rite of passage. Hier kan een schrijver volwassen worden. Wie alleen een publiek wil, valt af. Wie schrijft om te schrijven, blijft.
