<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<rss version="2.0"
	xmlns:content="http://purl.org/rss/1.0/modules/content/"
	xmlns:wfw="http://wellformedweb.org/CommentAPI/"
	xmlns:dc="http://purl.org/dc/elements/1.1/"
	xmlns:atom="http://www.w3.org/2005/Atom"
	xmlns:sy="http://purl.org/rss/1.0/modules/syndication/"
	xmlns:slash="http://purl.org/rss/1.0/modules/slash/"
	>

<channel>
	<title>Achille van den Branden</title>
	<atom:link href="http://www.achillevandenbranden.net/feed/" rel="self" type="application/rss+xml" />
	<link>http://www.achillevandenbranden.net</link>
	<description>ofschoon nog geen vijftig, heeft alle boeken ter wereld gelezen</description>
	<lastBuildDate>Fri, 17 May 2013 14:06:37 +0000</lastBuildDate>
	<language>en-US</language>
	<sy:updatePeriod>hourly</sy:updatePeriod>
	<sy:updateFrequency>1</sy:updateFrequency>
	<generator>http://wordpress.org/?v=3.5.1</generator>
		<item>
		<title>Empire movie miscellany &#8211; Kim Newman, Ian Freer en Oliver Richard (samenst.)</title>
		<link>http://www.achillevandenbranden.net/2013/05/empire-movie-miscellany-kim-newman-ian-freer-en-oliver-richard-samenst/</link>
		<comments>http://www.achillevandenbranden.net/2013/05/empire-movie-miscellany-kim-newman-ian-freer-en-oliver-richard-samenst/#comments</comments>
		<pubDate>Fri, 17 May 2013 11:39:04 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Achille van den Branden</dc:creator>
				<category><![CDATA[recensies]]></category>
		<category><![CDATA[animatiefilm]]></category>
		<category><![CDATA[Britse schrijvers]]></category>
		<category><![CDATA[film]]></category>
		<category><![CDATA[Ian Freer]]></category>
		<category><![CDATA[in English]]></category>
		<category><![CDATA[inner circles]]></category>
		<category><![CDATA[Kim Newman]]></category>
		<category><![CDATA[lijstjes]]></category>
		<category><![CDATA[Oliver Richard]]></category>
		<category><![CDATA[technologie]]></category>
		<category><![CDATA[trivia]]></category>
		<category><![CDATA[twintigste eeuw]]></category>
		<category><![CDATA[uit 2007]]></category>
		<category><![CDATA[uitgeverij Virgin Books]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.achillevandenbranden.net/?p=7919</guid>
		<description><![CDATA[<p><span style="color: #666666;"><strong><a href="http://www.achillevandenbranden.net/wp-content/uploads/2013/05/empire-movie-miscellany.jpg"><img class="alignleft size-full wp-image-7921" alt="empire movie miscellany" src="http://www.achillevandenbranden.net/wp-content/uploads/2013/05/empire-movie-miscellany.jpg" width="110" height="157" /></a>Trivia, records en lijstjes voor cinefielen, samengesteld door het Britse filmblad <a href=" http://en.wikipedia.org/wiki/Empire_(film_magazine)">Empire</a>. Een boekje dat daar ver in gaat, bovendien: niet alleen de namen van de zeven dwergen staan erin, ook de namen van wie de originele stemmen insprak in de Disney-film uit 1937. Mijn sympathie ging uit naar de monomane regisseurs, omdat het me een hele klus lijkt op te boksen tegen de conservatieve filmbonzen.</strong></span></p>
<p>Zo staat het grootste aantal [...]</p>]]></description>
				<content:encoded><![CDATA[<p><span style="color: #666666;"><strong><a href="http://www.achillevandenbranden.net/wp-content/uploads/2013/05/empire-movie-miscellany.jpg"><img class="alignleft size-full wp-image-7921" alt="empire movie miscellany" src="http://www.achillevandenbranden.net/wp-content/uploads/2013/05/empire-movie-miscellany.jpg" width="110" height="157" /></a>Trivia, records en lijstjes voor cinefielen, samengesteld door het Britse filmblad <a href=" http://en.wikipedia.org/wiki/Empire_(film_magazine)">Empire</a>. Een boekje dat daar ver in gaat, bovendien: niet alleen de namen van de zeven dwergen staan erin, ook de namen van wie de originele stemmen insprak in de Disney-film uit 1937. Mijn sympathie ging uit naar de monomane regisseurs, omdat het me een hele klus lijkt op te boksen tegen de conservatieve filmbonzen.</strong></span></p>
<p>Zo staat het grootste aantal retakes op naam van Charlie Chaplin, die een scène 342 maal liet overdoen in <em>City Lights</em>. Het grootste aantal retakes voor een <em>dialoog</em> is 127, op instigatie van Stanley Kubrick in <em>The Shining</em>. De productiefste regisseur is <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/William_Beaudine">William Beaudine</a>, die tussen 1922 en 1965 liefst 182 films maakte. De acteur met de meeste rollen op zijn naam (ca. 2000) is <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Tom_London">Tom London</a>; zijn carrière liep van 1883 tot 1963.</p>
<p><em>Empire movie miscellany</em> (2007) is op enkele punten al gedateerd. De duurste film ooit volgens de redactie is <em>Cleopatra</em> (1963), die omgerekend 287 miljoen dollar heeft gekost. Ondertussen heeft <em>Pirates of the Caribbean: At World&#8217;s End</em> (2007), die naar verluidt 300 miljoen dollar kostte, dat record verbroken.</p>
<p>Toch zullen door moderne, kostenbesparende digitale technieken sommige krachttoeren uit het analoge tijdperk voor eeuwig standhouden. Het grootste aantal figuranten (300.000 stuks) was te zien in <em>Gandhi</em>. Het grootste aantal camera&#8217;s dat gebruikt werd voor één scène is 48, voor de zeeslagscène in de vroege versie van<em> Ben-Hur</em> uit 1925.</p>
<p><span id="more-7919"></span>Een triest record is het grootste aantal doden tijdens het draaien van een film, 40, toen een brand uitbrak op de set van het Indiase epos<em> The Sword of Tipu Sultan</em> uit 1989. Er wordt 422 ‘fuck’ gezegd in <em>Casino</em> en daarmee is het de vuilstgebekte film ooit. <em>The Cure for Insomnia</em> (1987) is met zijn speeltijd van 87 uur de langste film die ooit publiek werd vertoond.</p>
<p>Over sommige zaken is de informatie te mager. De eerste film waarin De daad zou te zien zijn geweest was <em>Extase</em> (1932). Zo’n weetje spoorde me vooral aan om de <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Nudist_films">pagina over filmnaakt</a> op Wikipedia eens te lezen. Al was het maar omdat je, wanneer records en pioniers in het geding zijn, altijd kan discussiëren over definities. Wat is een film? Hoe naakt moet naakt zijn?</p>
<p>Ook het kopje over hardnekkige fouten in films mocht gerust wat langer zijn. Vermakelijk is het zeker. <em>Krakatoa, East of Java</em> is een nogal ridicule filmtitel als je weet dat de Krakatau 200 mijl ten westen van Java ligt.</p>
<p>Structureel zijn de fouten tegen de fysica. Superman kan nooit een neerstortende burger levend in de vlucht opvangen: de man zal omkomen door de bruuske remming bij hoge valsnelheid. De ruimte is een vacuüm, dus zijn explosies er onhoorbaar – één van de zeldzame films die dat goed heeft is <em>2001: A Space Odyssey</em>. Een .45 Magnum is het krachtigste handwapen ter wereld. Als je het zoals Dirty Harry met één hand afvuurt, breek je gewoon je pols en schiet de kogel door de weerbots recht de lucht in.</p>
<p>Al even frequent zijn fouten tegen de geschiedenis. De Londense mist was tot de Clean Air Acts van de jaren vijftig groengeel, en niet wit; zwart/wit-films hebben veel moderne regisseurs in de luren gelegd. Vrouwen in het Wilde Westen gebruikten geen make-up, de filmversies van Calamity Jane en Belle Starr ten spijt. Veel typisch twintigste-eeuwse fenomenen (zichtbare inentingen tegen de pokken, ritssluitingen, condensstrepen in de lucht, bandensporen in de woestijn) zie je in films die in een ouder decor spelen.</p>
<p>Tot de vaakst voorkomende anachronismen behoren uitgebreid tandheelkundig werk vóór de twintigste eeuw, en de politiek correcte attitude tegenover vrouwen en andere rassen in vroeger tijden.</p>
<p>Wat betreft psychologische fouten laten de samenstellers veel liggen. Die lijst is volgens mij eindeloos. Nu, een subtiele fout die ik zelf nooit had opgemerkt, is dat in romantische films het snuffelen in iemands privéleven als onschuldig wordt ervaren, terwijl we dat in het echte leven als zeer bedreigend <em>gestalk</em> zouden beschouwen.</p>
<p>Zijn er nog de weetjes die nergens toe dienen maar meteen blijven hangen. <em>The Great Gatsby</em> (1974) was de lievelingsfilm van Ceaușescu. O.J. Simpson checkt vaak in onder de valse naam <strong>D.H. Lawrence</strong>. <strong>Woody Allen</strong> is bang voor douches met een afvoerputje in het midden. De filmzalen in Kazachstan zijn ovaalvormig, zoals de joerten van de nomaden vroeger. In zwart/wit-films (zoals in <em>Psycho</em> en <em>Raging Bull</em>) gebruikt men vaak chocoladesaus als bloed. En ik weet nu eindelijk definitief dat het Steve <em>Buh-sem-ee</em> is en Martin <em>Score-sez-ee</em>.</p>
<p>Cijfers doen het altijd goed. Rudolph Valentino en Jean Acker waren goed 6 uur met elkaar getrouwd. Courtney Love heeft naar verluidt een IQ van 160. In <em>Titanic</em> zegt Jack 50 keer ‘Rose’ tegen Rose, Rose liefst 80 keer ‘Jack’ tegen Jack. Er werden precies 6.469.952 stippen getekend op de honden van<em> 101 Dalmatiërs</em>.</p>
<p>Verder bevat dit boekje eindeloos veel lijstjes. Alle<em> Star Trek</em> spin-offs (met een handige pitch om ze uit elkaar te houden). Alle films met Elvis Presley (véél meer dan ik dacht). Alle politieke groeperingen in <em>The Life of Brian</em> (The Judean People&#8217;s Front, The People&#8217;s Front Of Judea, The Judean Popular People&#8217;s Front &#8212; dat maar 1 lid heeft, en Campaign For Free Galilee). Alle Hollywood <em>majors</em>:</p>
<blockquote><p>Universal, 1912 (Universal City, Californië)<br />
Paramount, 1912 (Hollywood, Californië)<br />
Warner Bros, 1923 (Burbank, Californië)<br />
The Walt Disney Company, 1923 (Burbank, Californië)<br />
MGM, 1924 (Beverly Hills, Californië)<br />
Columbia, 1924 (Culver City, Californië)<br />
Twentieth Century Fox, 1935 (Century City, Californië)<br />
DreamWorks SKG, 1994 (Universal City, Californië)</p></blockquote>
<p>Neem alleen het getal zeven al: de Seven Samurai, <em>Se7en</em>&#8216;s Murder Methods, The Goonies, de zeven dwergen, The Magnificent Seven…</p>
<p>Volledigheid is onmogelijk. Toch miste ik bij het lijstje met persiflerende pornotitels het bekende <em>Shaving Ryan’s Privates</em> en in het lijstje ‘Amerikanen die eigenlijk Canadezen zijn’ de evidente Pamela Anderson.</p>
<p>De charme van dit soort boekjes – net zoals bij Trivial Pursuit, en eigenlijk elke kennisquiz – ligt voor mij vooral in de snelle opeenvolging van associaties waartoe ze mij dwingen. Herinneringen werden getriggerd aan zeer uiteenlopende films die ik ooit heb gezien; mijn verbeelding werd getriggerd door beschrijvingen van films die ik niet eerder zag.</p>
<p>En dan mogen lijstjes nog de makkelijkste kopij ooit zijn, vaak sporen ze aan tot actieve deelname. <em>Empire movie miscellany</em> heeft een kort overzicht met grensverleggende films. Algauw zat ik daar als in een roes ontbrekende klassiekers tussen te voegen én alle films die in mijn eigen leven om persoonlijke redenen een mijlpaal waren (kijk in de reacties hieronder).</p>
<p>Slotsom van die oefening: ik kijk niet naar films zoals ik boeken lees. In essentie moeten films mijn wensdromen zo accuraat mogelijk illustreren. Dat kunnen films ook als de beste. Vertellers met ambitieuzere betrachtingen zijn volgens mij meer gebaat bij het medium boek.</p>
<p>Bij het samenstellen van dat overzichtje trof me verder het gegeven dat er in de jaren zeventig zoveel gedurfde, smeuïige, uitzinnige films zijn gemaakt. Gedurfder dan in de jaren zestig, naar mijn smaak.</p>
<p>Neemt niet weg dat aan het eind van de rit de meeste films ter herleiden zijn tot een van de acht verhaalsjablonen die door <em>Empire movie miscellany</em> worden opgelijst.</p>
<blockquote><p><strong>Achilles</strong> – A fatal flaw causes a previously flawless individual to be destroyed. <em>(Superman,</em> <em>Fatal Attraction</em>, <em>Jagged Edge</em>)<br />
<strong>Orpheus</strong> – The gift that is taken away, e.g. tragic loss. (<em>Doctor Zhivago</em>, <em>Born On The Fourth Of July</em>, <em>Rain Man</em>)<br />
<strong>Cinderella</strong> – A scenario in which virtue is rewarded in the end; a dream-come-true story. (<em>Pretty Woman</em>, <em>Shrek, Strictly Ballroom)</em><br />
<strong>Faust</strong> – A character sells his soul for personal gain, and fate catches up with them in the end. (<em>The Red Shoes</em>, <em>Wall Street</em>, <em>The Devil’s Advocate</em>)<br />
<strong>Candide</strong> – The indomitable hero who can’t be put down. (<em>James Bond</em>,<em> Indiana Jones</em>, <em>Die Hard</em>, <em>Rocky)</em><br />
<strong>Romeo And Juliet</strong> – Classic romance, i.e. boy meets girl, loses girl, regains girl (or not), loses girl again etc. etc. <em>(Titanic, Wimbledon,</em> <em>West Side Story</em>, most RomComs)<br />
<strong>Tristan</strong> – Love triangles in which a third party intervenes in a romance. (<em>The Graduate</em>, <em>Gone With The Wind</em>,<em> Jules Et Jim</em>)<br />
<strong>Circe</strong> – The innocent or the victim pursued by an antagonistic force. <em>(Terminator, Duel,</em> <em>Double Indemnity</em>)</p></blockquote>
<p>Daarbij zijn de acteurs, zeker in de mainstream filmindustrie van Amerika, weinig meer dan kanonnevoer – makkelijk vervangbare dwangarbeiders in de droomfabriek.</p>
<blockquote><p><strong>The Hollywood career trajectory</strong><br />
Who is Ricardo Montalban?<br />
Get me Ricardo Montalban<br />
Get me a Ricardo Montalban type<br />
Get me a young Ricardo Montalban<br />
Who is Ricardo Montalban?</p></blockquote>
<p>Zeer leerzaam waren de verklarende woordenlijsten met film<em>-slang</em> (zie onder deze bespreking). Op een bepaald moment zat ik de rechterkant van mijn blad af te dekken, zoals ik vroeger mijn Latijnse woordjes leerde.</p>
<p>De nerd in mij genóót van het overzicht met alle mogelijke camerastandpunten.Voor een ongeoefende filmkijker (zoals ik) geldt misschien toch de linguïstische borreltafelwijsheid dat je iets een naam moet kunnen geven om je er echt bewust van te zijn.</p>
<p>&gt; lees een fragment uit dit boek op <a href="http://prinsvandenemarken.blogspot.be/2013/04/everything-falls-faster-than-anvil.html">Prins van Denemarken</a><br />
&gt; ‘landmark release dates’ in de reacties hieronder<br />
&gt; <a href=" http://www.empireonline.com/500/">The 500 greatest movies of all time (Empire)</a></p>
<p><strong>Kim Newman, Ian Freer en Oliver Richards,</strong><br />
<em><strong> Empire movie miscellany : hundreds of amazing filmic facts</strong></em><br />
<strong> 270 p.</strong><br />
<strong> Uitgeverij Virgin Books, 2007</strong></p>
<p><a href="http://www.achillevandenbranden.net/wp-content/uploads/2013/05/clapperboard.jpg"><img class="alignnone size-full wp-image-7920" alt="clapperboard" src="http://www.achillevandenbranden.net/wp-content/uploads/2013/05/clapperboard.jpg" width="600" height="409" /></a><em><strong></strong></em></p>
<p><em><strong><br />
Weird movie job titles:</strong></em><br />
<a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Automated_dialogue_replacement">ADR editor</a><br />
Best boy<br />
Boom operator<br />
Craft services<br />
DGA trainee<br />
<a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Foley_%28filmmaking%29"> Foley artist</a><br />
Gaffer<br />
Greensmen<br />
Grip<br />
Key grip<br />
Leadperson<br />
Swing gang</p>
<p><em><strong>A cinematography glossary</strong></em><br />
Baby legs<br />
Chiaroscuro<br />
Deep focus<br />
Depth of field<br />
Dolly<br />
Dutch angles<br />
Fill light<br />
F-stop<br />
Handheld<br />
High contrast<br />
Key light<br />
Kicker<br />
Louma crane<br />
Low contrast<br />
Pan<br />
Steadicam<br />
Tilt</p>
<p><em><strong>Words derived from or made popular by movies</strong></em><br />
Big chill<br />
Bunny boiler<br />
Dorothy<br />
Drack<br />
Gaslight<br />
Lollo biondo<br />
Lollo rosso<br />
Mae West<br />
Majita<br />
McGuffin<br />
Merry widow<br />
Mondo<br />
Money pit<br />
Munchkin<br />
Paparazzo<br />
Ramboesque<br />
Sabrina neckline<br />
Shirley Temple<br />
Stepford wife<br />
Up to 11<br />
Valentino<br />
Zelig</p>
<p><em><strong>Film-set lingo</strong></em><br />
ADR<br />
Blocking<br />
Boom<br />
Call sheet<br />
Clean speech<br />
Craft service<br />
Dailies<br />
Dope sheet<br />
Honeywagons<br />
Magic hour<br />
Overcranking<br />
Pick-up<br />
Squib<br />
Unit publicist<br />
<a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Walla">Rhubarb</a><br />
Winnebago<br />
Wrap</p>
<p><em><strong>Screenwriting glossary</strong></em><br />
<a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Backstory">Backstory</a><br />
<a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Beat_%28filmmaking%29">Beats</a><br />
<a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Character_arc">Character arc</a><br />
<a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Denouement#D.C3.A9nouement.2C_resolution.2C_or_catastrophe">Denouement</a><br />
EXT<br />
INT<br />
Montage<br />
<a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Pitch_%28filmmaking%29">Pitch</a><br />
<a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Plot_%28narrative%29">Plot</a><br />
<a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Plot_point">Plot points</a><br />
<a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Narrative">Story</a><br />
<a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Subplot">Subplot</a><br />
<a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Three-act_structure">Three-act structure</a><br />
Act 1<br />
<a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Film_treatment">Treatment</a><br />
Voice-over</p>
<p><em><strong>Shot miscellany</strong></em><br />
Aerial shot<br />
Arc shot<br />
Boom shot<br />
Bridging shot<br />
Close-up shot<br />
Cowboy shot<br />
Crane shot<br />
Crowd shot<br />
Cutaway shot<br />
Deep-focus shot<br />
Discovery shot<br />
Establishing shot<br />
Handheld shot<br />
Head-on shot<br />
High-angle shot<br />
Insert shot<br />
Library shot<br />
Locked-down shot<br />
Long shot<br />
Low-angle shot<br />
Master shot<br />
Matte shot<br />
Medium shot<br />
Over-the-shoulder shot<br />
Panning shot<br />
POV shot<br />
Reaction shot<br />
Reverse-angle shot<br />
Static shot<br />
Steadicam shot<br />
Tracking shot<br />
Two-shot<br />
Wide-angle shot</p>
<p><em><strong>Movie acronyms</strong></em><br />
BAPS<br />
CHUD<br />
DARYL<br />
DOA<br />
FUBAR<br />
IPCRESS<br />
M*A*S*H<br />
MOTHER<br />
RoGoPaG<br />
SFW<br />
SimOne<br />
SPECTRE<br />
SQUID<br />
SUSIE<br />
SWALK<br />
TARDIS<br />
THRUSH<br />
TIE<br />
UFO<br />
UNCLE<br />
ZARDOZ<br />
ZOWIE<br />
ZPG</p>
<p><em><strong>The world’s most famous studio spaces</strong></em><br />
Fox Studios Australia, Australië<br />
Barrandov Studios, Praag<br />
Cinnecittà, Rome<br />
Estudios Churubusco, Mexico<br />
Ealing Studios, Groot-Brittannië<br />
Elstree Studios, Groot-Brittannië<br />
Leavesden Studios, Groot-Brittannië<br />
Pinewood Studios, Groot-Brittannië<br />
Shepperton Studios, Groot-Brittannië<br />
Film City, India<br />
Kamal Amrohi Studios, India<br />
Universal Studios, Hollywood</p>
<p><em><strong>Film composers</strong></em><br />
John Williams<br />
Bernard Herrmann<br />
Jerry Goldsmith<br />
James Horner<br />
Alan Silvestri<br />
Howard Shore<br />
Maurice Jarre<br />
John Barry<br />
Max Steiner<br />
Miklos Rosza<br />
Danny Elfman<br />
Ennio Morricone<br />
Alex North<br />
Nino Rota<br />
Michael Nyman<br />
Elmer Bernstein<br />
Henry Mancini<br />
Alfred Newman<br />
Thomas Newman<br />
Randy Newman<br />
Ryuichi Sakamoto<br />
Hans Zimmer<br />
Saul Chaplin<br />
Adolph Deutsch<br />
Ken Darby<br />
Roger Edens<br />
Ray Heindorf<br />
Johnny Green<br />
Alan Menken<br />
André Previn<br />
Miklós Rózsa<br />
Franz Waxman<br />
Dimitri Tiomkin<br />
Howard Shore</p>
<p><em><strong>Movie poster designers</strong></em><br />
John Alvin<br />
Richard Amsel<br />
Ben Barenholtz<br />
Saul Bass<br />
Reynold Brown<br />
Philip Castle<br />
Howard Chaykin<br />
Pat Olbert<br />
Thomas Eckersley<br />
Steve Frankfurt<br />
Bill Gold<br />
Richard Kastel<br />
Tom Martin<br />
Bob Peak<br />
Roger Silver<br />
Peter Strausfeld<br />
Drew Struzan</p>
<p><em><strong>Verder opgenomen in Empire movie miscellany [selectie]:</strong></em><br />
<em>Saturday Night Live</em> spin-offs<br />
Frames per second<br />
Ridiculously long (and ridiculous) film titles<br />
<a href="http://www.menshealth.com/fitness/muscle-building-11">The <em>300</em> training regime</a><br />
The scientific names for Wile E. Coyote and the Road Runner<br />
Actual punning porn movie titles<br />
Imaginary countries<br />
Pixar shorts<br />
The Dirty Dozen and their ‘skill’<br />
Serial killer nicknames<br />
Fictional books in movies<br />
Foreign titles translated<br />
Film director brothers<br />
<a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Leo_the_Lion_%28MGM%29"> Leo the lion</a><br />
<em> Top Gun</em> call signs<br />
Woody Allen’s on-screen alter egos<br />
<em> The Godfather</em>’s ‘five families’<br />
Fake film bands<br />
Dates for your diary (<em>Groundhog Day</em> etc.)<br />
Movie acronyms (non-fiction)<br />
The top ten stunts of <em>Jackass</em><br />
The man in the suit (<em>Alien</em>, <em>Predator</em> etc.)<br />
Bollywood glossary<br />
<a href="http://www.chucknorrisfacts.com/">Chuck Norris facts</a><br />
<a href="http://en.wikipedia.org/wiki/MacGuffin">McGuffins</a><br />
Weird movie job titles<br />
Classic cinema versus counter-cinema (<strong>Peter Wollen</strong>)<br />
Selected <em>Clockwork Orange</em> slang<br />
<em>Cluessless</em> speak as heard in Amy Heckerling’s 1995 comedy<br />
The Voight Kampff test<br />
James Cameron crew t-shirts<br />
<a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Alan_Smithee"> Selected Alan Smithee filmography</a><br />
<a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Hollywood_Sign">The Hollywood sign</a><br />
<a href="http://en.wikipedia.org/wiki/David_Mamet"> David Mamet insults</a><br />
Blaxsploitation taglines<br />
Working titles<br />
Ages of Sean Connery compared to love interest<br />
Stunt doubles<br />
The Martini shot<br />
<a href="http://brooklynvisualeffects.wordpress.com/2012/12/05/the-schufftan-process-from-metropolis-to-the-lord-of-the-rings-and-the-triumphs-of-roberto-rossellinis-history-films/">The Schüfftan proces</a><br />
Selected A-Z of stars who’ve posed for Playboy<br />
Hitchcock cameos<br />
Gimmick cop partnerships<br />
Direct to video actor trademarks<br />
The Coppola clan<br />
People who sued <em>Borat</em><br />
The victims of<em> Theatre of Blood</em><br />
44 stars who never finished school<br />
Fruit cart (<strong>Roger Ebert</strong>)<br />
Diminutive Hollywood stars<br />
<a href="http://www.totalfilm.com/features/40-historical-movie-errors"> Commonly made factual errors in films</a><br />
The Disney nine old men<br />
The Kuleshov experiment<br />
Selected <em>Spinal Tap</em> drummers and causes of death<br />
Actors who have written scripts<br />
<a href=" http://en.wikipedia.org/wiki/Acme_Corporation">Selected Acme products</a><br />
Stars with tattoos<br />
Movie Hitlers<br />
Animated animal movies<br />
Older men, younger women<br />
Older women, younger men<br />
Model turned actors<br />
Fictional companies<br />
Stars and their phobias<br />
Selected films based on magazine articles<br />
Planets visited<br />
Films on television in films<br />
Spectacularly wrong reviews (<strong>James Agate</strong> over <em>Citizen Kane</em> etc.)<br />
Movie Q&amp;A (<em>Who framed Roger Rabbit?</em> etc.)<br />
Movie couples who got married after meeting at work<br />
Sportsfolk turned actors<br />
Classical music made famous by the movies<br />
Actors who started their careers as extras<br />
<a href=" http://www.youtube.com/results?search_query=The+Wilhelm+scream&amp;oq=The+Wilhelm+scream&amp;gs_l=youtube.3...0.0.0.594.0.0.0.0.0.0.0.0..0.0...0.0...1ac..11.youtube.">The Wilhelm scream</a><br />
Movie memorabilia auction prices<br />
<a href="http://boxofficemojo.com/alltime/domestic/mpaa.htm">The top 10 highest-grossing R-rated movies</a><br />
Favourite films of famous figures<br />
<a href="http://prinsvandenemarken.blogspot.be/2013/04/everything-falls-faster-than-anvil.html"> The cartoon laws of physics</a><br />
<a href="http://en.wikiquote.org/wiki/Pauline_Kael"> The wisdom of Pauline Kael</a><br />
Film folk turned novelists<br />
<a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Spike_Jonze"> Spike Jonze promos</a><br />
Talents who never won an Oscar<br />
Arnie kiss-off lines<br />
JFK’s magic bullet theory<br />
Animals were harmed in the making of this production<br />
<a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Palme_d%27Or"> English-language winners of the Palme d’Or</a><br />
Cast of thousands<br />
College-friends-reuniting-in-their-thirties movies<br />
Renowned prosthetic designers<br />
Elizabeth Taylor’s marriages<br />
Movies that sound like porn but aren’t<br />
The worst movies ever made according to IMDb.com as voted by the site’s users<br />
Selected movie stars’ high school awards<br />
Movies that have their own Lego range<br />
Films with the most prolific use of the F-word<br />
Traditional cinema snacks from around the world<br />
<a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Amicus_Productions">The Amicus anthology horror films</a><br />
Oscar-winning debuts<br />
<a href="http://en.wikipedia.org/wiki/List_of_highest-grossing_films">Selected highest-grossing films, by country</a><br />
Actresses who were beauty queens<br />
Actors who have lost/gained significant weight for a role<br />
Movies in wich perennial good guys/girls play villains<br />
Ages of Woody Allen compared to love interest<br />
Actors who have won an Oscar and a <a href="https://en.wikipedia.org/wiki/Golden_Raspberry_Award">Razzie</a><br />
Poorly translated movie titles<br />
Actresses who unsuccessfully auditioned to play Scarlett O’Hara in <em>Gone with the wind</em><br />
Writers who won Oscars for adapting their own books<br />
Roman à clef movies<br />
<a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Zucker,_Abrahams_and_Zucker"> Zucker, Abrahams and Zucker</a> end credits tomfoolery<br />
Selected films that have ‘treats’ in their end credits</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.achillevandenbranden.net/2013/05/empire-movie-miscellany-kim-newman-ian-freer-en-oliver-richard-samenst/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>1</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Horen, Zien en Zwijgen &#8211; Gerrit Komrij</title>
		<link>http://www.achillevandenbranden.net/2013/05/horen-zien-en-zwijgen-gerrit-komrij/</link>
		<comments>http://www.achillevandenbranden.net/2013/05/horen-zien-en-zwijgen-gerrit-komrij/#comments</comments>
		<pubDate>Wed, 15 May 2013 21:20:36 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Achille van den Branden</dc:creator>
				<category><![CDATA[persoonlijk]]></category>
		<category><![CDATA[columns]]></category>
		<category><![CDATA[essays]]></category>
		<category><![CDATA[Gerrit Komrij]]></category>
		<category><![CDATA[humor]]></category>
		<category><![CDATA[inner circles]]></category>
		<category><![CDATA[jaren zeventig]]></category>
		<category><![CDATA[mediakritiek]]></category>
		<category><![CDATA[Nederlandse cultuur]]></category>
		<category><![CDATA[Nederlandse schrijvers]]></category>
		<category><![CDATA[reeks Synopsis]]></category>
		<category><![CDATA[televisie]]></category>
		<category><![CDATA[tv-kritieken]]></category>
		<category><![CDATA[uit 1977]]></category>
		<category><![CDATA[uitgeverij De Arbeiderspers]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.achillevandenbranden.net/?p=7909</guid>
		<description><![CDATA[<p><span style="color: #666666;"><strong><a href="http://www.achillevandenbranden.net/wp-content/uploads/2013/05/horen-zien-en-zwijgen-gerrit-komrij.jpg"><img class="alignleft size-full wp-image-7910" alt="horen zien en zwijgen - gerrit komrij" src="http://www.achillevandenbranden.net/wp-content/uploads/2013/05/horen-zien-en-zwijgen-gerrit-komrij.jpg" width="100" height="160" /></a>Tien jaar vóór <a href="http://www.achillevandenbranden.net/2013/05/mijl-op-zeven-marc-mijlemans/">Marc Mijlemans</a> grossierde Gerrit Komrij al in uiterst giftige tv-kritiek in onze contreien. Voor NRC-Handelsblad nam hij in 1976 plaats op de bank voor ‘de treurbuis’ (door hem ook wel ‘jammerkast’ genoemd) en sabelde in een dagelijks krantenstukje alles neer wat hij zag. “Verdient de tv het dat je er elke dag over schrijft? Krijgen bakstenen ook zoveel aandacht van een juwelier?”</strong></span></p>
<p><strong>Geert Buelens</strong> stelde [...]</p>]]></description>
				<content:encoded><![CDATA[<p><span style="color: #666666;"><strong><a href="http://www.achillevandenbranden.net/wp-content/uploads/2013/05/horen-zien-en-zwijgen-gerrit-komrij.jpg"><img class="alignleft size-full wp-image-7910" alt="horen zien en zwijgen - gerrit komrij" src="http://www.achillevandenbranden.net/wp-content/uploads/2013/05/horen-zien-en-zwijgen-gerrit-komrij.jpg" width="100" height="160" /></a>Tien jaar vóór <a href="http://www.achillevandenbranden.net/2013/05/mijl-op-zeven-marc-mijlemans/">Marc Mijlemans</a> grossierde Gerrit Komrij al in uiterst giftige tv-kritiek in onze contreien. Voor NRC-Handelsblad nam hij in 1976 plaats op de bank voor ‘de treurbuis’ (door hem ook wel ‘jammerkast’ genoemd) en sabelde in een dagelijks krantenstukje alles neer wat hij zag. “Verdient de tv het dat je er elke dag over schrijft? Krijgen bakstenen ook zoveel aandacht van een juwelier?”</strong></span></p>
<p><strong>Geert Buelens</strong> stelde zich precies dezelfde vraag toen <strong>Rudy Vandendaele</strong> recent even de handdoek in de ring wierp als tv-criticus: hoe houdt iemand het vol al die Vlaamse bagger te bekijken? Of anders gesteld: waarom niet uitwijken naar de betere film, die ook wordt vertoond op tv, naar kwalitatieve series, naar die paar documentaires waar over nagedacht is? Of nog: waarom de blik niet richten op het buitenland, in veel gevallen, en daar iets over schrijven?</p>
<p>Dat doet (rv) ook wel, maar veel minder vaak. Omdat positief commentaar zich niet zo goed tot stilistische uithalen leent, vermoed ik. Dus speelt bij &#8216;Dwarskijker&#8217; toch weer primaire geldingsdrang een rol, in plaats van oprecht geloof in de kwaliteiten van een medium. Een rubriek als verluchtingsrooster voor je permanente midlife-crisis. Ik hoop nooit zo te worden.</p>
<p><span id="more-7909"></span>Verfrissend, en eerder zeldzaam op internet, is het soort <a href="http://reinswart.blogspot.be/">weblog dat Rein Swart voert</a>. Elke dag een of meer verslagjes van tv-programma’s die hij wel de moeite vond. Dan mag Swart meer een veredelde bandopnemer zijn dan een bespreker, en nooit verbanden leggen tussen programma&#8217;s, maar toch.</p>
<p>Ik ben een Komrij-fan. Een fan die geen idee heeft wat er op de Nederlandse tv te zien was in de jaren zeventig. (In 1976 was ik nog twee jaar ongeboren. Henk van Montfoort, Judith Bosch, Willy Dobbe, Fred Oster of Chiel Montagne: geen idee wie dat zijn.) In die hoedanigheid wil ik rustig stellen dat <em>Horen, Zien en Zwijgen</em> niet zo gracieus verouderd is. Dat komt omdat de grappen (over de non-valeurs op het scherm, over Komrij’s eigen uithoudingsvermogen bij de afstandsbediening) prevaleren boven de analyses met langere houdbaarheidsdatum.</p>
<p>Wat nog niet wil zeggen dat ik niet kon genieten van het diabologische register dat aan dit boek is toegevoegd (“<em>Zangeres Zonder Naam</em>. Zangeres. Mag geen naam hebben”). Ik teken ook nooit bewaar aan tegen een goed uitgewerkte grap. Zelfs niet als op de man wordt gespeeld. Want dat doet Komrij. Hij insinueert tegen de (televisie)sterren op.</p>
<blockquote><p>Zoals de meeste mensen enkel weten hoe een zebra eruitziet omdat er in alle alfabetten de letter z mee wordt geïllustreerd, zo weten ze nu ook alleen maar wat een quizmaster is omdat men met zo iemand constant de leegte van de tv illustreert.<br />
U had bij voorbeeld eens het quizspelletje <em>Cijfers en letters</em> moeten zien, onder leiding van mejuffrouw Maartje van Weegen.<br />
Dat spelletje lijkt nergens op, nee. Twee heren dienden uit acht letters een zo lang mogelijk woord te vormen. Aan het begin kwam er één tot het woord <em>poes</em>. ‘Poes! Dat lijkt me een goed woord!’ riep Maartje en vroeg het voor alle zekerheid nog even aan een deskundige, een heer J. P. van Oostrom, die daar zat als de gevierde ontdekker van drie drukfouten in <strong>Van Dale’s Woordenboek</strong>. De heer Oostrom knikte ten teken dat poes wel degelijk deel uitmaakte van onze taalschat.<br />
Maartje blij.<br />
Het is een fabuleus kleurloos spelletje.<br />
Maartje van Weegen is een fabuleus kleurloze juffrouw.<br />
Ze laat ongeveer net zoveel indruk na als een schelvis vingerafdrukken, of als een paling voetstappen.<br />
Zou een spelletjesleider op de tv nu nooit eens grappig, streng, vriendelijk, spits, mooi of lichtelijk getikt mogen zijn?<br />
Waarom zie je er altijd en eeuwig weer die grappig, streng, vriendelijk, spits, mooi noch lichtelijk getikt zijn?<br />
Maartje heeft, ik begrijp het best, lang en loffelijk haar best gedaan. Ze poetste steeds keurig de schoenen van de voorzitter en ook waren de mappen in de vergaderkamers van de KRO onveranderlijk op orde. De kantine straalde zelfs dat het een lust was. Je kon van alle studiovloeren eten. Ze had gewoon haar eigen programmaatje verdiend.</p></blockquote>
<p>Alleen bij een paar figuren die ook in ‘mijn’ jaren tachtig opdoken, kon ik me de tegenstander voor de geest halen waar Komrij strijd mee leverde. Mensen als André van Duin (“Bij Laurel is het <em>underacting</em>, bij hem altijd <em>overacting</em>. Een Nederlander kan niet anders”), Chriet Titulaer (“de planeet Mors”) en Jan Theys (“een vlaggestok waar ze een pak omheen hadden gehangen dat zó vol stijfsel zat dat het hele geval bij het minste regenbuitje op een ineengezakte pop van klei zou lijken”).</p>
<p>Nu hekelde Komrij zeker niet alleen de volkse amusmentsprogramma’s. Hij deed hetzelfde met wat op tv doorging voor ‘informatie’. Niet in het minst met wat doorging voor ‘een cultureel programma’. Vond hij ook allemaal niets. Daarom was het na één jaar welletjes geweest met tv turen. Om humanitaire redenen, bijna.</p>
<p>Wat hij dan wel goed vond passen bij dit medium, behalve het <em>Simplisties Verbond</em>, de parodie op het Nederlandse club- en verenigingsleven, daar heeft de lezer het raden naar.</p>
<p><em><strong>Stuff tot nadenken</strong></em><br />
Toen Komrij aan zijn column begon, konden de Nederlanders een dikke tien jaar kleurentelevisie kijken, gespreid over twee netten. Het medium an sich bestond er al een kwarteeuw. De eerste publieke televisie-uitzending in Nederland vond plaats in 1951. Na een experimentele periode moest worden gekozen of er zou worden uitgezonden vanuit één nationale omroep, danwel of de verzuilde omroepen die al uitzonden op de radio de kijktijd onderling zouden gaan verdelen.</p>
<p>Uiteindelijk werd via het Televisiebesluit van 1956 gekozen voor een verzuild systeem met verschillende omroepen. Tot het begin van de jaren negentig bleef in Nederland televisie met die verzuilde zendgemachtigden een uniek, open bestel met inmiddels drie televisiekanalen. Op 2 oktober 1989 was de eerste buitenlandse, op Nederland gerichte commerciële televisiezender een feit (RTL-Véronique, in 1990 gewijzigd in RTL4). Begin 1992 werd binnenlandse commerciële televisie mogelijk.</p>
<p>Met andere woorden: voor de intrede van de commerciële zenders zag het Nederlandse televisielandschap er veel diverser uit dan dat van Vlaanderen. Bij ons werden zwaar gekleurde programma’s verbannen naar de Uitzendingen voor Derden, in Nederland kon elke beweging zijn ideologische kwakje kwijt in prime time.</p>
<p>Dus kon de Evangelische Omroep rustig een kwezelachtig voorlichtingsprogramma over drugs maken als <em>Stuff tot nadenken</em>. Dus liep je kans in de VARA-quiz <em>Twee voor twaalf</em> de woorden ‘proletariaat’ en ‘klassenstrijd’ te moeten raden. In de maand maart alleen al turft Komrij “tweeënveertig godsdienstige programma’s”. De Nederlandse televisiekijker raakt verstrikt in zijn twee netten.</p>
<blockquote><p>Televisiekijken is ook een soort bermtoerisme. Je zit op je hoogpolig, grasgroen tapijt en kijkt, met je buik vooruit en glazig, hoe uur na uur alles aan je voorbijtrekt, grote auto’s, kleine auto’s, rooie auto’s, gele auto’s, maar altijd – auto’s. Steeds wisselend, maar immer hetzelfde, raast het aan je voorbij.<br />
De Eend van de VPRO, de vijfdeurs Fiat van de KRO, de Ford Bestelwagen van de VARA, de Volkswagen van de NCRV, de Mercedes van de TROS, de vooroorlogse Pontiac van de AVRO en de Goggomobil van de EO.<br />
Het oudroest van de toekomst. Een onafzienbare stoet. Wat erin zit interesseert je niet. Het gaat er alleen om wat je ziet.</p></blockquote>
<p>Dat die versnippering, en de versnippering van middelen, de kwaliteit niet ten goede komt, is één van de spijkers waar Komrij zonder ophouden op hamert. <em>Open boek</em>, een programma over christelijke boeken van <strong>Wim Hazeu</strong>, bewijst voor hem de noodzaak van een nationale omroep. Hij vraagt: is er iets als een liberale voetbalwedstrijd of een hervormd songfestival? Neen. Wel, “zo gaan ook de literatuur, het borduurwerk en de filatelie alle godsdienstige en ideologische grenzen te buiten”.</p>
<p>Dat het bestaan van verschillende omroeporganisaties in het belang van de kijker/luisteraar is, zoals de doctrine luidt, wijst Komrij van de hand. Ze had moeten luiden: “Het bestaan van verschillende omroeporganisaties is in het belang van de bestuursleden, vergadermachines en leidende hoofden die er hun boterham verdienen.” De situatie leidt ertoe dat alle zenders in hoofdzaak hun eigen nichepubliek bedienen, terwijl ze naar de buitenwereld volhouden ‘het publiek’ te dienen. Komrij:</p>
<blockquote><p>Ik weet niet wat dat wel mag zijn: het publiek. Evenmin als ik ooit de finesses heb begrepen van het eeuwig-vrouwelijke door de eeuwen heen, of het mensbeeld in de tijd van <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Widukind">Wittekind</a>.</p></blockquote>
<p>Ook de bladen die in het kielzorg  van de omroepen worden verspreid, gebruikt men niet om mensen aan het woord te laten met een mening, of met aanvullingen en/of verbeteringen die hartelijk welkom zijn. Ze worden gebruikt als de spreekbuis van de “Gooise Slingerapen”. De vox populi is in werkelijkheid “een buiksprekertruuk”.</p>
<blockquote><p>Als ik een rondleiding over een mestvaalt wil, dan zou ik niet een stinkdier als gids nemen. Ik zou ook geen walmende brand blussen met een flinke petroleumstraal.<br />
Daarom heb ik maar niet gekeken naar het programma van de Evangelische Omroep over het communisme. Dief en diefjesmaat, twee luizen op één kam: daar kunnen geen mooie kinderen van komen.<br />
Er zijn trouwens maar weinig mooie kinderen in Hilversum. De omroepen worden voor het overgrote deel bestuurd en geleid door mensen die nog niet eens geschikt zijn om Belgische tapijten langs de deur te verkopen.<br />
Kijkers vinden ze niet belangrijk, programma’s vinden ze niet belangrijk, ja, enige belangstelling daarvoor schijnt een verderfelijke werking te hebben, maar wat bij hen alles op stelten zet, wat ze van kleur doet verschieten en ze doorzindert met angst is: één boze kijker. Alle omroepprincipalen zien liever honderd slechte programma’s dan één boze kijker. Tot half drie ’s nachts zitten ze bij de telefoon, uit vrees dat de heer Blindeman uit Kijk-in-‘t-Gat alsnog zal bellen. Hun geheime, tot dusver door analytici en sociologen ten onrechte veronachtzaamde, maar uiterst efficiënte wapen is de ingezonden brieven-rubriek in hun omroepblad.</p></blockquote>
<p>Komrij – in hoofdzaak dichter toen, nog niet het opiniërende instituut dat hij later zou worden – werd bedolven onder de reacties van boze brievenschrijvers. Conservatieve NRC-lezers kropen in de pen om hun beklag te doen over zoveel bijtende spot. Progressieve krachten konden er niet tegen dat Komrij “de russificatie van de media” belachelijk maakte.</p>
<blockquote><p>De heer Wim Klinkenberg, de stalinist, vice-voorzetter van de Nederlandse Vereniging van Journalisten, bekend café- en sociëteitsbezoeker alsmede geliefd tafelgenoot van rijke weduwen (waarna hij in de kleine uurtjes aan zijn indringende analyses op marxistisch-leninistische grondslag van de drinkgewoonten van prins Bernhard werkt) zei in een interview in Hollands Diep: ‘Zo iemand als Gerrit Komrij vind ik een journalistiek misdrijf. Dat dit soort zelfbevuiling mogelijk is, is onvoorstelbaar.’<br />
O, het marxistisch-leninisme weet overal een antwoord op, op de appelteelt, op de suikerbakkerij, op het circus, op het verschonen van luiers en op de literatuur, hoewel je het laatste, gezien Klinkenbergs krompraterij, niet zou zeggen.<br />
Want hoe kan ‘iemand’ het misdrijf zelf zijn?<br />
Gelukkig belooft Klinkenberg ook, in hetzelfde interview, dat er ‘interessante correcties’ zullen komen zodra zijn ‘andere samenleving’ er is.<br />
Ik op mijn beurt beloof u plechtig, meneer Klinkenberg, dat ik u, wanneer de door u gewenste revolutie uitbreekt, terstond telegrafisch op de hoogte zal stellen van mijn verblijfplaats, zodat u me, met twee gehelmde en gelaarsde KGB-ers aan uw zijde, nog in mijn voorportaaltje kunt neerknallen.<br />
Mijn naakte borst zal ik u en uw gehelmde heren tonen, en er zal meer bloed en leven uit vloeien dan u in uw zeemleerachtig brein ooit voor mogelijk had gehouden.</p></blockquote>
<p><em><strong>Kamillethee</strong></em><br />
Maar goed, over de eeuwige mésalliance tussen woord en beeld die televisie heet, heeft Komrij me wel degelijk dingen geleerd. Of opnieuw ingeprent. Het is zo’n indringend en opdringerig medium. De knop kan je uitzetten, de mond van de mensen die lullen over de mediahype van het moment of wier wereldbeeld in hoofdzaak bestaat uit tv-clichés, niet. Dat is de reden die Komrij aandraagt voor zijn onverbloemde agressie.</p>
<blockquote><p>Waar het me om ging, allereerst, was het schrijven over televisie. Er zijn schrijvers die soelaas vinden in het noteren van hun ziel, in het verbijzonderen van hun diepste gevoelens, in het weergeven van de vreugden van de meimaand, in het verbrokkelen van de taal of in de analyse van de wonderen die het schrijverschap zelf in zich bergt – de aanleiding is bijzaak: hier vormde de tv een concreet gegeven om door te formuleren een bijdrage te leveren tot het inzicht in de macht die de één uitoefent over de ander, het enige inzicht dat de moeite waard is.</p></blockquote>
<p>Die macht wordt op een subtiele manier uitgeoefend. Doorheen <em>Horen, Zien en Zwijgen</em> formuleert Komrij, in mijn ogen, vier fundamentele kritieken. Televisie graviteert steevast richting de consensus. Van onvoorspelbaarheid is nauwelijks sprake; alles is sufgestileerd. Onder het mom van maatschappelijke relevantie verdoezelt het medium hoe zij inspeelt op onze lage instincten. Bovenal is televisie vergeven van de inteelt.</p>
<p>1. Televisie graviteert zwaar richting de consensus.</p>
<blockquote><p>Tv-kritiek is aanstellerij, en dus schrijf ik het machtig graag.<br />
Ik zeg maar kritiek, omdat alle letterkunde in Nederland die niet over de Ziel gaat nu eenmaal zo heet.<br />
Als ik worstel, strijd, pootaan speel en weer boven kom, heet dat kritiek?<br />
Meestal kom je niet eens boven.<br />
Als de slager je ’n ons bedorven cervelaatworst verkoopt en je brengt het terug, en je zegt: kijk, je cervelaat is bedorven, heet dat kritiek?<br />
Als de bakker je ’n kadetje verkoopt en je merkt, thuisgekomen, dat het ’n keihard kadetje is, en je gaat terug en je zegt hem dat ’t een gepaneerde kleiduif is en dat hij die mag houden, is dat kritiek?<br />
Als de TROS een ‘totaalprogramma’ brengt, dat <em>Informatie op woensdag</em> heet, en ik zeg dat het programma geen informatie geeft, maar een schijndiscussie over zaken waar ze het zelfs in de nieuwbouwwijken van Klazienaveen al over eens, heet dat kritiek?<br />
De onderwerpen die de TROS het afgelopen seizoen in dit programma behandelde waren echtscheiding, werkeloosheid, stress, het menselijk gezicht (plastische chirurgie) en nu, als laatste, de kinderbescherming.<br />
Onderwerpen die uitgezocht werden om niemand te storen en iedereen te behagen.<br />
Het ging bij voorbeeld niet over pedofielie, antisemitisme, impotentie, militarisme. Dat deed de TROS vroeger nooit, dat doet ze nu niet.<br />
Nee, kinderbescherming. Maar wie, die ooit met kinderbescherming of voogdijraad te maken heeft gehad of erover hoorde, weet niet al jaren en jaren dat het mechanische en bureaucratische organisaties zijn? Asielen van gelegaliseerd sadisme?<br />
Het gaat er dus om dat zij die er mee te maken hadden dat oordeel herkennen. Zoiets heet niet ‘informatie’.<br />
En wie er nooit mee te maken had, kan zich bij het zien van het programma verheugen in de deugd van zijn kinderen en… van zichzelf. Zoiets heet dat je ook de rest van de kijkers hebt.<br />
Wie gescheiden is herkent zijn problemen in een programma over echtscheiding; wie niet gescheiden is prijst zich deugdzaam en braaf, en herkent zich ook.<br />
Ooit heeft er eens iemand (maar wie?) verzonnen dat het de mens welgevallig is, als hij zichzelf kan herkennen.<br />
Veel is er sinds de apen niet veranderd.<br />
Mezelf herken ik in die programma’s over echtscheiding, werkeloosheid en stress nooit, ik ben niet gescheiden, altijd bezig en evenwichtig als jewelste.<br />
Ook de programma’s over kinderbescherming en plastische chirurgie zeggen me niets, want ik heb geen kinderen en geen gezicht. Ben ik wel gezond?<br />
Zou ’t van de wormen komen?</p></blockquote>
<p>2. Televisie is sufgestileerd.</p>
<blockquote><p>Het onvoorspelbare raakt op radio en tv steeds verder uit de mode. De demon van de onvoorspelbaarheid schijnt er met hart en ziel te moeten worden uitgeroeid.<br />
Hoe komt dit zo?<br />
Dit komt zo: de omroepen worden bestuurd door principalen en zetbazen, die in hun dubbele boekhouding niet gestoord willen worden door wilde creativiteit of ongezond verschietende perspectieven.<br />
Hun bijbel is het draaiboek.<br />
Hun natuurlijke handlangers zijn de kantoorbedienden en de grafische ontwerpers.<br />
Wat zijn grafische ontwerpers? Het zijn de huurlingen die alles gladstileren, opstileren en wegstileren. Hun handvaardigheid brengt de aantrekkelijkst ogende en ongevaarlijkste programma’s voort. Met hun geanimeerde tekenstift krijgt zelfs een volkomen zielloze en lege huls als <em>Toppop</em> het aspect van een tijdbom. De kunststileerders leveren regelbare kijknectar.<br />
Al is het kijkdrek, de magistraten zijn tevreden. Hun prachtig ontworpen schema’s komen niet in de war. Ook op hun kantoren is iedereen tevreden.<br />
Dat je verrast wordt raakt werkelijk ’n heel eind uit de mode. Nog onlangs verdween het programma <em>Radio-Televisie</em>, dat vooral de laatste keer, het programma Haagsche kringen becommentariërend, een uitermate komische aflevering beleefde.<br />
Maar het programa <em>Radio-Televisie</em> kon niets opstileren, geen kunstjes vertonen in de Zanussi-stijl van onze designers, de vlotte kunstenaars van nu, onze beter betaalde bohémiens.<br />
Wat is de Zanussi-stijl? Het zijn de zuchtende regenbogen die u wel kent, de astmatische zonsopgangen, de bronchitische calligrafie, de amechtige welvaartssymbolen in pijnlijke kleuren (het paarse autootje, het groene slagroomgebakje); alles wat kan dienen om het gezichtloze een gezicht te geven. U kent het niet alleen uit de reclame, maar langzamerhand ook zowat van alle omroepen.<br />
Ook de VPRO lijkt wel gebeten van het designerhondje. Ook <em>Monty Python</em> lijdt aan de overgestileerde wegstilering, tussen de schetsjes door.<br />
Daarom: een vingerwijzing, een baken, een teken om de tv te redden! En dat is: meer programma’s met twee linkerhanden, meer stotterende presentatoren en pantoufles, meer Den Haag vandaag in zwart-wit, met al onze parlementariërs tot diep in de nacht.<br />
Maar eerst gooien we alle copywriters, reclameontwerpers en grafische kunststileerders, de paladijnen van de heilstaat, eruit.</p></blockquote>
<p>3. Televisie verdoezelt hoe zij inspeelt op onze lage instincten.</p>
<blockquote><p>Slachtoffers zijn niet interessant. Wat de mensen aanspreekt is misdaad. Een moordenaar is oneindig veel dramatischer, en dus geschikter voor de tv dan ‘een nette keurige jongen’ die ‘helemaal geen avonturier is’, en slechts wandelt of winkelt.<br />
O jawel, die moordseries bekijken we altijd vanuit het standpunt van agenten of detectives (Cannon, Columbo, Pepper en Baretta), van het zogeheten ‘goeie’ standpunt. Schijnheiligheid, maar ditmaal van het zuiverste water. Om de sensatie van de ‘slechte’ kant, daar gaat het om. En bij een serie als <em>Pepper</em>, op mijn woord van eer, ik zou niet eens weten wat ze daar met de goeie of de slechte kant bedoelen, die agenten hebben me galgetronies! Ze lopen alleen maar op vrije voeten, omdat ze agenten zijn.<br />
Moordenaars zijn altijd het menselijkst.<br />
Daarom is <em>Opsporing verzocht</em> een slechte televisieserie, omdat de moordenaar zo geheel en al uit het zicht verdwenen is.<br />
Naar de moordenaar wordt namelijk juist gezocht.<br />
Hij is onbekend.<br />
En tegen alles wat onbekend is balt de volkswoede zich steeds gretig samen, eergisteren, vandaag en, owee, overmorgen.</p>
<p>[…]</p>
<p>Om oneigenlijke redenen is<em> Koning klant</em> een van onze meest populaire series. Hoe nobel en doordacht hier het streven van de makers ook mag zijn, wij kijken er massaal naar omdat niets aardiger is om naar te kijken dan mensen die erin zijn getuind, wij kijken ernaar omdat de buurman juist gisteren die peperdure koelkast heeft gekocht waar helemaal geen steek van deugt, en het prachtigste, werkelijk het allerprachtigste, de hel van de gelukzaligheid, is wel de ‘Miskoop van de maand’!<br />
Leedvermaak en angst.<br />
Op leedvermaak en angst baseert zich ook <em>Tros-Aktua</em>, wanneer ze het bij herhaling heeft over gasleidingen die onder ons aller huizen kunnen ontploffen, ieder moment. Alleen daar doen ze ’t erom. De TROS is ineens merkwaardig bewustzijnsverruimend als het om rampen gaat… die je je buurman toewenst.</p></blockquote>
<p>4. Televisie is inteelt.</p>
<blockquote><p>We zitten met nieuwe media, maar met oude structuren. Niets grijpt nog in elkaar. De menselijke geest past als een drukknoop op een vulkaankrater van mogelijkheden. De wereld is een verlaten spoorwegemplacement, waarop ooit een paar laatste halvegaren de rails door elkaar hebben gegooid en opgebroken. De mens heeft….<br />
Genoeg! Toch passen al die gemeenplaatsen hier. Vroeger had je nog vragen zonder antwoorden (het gebed, de effectenbeurs), nu krijg je antwoorden zonder vragen.<br />
Er zijn uiterst geraffineerde zakrekenmachines voor mensen die enkel boodschappen optellen. Er bestaan tot stomme verbazing stemmende geluidsinstallaties voor liederen die alle vier platen van John Woodhouse hebben. Er zijn weelderig zachte leefmeubelen, ja, ivoorkleurige en amberen zit-eilanden voor figuren met een houten kont, sorry dat ik het zeg. Er is televisie.<br />
De televisie kan van alles. De televisie is iemand die bang is voor niemand. Maar de televisie doet niet meer dan wat van haar gevraagd wordt.<br />
De televisie is een vraag waarop geen antwoord wordt gegeven. Of liever: de televisie is nieuw, maar het antwoord is oud.<br />
Met dat oude antwoord bedoel ik niet het versleten, bijna infantiele zuilenstelsel, waarvan ze in Hilversum stelselmatig geloven dat het alom ter wereld met naijver wordt bekeken, maar dat in werkelijkheid enkel een niet te stelpen lachlust opwekt bij iedereen die je ervan op de hoogte stelt.<br />
Het oude antwoord is veel ouder. Het komt uit de negentiende eeuw. Het is het antwoord van de banken, koffiebranders en jeneverstokerijen. Van de carrière en trouw aan het bedrijf. Kortom, van personeelszaken. Na tien jaar trouwe dienst een dikke sigaar. Na twintig jaar trouwe dienst een zilveren tandenstoker. Trouw, loyaliteit en ijver dienen beloond. Verder wordt nergens naar gevraagd.<br />
Op deze structuur berust de televisie. Om die reden is de tv net als de banken gericht op continuïteit, net als de koffiebrander op het vertrouwde merk, en net als de jeneverstokerij op verslaving.<br />
Maar de tv zou steeds iets anders kunnen doen. Zich opsplitsen; wisselen; knetteren. Een instrument van creativiteit zijn. Nu bereikt ze de stoffige hoogten van uitgebluste free-lancers die op een vast baantje azen als op hun laatste kans (Herman Stok) en van de principalen die hun baan willen behouden, maar achter hun bureau neits anders weten te doen dan kraaiepoten en ezelsoren kweken.</p></blockquote>
<p>Dat deze vier principes in meer of mindere mate toepasbaar zijn op andere media, vond ik er even niet toe doen toen ik het boek las. Belangrijker is dat wie het feestje komt verstoren en kritiek formuleert op de principes de wind van voren krijgt. Televisiebonzen gaan dan met de kijkcijfers schermen en noemen kritiek op het aanbod ‘elitair’.</p>
<blockquote><p>De frequentie waarmee omroepmensen zulke termen gebruiken is net zo brutaal als die van krantenbezorgers op nieuwjaarsdag. Want in omroepverband betekenen die woordfrequenties niets; het zijn sjablonen die door iedereen tegen iedereen kunnen worden gebruikt. Kijkcijfers en ivoren horen thuis in het rijtje vadems, schepsels en okshoofden, je kan er vast mee meten, maar niemand wee hoe precies.</p></blockquote>
<p>Of de criticus wordt gewoon doodgezwegen. <em>Horen, Zien en Zwijgen</em> bevat een mooie passage over hoe Komrij, buitenstaander en dus geen ‘echte’ tv-criticus, niet wordt uitgenodigd op de essentiële gala-avonden waarop het medium zichzelf fêteert.</p>
<p>Tot slot neem ik nog mee van Komrij dat een tv-programma pas echt gevaarlijk (ongemakkelijk) kan zijn wanneer het <em>gewoon toont</em>. Wanneer het onvertrouwd materiaal aandraagt zonder het meteen al te duiden of te interpreteren, als een priester in een kerk.</p>
<p>Eind jaren tachtig heeft men op de toenmalige BRT zoiets <a href="http://www.dewitteraaf.be/DWRartikels/WR127BartMeuleman.htm">geprobeerd</a> met <em>Container</em> – zonder dat ik dat nu een geslaagd programma wil noemen. Ondertussen hebben we <em>Café Corsari</em>. De Zin uit dit boek is voor mij:</p>
<blockquote><p>Op mijn tv pruttelt kamillethee.</p></blockquote>
<p>&gt; lees een fragment uit dit boek op <a href="http://prinsvandenemarken.blogspot.be/2012/02/een-dag-zonder-vonk-jump-of-impetus.html">Prins van Denemarken</a></p>
<p><strong>Gerrit Komrij, <em>Horen, Zien en Zwijgen</em></strong><br />
<em><strong> Vreugdetranen over de treurbuis</strong></em><br />
<strong> 214 p.</strong><br />
<strong> Uitgeverij De Arbeiderspers, 1977</strong></p>
<p>&nbsp;</p>
<p>Nog een kleine bloemlezing:</p>
<p><em><strong>Cabaretprogramma&#8217;s</strong></em><br />
En dan die cabaretiers! Ik heb de dolste dingen geprobeerd om in de lach te schieten, ik borstelde me op zeker moment zelfs met alle vaatkwasten die ik in huis kon vinden in mijn okselholten, en dacht daarbij aan drie dikke vrouwen. Maar het enige wat ik er van kreeg was: maagzuur in mijn hersens.</p>
<p><em><strong>Nederlandse films</strong></em><br />
In Nederlandse films treden vooral mensen op die eerst door de tv populair zijn geworden. Het filmbedrijf brengt ze dan samen in een rolprent en zet er een kassa bij. Daarna vestigt de tv weer de aandacht op zo’n film, en haar eigen publiek gaat een kwartier in de rij staan, wacht twintig minuten op een pauze, eet daarin vijfentwintig minuten chocoladerepen en ijs, en kijkt vervolgens naar zijn idolen. De huiskamer zijn leeg. Zo wordt het medium tot tweemaal toe misbruikt. (‘Dubbel genaaid,’ zou m’n wat minder kiese burgerman zeggen.)</p>
<p><em><strong>Showprogramma&#8217;s</strong></em><br />
<em>Een van de acht</em>. Hoeveel van die shows heb ik niet gezien? Je vergeet ze onmiddellijk als iets afzonderlijks, ze vallen in je herinnering samen tot één spookachtig voorspelbaar geheel, dat weer tot de volgende Bouwman-bouillon is te exhaleren: enig, fantastisch, prima, oh wat mooi, allersnoezigst, lieve kandidaten, ik vond het uitstekend, heerlijk, lekker, enig, ontzettend, licht uit spot aan, hup-schiet-op, leuk, enig, genoten, Tony Nolten.</p>
<p><em><strong>Cultuurprogramma&#8217;s</strong></em><br />
Is kunst op de televisie mooi?<br />
Dit bij het verdwijnen van het TROS-kunstprogramma <em>Het heilig vuur.</em><br />
Ik mag deze vraag gerust stellen, want ik weet wat mooi is. De studie van mooi is mijn specialiteit.<br />
Zo vind ik vogelengezang heel mooi. Bijzonder mooi is een grote lap lever in een broodjeswinkel. Je waant je daarbij in ’n corsettenzaak. Een prachtig vind ik het, bij uitstek prachtig, zoals een neger peanuttbutter uitspreekt.<br />
Ik doe maar een klein greep; vooral om laatstgenoemde schoonheidservaring huiverend te ondergaan doet u er goed aan eens neger te vangen.<br />
Maar kunst op de televisie, is dat mooi!<br />
‘De tv besteedt slechts 3,2 procent van de tijd aan cultuur,’ zo meldde onlangs de NOS-dienst voor kijk- en luisteronderzoek. De NOS-dienst voor kijk- en luisteronderzoek verdient daarmee een geen geringe stap voor haar luie dienstachterste.<br />
Want was dat voor onderzoek?<br />
Zo’n onderzoek zou in ambtenarentaal ‘zeer onbevredigend’ heten, maar ik noem het maar liever, zonder franje en tierelantijnen, naatje.<br />
In de eerste plaats was het onderzoek niet gericht op ‘cultuur’ maar op Echte Kunst.<br />
In de tweede plaats was het niet op Echte Kunst gericht, maar op een registratie van enkele zusterkunsten van de tv – orkestmuziek, orgelconcoursen, koorzang, vendelzwaaiwedstrijden en de Edele Heilgymnastiek die Ballet heet. Kunsten waar niemand zich een buil aan valt;<br />
Zo geschiedde het dat volgens het NOS-kijkonderzoek de NCRV de meeste aandacht aan cultuur had besteed. Ook gewijde muziek en psalmgezang waren meegerekend.<br />
Deze kunsten horen op de planken.<br />
De tv kan daar, moet daar aandacht aan besteden, ze is tenslotte een polyvalente en multiforme poliep, zoals ze ook aandacht besteedt aan het weerbericht, Golda Meir en de aardappelprijs.<br />
Maar er is ook tv-kunst. <em>Het Simplisties Verbond</em>, <em>Monty Python</em>, <em>Machiavelli</em> registreren geen cultuur, ze zijn het. Ik noem met opzet VPRO-programma’s, omdat de dienst concludeerde ‘dat de VPRO helemaal geen kunst’ bracht. De dienst haalt haar begrippen van cultuur uit Koenens zakwoordenboekje, editie 1917.<br />
Het heilig vuur bestond ditmaal uit drie binnenbrandjes. Interviews met de schilder Rob van Koningsbruggen, de operadirigent Hans Vonk en de <em>minorissime</em> poet <strong>Hans Verhagen</strong>, die de onthutsende uitspraak deed: ‘Waar komt het universum vandaan? Waar komt de zon vandaan? Waar komt de maan ineens vandaan? Het is allemaal net zo’n wonder als jou en mij. Het ontstaat allemaal hè?’</p>
<p><em><strong>Sportprogramma&#8217;s</strong></em><br />
Sport, of wat daar onder verstaan wordt, is het enige waarvoor op de jammerkast alles moet wijken. Nagenoeg niets kan of mag, maar als er om vier uur ’s nachts in Chattanooga, Tennessee, een bokswedstrijd is, dan zien we het. Als iemand die toevallig dit jaar wereldkampioen figuurschaatsen is geworden bovendien een Nederlander blijkt, dan schuiven alle programma’s een kwartier op. En niemand die klaagt.</p>
<p><em><strong>Informatieve programma’s</strong></em><br />
In de maand maart waren er dat tweeënzeventig. Het lijkt heel wat. Maar, net als bij alle statistieken, bedot ik de boel. Ik telde er namelijk ook alle afleveringen van de actualiteitenrubrieken bij, en alle programma’s die ons bikkelhard hebben voorgelicht over de plastische chirurgie, over psychodramatische praatgroepen, de pseudoarbeidsplaatsenregeling en annuleringskostenverzekering, de Veluwe en de boomkopfluiter, de hartpatiënten en het hartverscheurende leed van al die arme gehandicapten die het nog moeten stellen zonder vliegend vaatwerk, elektrische kussensloopverschoners en zelfdenkende deurkrukken. Dat soort problemen.</p>
<p><em><strong>Spelprogramma&#8217;s</strong></em><br />
Ik verlang inbrünstig naar de dag dat zo’n spel nog eens gespeeld zal worden met een pederast, een castraat, een masochist, een vampier, een ongehuwde moeder, een spijkerfetisjist, een hoer en een necrofiel.</p>
<p><em><strong>Reclame</strong></em><br />
Het belangrijkste aspect van de STER-reclame is de antropomorfisering.<br />
De produkten worden vermenselijkt. Er worden allerlei humane eigenschappen als warmte, individualiteit en liefde toegeschreven aan ordinaire, dooie koopwaar.<br />
Daarentegen wordt de mens als een ding beschouwd, de consument wordt verdingelijkt, zou je bijna willen zeggen als het niet zo stuitend Heideggeriaans klonk.<br />
Dit laatste was altijd al het geval in de reclame. De indruk dringt zich echter op dat de hierbij als yin bij yang passende truc, de antropomorfisering van het produkt, zich vooral in de tv-reclame heeft ontwikkeld.<br />
Twee wetten veroorzaakten dit.<br />
Ten eerste: een beeld vereist actie.<br />
Ten tweede: wie de meeste actie onderneemt is de hoofdpersoon.<br />
De consument kan nooit de hoofdpersoon zijn. Hij is immers altijd het lijdend voorwerp van de reclame.<br />
Daarom moet het produkt actief zijn, en trekt het de jas van zijn slachtoffer aan.<br />
Daarom spreken, zoenen, lachen, genezen en bedisselen bij de STER winkelartikelen.<br />
Bloemen houden van mensen.<br />
Wie je ook bent en wat je ook doet, er is altijd een Caddy die je verwent.<br />
Er zijn pretletters die praten, hapjes die zich laten versieren, stukken zeep met de huid van de jeugd. Chocolaatjes vormen goed gezelschap en jenevers zijn zo voorkomend dat ze het mensbeeld onbeschadigd laten.<br />
De rotzooi ademt. Artikelen nemen het initiatief. Dingen verslinden de mensen. De consument eet niet langer de massale koopwaar, nee, de massale koopwaar wordt geïndividualiseerd en vreet vervolgens de consument op.<br />
Honderdduizenden diepvriesijsjes en mokkataarten van bedenkelijk allooi, alsmede miljoenen kleffe rumbonen hebben zich opgelost en presenteerden zich plotseling als meneer Jamin.<br />
Meneer Jamin.<br />
Niet alleen de krant is een meneer, maar ook de veterdrop is een meneer. De babbelaar en de ulevel zijn meneren.<br />
Miljoenen machinale babbelaren en ulevellen vormen één meneer.<br />
Nauw verwant met deze antropomorfiseren is de vitalisering van het produkt. Het produkt zit vol, niet alleen met wat erin zit, en niet alleen mat wat er verder nog in zit, en met wat er daarna nog in zou kunnen zitten, maar ook met wat er niet zit.<br />
Zo is het met de produkten van K-Tel en dergelijke tv-verkoopcentrales gesteld. Met kinderspeelgoed. Daarover morgen meer.</p>
<p><em><strong>Hoe Komrij wordt weggezet</strong></em><br />
Deze week heeft een willekeurige groep tv-critici haar Nipkow-schijf toegekend aan de kunststileerder van de VPRO, Jaap Drupsteen.<br />
Ik zeg met opzet ‘willekeurige groep’, want ondergetekende, uw dienaar zelve, was zelfs niet uitgenodigd om over dezer prijs van gedachten te wisselen. En daardoor is hij natuurlijk wel wat minder waard. Nu u dit weet.<br />
Een ongeregelde groep, had ik dus moet zeggen.<br />
Natuurlijk, ik ben erg blij dat ik niet werd uitgenodigd; dat betekent alleen maar dat de willekeurige tv-critici hun plaats kennen.<br />
En vergeet niet: ik ben niet beroeps! Ik kan verder nog wat, dus ben geen echte! Tv-criticus ben je met uitsluiting van elke andere bezigheid, je bent het Geheel of je Bent het Niet. In het huis van de echte criticus loopt iedereen op zijn tenen, en ’s morgens fluistert de middelbare echtgenote op pantoffels tegen de kinderen, indien die ietwat te veel lawaai produceren, wijzend op de kamerdeur van vader: ‘Sssttt! Pa volgt de vrije meningsuiting! Hij geeft de media billekoek!’ In zo’n heilige tempel heerst de ware spirit.<br />
Tv-kritiek is een echt vak en zal, met een gelijkblijvend tempo van verloedering, weldra ook vast en zeker aan de universiteit worden onderwezen.<br />
Dan is het een <em>echt</em> echt vak geworden. Dit besef geeft de Nederlandse tv-critici het warme gevoel pioniers te zijn, en het is begrijpelijk dat je, breiend aan de oorwarmers van je eigendunken, wel eens een steekje laat vallen.<br />
Zoals de toekenning van deze prijs.<br />
Ik wil over het werk van Jaap Drupsteen nú geen enkele mening ventileren, ik ben zo niet opgevoed, men laat geen wind wanneer het feestje net gezellig is. Drupsteen is ongetwijfeld een integere jongen, sympathiek, niet lui en noem maar op.<br />
Het gaat er mij om dat ons ongeregeld troepje dit jaar eieren voor zijn geld heeft gekozen en zijn prijs heeft toegekend aan het meest risicoloze, onomstreden, allemansvriendjesachtige, om niet te zeggen hoerige aspect van het televisiemaken: de styling, het imago.<br />
De prijs is niet alleen maar Jaap Drupsteen gegaan die hem, best mogelijk weer, voor honderd procent heeft verdiend, maar naar de hele verdrupstening van de televisie, zoals we die uit de STER kennen, uit <em>Toppop</em>, uit de krampachtige pogingen ook die de TROS in het werk stelt om haar stijve embleempje elke week opnieuw ’n soepeler ogend, gladder aanzien te geven.<br />
Hoe minder je hebt te bieden, hoe mooier je de verpakking maakt.<br />
En al bekroon je ook een beter soort drupsteen uit hele formaties drupgesteenten, het blijft de verdrupstening bekronen: de inhoudloosheid.</p>
<p><em><strong>Maatregelen</strong></em><br />
Veranderingen waren ons oogmerk niet. Je kunt dan even goed proberen een Moor te wassen. Toch zijn ons niet jaar de wenselijkheid van een paar kleine, voor volwassen mensen eigenlijk uiterst minieme veranderingen duidelijk geworden. Wijzigingen waar je je hand niet voor om zou draaien.<br />
Het onnozele zuilenstelsel dient te verwijten en plaats te maken voor een nationale omroep. Er behoort een afzonderlijke culturele zender te komen, dus zonder ballet, mime of de Turkse mars van Beethoven. De massieve bureaucratische omroepbesturen en alles wat daaromheen aan principalenbaantjes gecreëerd werd, dienen drastisch te worden uitgedund. Want óf er zijn kant-en-klare programma’s uit het buitenland en zoiets kan geregeld worden door een gastarbeider op een huurkamer aan de Overtoom die drie knoppen weet te bedienen, óf we hebben programma’s van eigen makelij en dan behoort de macht en de zeggenschap te liggen bij de makers van die programma’s. De verzorgers van de geestelijke produkten van de tv (voor zover aanwezig) zijn nu niet meer dan assepoesters. Ze worden door hun zetbazen geminacht. Dit is een onheilsteken.</p>
<p><em><strong>Het Simplisties Verbond</strong></em><br />
In een of ander tijdschrift schreef de heer <strong>Jef Rademakers</strong>, die inmiddels via de aalgladde glijbaan van de tv-kritiek is afgedaald naar de afgrond van de programmamakerij, en die vaak ook de allercharmantste geneigdheid bezit om niet te schrijven over wat hij ziet maar wel over wat hij denkt dat hij eigenlijk gezien had willen hebben, hij schreef dus: dat er in Nederland weinig over tv wordt nagedacht, dat de tijd die de radio aan informatie over tv besteedt te verwaarlozen is, en dat de Nederlandse tv het met de aandacht voor zichzelf al helemaal bont maakt.<br />
Dat mag waar zijn. De heer Rademakers is intelligent genoeg om te weten hoe zulks komt. Zulks komt uit angst. Zulks komt uit de angst voor het verliezen van poen. Zulks komt uit angst bij voorbeeld voor de TROS, de omroep der gezonde consumptiedriften. In een van Rademakers’ eigen programma’s zal de Brabantse heer Philips er binnenkort van getuigen dat hij lid is van de AVRO én de TROS, beide tegelijk.<br />
Het kan niet op.<br />
De gloeilampheer is echter, al is het maar uit instinct, verstandig; de kwantiteit van de toestellenverkoop is omgekeerd evenredig aan de kwaliteit van de programma’s.<br />
Maar dat zij zoals het zij. Want wat ik zeggen wilde: het is, mmm, nogal oncharmant van de heer Rademakers dat hij bij de programma’s over de tv het<em> Simplisties Verbond</em> vergeet te vermelden.<br />
De heren <strong>Van Kooten</strong> en<strong> De Bie</strong> maken er namelijk al sinds jaar en dag gewoonte van om geregeld tv-programma’s te becommentariëren en te persifleren, en om ze aldus exacter en doeltreffender te analyseren dan de almaar doorbabbelende communicatiedeskundigen en media-opvoeders, die aan het brein van de heer Jef Rademakers blijkbaar net zo gul ontspruiten als kinderen aan het Oranjehuis.<br />
De heren Van Kooten en De Bie zijn bijkans de enigen die dit doen. En hun terugkeer gisteren met een programma, waarin ze binnen een half uur al de tv-herdenkingsprogramma’s (vijfentwintig jaar en nog steeds niet volwassenen!) die er waren en ongetwijfeld nog zullen komen, wisten samen te vatten, was van een uitzonderlijke klasse. Ze legden in een mum van tijd de fossielen trekken bloot van een medium dat zich al in zijn infantiele stadiuim liet inpakken door het geestelijke proletariaat dat geen enkele inkomensgrens kent. In een mum van tijd.<br />
Het ware beter geweest indien het Verbond ook de zendtijd had mogen vullen van de heer Hans Ferrée met zijn ‘trends’. Hij hoort bij de TROS thuis. Hij is een reclamefilosoof, iemand die ooit een quasi sluitend stelsel wist samen te flansen waarmee hij tegelijkertijd als maatschappijcriticus kon springen en als consumptiehoer kon dansen.</p>
<p><em><strong>Coda</strong></em><br />
O ja, we kunnen hem nog best serieus van jetje geven.<br />
Ik had ook nog een programma voor u uit de duim willen zuigen.<br />
Ik had nog een geheel allitererend verhaal willen verstellen.<br />
Ik had nog eens een neteldoek over de rechterhelft van het scherm willen leggen om u exact te beschrijven wat ik op linkerhelft zag.<br />
Ook had ik een neteldoek over de linkerhelft willen leggen om u exact te beschrijven wat ik zoal op de rechterhelft zag.<br />
Ik had u nog deelgenoot willen laten zijn van een bezorgd, zeer bezorgd gesprek tussen de heren Volta en Ohm, met een snerpende protestsong van de jonge Ampère op de achtergrond.<br />
U ziet het, niet ik ben uitgeput, de… de… de… noem eens iets… de televisie is het.</p>
<p><em><strong>Dramatis personae [selectie]:</strong></em><br />
Vader Abraham, Willy Alberti, Marco Bakker, Piet Bambergen, Martine Bijl, Mies Bouwman, Ted de Braak, Ria Bremer, Jos Brink, Rudi Carrell, Gerard Cox, André van Duin, Willem Duys, Pim Jacobs, Imca Marina, Anita Meyer, Chriet Titulaer, Lee Towers, Conny Vandenbos, Ad Visser, Maartje van Weegen, Hans van Willigenburg, Zangeres zonder Naam.</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.achillevandenbranden.net/2013/05/horen-zien-en-zwijgen-gerrit-komrij/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>1</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Mijl op zeven &#8211; Marc Mijlemans</title>
		<link>http://www.achillevandenbranden.net/2013/05/mijl-op-zeven-marc-mijlemans/</link>
		<comments>http://www.achillevandenbranden.net/2013/05/mijl-op-zeven-marc-mijlemans/#comments</comments>
		<pubDate>Tue, 14 May 2013 14:10:11 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Achille van den Branden</dc:creator>
				<category><![CDATA[recensies]]></category>
		<category><![CDATA[bloemlezingen]]></category>
		<category><![CDATA[columns]]></category>
		<category><![CDATA[Humo]]></category>
		<category><![CDATA[humor]]></category>
		<category><![CDATA[jaren tachtig]]></category>
		<category><![CDATA[Marc Mijlemans]]></category>
		<category><![CDATA[mediakritiek]]></category>
		<category><![CDATA[televisie]]></category>
		<category><![CDATA[tv-kritieken]]></category>
		<category><![CDATA[uit 1987]]></category>
		<category><![CDATA[uitgeverij Kritak]]></category>
		<category><![CDATA[verhalen]]></category>
		<category><![CDATA[Vlaamse cultuur]]></category>
		<category><![CDATA[Vlaamse schrijvers]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.achillevandenbranden.net/?p=7878</guid>
		<description><![CDATA[<p><span style="color: #666666;"><strong><a href="http://www.achillevandenbranden.net/wp-content/uploads/2013/05/mijl-op-zeven-mijlemans.jpg"><img class="alignleft size-full wp-image-7879" alt="mijl op zeven - mijlemans" src="http://www.achillevandenbranden.net/wp-content/uploads/2013/05/mijl-op-zeven-mijlemans.jpg" width="100" height="160" /></a>Nostalgie kon me geen parten spelen. Ik ben Humo beginnen kopen in 1991. De generatie Herman de Coninck, Piet Piryns en Marc Didden is helemaal aan mij voorbijgegaan. Humo valt in mijn beleving samen met een ander triumviraat: Rudy Vandendaele, Gummbah en de betreurde Patrick De Witte. De nog jonger gestorven Mijlemans ken ik alleen van de weemoedige verhalen die rond zijn persoon hangen.</strong></span></p>
<p>Verplicht nummer in die mythevorming is <a href="http://www.humo.be/cd-reviews/44148/triffids-born-sandy-devotional">zijn [...]</a></p>]]></description>
				<content:encoded><![CDATA[<p><span style="color: #666666;"><strong><a href="http://www.achillevandenbranden.net/wp-content/uploads/2013/05/mijl-op-zeven-mijlemans.jpg"><img class="alignleft size-full wp-image-7879" alt="mijl op zeven - mijlemans" src="http://www.achillevandenbranden.net/wp-content/uploads/2013/05/mijl-op-zeven-mijlemans.jpg" width="100" height="160" /></a>Nostalgie kon me geen parten spelen. Ik ben Humo beginnen kopen in 1991. De generatie Herman de Coninck, Piet Piryns en Marc Didden is helemaal aan mij voorbijgegaan. Humo valt in mijn beleving samen met een ander triumviraat: Rudy Vandendaele, Gummbah en de betreurde Patrick De Witte. De nog jonger gestorven Mijlemans ken ik alleen van de weemoedige verhalen die rond zijn persoon hangen.</strong></span></p>
<p>Verplicht nummer in die mythevorming is <a href="http://www.humo.be/cd-reviews/44148/triffids-born-sandy-devotional">zijn recensie</a> van <em>Born Sandy Devotional</em>. Marc Mijlemans (1958-1987) hield van U2, Springsteen, Costello en The Smiths, maar die acts konden het makkelijk zonder zijn bewondering stellen. De Australische Triffids voelden aan als een eigen ontdekking en hij was vastbesloten de blijde boodschap te verkondigen aan de rest van Vlaanderen.</p>
<p>Er is niets mis met dat Triffids-stukje. Dat ik er geen meesterwerk in zie – geen idee hoe een elpeebespreking van een paar honderd woorden een meesterwerk kan zijn – komt denk ik vooral omdat de toon van Mijlemans al vele decennia gemeengoed is in de popbladzijden van Humo.</p>
<p><span id="more-7878"></span>Er is een tijd geweest dat ik daar elk foneem van indronk, van die toon, en haar imiteerde in mijn schoolopstellen (de invloed van Humo op de pennen van jong, linksig Vlaanderen kan nauwelijks overschat worden). Tegenwoordig vind ik dat de ijver van de Humo-recensenten te vaak echte, deugdelijke informatie in de weg zit. Nu bijna geen enkele plaat minder dan drie sterren krijgt, is Humo sowieso geen betrouwbare gids meer in rockland.</p>
<p>M.M., zoals zijn initialen, een keurmerk voor velen, luidden, stierf op 27 januari 1987. Kanker. The Triffids kwamen naar Torhout/Werchter dat jaar. Presentator Guy Mortier, timider dan gewoonlijk, droeg het optreden op aan zijn meest geliefde poulain. Want dat was Mijlemans.</p>
<p>In 1969 volgde Mortier Karel Anthierens op als hoofdredacteur. De redactie, met onder meer <strong>Daan Delannoy</strong> en <strong>Willy Courteaux</strong>, moest versterkt worden en Mortier trok een weelde van getalenteerde schrijvers aan: <strong>Guido Van Meir</strong>, <strong>Piet Piryns</strong>, <strong>Herman de Coninck</strong>, <strong>Marc Didden</strong>, <strong>Rudy Vandendaele</strong>. Maar bovenal: Mijlemans</p>
<p>M.M. deed de muziekinterviews, zonder primeurs na te jagen zoals zijn jongere collega <a href="http://www.achillevandenbranden.net/tag/serge-simonart/">Serge Simonart</a> dat later zou doen. Hij sprak met wie langs kwam en deed zijn informatie op in vakbladen en tv-programma’s als <em>Villa Tempo</em> en <em>Les enfants du rock</em>. In zijn plaatbesprekingen weerde hij al te technisch gelul en hield bewust een persoonlijk geluid aan.</p>
<p>In hoeverre hij daarmee school maakte, weet ik niet. De recensies van Marc Didden heb ik nooit gelezen. In de Angelsaksische wereld hadden <strong>Lester Bangs</strong>, <strong>Greil Marcus</strong>, <strong>Nick Kent</strong> en <strong>Charles Shaar Murray</strong> in de jaren zeventig al van popmuziekkritiek een serieus te nemen genre gemaakt.</p>
<p>De Vlaamse rockrecensies konden zelf best wat rock ’n roll gebruiken. Dit waren de jaren tachtig in de Belgische muziek, moet je rekenen. T.C. Matic was top, maar verder leken The Scabs ongeveer het hoogst haalbare. dEUS formeerde in 1989; hun debuutplaat kwam er pas in 1994.</p>
<p><em><strong>Het Kastje</strong></em><br />
De andere grote verslaving van Mijlemans was de televisie. In 1984 begon hij met de rubriek ‘Mijl op Zeven’, waarin kort en snedig de komende televisieweek werd doorgelicht. Vaak wordt die de voorloper genoemd van (rv)’s ‘Dwarskijker’, maar ‘Mijl op Zeven’ heeft naar mijn smaak meer uitstaans met andere TTT-rubrieken dan met de lange, geëlaboreerde tv-kritieken (commentaar na de feiten dus) die Vandendaele schrijft. <em>Mijl op zeven</em> brengt een selectie uit de televisiestukjes van september 1984 tot november 1986.</p>
<p>In feite laat Mijlemans er zijn licht schijnen op mijn jeugd. Ik kan niet zeggen dat het me onberoerd liet. Paul Codde roept om. Danny Verbiest presenteert nog gewoon <em>Kameleon</em>, in plaats van in de huid, nou ja, pels, van <em>Samson</em> te kruipen. <em>Kwizien</em> is het enige kookprogramma op de buis, Armand Pien (“Mister Motregen”) de enige weerman. VTM met zijn, dixit <strong>Geert Buelens</strong>, “gestileerde (en dus verkitchte) volksigheid”? Niet meer dan een boze droom.</p>
<p>Maar ook zonder VTM kitsch genoeg. Midden jaren tachtig wordt “het Kastje” bevolkt en bevuild door programma’s als <em>Stad op Stelten</em>, <em>De Eerste De Beste</em>, <em>Videomatch</em>, <em>KRO Play Back Show,</em> <em>Candy Candy</em>, <em>Jacobus en Corneel</em> en <em>Ter land, ter zee en in de lucht</em>. Het spreekt vanzelf dat Mijlemans daar geen goed woord voor over heeft. Hij volstaat ook met typeringen van de formats; zegt niets over afzonderlijke episodes. Toch kan hij het kijken niet laten.</p>
<blockquote><p>‘Wij hebben zelfs geen t.v.,’ smaalde mevrouw De Croo onlangs trots in dit prachtige blad. Het klinkt als: ‘Wij nemen geen boterhammen mee naar het werk.’ De nieuwe aristocratie wentelt zich in vreemde curven om aan besmetting door het plebs te ontkomen. Ik herinner me ook nog: nagelbijtende avonden bewust geen t.v. kijken, kouwe kalkoen, het oneerbare bannen. Dan kwam de t.v. Kijken naar mensen die geen t.v. meer keken. In de Middeleeuwen volstond het nog zichzelf te geselen. Ik heb reeds geen lang schuldgevoelens meer over mijn verslaving aan het medium. Het is vulgair én mooi én spannend én saai én charmant én afstotelijk. Voor mij hoeven de plannen om kauwgom met etherstralen te ontwikkelen niet te worden doorgezet. Ik verkies mijn tijd te verliezen – nauwgezet wordt elke nieuwe seconde afgeschoten – en de in mijn hoofd residerende onderwijzer die nog geregeld kwekt van ‘hou u nuttig bezig’ te weerstaan. Ik mag mij zelfs graag wentelen in van slijm en onkunde doortrokken peepshows zonder sex die men wel ’s amusementsprogramma’s pleegt te noemen. Ik geloof dat Henk van Montfoort, een naturalistische creatie van de grote Schrijver In De Lucht, gezonden werd om te verbijsteren, om ogen te openen, om levenswegen te wijzigen. Hij praat als een papegaai, hij werd duidelijk door iemand afgericht.</p></blockquote>
<p>Even tijdloos is de middlebrow-smaak van Mijlemans, tot op vandaag verplicht in Humo: Britse humor en Amerikaanse schrijvers. Naast de hardboiled detective is <strong>Scott Fitzgerald</strong>, over wiens kortverhalen zijn eindwerk aan de KULeuven ging, de grote literaire held.</p>
<p>Verder meen ik de invloed van <strong>Jotie T’Hooft</strong> te ontwaren (maar dan een Jotie met humor). Joy Division figureert hevig in deze stukjes. De auteur brandt af en hagiografeert. Namedropt dat het een aard heeft. Zwarte gal en de keerzijde daarvan, sentiment, wisselen elkaar voortdurend af. Terwijl de auteur net zegt zo’n hekel te hebben aan sentiment.</p>
<blockquote><p>Het gaat allemaal kapot aan sentiment. Van alle kanten strooit men zout op het menselijke hart dat het niet meer weet waar smelten. Met bloemen kan men slechts: ‘euh… wel… ha ha’ zeggen: het is een woordenboek voor emotionele stotteraars. Zelfs een roman van <strong>Ward Ruyslinck</strong> mompelt meer dan dat. In <em>Dynasty</em> gooit een angeliek jongetje bloemen in het graf van zijn snel verterende moeder. Tranen over Vlaanderen, tranen over een steeds meer stinkende, rijke, arrogante del en haar achterlijke, cheeseburgers etende kind. Sentiment is een buil vol etter, sentiment is de smachtende, van vele zondagen doorgebracht in meubeltoonzalen doordrongen blik die Nicole met Hugo verbindt. Het is Nancy Reagan die voor het oog van de camera bezwijmt tegen de borst van haar Heer en Meester zonder ooit één vuile sok van hem te hebben gewassen. ‘Liefde is… zonder sokken naar huis gaan omdat zij koude voeten had in het kraambed.’ Met deze inzending voor een door Het Nieuwsblad uitgeloofde wedstrijd, won een echtpaar een weekend in Venetië (dat zij een akelig zingende en zinkende gondelier treffen!). Ik had getipt op ‘Liefde is… een aardbei delen.’ Of ‘Liefde is… een nieuwe zeemvel in zijn koersbroekje naaien.’<br />
Langzaam maar zeker begin ik te begrijpen waarom een Japanse bende, naar aanleiding van Valentijnsdag, pralines gevuld met cyaankali in de winkels smokkelt. Liefde is… vergeven. Want mannen die hun wonden door één vrouw laten likken, die als de ochtend van een huwelijksverjaardag aanbreekt haar met ontbijt op bed verwennen, die haar ‘bolleke’ en ‘zoet’ noemen, grijpen op een dag naar een jachtgeweer en weten de onderzoeksrechter later niet te vertellen wat hen overkomen is. ‘Ze snurkte plots.’ ‘Ik ontdekte dat ze haar benen scheerde.’ ‘Ze knipoogde naar William van Laeken, de slet.’ Dat laatste zou ik, eerlijk gezegd, ook niet nemen.<br />
Furillo uit <em>Hill Street Blues</em>, de meneer Mortier van de politie. Zou ik in C. kunnen gedogen. Dat magnetisme van de man die over leven en dood beslist, die jeugdbendes en politici durft af te snauwen, die veel gezopen heeft maar nu niet meer. Terwijl: ik zou zelfs inbrekers nog hoffelijk ontvangen, vrees ik. En het is niet zo lang geleden dat ik nog ’s in slaap ben gevallen in een urinoir.</p></blockquote>
<p>In <em>Mijl op zeven</em> is mooi te merken hoe Engelstalige muziek en televisie in die jaren de vitale connectie zijn van de Vlaamsche tieners en twintigers met de rest van de wereld. Want “het dorpje O.” waar M.M. vandaan komt, mag dan wel vertedering oproepen, het is ook een plaatsje diep in de provincie.</p>
<p>Olen is een van die bordkartonnen dorpjes die slechts in de verbeelding van klerken bestaan, zegt Mijlemans. “En klerken hébben geen verbeelding.” Er komen geen treinen langs die er “in mekaar kunnen zakken als een oud paard, wachtend op het nekschot”. Men kan er niet instappen of uitstappen. Wie er toch wil zijn “moet zich uit de trein gooien of ziek worden in de bus of er geboren zijn.” De zondagen zijn er nog zondaagser dan elders.</p>
<blockquote><p>De man in de radio zegt dat op Daknam is gescoord. Het was een own-goal. Buiten geeuwt de wind en gaat dan lusteloos weer liggen. Een jeugdbeweging trekt voorbij, schouderkloppend en beentjes lichtend, weesjes voor een dag en tegen de avond, slechts met tegenzin weer tot het huis toegelaten. Hondjes bindt men buiten aan een boom en laat men eeuwig janken. Rust. Stilte. Een klein beetje coma.<br />
Een vrouw trekt haar man aan de vrouw, sleept hem door de eindeloze gangen, vastberaden tot ze staan blijft en murmelt: ‘Dit is het. Een droom van een kast. Die wil ik.’ Hij lacht zachtjes. ‘Brandhout,’ zegt hij, loopt tot buiten haar bereik en houdt zich daar in stilte mee bezig. Ze streelt het eikehout en splijt in gedachten zijn schedel met een bijl. Een klein bijltje dat een heel klein beetje splijt, net genoeg om een beetje bloed te trekken. Op Daknam is het 2-0. Een vrijschop moeizaam door het muurtje heen, botsende bal, onder de keeper door. Dat meldt <strong>Jan Wauters</strong>.</p></blockquote>
<p>Leve de televisie, dus.</p>
<blockquote><p>Men zegt wel ’s dat het medium t.v. veel verkorven en vernietigd heeft, dat deze lompe reus met zijn lemen voeten het gewas der beschaving heeft vertrapt, dat niet de schijf van Nipkow maar de laars van Attila de Hun aan de basis ligt van de Lumineuze Lichtbak. Dat is gelogen. De televisie heeft de mensheid verlost van een kruis dat, zelfs met de hulp van zés Maria Magadalena’s niet te dragen valt: het gezinsleven. Men had plots een fraai excuus om niet langer in meute voor de kachel op de knieën te duiken en een rozenkrans te murmelen: <em>De Muziekkampioen</em>! Men kon zonder schuldgevoelens de doodlopende steeg van conversaties tussen Ouder en Kind mijden: <em>Schipper naast Mathilde</em>! Men hoefde nooit meer ondraaglijke avonden lang via de dia de avonturen van een oom in Ierland, met achter elke struik iets wezenlijks, te volgen: <em>Zorro</em>! Werd het toch nog een klein beetje gezellig. Bijna. <em>The Monkees</em>, de eerste verlengde videoclip maar wel leuk, haalt het, zonder handen moeder, op Schaken met Vader. Toen was pop nog een schaamteloze en pretentieloze afkorting voor populair, werd een muzikant nog gevierendeeld als hij betrapt werd in de buurt van een Goed Boek en gaf elke ster ridderlijk toe dat het hem slechts om de wilde wijven en de zeestervormige zwembaden te doen was.</p></blockquote>
<p>Komt daarbij dat de zuurtegraad van het Vlaams Blok al niet meer te harden is in 1985. M.M. laat uiteraard zijn afkeuring blijken, maar dat hij het bij andere gelegenheden onbekommerd en zonder ironie kan hebben over “negers” maakt dit boekje in één klap gedateerd.</p>
<p><a href="http://www.achillevandenbranden.net/wp-content/uploads/2013/05/marc-mijlemans-foto-Herman-Selleslags.jpg"><img class="alignnone size-full wp-image-7888" alt="marc mijlemans - foto Herman Selleslags" src="http://www.achillevandenbranden.net/wp-content/uploads/2013/05/marc-mijlemans-foto-Herman-Selleslags.jpg" width="600" height="408" /></a></p>
<p><em><strong>Aftelpoëzie</strong></em><br />
In zijn voorwoord heeft Mortier het over de “terloopse schittering” in het werk van Mijlemans. Die schittering <em>kan</em> alleen maar terloops zijn, denk ik erbij. Met ‘Dwarskijker’ heeft ‘Mijl op Zeven’ gemeen dat talig vernuft erin wordt verkwanseld aan de snelst daterende column van allemaal, de tv-column.</p>
<p>“Echt Schrijver,” weet Mortier nog, “werd hij na de plotselinge dood van Chris.” De hersenbloeding van Mijlemans’ vrouw werkt inderdaad als een dikke, zwarte cesuurstreep in dit oeuvre.</p>
<p>Het toegevoegde kortverhaal ‘Het enge bos’ doet het onmogelijke: het <em>beschrijft</em> die streep.</p>
<blockquote><p>Haar arm is kous, bijna bevroren. Is het de herfst of de dood die inzet? Gaat het over als ik het raam zal sluiten en de wind verdwijnt? Een witjas schuift struikelend binnen met een brancard. Hij schraapt met benige vingers over zijn kale schedel, besluiteloos. Het geluid van een vingernagel op een zwart bord, een kras van wanhoop. Maar dat kan natuurlijk niet. Buiten laaien in glas gevatte vlammen zwijgzaam op, dreigbrieven van licht. Zijn sadistische glimlachjes om wat gebeuren moet. Mayday, mayday, nooit komt er nog een <em>day</em> in <em>may</em>. Zij is ziek, slangetjes en buizen moet zij slikken. Zij moet, als een lekke band, weer worden opgepompt. Zal ik bloemen halen of fruit of een goed boek of een plaat van Aretha Franklin of juwelen als zij straks, de ochtend aangebroken in het ziekenhuis weer ontwaakt? Zal ik? Zal zij? Geen enkele winkel is meer open nu. Ik kan niets doen. Straks croissants. Men beukt radeloos in op haar hart. Voorzichtig. Voorzichtig. Een goed hart is een zwak hart. Sla haar niet. Hou op met ademen. Zij slaapt.<br />
De dokter – minachting is mijn vak, meneer – probeert mij treurig doch bemoedigend op de schouder te kloppen. Dat is niet makkelijk. Hij is een onhandige lummel. Wat kan het hem verdommen? Waar halen ze het godvergeten lef om mijn huis binnen te stormen en mijn vrouw aan te vliegen. Alsof er ergens een brand was die zij blussen moesten. Een dijk gebroken. Onheil te bezweren met hun onnozele gebaren van voodoo en hun gedempte stemmen van wierook en reddende helikopters. Er verzuipt hier niemand! Terug naar jullie grotten, schorem. Terug naar jullie kooien, Witte Muizen.<br />
Ik heb hen verjaagd nu. Maar ze hebben mijn vrouw meegenomen. Ze ligt niet in bed. Ze dwaalt niet door het huis. Haar schoentjes – fijne Italiaanse met open teenhouders – staren mij aan als wezen. Waar is zij? Ze is met de Witte Muizen meen, met die schooiersbende van Samaritanen? Hoe haalt ze het in haar hoofd? Ze had van de brancard moeten stappen, paars van woede, en haar ontvoerders in de ballen moeten stampen.</p></blockquote>
<p>Na deze klap gaat M.M. door met televisieprogramma’s bespreken. Maar de jool is er uit. Geen Roland Lommé-grapjes meer. Het spervuur van witzen in een traditie die nog lang daarna door <strong>Patrick De Witte</strong> werd voortgezet (“snooker verhoudt zich tot biljarten als Gruyère tot Passendaele: het verschil zit ‘m in de gaten”) maakt plaats voor melancholie en een vervroegde, tot de laatste snik voortdurende midlife-crisis (“Ik dood de tijd: het is hij of ik”).</p>
<p>Het is die toon die Rudy Vandendaele in de jaren negentig zou perfectioneren. Lees deze entree van Mijlemans – (rv) komt heel dichtbij, als je &#8216;t mij vraagt:</p>
<blockquote><p>Het is mooier en schrijnender naar de dingen uit te kijken dan ze te beleven. In verterende tête-à-têtes met jonge, ranke meisjes – dom gekonkel – een toon, een timbre opvangen waaruit blijkt wat komen kan. Eindeloos slenteren door leeuwegebrul en jivetalk gevulde winkels waar plaatjes worden verkocht op zoek naar een spoor, een aanwijzing van wat de volgende Blondie-single brengen zal. Aftelpoëzie, prangend door de loden schaduw van desillusie even verderop, dat lagedrukgebied gevolgd door koele, maritieme lucht. Ik heb het over lang geleden. Maar vorige donderdag kan soms langer geleden zijn dan die ochtend in ’63 – ontbijt met warme chocola – toen mijn moeder zei: ‘Jongens, John Kennedy is dood.’ Wat ‘dood’ betekende wist ik niet.<br />
Een sterke band, een navelstreng tussen heden en verleden vormt de Tour. Fietsen hebben nog steeds twee benen. Dat is een hele troost, een vrij solide strohalm. Geef mij een aankomst in de ijle lucht van Alpe-d’Huez en ik klaag niet langer, geen woord.</p></blockquote>
<p>In het begin van <em>Mijl op zeven</em> sprak Mijlemans nog kwaad van <strong>Woody Allen</strong>, die ten tijde van <em>Interiors</em> niet zijn normale zelf is. “Het is een soort cover van <strong>Ingmar Bergman</strong> waarin zielen worden bloot gelegd. Een blote ziel is <em>vies</em>.” Naar het einde van dit boek krijgen we alléén maar een blote ziel te zien. Zijn ziel. Getuigenissen van de pijn van het zijn. Stemmingen die inhoud overstemmen.</p>
<p>Topzwaar is ook het handvol kortverhalen dat achteraan dit boekje is opgenomen. Ik zie er vooral een schrijver in die brandt van ambitie maar nog onzeker voortschuifelt op de korte baan. Op de korte baan valt die onzekerheid immers nog te maskeren door elke vierkante centimeter tekst dicht te metselen met vondsten en vondstjes.</p>
<p>Of aan Mijlemans werkelijk een groot schrijver verloren is gegaan, durf ik te betwijfelen. Daarvoor is dit proza wel heel Vlaams ik-gericht: het troosteloze leven van de kantoorklerk, tedere herinneringen aan een geboortedorp, vrouwen die op het schild worden gehesen&#8230; <strong>Brusselmans</strong> draait er in een weemoedige bui zijn hand niet voor om.</p>
<p>Liever dan deze onvoldragen teksten (“ondergrondse kelders”?) had ik wat plaatbesprekingen gezien. Die zal ik nu moeten opsporen in de Humo’s op zolder – niet lang geleden alle jaargangen uit de jaren tachtig opgekocht.</p>
<p>Kanker won het van M.M. Negenentwintig werd hij. Een klein stukje voorbij de mythische maar <a href="http://www.bmj.com/press-releases/2011/12/20/27-really-dangerous-age-famous-musicians-retrospective-cohort-study">op lariekoek gebaseerde</a> rockdoden-mijlpaal van zeventwintig jaar. De romantische Mijlemans geloofde in het concept ‘genie’, dat als een molensteen om de nek hangt van de ware artiest – maar niet om zijn eigen nek.</p>
<blockquote><p>Ik mag de Heer dankbaar zijn dat ik als lul geboren werd en ook als lul zal sterven. Idem voor Ward Ruyslinck en <strong>Jos Vandeloo</strong>.</p></blockquote>
<p>Laat staan staan dat hij de heldendood eigenhandig zou bewerkstellingen&#8230;</p>
<blockquote><p>Ik heb thuis een plaatje waarop Hank Williams zingt ‘I’ll never get out of this world alive’, en de dood staat daar al in zijn schoenen. Want de dood is vloeibaar, vormt een maanverlicht meer en als dan God de schotbalkjes opent als aders, dan is het uit en staat men voor eeuwig blank met dingen die voorbij zijn. In dat verdronken land geven nog slechts dobberende borden aan wat op de bodem rust en waar.<br />
Nee, levend brengt niemand het er van af. Dat weet ik ook. Maar er zijn manieren om te gaan en andere manieren.<br />
Er was een tijd dat De Heldendood betekende: met een hek van speren in de borst, bloedend als een kudde runderen, toch nog prevelen, ‘Eet uitwerpselen, Trojanen, en mogen uw kinderen bevriend raken met iemand die bij de vuilniskar werkt.’ Maar dat is lang voorbij. Helden sterven niet meer staande, ze stikken in braaksel en zakken voorover op toiletten. En ze hebben het zelf gezocht. Dan is de dood geen maanverlicht meer, maar een vijver waar de mensen van het dorp zich komen ontlasten. Men zegt dat het de helle schijnwerpers zijn die Marilyn en Sid en Jim en Elvis hebben verblind, dat zij verdwaasd waren door de roem en eenzaam en geheel murw. Men vereert hen als martelaren, als ontplofte astronauten, als door de sneltrein van het lot vermorzelde konijntjes. Elke generatie heeft ook de heiligen die het verdient. En wij zitten opgescheept met Gouden Kalveren, met sukkels, met de junkies van het zelfbeklag, met zij die zich vrijwillig laten steriliseren en dan janken dat ze geen kinderen meer kunnen krijgen. Er is volstrekt geen lef voor nodig om de dood te zoeken.</p></blockquote>
<p>De layouter heeft goed werk gedaan. De cover van <a href="http://www.achillevandenbranden.net/tag/ever-meulen/">Ever Meulen</a> is mooi. Voor de rest is dit een typisch Vlaams boeksken. Krenterige selectie, hele delen weglatend, geen spoor van een verantwoording.</p>
<p>&gt; lees een fragment uit dit boek op <a href="http://prinsvandenemarken.blogspot.be/2011/02/verspringen-in-een-bak-vol-spijkers.html">Prins van Denemarken</a><br />
&gt; <a href=" http://www.humo.be/auteur/mm">platenrecensies van M.M. op Humo.be</a></p>
<p><strong>Marc Mijlemans, <em>Mijl op zeven</em></strong><br />
<strong> 134 p.</strong><br />
<strong> Uitgeverij Kritak, 1993<br />
Oorspr. (1987)</strong></p>
<p>&nbsp;</p>
<p><em>Bloemlezing uit de tv-kritieken:</em></p>
<p>Over<em> Star Trek</em>:<br />
Ondanks bijna alles blijft <em>Star Trek</em> één der meest essentiële series uit de geschiedenis van het Kastje. Opvallend sterke scenario’s, het flegmatieke charisma (en ‘viaduct’ kan ik ook schrijven!) van Spock, de geest van <strong>Karl May</strong>, wezens met veelkleurige, uitbundig fonkelende aquariums bij wijze van hoofd: daardoor wordt het toch nog gezellig. Men kijkt tevens toe, hoe de bemanning van de Enterprise rondhangt met het soort Vestaalse maagden dat verre planeten blijkt te bevolken om, bij het aanbreken van de dageraad, vrolijk fluitend lichtjaren verder te zoeven.</p>
<p>Over<em> Boeketje Vlaanderen</em>:<br />
Het verstand staat stil bij Boeketje Vlaanderen, een weerzinwekkende wekelijkse tocht doorheen dit wel zeer platte, door pensenkermissen en kiekenkaartingen geteisterde land. ‘Dit heb ik nooit geweten’ mompelend, druipen kudden Vlamingen af naar het buitenland. Het toontje dat in <em>Boeketje Vlaanderen</em> wordt aangeslagen is er één van luchthartige achterlijkheid. Licht aangeschoten pastoors praten zo op het jaarlijkse bal van de fanfare en ook reisgidsen met een bus op baancafé beluste bejaarden onder hun hoede, vertonen de neiging om zich te gedragen als Gertie Christoffels. Ze zegt: ‘Een dagje zuip… (<em>ondeugende lach</em>), pardon dóórbrengen in Hasselt.’ Allemaal slecht verteerde <strong>Louis Verbeeck</strong> . Dat zachte, dat <em>vlaaerige</em>. <em>Boeketje Vlaanderen</em> is een kaakslag, een anachronisme, een eiland van meligheid, werkelijk een genot voor racistische gastarbeiders.</p>
<p>Over Armand Pien:<br />
Een diepe, diepe, uithollende, verrottende hoofdpijn. Ik wil nog slechts in een taxi rijden met luid brullende, alles overstemmende motor. Stof doen opwaaien. Grootsprekers en moppentappers op de voorruit scheppen want dat is werkgelegenheid scheppen. Er zijn reeds te veel werkloze ruitenwissers. En er wordt te veel gekwetterd: dit is een land van vogels en viswijven. Mag ik een klein beetje uw vogelverschrikker zijn? Ik heb er de fysiek voor.<br />
Spoed u heen, laat deze luitjes in vrede en moreel verval, wend uw steven naar verre kusten, dat zou ik Armand Pien, Weer Het Mannetje, luidkeels willen toeschreeuwen. Deze ultieme schoolmeester, deze babbelende profeet, moet nodig op zijn plichten worden gewezen. Van hem wordt verwacht dat hij verblijft in een weerhuisje en daaruit, indien geroepen, te voorschijn komt met paraplu, sneeuwpop of in badpak. Zo weten wij, het volk, meer dan genoeg. Maar Pien is als de Sprekende Klok die, haar bevoegdheid overschrijdend, begint uit te weiden over de complexe situatie in Tsjaad of de rondingen van Nathalie Baye. Hij babbelt, in schipperstrui gehuld, over het lot der bevroren wissels en werklieden, pinkt een traan weg en doceert dan met op de achtergrond een ‘praaaachtige dia van de familie Zegers uit Ruislede’, een cursus meteorologie voor stotteraars. Hij zegt dingen als ‘Het gaat min 75 cm diepvriezen.’ Ik kan daar, Manuel en uit Barcelona zijnde, slechts nederig aan toevoegen: ‘Que?’ Que, in godsnaam.</p>
<p>Over<em> Hoger-Lager</em>:<br />
Het slechte nieuws is dat televise de wereld niet verbetert. En het slechte nieuws is dat de wereld ook de televisie niet verbetert. Zelfs als er in zoo van Peking een lief, klein pandabeertje wordt geboren, gaat <em>Hoger-Lager</em> gewoon door.</p>
<p>Over<em> Tarzan and the Amazons</em>:<br />
<strong>Brigitte Raskin</strong> in Humo 2327: ‘Tenslotte zijn wij het niet die kinderen maken als we klaarkomen, maar de mannen.’ Sexistische logica die het bestaan van eierstokken, baarmoeders en broedmateriaal luchtig ontkent. Waar klagen ze eigenlijk over? Vrouwen leven langer. Vrouwen worden niet gedwongen een deel van hun leven onder het gezag van idioten in door schraal bier en verveling doordrongen kazernes door te brengen. Ze hoeven niet eens hun geweten te bezwaren om aan dat trieste lot te ontkomen. Vrouwen moeten zich niet in verstrikkende maatpakken wurgen zodra iemand sterft of trouwt. Vrouwen kunnen een grote bek opzetten en vechtpartijen uitlokken zonder er zelf in betrokken te raken: haantje, knap het even op. Maar bovenal: van vrouwen wordt niet vereist dat zij zich elke morgen naar een kille badkamer slepen om daar een vermomde drilboor tegen de slaap te drukken het gruwelijke ritueel dat scheren wordt genoemd aan te vatten. Elke ochtend lijden wij op die manier een klein beetje menstruatiepijn, om het langzaam goed te maken.<br />
Week en weemoedig word ik van <em>Tarzan and the Amazons</em>, waarin Johnny Weismuller onder klaterende watervallen met onbespoten badende beauties stoeit. In Tarzans wereld snauwen slechte mensen en drinken zij goedkope whisky: zij eindigen, gedreven door hebzucht, steeds in drijfzand (een klauwende, snokkende hand, dan niets meer), onder de betonpalen van woedende olifanten of in adembenemende afgronden. Schuld en boete. Tarzan slaakt zijn verkillende geest en gaat weer aan de zwier.</p>
<p>Over het pausbezoek aan België in 1985:<br />
De <em>party</em> is <em>over</em>, de Bezoeker weer weg. Het tweede net ligt er verlaten bij, aan de <em>hotline</em> wacht Godfried Danneels vruchteloos op een stroom van nieuwe roepingen, de Vaticaanse Omroep wordt voorzichtig weer omgeschoold tot gewoon BRT. Wat bewezen werd: de BRT is niet ondergraven door rode mollen, niet geïnfiltreerd door heidenen. Elke pauselijke stap werd getrouw doorgestraald en bekwetterd, iedereen kon getuige zijn van opzienbarende uitspraken omtrent ‘de Goot van alle mensen’ en het onheil dat de jeugd in de vorm van ‘afstompende muziek’ bedreigt. Wat bewezen werd: de kerkelijke bootsman is een charismatisch volksmenner, een bejaarde Springsteen zonder gitaar, een bekwaam handelsvertegenwoordiger in gewijde zaken. De ‘ik voel mij zeer Vlaams’-truuk echter had van Vader Abraham of Paul van Vliet kunnen komen. Willy DeVille beoordeelde de paus met een sober: ‘Yeah, I like his choreography.’ Nog één vraag: wie van de half-hysterische pausfans heeft nooit aan verboden voorbehoedende vruchten gezeten?<br />
Geen enkel pil was te bitter voor de zware christus Jimi Hendrix, een tragisch wezen dat zijn besnaarde phallus als buiksprekende alter-ego uitspeelde. Hij speelde met zijn tanden en stikte in zijn braaksel: zie <em>The Jimi Hendrix Story</em>. Het had nog onsmakelijker en zieliger gekund (‘hij speelde met zijn braaksel en stikte in zijn handen’) maar dat wist men toen nog niet: één oceaan verder stopte een onwetende Sid Vicious immers nog kikkers in plaats van geslepen messen in meisjesshirts.</p>
<p>Over<em> Knight Rider</em>:<br />
<em>Knight Rider</em>, een lamlendig sprookje voor door De Uitlaat, die Amerikaanse phallus, geobsedeerde lambreinen. De inhoud van deze fascinerende serie kan men als volgt samenvatten: vrooaaar, reeeeng, reeeeng. Er komt tevens een lelijke, vervelende wagen in voor die praten kan. Het is al erg genoeg dat er zoveel lelijke, vervelende mensen rondlopen die praten kunnen, laat staan, laat staan, laat in godsnaam staan.</p>
<p>Over<em> Sons and Daughters</em>:<br />
Bomen verliezen in het aanstormende seizoen hun bladeren, programmamakers hun verstand. In de zomer worden de t.v.-lampen gedimd en krijgen de kijkers de vrijheid om hun leven weer in eigen handen te nemen. Maar het is slechts uitstel van executie. Nu wordt de vuilnisstank weer geestdriftig uitgestort, vloeit gier weer door de kamers. De BRT heeft het slaapverwekkende <em>Sons and Daughters</em> aangekocht. Het betreft hier bedroevende Australische soap, arme-mensen-<em>Dynasty</em>, waarvan geen enkel procent van de opbrengt naar de gehandicapte medemens afvloeit. Men zou het moeten verbieden maar in plaats daarvan laat men deze poedel der t.v.-series elke maandag, dinsdag en woensdag op de kijker los. <em>Isaura</em> ging tenminste nog zover alle boekjes te buiten dat het goed lachen was met die wonderlijke wereld der sukkels: <em>Sons and Daughters</em>, een tranche de vie bedekt met vele schimmels, heeft één ding met het ware leven gemeen: dat het meestal knap vervelend is.</p>
<p>Over<em> De collaboratie</em>:<br />
De oorlog. Bommenwerpers vliegen niet meer over, maar toch zijn er verlengingen gekomen. <strong>Maurice de Wilde</strong> graaft bange, domme mensjes op in <em>De collaboratie</em>; zij die nooit ‘bezet’ hebben geroepen worden door De Wilde niet op het matje geroepen maar <em>eronder</em> geveegd vanwege heulen met de beulen. Hij is een moedig en verbeten man, een bouwer van piramides, maar ik denk vaak, als weer een onbenullige zondaar geen berouw wil tonen: ik zal het boek wel lezen. T.v. is geen padvindermes dat men op duizend manieren kan gebruiken. Men moet zich buigen naar de eisen van het medium: in wezen moet de kijker geregeld de adem worden benomen, hij mag zich nooit verwaarloosd, uitgesloten weten. Als de knop wordt omgedraaid, is alles verloren. Die knop: dát is de fatale kopslag van Grün.</p>
<p>Over<em> Miami Vice</em>:<br />
Het is geen toeval dat het Gouden Kalf van de Amerikaanse t.v., <em>Miami Vice</em>, door Veronica werd ingehuurd. Het is Veronica: grote bek, snel, oppervlakkig, duur, opzichtig, leep, bon chic, bon genre… Miami is Clip City.</p>
<p>Over<em> The Black Adder</em>:<br />
Op een dag als deze – een donderdag met kale bomen voor het raam – zal plots mijn hele jeugd herkauwd zijn, zullen alle moedeloze mannen in cafés dood zijn en zullen de grapjes, als ratten het zinkend schip, mij geheel verlaten hebben. Dan zal ik de rest van mijn dagen doorbrengen achter het loket van een bank; geld tellend, stempels zettend, klanten uitwuivend. En als ik, tijdens de lunch-pauze, mijn lotgenoten meld dat ik <em>The Black Adder</em> met Rowan Atkinson best grappig vind, zullen ze me onderbreken en nogmaals, stap voor stap en geduldig, uitleggen hoe men op slinkse wijze belastingformulieren invult en goedkope leningen afdwingt. Zoals men een kind vertelt hoe het moet leren lopen. Mijn Meningen zullen als galstenen verwijderd worden. Dat is pijnlijk maar beter voor de gezondheid.</p>
<p>Over <em>Leven en laten leven</em>:<br />
Gil Claes presenteert <em>Leven en laten leven</em> alsof het een beatmis was. In zijn klinkers hoort men soms dat hij niet houdt van pluisjes op zijn pak en rekent op zijn kapper om hem van deze tijd te maken. Claes is de smaak van water. Hij is liftmuziek. Wie vooral niemand wil storen, stoort mij.<br />
‘Ik kan niet lachen om Monty Python,’ zegt Michel Follet in Humo. En over Freek de Jonge: ‘Het is ontzettend moeilijk om een gesprek aan te knopen met iemand waar je weinig respect voor kan opbrengen.’ Dáárom heeft Follet flaporen. Het is een brandmerk: om ons te waarschuwen.</p>
<p>Over<em> Een spoorweg is een lijn</em>:<br />
Een zanger is een groep; een mama is een ei; <em>Een spoorweg is een lijn</em>, en soms de enige band tussen Hier en Daar. Ondanks hun kuren, ben ik van treinen blijven houden. Het moment dat rond de bocht de stompe snuit verschijnt, het kronkelen dan van de wagons tot de orde is hersteld, het langdurige remmen voor de treeplank uitklapt en alle reizigers tussen wolkjes rook naar binnen drijven. De ontrouw van de trein: dat heet vertraging en doet pijn.</p>
<p>Over <em>The Cosby Show</em>:<br />
De <em>Bill Cosby Show</em> brengt de dure soaps (Dyn.Dal.Col.) dodelijke slagen toe, lees ik. In Amerika lijkt de strijd gestreden: het volk wil weer vertederd worden en series dienen zich voortaan in een kunstmatige baarmoeder af te spelen. In de <em>Bill Cosby Show</em> is het warm en veilig en moeder bakt er pannenkoeken en tranen worden er gedroogd en problemen opgelost, en nooit gaat er iets of iemand dood. Vele mythes lopen hier samen: die van het Grote Gezin, die van Grappige Negers, die van Lieve Kindertjes, die van Nestwarmte… Het is geen show, het is een formule. Maar ze werkt een klein beetje en Cosby zelf behelpt zich voorbeeldig met mime als de grapjes weer ’s wat slapjes blijken. Wakker schrikt men weer bij <em>Theo en Thea</em>. Klaarwakker.</p>
<p>Over <em>Merlina</em>:<br />
Ondertussen blijft <em>Merlina</em> zéér beneden alles: het heeft een bodem bereikt waar voordien niemand zich heeft gewaagd. Men verricht er pionierswerk in de wansmaak. Jef Elbers legt de acteurs afgeleefde, kreupele woorden in de mond en bedenkt flinterdunne, slappe verhaaltjes die Paul Ricour en Lea Couzin een excuus geven om zich Schauspielers te noemen. Zó zou de wereld eruitzien als Nonkel Bob één dag God mocht zijn. In <em>Merlina</em> is het gevoel voor humor even sterk ontwikkeld als het medelijden bij een bloedhond. Ik kan mij over dit soort vuilnis zeer kwaad maken en zeg niet: ‘Kinderen houden ervan.’ Kinderen houden ook van het opblazen van kikkers en martelen van kevers. Kinderen kijken naar <em>Ontucht in Tirol</em> als ze de kans krijgen.</p>
<p>Over <em>Kwizien</em>:<br />
In <em>Kwizien</em> vangt men dingen aan met pompoensap en tortilla’s, terwijl Etienne Coquyt minzaam wijsheden mompelt als ‘dus dat moet in de oven’ en ‘één liter zuiver water, zegt u dus’ en ‘blijven roeren, als het ware’. Hij heeft een schort voor met zijn naam erop. Hij blijft nooit lang genoeg om met de afwas te helpen. Men zit te wachten op het moment dat, bij het flamberen, de baard van Etienne vuur zal vatten en hij, in pijn, zal schreeuwen ‘gewoon een beetje een vlam dus’. Ik heb volstrekt niets tegen dit hele <em>Kwizien</em>-gebeuren op voorwaarde dat men er geen camera op richt.</p>
<p>Over <em>Falwty Towers</em>:<br />
Iedereen weet ondertussen dat <em>Fawlty Towers</em> de geniaalste comedy-serie aller tijden is: als lachen gezond is, waar ik overigens aan twijfel, dan is dat wat de dokter voorschrijft. Als kleine Hitler zal John Cleese de geschiedenis ingaan. Dit zijn niet zomaar kunstjes, dit is kunst. Over 100 jaar zal <em>Fawlty Towers</em> vereerd worden als wereldliteratuur.</p>
<p>Over <em>Wedden, dat…?:</em><br />
Het wordt de hoogste tijd dat Bingo de opvolger van Ad Visser in <em>Toppop</em> aantrekt: hij zou mooi staan op de schouw naast Patty Brard. Hij heeft één zin (‘wat ik dit móói!) aangeleerd en weigert daarvan af te wijken. Hij kent zijn mogelijkheden. <em>Wedden dat…</em>, het spelprogramma rond mensen die iets kunnen wat niemand anders wil kunnen, is ook weer aan de gang. Het is ongeduldig wachten op de komst van de man die alle voornamen van de bezoekers van Torhout/Werchter ’86 kan opdreunen; ook wordt uitgekeken naar het meisje dat naar een volgende elpee van A-Ha kan luisteren zonder over te geven op de schoenen van Jos Birnk (ik hoop dat het haar niet lukt).</p>
<p>Over <em>De Paradijsvogels</em>:<br />
Het enige wat iemand tot <em>De Paradijsvogels</em> kan drijven is een liefde voor zeer slecht amateurtoneel. Het is een serie die fluistert: we zijn altijd boerkens geweest en we zullen altijd boerkens blijven. Mijn dorp is mijn oester. Het is een overspannen geacteerde klompensage waarin niets te lachen valt. Dat dit wordt héruitgezonden zou in een rechtvaardige wereld tot gewelddadige straatmanifestaties leiden. Ik denk altijd aan katoenplukkende, vrolijk tot God zingende, hartelijk domme negers als ik een glimp van <em>De Paradijsvogels</em> opvang. Alleen: negers zouden het niet pikken op die manier te worden voorgesteld, zij hebben hun trots. Wie niet.</p>
<p>Over zijn vrouw, Chris:<br />
C. had die dag geen zin gehad in koken. We aten ergens waar Chinese vrouwen eeuwig glimlachend als schildknaapjes om de tafel zweefden, dienstbaar. C. liet me de ogen sluiten (het eten – inktvis – was ernaar) en zei: ‘Vertel me welke kleren ik draag.’ Alleen de kleur van haar schoenen kon ik me nog herinneren. ‘Sukkel,’ zei ze en lachte. Ik wou dat ze het me nog ’s vroeg. Of ze me, <em>tenminste</em>, nog ’s sukkel noemde.</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.achillevandenbranden.net/2013/05/mijl-op-zeven-marc-mijlemans/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>1</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Leave me alone, I’m reading &#8211; Maureen Corrigan</title>
		<link>http://www.achillevandenbranden.net/2013/05/leave-me-alone-im-reading-maureen-corrigan/</link>
		<comments>http://www.achillevandenbranden.net/2013/05/leave-me-alone-im-reading-maureen-corrigan/#comments</comments>
		<pubDate>Sun, 12 May 2013 19:00:39 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Achille van den Branden</dc:creator>
				<category><![CDATA[recensies]]></category>
		<category><![CDATA[Amerikaanse schrijvers]]></category>
		<category><![CDATA[autobiografisch]]></category>
		<category><![CDATA[bibliofilie]]></category>
		<category><![CDATA[essays]]></category>
		<category><![CDATA[existentieel]]></category>
		<category><![CDATA[feminisme]]></category>
		<category><![CDATA[huwelijksleven]]></category>
		<category><![CDATA[in English]]></category>
		<category><![CDATA[inner circles]]></category>
		<category><![CDATA[lezen]]></category>
		<category><![CDATA[literaire mores]]></category>
		<category><![CDATA[literatuurkritiek]]></category>
		<category><![CDATA[maatschappij]]></category>
		<category><![CDATA[mannen en vrouwen]]></category>
		<category><![CDATA[Maureen Corrigan]]></category>
		<category><![CDATA[mediakritiek]]></category>
		<category><![CDATA[met literatuurlijst]]></category>
		<category><![CDATA[religie]]></category>
		<category><![CDATA[schrijfsters]]></category>
		<category><![CDATA[suspense]]></category>
		<category><![CDATA[Theory]]></category>
		<category><![CDATA[uit 2005]]></category>
		<category><![CDATA[uitgeverij Random House]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.achillevandenbranden.net/?p=7864</guid>
		<description><![CDATA[<p><span style="color: #666666;"><strong><a href="http://www.achillevandenbranden.net/wp-content/uploads/2013/05/leave-me-alone-maureen-corrigan.jpg"><img class="alignleft size-full wp-image-7865" alt="leave me alone - maureen corrigan" src="http://www.achillevandenbranden.net/wp-content/uploads/2013/05/leave-me-alone-maureen-corrigan.jpg" width="100" height="160" /></a>Het blijft één van de grote paradoxen van de literatuurbijlagen. Juist van de mensen die betaald worden om boeken te bespreken, kom je haast nooit aan de weet in welke mate dat lezen hun leven echt beïnvloedt. Soms krijg je de indruk dat het lezen hun<em> lezen</em> niet eens stuurt: de ene week wordt de loftrompet gestoken over de nieuwe Houellebecq, de week erop wordt een poëtische flutroman bewierookt.</strong></span></p>
<p>Onder [...]</p>]]></description>
				<content:encoded><![CDATA[<p><span style="color: #666666;"><strong><a href="http://www.achillevandenbranden.net/wp-content/uploads/2013/05/leave-me-alone-maureen-corrigan.jpg"><img class="alignleft size-full wp-image-7865" alt="leave me alone - maureen corrigan" src="http://www.achillevandenbranden.net/wp-content/uploads/2013/05/leave-me-alone-maureen-corrigan.jpg" width="100" height="160" /></a>Het blijft één van de grote paradoxen van de literatuurbijlagen. Juist van de mensen die betaald worden om boeken te bespreken, kom je haast nooit aan de weet in welke mate dat lezen hun leven echt beïnvloedt. Soms krijg je de indruk dat het lezen hun<em> lezen</em> niet eens stuurt: de ene week wordt de loftrompet gestoken over de nieuwe Houellebecq, de week erop wordt een poëtische flutroman bewierookt.</strong></span></p>
<p>Onder de boeken die onze kijk op het leven veranderen ressorteren ongetwijfeld onze schoolboeken – zeker ook die van de hogeschool of de universiteit. Vaak genoeg is die invloed echter ook blik<em>vernauwend</em>. Op Twitter erger ik me altijd blauw aan de eenzijdigheid en voorspelbaarheid van de tweets van mensen met een uitgesproken vakdomein.</p>
<p>Ook Maureen Corrigan heeft het juiste curriculum om boeken als werk te zien &#8212; materiaal waarover gauw een vrijblijvend oordeeltje te vellen valt. Zij is de critica van <a href="http://www.npr.org/programs/fresh-air/">NPR Fresh Air</a>, een programma dat wordt beluisterd door vier en half miljoen mensen. Haar besprekingen verschijnen in The New York Times, Newsday, The Nation, The Boston Globe en The Village Voice. Ze won de Edgar Award voor literaire kritiek. Ze schrijft over misdaadverhalen in The Washington Post en doceert literatuur aan Georgetown University. Een hectisch bestaan.</p>
<blockquote><p>Sometimes I finish reading a book at night, write the review before dawn, edit it with my producer, Phyllis Myers, early that morning, record it a little later, and hear it air that afternoon. Life on the edge, right?</p></blockquote>
<p><span id="more-7864"></span>Toch doet ze in <em>Leave me alone, I’m reading</em> een uiterst lovenswaardige poging om aan te tonen hoe boeken echt een verschil hebben gemaakt in haar leven.</p>
<blockquote><p>My Catholic girlhood, my school days, my first forays into dating, college and graduate school, tortured love affairs, jobs, teaching, marriage – all these events had been mirrored in, even anticipated by, the books I read. When I worked in a five-and-ten during the latter part of high school, I thought of myself as young <strong>David Copperfield</strong> wasting away in the blacking factory. When I found myself marooned, night after night, in a one-room graduate-school apartment that basically consisted of a bay window and some linoleum, I though of myself as <strong>Tennyson</strong>’s Lady of Shallot, trapped in glass.</p></blockquote>
<p>Daarbij waren de puur autobiografische stukken te mak opgetekend om me te boeien, eerlijk gezegd. Maar ook wanneer ik weinig voeling had met een thema – een hele reeks boekgetuigenissen overtuigen Corrigan om een dochtertje uit China te adopteren – is het verband tussen leven en literatuur geloofwaardig en vanzelfsprekend.</p>
<p>Corrigan schuwt immers het romantische cliché van <a href="http://www.achillevandenbranden.net/2010/11/het-beslissende-boek-margot-dijkgraaf-en-martin-meijer/">het beslissende boek</a>. Al geeft ze toe dat het heerlijk blijft om dat soort getuigenissen te lezen. Denk aan hoe <strong>Richard Wright</strong> memoreert in<strong> Black boy</strong> hoe hij als zwarte Amerikaan erin slaagt vóór de Tweede Wereldoorlog <strong>A book of prefaces</strong> van <strong>H.L. Mencken</strong> te ontlenen en te lezen.</p>
<blockquote><p>What strange world was this? I concluded the book with the conviction that I had somehow overlooked something terribly important in life. I had once tried to write, had once reveled in feeling, been slowly beaten out of me by experience. Now it surged up again and I hungered for books, new ways of looking and seeing. It was not a matter of believing or disbelieving what I read, but of feeling something new, of being affected by something that made the look of the world different.<br />
As dawn broke I ate my pork and beans, feeling dopey, sleepy. I went to work, but the mood of the book would not die; it lingered, coloring everything I saw, heard, did. I now felt that I knew what the white men were feeling. Merely because I had read a book that had spoken of how they lived and thought, I identified myself with that book.</p></blockquote>
<p>Maureen Corrigan was een verlegen kind dat opgroeide in een normaal gezin in Queens, New York. Haar leeswoede kreeg ze niet van thuis uit. Vader, die werkte als mechanicien op de koopvaardij, las weliswaar graag – maar avonturenromans, niet bepaald hoge literatuur. Corrigan zal hem op latere leeftijd <a href="http://www.achillevandenbranden.net/2013/02/looking-for-a-ship-john-mcphee/">Looking for a ship</a> cadeau doen, de reportage van <strong>John McPhee</strong> over de nadagen van zijn branche.</p>
<p>Die literaire zendingsdrang wijt ze vooral aan haar moeder, die nóóit een boek aanraakte. In haar recensiepraktijk heeft ze gemerkt dat je mensen enthousiast kunt maken voor boeken als je de grappige of dramatische kanten van de tekst onderstreept, en als je de samenvatting kort houdt. Intellectueel geouwehoer over thema’s en symboliek werkt bijna altijd contraproductief. Altijd in het studentenpubliek ziet ze in gedachten haar moeder zitten, licht verveeld, om haar daaraan te herinneren.</p>
<p>Ondertussen heeft Corrigan de beste job die een leesbeest maar kan hebben. Er zijn minpunten: ze is recensente en docent literatuur in een periode waarin belachelijk weinig Amerikanen nog geven om boeken. Bovendien kan je niet anders dan vijanden maken als je boeken bespreekt. Luisteraars beknorren haar soms om haar dentale New Yorkse ‘t’. Ze krijgt post met seksuele fantasieën waarin zij de hoofdrol speelt. Hebben we het nog over de enorme hoop ongepubliceerde meesterwerken die ze ongevraagd krijgt toegestuurd.</p>
<p>Maar nooit wordt ze dat lezen moe. Oké, misschien een enkele keer, wanneer ze drie romans op rij moet bespreken van vijfhonderd bladzijden met heel veel natuurbeschrijvingen. Maar ook dan ligt er altijd een ogenschijnlijk interessant boek in het verschiet waar ze al hevig nieuwsgierig naar wordt. Corrigan ontvangt ongeveer vijftig boeken per week en nog altijd rukt ze het pakpapier vol verwachting open.</p>
<blockquote><p>It’s not that I don’t like people. It’s just when I’m in the company of others – even my nearest and dearest – there always comes a moment when I’d rather be reading a book.<br />
And, for many hours of almost every day, that’s what I’m doing. I have a great job – or, to be more accurate, cluster of jobs – for a bookworm. I read for a living.</p></blockquote>
<p><em>Leave me alone, I’m reading</em> gaat niet over de waardering maar over de <em>impact</em> van woorden. Wat ik sterk herkende, was dat Corrigeen zoekt naar authenticiteit in boeken. In het dagelijks leven worden we gebombardeerd met het leugenachtige en het triviale. Boeken helpen ons aan dat leven te ontsnappen en helpen ons om onze binnenkant te begrijpen door die te spiegelen aan, of af te zetten tegen, het leven van fictieve personages.</p>
<p>De schrijfster herinnert er de mannelijke, zelfgenoegzame lezer die ik ben wél aan dat boeken lezen voor vrouwen <em>altijd</em> een stukje subversief is. Lezeressen plegen meestal geen zelfmoord zoals Madame Bovary wanneer ze te veel opgaan in boeken. Wat er wel vaak gebeurt, is dat de traditionele rollenpatronen door dat lezen doorbroken worden. Vrouwen worden meestal gezien als praatgraag, warm en sociaal-voelend. Vrouwen die serieus lezen zijn een groot deel van de tijd onproductieve, asociale kluizenaars. Dat wringt.</p>
<p>Het verfrissende van Corrigan is dat ze uitlegt hoe iemand kan beroerd worden door genrefictie – de boeken die literatuurfanaten beschouwen als bandwerk dat haaks staat op het unieke van echte literatuur. Dit boek focust op drie genres waarvan de Engelse termen te mooi zijn om ze niet te laten staan: de<em> female extreme-adventure tale</em>, de <em>hard-boiled detective</em> en de <em>Catholic-martyr narrative</em>. Het zijn drie genres die in Amerika populair zijn, waardoor de subversieve boodschappen die ze vaak bevatten aan het oog ontsnappen van cultureel correct denkende mensen.</p>
<p>Eigenlijk moet Corrigan twee keer schipperen. Ze moet haar highbrow studies paren aan haar voorliefde voor genrefictie, en ze moet haar Iers-katholieke achtergrond paren aan haar academisch-linkse feminisme. Het hoeft niet te verbazen dat het essay hiervoor de aangewezen vorm is en dat die vorm haar ook het beste ligt. Naar eigen zeggen werd ze niet aangenomen voor een lesopdracht aan Columbia University, New York, omdat haar dissertatie &#8220;een methodologie ontbeerde&#8221;. Gebrek aan methodologie in onderhavig boek vangt ze op met haar geliefde puntkomma.</p>
<blockquote><p>The semicolon is my psychological metaphor, my mascot. It’s the punctuation mark that qualifies, hesitates, and ties together ideas and parts of a life that shoot off in different directions. I think my reliance on the semicolon signifies that I want to hold on to my background – honestly, without sentimentality or embarrassment – and yet, to transcend it. (…)<br />
How do you own you’ve become without losing what you were – and want to keep on being, too? I’m an NPR contributor, college professor, feminist, leftist, person ambivalent about the constraints of family and community; I’m a child of the working class, a mother, a good daughter, a skeptical Catholic, a Queens booster, and a flag waver on the Fourth of July and other national holidays, even before September II. (Why should the right own the flag?) Hence, that semicolon trying to link things that otherthings would spin off and settle into disparate categories.</p></blockquote>
<p>De modellen die Corrigan voor ogen had, zijn <strong>M.F.K. Fisher</strong> en<strong> Laurie Colwin</strong>, die hun recepten prachtig konden vermengen met autobiografische uitwijdingen. Zonder twijfel heeft ze heel wat radiobesprekingen gerecupereerd en samengeknoopt tot een groter geheel. Maar wat ze in haar inleiding vertelt over de inhoud van boeken die je niet kent – dat die kort moet zijn – past ze toe. Haar resumés krijgen altijd betekenisvolle accenten mee.</p>
<p>Twee rode draden springen eruit: de manier waarop <em>vrouwen</em> geportretteerd worden in boeken (zonder drammerig-feministisch te zijn) en de mate waarin een auteur inzoomt op het <em>professionele leven</em> van personages.</p>
<p><em><strong>Vrouw zijn</strong></em><br />
Corrigan houdt zoals gezegd van female extreme-adventure tales. Maar wat moeten we daaronder begrijpen? Zijn dat biografische boeken over vrouwelijke durfallen zoals Jeanne d’Arc, Hariet Tubman, Amelia Earhart, Nellie Bly, Babe Didrikson Zaharias en Vera Brittain? Not quite.</p>
<p>Vrouwelijke avonturenverhalen hebben lang niets te maken gehad met spectaculaire prestaties maar met <em>lijdzaamheid</em>. Als Odysseus de eerste machoheld was, zegt Corrigan, dan Penelope de eerste typische heldin. Zij moet tijdens de reis van Odysseus thuis het hoofd bieden aan hebzuchtige, wanstaltige aanbidders. Ze verbergt dat ze lijdt, wendt haar intelligentie en doorzettingsverogen aan en triomfeert op het einde van de rit.</p>
<p>Mannen wacht Herculische taken, ook in romans. Vrouwen wacht de taken van Sisyphus: moeilijkheden die elke dag terugkeren, desnoods zorgen voor een ziek familielid. Female extreme-adventure tales spelen niet op zee, in de bergen, op ijsvlaktes, maar in de salon, keuken of slaapkamer. Een van de weinige uitzonderingen op die regel is <strong>Jane Eyre</strong>, waarin de heldin ook voor fysieke uitdagingen staat.</p>
<p>Mannen riskeren in het slechtste geval hun leven, vrouwen riskeren in het slechtste geval hun geestelijke gezondheid of hun identiteit. Denk aan <strong>Sylvia Plath</strong> of <strong>Elizabeth Wurtzel</strong>. Vrouwelijke heldhaftigheid bestaat erin dat zij haar kalmte bewaart, het huishouden aan de gang houdt, en emotionele ontberingen doorstaat.</p>
<blockquote><p>Bond sees that it’s a tarantula. The tarantula moves onto his neck, his cheek. Bond remains still. At last, the tarantula crawls off the bed and Bond leaps up and squashes it. Ro save their lives in the extreme adventure of the premodern marriage market, women had no choice but to remain, like Bond, immobile while their lives hung in the balance.</p></blockquote>
<p>Het mannelijke avonturenverhaal is behoorlijk constant gebleven door de eeuwen heen. Boys will be boys. De vrouwelijke variant heeft sinds de vrouwenbeweging in de late jaren zestig wel een evolutie laten zien. Victoriaanse schrijfsters konden maatschappelijk gezien nauwelijks een kant op met hun heldin. Dat is nu anders. Lijdzaamheid blijft een onderdeel, maar de heldin, bijvoorbeeld in de boeken van <strong>Anna Quindlen</strong>, handelt nu ook, oppert bezwaren, gaat zich ontwikkelen om haar kansen in de samenleving te vergroten.</p>
<p>Ook Maureen Corrigan is opgegroeid in een tijd waarin de mogelijkheden voor vrouwen om avontuurlijke horizonten op te zoeken stukken groter zijn dan in de tijd van Daisy Miller, Undine Spragg, Madame Merle, Becky Sharp en Lily Bart. “Mijn grootmoeder emigreerde uit Polen naar de VS in het begin van de twintigste eeuw,” schrijft ze, “en ik ben zelf ook in zekere zin geëmigreerd: van New York naar Philadelphia.” Corrigan ging Engels studeren aan Penn University.</p>
<p>Ivy League, dat spreekt. Maar met enige vertwijfeling weliswaar: ze werd ’s morgens soms wakker met de vraag of ze niet de Verkeerde Afslag had genomen. Een duiveltje op haar schouder hield haar voor dat ze haar jeugd had verkwanseld temidden van boekenkasten. Had ze niet beter het Vredeskorps vervoegd in plaats van dit papieren leven? Neen, uiteindelijk lijkt haar dat typisch een uitspraak voor Bounderbys.</p>
<blockquote><p>I know a fair number of people – let’s call them the Bounderbys – see books only as commodities. (A refresher: Mr. Bounderby is the “eye on the bottom line” businessman whom <strong>Dickens</strong> lampoons in <strong>Hard Times</strong>. One advantage of a grad-school degree in English is that you can insult people more elegantly.) “I like bigger books because you get more for your money,” a Bounderby once half jokingly confided in me. “I read ‘em and I toss’em,” another Bounderby announced when I was visiting her book-free home. Books just don’t register with this crowd. They think I lack common sense; I think they lack a part of their souls.</p></blockquote>
<p><em><strong>Carrière maken</strong></em><br />
De door mannen gedomineerde studies Engelse literatuur bleken niet makkelijk om in te aarden. Mannen bestudeerden boeken van mannen over mannen. Dus was nodig wat <strong>Nancy K. Miller</strong> ‘learned androgyn’ heeft genoemd – het vermogen om een soort geslachtsverandering te ondergaan, een geslachtsverandering van de verbeelding, om je in te leven al die mannelijke helden met mannenproblemen. Corrigan moest ook leren dat een zekere vertrouwdheid met mannenboeken je niet per se helpt om naadloos in een mannenmilieu op te gaan.</p>
<p>Toch wou Corrigan niet opgeven. Terugkeren naar Queens zou ze als een nederlaag aanvoelen. Maar kijk, lesgeven werd leuk en boeken bespreken voor The Village Voice nog meer. Aan Penn University leert Corrigan de gewoontes van de mensen met macht over te nemen – de truc om te overleven van mensen zonder macht.</p>
<p>Iemand die wel indruk maakte was <strong>Jim Doyle</strong>, die haar hielp met haar eindwerk, over de revival van middeleeuwse onderwerpen in de kunst, literatuur en politiek van het Victoriaanse Engeland. Literatuur maakte een verschil in het leven van deze Doyle – boeken speelden voor hem dezelfde rol als de boeken in de levens van de New York Intellectuals of de dichters uit de Eerste Wereldoorlog.</p>
<p>Toch leerde Corrigan in de academische wereld dat het lezen van boeken je niet meteen een beter mens maakt – zelfs geen grappiger, slimmer of meer gecultiveerd persoon. Dat was een openbaring voor haar. Een lastige openbaring ook, voor iemand die als onderwijsopdracht moet volhouden dat boeken toch enige invloed op lezers moeten hebben.</p>
<p>Eén van haar lievelingsboeken is <strong>Lucky Jim</strong> van <strong>Kingsley Amis</strong>. Corrigan heeft in de loop der jaren veel pretentieuze, humorloze mensen ontmoet die <em>Lucky Jim</em> prachtig vinden – het boek waarin dergelijke mensen net belachelijk worden in gemaakt; het boek ook waarna Amis zichzelf als een gesettled figuur ging gedragen.</p>
<p>In <em>Lucky Jim</em> krijgt Dixon de job én het meisje. Fallocentrischer kan haast niet. Moest Corrigeen daarom weer een beroep doen op haar ‘learned androgyny’? Mja, maar dat is voor haar nooit een probleem geweest. Ze studeerde in de tijd voor een tsunami aan <em>cultural studies</em> de unief bedolf. In<em> identity politics</em> in de literatuur heeft ze überhaupt nooit geloofd. Integendeel: voelen wat het is om iemand te zijn die je nooit zult worden, dát is net een van de grootste geschenken die boeken je kunnen geven.</p>
<p>Tegenwoordig is het allemaal ras, klasse en geslacht wat de klok slaat op de Amerikaanse universiteit. Al moeten we dat klassebewustzijn met een korreltje zout nemen, vindt Corrigan. Ras en geslacht, dat zijn de thema’s. Het nadeel van die aanpak, zegt ze heel terecht, is dat men zijn eigen persoonlijkheid (ras, geslacht, seksuele oriëntatie, etnie, religie) als zijn specialisme gaat nemen. Dat bemoeilijkt weer de academische discussie omdat men elke kritiek als een ad hominem aanval ervaart.</p>
<p>Ondertussen heeft Corrigan ook moeten toegeven dat het leven aan de universiteit zijn beperkingen heeft. Ze houdt erg van de roman <strong>Gaudy night</strong> waarin <strong>Dorothy Sayers</strong> het feministische ideaal schetst van intellectueel, emotioneel en financieel uitdagend vrouwenwerk. In die roman droomt een schrijfster van misdaadverhalen om een belangrijke studie te schrijven binnen de muren van de universiteit. Daarbij lonkt als het ware de moederschoot van de academische wereld, waar je in alle rust jezelf intellectueel kan terugvinden. Sayers:</p>
<blockquote><p>If only one could come back to this quiet place, where only intellectual achievement counted; if one could work here steadily and obscurely at some close-knit piece of reasoning, undistracted and uncorrupted by agents, contracts, publishers, blurb-writers, interviewers, fan-mail, autograph hunters, notoriety-hunters, and competitors; abolishing personal contacts, personal spites, personal jealousies; getting one’s teeth into something dull and durable; maturing into solidity like the Shrewsbury beeches—then, one might be able to forget the wreck and chaos of the past, or see it, at any rate, in a truer proportion. Because, in a sense, it was not important. The fact that one had loved and sinned and suffered and escaped death was of far less ultimate moment than a single footnote in a dim academic journal establishing the priority of a manuscript or restoring a lost iota subscript.</p></blockquote>
<p>Het punt is dat Sayers er niet in slaagt die studie boeiender te laten klinken dan de misdaadverhalen van haar heldin. De moederschoot blijkt niet de oplossing. Het plezier dat daar van uitgaat is maar tijdelijk. Vrouwen scheppen hun beste werk niet per se in absolute rust. Wat Sayers in feite doet is de stelling van <strong>Virginia Woolf</strong>, dat vrouwen een kamer voor zichzelf nodig hebben – <a href="http://prinsvandenemarken.blogspot.be/2011/11/composition-seems-to-me-impossible.html">een legitieme wens</a> – problematiseren.</p>
<p>Een van zorgen vrije wereld voor vrouwen lijkt ook nog niet voor morgen. <strong>Barbary Pym</strong> zorgde thuis voor tante.<strong> Toni Morrison</strong> werkte jarenlang als redacteur terwijl ze schreef. <strong>Mary Higgins Clark,</strong> de Amerikaanse ‘queen of suspense’, was een jonge weduwe die haar vijf jonge kinderen moest opvoeden en een fulltime job als maker van radioscripts had toen ze haar eerste thriller schreef. <strong>P.D. James</strong> begon haar schrijverscarrière terwijl haar man met schizofrenie worstelde na zijn dienst in de Tweede Wereldoorlog. Vrouwen moeten altijd jongleren met hun tijd.</p>
<p><em><strong>Werken</strong></em><br />
Helpen boeken je met leven? Ja en neen, moeten we uit <em>Leave me alone, I’m reading</em> opmaken. Het ligt subtiel. Boeken maken het leven vaak moeilijker: Corrigan werd door boeken gedreven naar een weinig vanzelfsprekende studie- en werkomgeving. Maar boeken helpen die nieuwe moeilijkheden vaak te overwinnen.</p>
<p>Net zoals boeken haar geest hadden vrijgemaakt om een dochtertje uit China te adopteren, heeft de hard boiled detective, een genre dat Corrigan pas aan de universiteit ontdekte, haar leven een nieuwe dimensie gegeven. Ze hield van de personages van <strong>Dashiel Hammett</strong>. Hoe wild waren ze, hoe knap, slim, ruw, direct. Ze waren <em>self-educated</em> én zelf-destructief. Ze hadden geen religie maar waren niet verstoken van idealen.</p>
<p>De hard boiled detectives voedden de wraakfantasieën van Corrigan tijdens haar jaren aan de unief. Hier waren echte mannen aan het werk in plaats van kamergeleerden. De boodschap die de grote schrijvers van de hard-boiled traditie brengen – Hammett, <strong>Chandler</strong>, <strong>Macdonald</strong>, <strong>Himes</strong>,<strong> Robert B. Parker</strong> – is duidelijk: te veel geld corrumpeert de ziel. Het maakt mannen week: de luxe en vrije tijd die je met geld kan kopen is hoogst on-Amerikaans. Geld is voor een detective nooit het belangrijkste, wel eerlijkheid, integriteit en trots.</p>
<p>De Amerikaanse samenleving en haar problemen (werk, familie, raciale spanningen, sociale klassen) hebben altijd de detective doordrongen. Het aspect dat Corrigan vooral aansprak was werk. Niet alleen de <em>working-class</em> toon van de schrijver, ook het feit dat werk überhaupt in de roman voorkomt.</p>
<p>Zie maar, de detective is altijd aan het werk: denken, telefoontjes doen, de plaats delict onderzoeken, getuigen ondervragen en welja, booswichten beschieten. Misschien is dit wel het werk waarin iedereen van droomt: niet per se het zwaaien met pistolen en femmes fatales binnendoen, maar dat perfecte evenwicht tussen handwerk en denkwerk. Een detective heeft ook een utopische onafhankelijkheid over hem: hij bepaalt zijn arbeidsvoorwaarden, doet het werk, beslist wanneer het onderzoek gesloten is.</p>
<p>Werk is belangrijk. Het bepaalt voor een groot stuk wie je bent. Werk kiezen is belangrijk. Het bepaalt voor een groot stuk wie je zal worden. Daarom is het raar dat de <em>professional</em> zo stiefmoederlijk behandeld wordt in de romankunst. Romans waarin er met de handen gewerkt werd, waren vroeger zeldzaam. Working-class verhalen waarin vrouwen de hoofdrol bezetten, waren er helemaal niet. <strong>Mary Barton</strong> van <strong>Elizabeth Gaskell</strong> misschien.</p>
<p>Is het omdat literaire personages zo dikwijls maar hebben te wachten tot iets of iemand hun leven komt redden, dat ze zo weinig ondernemingszin aan de dag leggen, of hoe zit dat? Corrigan:</p>
<blockquote><p>The answer to the whodunnit of why work was dumped as the novel’s main subject had to do with centuries of theorizing about the function of art intersecting with the dawning of modern capitalism. From <strong>Plato</strong> onward, philosophers and poets insisted that art should enlighten and elevate. Art has always belonged to the realm of freedom, while work, particularly at the close of the eighteenth century, moved further and further into the realm of necessity. Industrial capitalism made work an even less appealing focus for art because it changed the very nature of work by divorcing the head from the hand. The development of the novel paralleled this split by delving deeper into the head and caring less about what the hand was doing. The public and private spheres also became more rigidly separated under industrial capitalism: the mill was where people had to go for a certain number of hours every day in order to make a living; but that by-product of work – a living – was consumed at home. Storytellers, always on the lookout for a good time, found the private sphere much more diverting than they the cramped and coerced public sphere of work.<br />
Other culprit also had a hand in shangaiing work out of the novel. The people who determined aesthetic values and the people who wrote novels were not, in most instances, the kind of people who worked in the fields or, later, the factories. The novel didn’t have to ignore physical labor, but most middle- and upper-class novelists were strictly brainworkers who failed to see the imaginative possibilities in other forms of work. It’s not surprising that the early novelists, heirs to some two thousand years of elitist aesthetic theory, should dismiss common toil as an unworthy subject of contemplation.</p></blockquote>
<p>Romans, als ze al over werken gaan, gaan over het produkt van die arbeid, of de dramatische aspecten, niet over het werken zelf. Corrigan noemt als een van de weinige tegenvoorbeelden <strong>The ragged trousered philanthropist</strong>s van <strong>Robert Tressell</strong>, maar verder zijn het vooral de hard-boiled detectives die de lezer het plezier verschaffen om een pro aan het werk te zien wiens werk zin heeft. Modernisten esthetiseren te veel. <strong>Havey Swados</strong>, <strong>Marge Piercy</strong>, <strong>John Sales</strong>, <strong>Don DeLillo</strong> en <strong>Nelson Algren</strong> schrijven over werken om het te marginaliseren. Negentiende-eeuwers behandelen werk vooral als iets om zo snel mogelijk aan te ontsnappen.</p>
<blockquote><p>The great Marxist literary critic <strong>Raymond Williams</strong> claimed that the inheritance plot and the marital-property settlement furnished roughly 90 percent of the basic structures of the nineteenth-century novel. This pattern holds true even for most nineteenth- and twentieth-century working-class fiction, which tended to reproduce dominant bourgeois forms. (The masons, yeomen, gardeners, and miners of <strong>Hardy</strong>, <strong>Lawrence</strong>, and <strong>Richard Llewellyn</strong> tell us less about how they work than about how they escape work through love and university scholarships.) Even that pantheon of English industrial-reform novels – books like <em>Mary Barton</em>, <strong>Shirley</strong>, <em>Hard Times</em>, and <strong>Felix Holt, the Radical</strong> – concentrates on class relations, which often translate as interclass romances, rather than on the hard day’s work the characters do.</p></blockquote>
<p>In zijn belangrijke boek <strong>The rise of the novel</strong>, noemt <strong>Ian Watt</strong> Robinson Crusoe de eerste romanfiguur die zich bezighoudt met dagdagelijkse karweitjes &#8212; die trouwens goed in beeld worden gebracht door de auteur.</p>
<p>Watt gaat zelfs een stap verder: het Puriteinse concept dat werk waardig is, was de basis<em> voor de roman als genre</em>. <strong>Defoe</strong> bewees dat het leven van een individu voldoende belangrijk is en onderwerp kan zijn als onderwerp voor literatuur. Corrigeen twijfelt aan die stelling en merkt op dat dat eigenlijk al niet meer opgaat wanneer we de boeken van tijdgenoten als <strong>Samuel Richardson</strong>,<strong> Henry Fielding</strong> en <strong>Laurence Sterne</strong> lezen. Toch deed Defoe iets uitzonderlijks:</p>
<blockquote><p>What is surprising is that the very first novel explicitly focused on the barbarism of its own artistic origins. Robinson Crusoe entertains, elevates, and educates us as it imagines what one man does with his mind and hands every day. Defoe managed the near impossible because he set his novel about work on a remote island where he could elaborate on his utopian vision of work as both essential and satisfying, giving his well-bred hero an “excuse” to engage in manual as well as mental labor.<br />
Readers misled by the Fantasy Island locale think of <strong>Robinson Crusoe</strong> primarily as a travel tale or extreme-adventure narrative. They should think again. It takes Crusoe only five chapters to “commute” to work on his island. For the next twenty-five chapters – and thirty-five years – he’s a regular. Mr. Fix-It: in addition to building a fortress, he catches and cooks turtles, dolphins, and goats; he makes furniture, clothes, and a canoe; he sows corn and bakes bread; he surveys the island and keeps a journal. Generations of readers, bored with their own alienating, repetitious jobs, have been mesmerized by Crusoe’s essential, civilization-building chores.</p></blockquote>
<p>In 1983 publiceerde <strong>Frank Lentricchia</strong> zijn baanbrekende boek <strong>Criticism and social change</strong>. Het hielp de <em>blue collar worker</em> introduceren als onderwerp voor academische studie. Ook Corrigan liet zich erdoor inspireren. Ze ging hard-boiled detectives lezen om te ontdekken dat ze de populaire Amerikaanse variant waren van de Britse negentiende-eeuwe highbrow sociale kritiek (<strong>William Cobbett</strong>,<strong> Thomas Carlyle</strong>,<strong> John Ruskin</strong>, <strong>William Morris</strong>) waar haar dissertatie over ging. Ze geeft er nog altijd les over en stelde er een tweedelige bloemlezing uit samen.</p>
<p>Het vrouwelijke misdaadverhaal – type <strong>Sue Grafton</strong>, <strong>Sara Paretsky</strong>, <strong>Lisa Scottoline</strong>, <strong>Liza Cody</strong>, <strong>Val McDermid</strong> – ziet Corrigan als een soort utopische versie van de actieve vrouw in de samenleving. De vrouw die fysieke gevaar trotseert, psychologische stress het hoofd biedt en levensbedreigende situaties countert met daden.</p>
<p>Identificatie met vrouwelijke detectives zullen je evenwel niet moediger maken in het echte leven, grapt de schrijfster, die controversiële denkbeelden nog altijd veel liever optekent, dan dat ze ze uitspreekt tegenover mensen.</p>
<p><em><strong>Je wortels herontdekken</strong></em><br />
Maureen Corrigan kreeg door het vele lezen een bredere blik op de wereld. Als netto resultaat levert zo&#8217;n brede blik op dat hij problemen helpt oplossen die door de brede blik worden geschapen <em>in the first place</em>. Ook in haar huwelijksleven is dat het geval.</p>
<p>Corrigan kwam uit een Iers-Pools katholiek gezin. Op de universiteit kwam ze haar partner tegen, een joodse atheïst. Beiden waren belezen eenzaten met een neiging tot overintellectualiseren. Dus maakte Corrigans leesbagage dat ze wel oppaste om zich in een “heteroseksueel huwelijksplot” te storten met alle gevolgen die ze zich nog uit haar lectuur van <strong>Jane Austen</strong> en Dorothy Sayers herinnerde van dien.</p>
<p>Aan de andere kant werden de problemen die de niet voor de hand liggende relatie stelde, ook opgelost door de intellectuele bagage van het tweetal.</p>
<blockquote><p>After spending years in the company of characters whose ethnic, religious, racial, and class backgrounds differed from mine, I didn’t regard it as such a big deal to step outside my own context and be with someone “not of our faith”. My reading, and the life it helped create for me, put me more and more in contact with folks, fictive and real, who would have stuck out in Sunnyside.</p></blockquote>
<p><em>Leave me alone, I’m reading</em> beschrijft in welke mate Corrigan nog gelovig is en hoe dat doorwerkt in haar leven. Een priester noemde haar een skeptische katholiek. Het Kerk als instituut, de bijbelverhalen en het leven na de dood, daar heeft ze allemaal serieuze bedenkingen bij. Maar ze bidt nog af en toe, dankgebeden en smeekgebeden, en ze gaat regelmatig naar de mis. Ze koestert de herinneringen aan haar katholieke jeugd.</p>
<p>Corrigan houdt van boeken die niet openlijk tevreden zijn met hun eigen brille, type Woolf en <strong>James</strong>. Literatuurtheorie die zichzelf de meerdere waant van de boeken die worden geanalyseerd, daar moet ze ook niets van hebben. Ze houdt van boeken waarin de held een wankelbaar zelfvertrouwen aan de dag legt.</p>
<p>So far so good. Maar door de populariteit van de hedendaagse katholieke roman met moderne martelaren als hoofdpersonage (<strong>Marie Killilea</strong>, <strong>Tom Dooly</strong>, <strong>Alice McDermott</strong>, <strong>Mary Gordon</strong>) ziet ze nu in dat haar religieuze wortels deels haar vooroordelen bij het lezen bepaalden.</p>
<p>Met name de idee van <em>superioriteit door lijdzaamheid</em>, typisch voor de situatie van vóór Vaticaan II, is voor haar zeer herkenbaar. In zijn memoires over zijn Iers-katholieke jeugd in de jaren veertig en vijftig in Manchester, schrijft <strong>Terry Eagleton</strong> dat het de grootste wens was van zijn familie om ‘We Were No Trouble’ op hun grafstenen achter te laten.</p>
<p>Een paar spectaculaire uitzonderingen als de Kennedy&#8217;s daargelaten, is het katholicisme ook geen religie die je associeert met de heersende klasse in Amerika. Het is een religie voor immigranten van de eerste en tweede generatie. Die dus veel te verduren krijgen en zich in allerlei situaties moeten schikken. Het katholicisme nu leert je dat martelaarschap aan: verduren wat je te verduren krijgt. “Gloomy children never grow / into handsome people.” Lach je zorgen weg en wees blij met wat je hebt.</p>
<p>Het nadeel is het ingesleten meerderwaardigheidscomplex van de katholiek. Lees er de katholieke romans maar op na, zegt Corrigan. De katholieke helden worden gered op het laatst, terwijl hun hebberige, afgunstige antogonisten ten onder gaan. Zelfs als ze het onderspit moeten delven weten katholieke martelaren diep vanbinnen dat ze toch beter zijn: hun zelfopoffering is het enkel het bewijs van het superioriteit.</p>
<blockquote><p>As kids, we were taught to be the psychological equivalent of Navy SEALs – an elite parochial unit, drilled to take life’s blows on the chin without wincing. Or to stand in the bitter winds of winter, coatless, without complaining. If we did feel pain, well, we were supposed to. After all, we Catholics – not the Jews and certainly not the baffling Protestants, who had broken away from the one true Church – really were God’s “chosen people.”</p></blockquote>
<p>Corrigan vraagt zich af of ze haar religieuze neigingen en offervaardigheid niet gewoon heeft afgeleid naar haar job: een leven in Dienst van de Literatuur, als boekbespreker en als hoogleraar.</p>
<p>&gt; lees een fragment uit dit boek op <a href="http://prinsvandenemarken.blogspot.be/2011/11/composition-seems-to-me-impossible.html">Prins van Denemarken</a><br />
&gt; selectieve bibliografie in de reacties hieronder</p>
<p><strong>Maureen Corrigan, <em>Leave me alone, I’m reading</em></strong><br />
<em><strong> Finding and losing myself in books</strong></em><br />
<strong> 201 p.</strong><br />
<strong> Uitgeverij Random House, 2005</strong></p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.achillevandenbranden.net/2013/05/leave-me-alone-im-reading-maureen-corrigan/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>1</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Vrouwen zijn mislukte mannen &#8211; Benoîte Groult (samenst.)</title>
		<link>http://www.achillevandenbranden.net/2013/05/vrouwen-zijn-mislukte-mannen-benoite-groult-samenst/</link>
		<comments>http://www.achillevandenbranden.net/2013/05/vrouwen-zijn-mislukte-mannen-benoite-groult-samenst/#comments</comments>
		<pubDate>Wed, 08 May 2013 17:30:04 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Achille van den Branden</dc:creator>
				<category><![CDATA[recensies]]></category>
		<category><![CDATA[aforismen]]></category>
		<category><![CDATA[Benoîte Groult]]></category>
		<category><![CDATA[citaten]]></category>
		<category><![CDATA[cultuurgeschiedenis]]></category>
		<category><![CDATA[feminisme]]></category>
		<category><![CDATA[Franse cultuur]]></category>
		<category><![CDATA[Franse schrijvers]]></category>
		<category><![CDATA[mannen en vrouwen]]></category>
		<category><![CDATA[misantropie]]></category>
		<category><![CDATA[schrijfsters]]></category>
		<category><![CDATA[uit 1993]]></category>
		<category><![CDATA[vertaald uit het Frans]]></category>
		<category><![CDATA[wereldgeschiedenis]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.achillevandenbranden.net/?p=7855</guid>
		<description><![CDATA[<p><span style="color: #666666;"><strong><a href="http://www.achillevandenbranden.net/wp-content/uploads/2013/05/vrouwen-zijn-mislukte-mannen-groult.gif"><img class="alignleft size-full wp-image-7856" alt="vrouwen zijn mislukte mannen - groult" src="http://www.achillevandenbranden.net/wp-content/uploads/2013/05/vrouwen-zijn-mislukte-mannen-groult.gif" width="100" height="160" /></a>“Het is, zeer nobele ridder, het kenmerk van een grove, bezoedelde en lage geest om de schoonheid van een vrouwenlichaam als onderwerp van constante ijver te kiezen. Goede God, kan men een nog lager en nog weerzinwekkender schouwspel onder ogen krijgen dan dat van een peinzende, gekwelde, melancholieke man… die zich de tirannie moet laten welgevallen van een stom, imbeciel, onwaardig en smerig stuk vuil!”</strong></span></p>
<p>Mag ik u voorstellen? Hier [...]</p>]]></description>
				<content:encoded><![CDATA[<p><span style="color: #666666;"><strong><a href="http://www.achillevandenbranden.net/wp-content/uploads/2013/05/vrouwen-zijn-mislukte-mannen-groult.gif"><img class="alignleft size-full wp-image-7856" alt="vrouwen zijn mislukte mannen - groult" src="http://www.achillevandenbranden.net/wp-content/uploads/2013/05/vrouwen-zijn-mislukte-mannen-groult.gif" width="100" height="160" /></a>“Het is, zeer nobele ridder, het kenmerk van een grove, bezoedelde en lage geest om de schoonheid van een vrouwenlichaam als onderwerp van constante ijver te kiezen. Goede God, kan men een nog lager en nog weerzinwekkender schouwspel onder ogen krijgen dan dat van een peinzende, gekwelde, melancholieke man… die zich de tirannie moet laten welgevallen van een stom, imbeciel, onwaardig en smerig stuk vuil!”</strong></span></p>
<p>Mag ik u voorstellen? Hier spreekt <strong>Giordano Bruno</strong>, de Copernicaanse martelaar en held van de wetenschappelijke revolutie, in één van zijn <a href="http://www.esotericarchives.com/bruno/furori.htm">mindere momenten</a>. Het is één van de 2000 misogyne quotes die Benoîte Groult opduikelde uit het werk van filosofen, godsdienstige leiders, bestuurders, wetgevers en andere vrouwenhaters door de eeuwen heen. Ook van vrouwen zelf.</p>
<p>Nooit geweten dat de inmiddels stokoude Franse schrijfster van <strong>Zout op mijn huid</strong> een militante feministe was. En ik moet zeggen, ik was meer onder de indruk van deze citatenbundel dan van haar romans.</p>
<p>Niet door de selectie zelf, die per definitie gekleurd is, niet wordt afgezet tegen historische <em>vrouwvriendelijke</em> citaten en daarom moeilijk te wegen is. Wel door het gemak waarmee de samenstelster citaten kon sprokkelen uit alle tijdvakken en milieus – ook onverdachte kringen zoals de ons altijd aangeprezen Verlichtingsdenkers en sociaal-revolutionairen – én door de consistente lijn die in de argumentatie schuilt.</p>
<p>Consistente lijn? Welja. Vrouwenhaat ervoer ik tot nu toe als een redelijk flou begrip. Na dit boek weet ik dat vrouwenhaat er vooral in bestaat vrouwen te verwijten dat ze niet zo mannelijk zijn als mannen. Dat is althans de rode draad bij Groult. <strong>Aristoteles</strong> dacht al men zekerheid te kunnen stellen “dat de vrouw slechts een mislukte man is, een vergissing van de natuur, het resultaat van een constructiefout”. <strong>Paulus</strong> definieerde &#8216;vrouw&#8217; als “een onvolmaakt evenbeeld van de man”.</p>
<p><span id="more-7855"></span>Tweeduizend jaar lang is men nooit van de typische kwaliteiten van vrouwen uitgegaan. Op de kwaliteiten ‘zorgzaamheid’ en ‘onderdanigheid’ na dan, die goed van pas kwamen om de man en het huishouden te dienen. Voor de rest waren vrouwen alleen goed als recipiënt voor mannen om de natuurlijke behoefte in te doen. De klassieke auteurs begonnen met deze neerbuigende houding. De katholieke kerkvaders perfectioneerden de kunst.</p>
<p>De Verlichting bracht weinig verlichting op dat punt &#8212; goed dat ik daaraan herinnerd werd. De hele Franse Revolutie stond bijvoorbeeld afkerig tegenover vrouwen in de politiek. Het duurde tot de negentiende eeuw eer men gelijke juridische rechten voor vrouwen in overweging nam. De citaten die Groult plukt uit het gewoonterecht van de Germanen, de Saksische wet, de jurisdictie van de Bourgondiërs, de code Napoleon, en noem maar op, liegen er niet om.</p>
<p>Financiële onafhankelijkheid en neutrale beroepskeuzevoorlichting zouden nog langer op zich laten wachten. De achterstelling van de vrouwen in een aantal Arabische landen en in het kerkelijk recht gaat tot op vandaag voort.</p>
<p>Groult spreekt van een perpetuum mobile.</p>
<blockquote><p>A. – De eerste filosofen uit de oudheid of de kerkvaders in het geval van het christendom decreteerden dat vrouwen zwak van geest en gestel geboren werden en niet in staat waren tot redeneren en tot scheppen.</p>
<p>B. – Dientengevolgde werd het nutteloos hen te onderwijzen en gevaarlijk hen te laten deelnemen aan staatszaken.</p>
<p>C. – De onwetendheid en de onbekwaamheid die daaruit voortvloeiden maakten het een nieuwe generatie filosofen mogelijk om treurig te constateren dat die wezens ‘niet in staat waren tot redeneren en tot scheppen’ en te concluderen dat het raadzaam was hen onderworpen te houden, thuis bij de vader of de echtgenoot.</p>
<p>Terug naar vakje A! We staan voortdurend weer op het vakje Start op het Ganzenbord van de rechten van de vrouw!</p></blockquote>
<p>Daarbij zij opgemerkt dat de historische inleiding van Groult alleen de laatste tweeduizend jaar beslaat en katholiek en eurocentrisch is. Er valt bij wijze van tegengewicht genoeg te zeggen over de matriarchale culturen van het oude Kreta, Sumerië, de Hopi-indianen en een aantal Oceanische volken.</p>
<p>Een geactualiseerde versie van dit boek zou dan weer bulken van de citaten uit de Koran. Ook in de vaak als sympathieker gepercipieerde denkramen uit het Verre Oosten, zoals het boeddhisme, valt genoeg vrouwenhaat bijeen te rapen.</p>
<p><em><strong>Een binnenstebuiten gekeerd mannetje</strong></em><br />
Vrouwenhaat heeft met macht te maken. Elites waren meestal mannengemeenschappen. Mannen bezaten kennis en macht, en dus prestige en gezag. Door hun stemmingmakerij en hun wereldbeeld had de vrouw geen andere bestemming dan zich in dienst te stellen van de man, van hem te houden, hem nakomelingen te verschaffen en zich zwijgend en gehoorzaam thuis op de achtergrond te houden. Het patriarchaat ging door voor een vanzelfsprekende maatschappijvorm.</p>
<p>Men benadrukte voortdurend de verschillen tussen mannen en vrouwen. Het is immers handig, schrijft Groult, om een zondebok binnen handbereik te hebben. Verleidelijk ook, om je eigen sekse goedkoop op te waarderen door op de andere af te geven.</p>
<p>Of rabbijnen, kerkvaders, pausen, aartsbisschoppen, imams of ayatollahs nu de lakens uitdelen – het maakt niet uit. Vrouwen varen altijd slecht onder godsdienstige systemen. Wie het over monotheïsme heeft, heeft het over een mannelijke almachtige God zonder echtgenote of vrouwelijke nakomelingen en dus over een patriarchale maatschappij.</p>
<p>Het christendom predikte de afkeer voor lichamelijkheid en seksualiteit, en de vrouw werd in dat kader al snel gezien als een bron van ellende, als een soort tussenvorm tussen de man en het dier. Voor de drie grote monotheïstische godsdiensten was de menstruerende vrouw onrein. De bevalling had al niet veel meer aanzien. Verkrachte vrouwen &#8212; niet de verkrachters &#8211; waren schuldig tegenover God.</p>
<p>Dat vele artsen tot de geestelijkheid behoorden hielp niet om de situatie recht te zetten. Van een onafhankelijke wetenschappelijke dialoog was anderhalf millennium geen sprake. Heel lang hebben medische schrijvers evangelische waarheden een wetenschappelijk tintje gegeven.</p>
<p>Te beginnen bij <strong>Hippocrates</strong>: “De vrouw heeft een vochtig, sponsachtig en koud temperament,” schreef hij, “terwijl de man daarentegen droog en warm is.” <strong>Galenus</strong>, wiens invloed op de westerse geneeskunst nauwelijks te overschatten valt, deed er nog een schepje bovenop: “Bij de man is het menselijk geslacht volmaakter dan de vrouw”. Voor Galenus was een mensenvrouwtje een binnenstebuiten gekeerd mannetje.</p>
<p>De lichaamsbouw van de vrouw was zo weinig gespecifieerd dat er <em>tot in 1668</em> geen speciaal woord bestond om de vagina aan te duiden, niet in het Latijn, niet in het Grieks, noch in de Europese talen. Bij de anatomische ontdekkingen vanaf de zeventiende eeuw zocht men eerst wat de heersende seksistische opvattingen ondersteunde. Groult:</p>
<blockquote><p>Bij de klassieken was de gebrekkigheid van de vrouw een wetenschappelijke waarheid, bij de christenen werd ze een goddelijke openbaring en voor de moderne geneeskunst weer wetenschappelijke waarheid!</p></blockquote>
<p>In Frankrijk noemt 62% van de bewoners zich katholiek (cijfers uit 2003). Het hoeft daarom niet te verbazen dat Groult vooral aan de katholieke traditie aandacht schenkt. Daar is ook alle reden toe. Al vanaf het boek Genesis wordt de man als moreel superieur aan de vrouw afgeschilderd. Het is immers Eva die de zondeval uitlokt en zo de oorzaak is van de vrouwenhaat in de Middeleeuwen.</p>
<p>De middeleeuwse bijbelverklaarders <strong>Augustinus</strong> en <strong>Hiëronymus</strong> zorgden ervoor dat ze de versie van Genesis volgden met de successieve scheppingen (eerst man, dan vrouw &#8211; er bestaat ook een versie van Genesis waarbij man en vrouw <em>gelijktijdig</em> worden geschapen!) zodat Eva tot een bijprodukt van de man werd gemaakt.</p>
<p>En goed, de Griekse mythologie kent ook wel een Pandora, die haar nieuwsgierigheid niet kon bedwingen en het vat – geen doos, zoals vaak wordt aangenomen – waarin alle ongelukken van de wereld zaten opgesloten, opende. Maar zij was wel een straf van Zeus om onheil over de mensen te brengen, nadat Prometheus vuur uit de hemel gestolen had.</p>
<p>Hoe invloedrijk de Kerk was, is goed af te lezen aan de geschiedenis van het woordenboek, vertelt Groult. Tot aan de Renaissance komen woordenboeken heel weinig voor in Europa. Voor de kern bleef de enige bron voor de taal de bijbel, in de vertaling van Hiëronymus. Om de vrouw te definiëren neemt men dus tot aan het midden van de zestiende eeuw genoegen met de typeringen die het Oude en het Nieuwe Testament gaven.</p>
<p>De eerste woordenboeken die de nationale talen (Frans, Engels, Duits) wilden codificeren, wachtten zich ervoor af te wijken van de wijze voorschriften die de bijbel gaf. (Bottomline: de vrouw is door God geschapen om de man te dienen en kinderen te baren.) Tot in de negentiende eeuw zijn adjectieven die vaak gebruikt worden in de ingang ‘vrouw’: week, dik, schaamteloos, onkuis, wispelturig, lichtzinnig, koket, doortrapt, berekenend, sentimenteel, angstig enzovoort.</p>
<p>De voorbeelden zijn daarbij ontleend aan de bijbel (Prediker) en de vrouwenhatende pedagogen en filosofen. Citaten zijn altijd afkomstig van mannen; zelfs bij de ingang ‘feminist’ heeft een negentiende-eeuwe Frans woordenboek het alleen over Saint-Simonianen en Fourieristen.</p>
<p>Tot in de negentiende eeuw werden vrouwen vaak opgesloten in vrouwenhuizen en kloosters, waarvan er tot dan ook heel veel waren. Ontsnapping was moeilijk en werd streng gestraft. Ook na de invoering van het algemeen kiesrecht werden feministisch denkende mannen als <strong>Condorcet</strong>, <strong>Stuart Mill</strong>, <strong>Fourier</strong> (die het woord ‘feminisme’ muntte in 1837) of <strong>Adler</strong> nog lang als zonderlingen gezien.</p>
<p>Een van de meest sprekende citaten uit het boek vond ik de visie van Pierre de Coubertin, instigator van de moderne Olympische Spelen, die de spelen voor vrouwen “ondenkbaar, niet uitvoerbaar, onesthetisch en ongepast” achtte.</p>
<p>Drie tactieken restten de twintigste eeuw om de vrouw te kleineren. Men ging om te beginnen haar seksualiteit aanvallen. Zo was daar het Freudianisme, met zijn leer van de penisnijd. In de Larousse van de twintigste eeuw wordt in 1930 als een vanzelfsprekendheid gepresenteerd dat de “vrouw onbegrijpelijk blijft en wordt beheerst door haar psychoseksualiteit”.</p>
<p>Vrouwenhaters die stelden dat feministen, arrivisten en carrièrejaagsters alleen maar lelijke wijven waren die nodig een beurt moesten hebben, werden pas in de jaren zestig tegengesproken: <strong>Masters</strong> en <strong>Johnson</strong>, het beroemde <strong>Kinsey Rapport</strong> en het <strong>Hite Rapport</strong> stelden dat naarmate vrouwen meer toegang hadden tot de cultuur en hooggekwalificeerde beroepen zij meer kans hadden op een goed ontwikkeld seksleven.</p>
<p>Voorts doet intellectuele neerbuigendheid het altijd goed. Dan verklaren mannen dat er nooit een vrouwelijke <strong>Plato</strong>, <strong>Goethe</strong> of <strong>Michelangelo</strong> heeft bestaan. “Alsof het feit alleen al dat ze een penis bezitten hen tot mede-auteurs van de <strong>Divina Comedia</strong> maakt!” schrijft Groult. Tot in 1990 kwam er in het meest gangbare Franse woordenboek, de <strong>Petit Larousse</strong>, geen lemma ‘Marie Curie’ voor. Alleen Pierre Curie stond erin met de vermelding dat hij “met zijn vrouw” het radium ontdekte.</p>
<p>Een laatste redmiddel is de conservatieve kaart trekken. Intimideren, en zeggen dat geëmancipeerde vrouwen de fundering van de maatschappij, het gezin, bedreigen. Voor het hedendaagse feminisme haar intrede deed, schrijft Groult, definieerden de woordenboeken de vrouw niet als een mens, maar als de partner van de man. De vrouw is kamermeisje, huishoudster en werkster.</p>
<p><em>Vrouwen zijn mislukte mannen</em> is een boek van een verbijsterende eentonigheid. Na lectuur snak je zowaar naar een stukje hoofse lyriek. Tegelijk heb ik allicht meer plezier gehad aan deze bundel dan geoorloofd.</p>
<p>De goedgelovigheid, behaagzucht en wansmaak van bepaalde vrouwen in mijn autobiografie hebben soms zo sterk op mijn zenuwen gewerkt – <a href="http://www.achillevandenbranden.net/2011/12/het-leesjaaroverzicht-van-achille-van-den-branden-2011/">een enkele keer dodelijk gekwetst</a> – dat er weinig nodig is om mijn lach op te wekken. Groult duikt veel oude schrijvers op, natuurlijk, en schrijvers weten hoe ze een <em>pun</em> moeten maken.</p>
<p>&gt; lees een fragment uit dit boek op <a href=" http://prinsvandenemarken.blogspot.com/2012/02/niet-een-boek-of-een-pen-maar-een.html">Prins van Denemarken</a><br />
&gt; selectieve bibliografie in de commentaren hieronder<br />
&gt; <a href="http://publishing.cdlib.org/ucpressebooks/view?docId=ft809nb586;chunk.id=0;doc.view=print">Misogyny, misandry, and misanthropy</a> [full text]</p>
<p><strong>Benoîte Groult, <em>Vrouwen zijn mislukte mannen</em></strong><br />
<em><strong> 2000 jaar minachting voor de vrouw in 2000 citaten</strong></em><br />
<strong> 247 p.</strong><br />
<strong> Uitgeverij Arena (Platina Paperbacks), 1995</strong><br />
<strong> Oorspr. <em>Cette mâle assurance</em> (1993)</strong><br />
<strong> Vertaald door Nini Wielink</strong></p>
<p>&nbsp;</p>
<p><em>Kleine bloemlezing. Citaten met een * vond ik hoogst vermakelijk.</em></p>
<p><strong>De geestelijkheid</strong><br />
En de Heer God zei: ‘Het is niet goed dat de man alleen zij. Ik zal hem een hulp maken die op hem lijkt.’<br />
<strong>Genesis</strong></p>
<p>Van duizenden heb ik er één goed gevonden en van alle vrouwen niet een.<br />
<strong>Prediker</strong></p>
<p>*Dank u, God, dat u mij als man geboren hebt laten worden.<br />
<strong>Dagelijks gebed van de joden</strong></p>
<p>Laat de vrouw in stilte, in alle onderworpenheid de voorschriften ter harte nemen. Ik sta niet toe dat de vrouw onderwijst, noch dat zij de man de wet voorschrijft, laat zij zich stil houden; want Adam werd als eerste geformeerd, daarna Eva. En niet Adam is bedrogen, maar de vrouw, die verleid is en ertoe is gekomen de overtreding te begaan. Zij zal echter verlost worden door het moederschap, als men met bescheidenheid volhardt in geloof, liefde en heiligheid.<br />
<strong>Paulus</strong></p>
<p>Het enige verschil tussen de echtgenote en de courtisane: zij prostitueert zich voor één man liever dan voor verscheidene, wat vergeeflijker is.<br />
<strong>Hiëronymus</strong></p>
<p>Iedere vrouw is vatbaar voor de duivel door haar goedgelovigheid, haar ontvankelijkheid, haar zwakke intelligentie. En het beetje geheugen waarover ze beschikt, draagt in geen enkel opzicht bij tot wijsheid.<br />
<strong>Jacobus Sprenger</strong> en <strong>Henricus Institoris</strong></p>
<p>Vrouwen, zei Monsieur de Bonald, maken deel uit van het gezin en niet van de wereld.<br />
<strong>Mgr. Ferdinand Donnet</strong></p>
<p>De vrouw is een moslimfabriek.<br />
<strong>Larbi Bel Hadj</strong></p>
<p>De vrouw is een beest dat niet krachtig en niet stabiel is.<br />
<strong>Augustinus</strong></p>
<p>*De vrouw: een kameel die God ons geeft om de woestijn van het leven te doorkruisen.<br />
<strong>Koran</strong></p>
<p>Niets haalt de geest van de man zo omlaag als de liefkozingen van een vrouw.<br />
<strong>Thomas van Aquino</strong></p>
<p><em><strong>Filosofen en moralisten</strong></em><br />
In het algemeen is ze veel minder sterk dan de man, minder in staat tot langdurige arbeid; haar bloed is wateriger, haar vlees minder compact, haar haren zijn langer, haar ledematen ronder, ze heeft minder gespierde armen, een kleinere mond, meer geprononceerde billen, bredere heupen en een grotere buik. Deze eigenschappen zijn kenmerken voor vrouwen overal op aarde, bij alle soorten, van Lapland tot aan de kust van Guinee.<br />
<strong>Voltaire</strong></p>
<p>Alle opvoeding van vrouwen moet betrekking hebben op mannen. Hun behagen, nuttig voor hen zijn, zich door hen laten beminnen en vereren, hen opvoeden als ze klein zijn, verzorgen als ze groot zijn, raadgeven, troosten, hun het leven aangenaam en gemakkelijk maken: dat zijn te allen tijde de plichten van vrouwen, en dat is wat men hun als kind al moet bijbrengen.<br />
<strong>Jean-Jacques Rousseau</strong></p>
<p>Leg zo nauwkeurig en onpartijdig mogelijk de privileges van de man en de vrouw vast; maar vergeet niet dat bij gebrek aan reflectie en principes niets in het verstand van vrouwen tot een zekere diepte doordringt; dat de begrippen rechtvaardigheid, deugd, ondeugd, goedheid en slechtheid aan het oppervlak van hun geest drijven; dat ze met alle kracht die ze in zich hebben hun gevoel van eigenwaarde en hun persoonlijk belang in stand hebben gehouden; en dat ze, al zijn ze uiterlijk beschaafder dan wij, innerlijk echt primitief zijn gebleven, alleen min of meer machiavellistisch. Ook al hebben wij meer verstand dan vrouwen, zij hebben veel meer instinct dan wij. Het enige wat men hun heeft geleerd, is het op de juiste manier dragen van het vijgeblad dat ze van hun eerste grootmoeder hebben gekregen.<br />
<strong>Denis Diderot</strong></p>
<p>Vrouwen hebben op geen enkel gebied ook maar één meesterwerk nagelaten. Ze hebben noch de <strong>Ilias</strong> of de <strong>Aeneïs</strong> noch ‘Jeruzalem bevrijd’ gemaakt; noch <strong>Phèdre</strong>, <strong>Athalie</strong>, <strong>Rodogune</strong>, <strong>Le Misanthrope</strong>, <strong>Tartuffe</strong> of <strong>Le Joueur</strong>. Noch het Pantheon, de Sint-Pieter, de Medici-Venus of de Apollo van Belvedere… noch de <strong>Uiteenzetting over de Wereldgeschiedenis</strong>, noch<strong> De avonturen van Telemachus</strong>. Ze hebben de algebra niet uitgevonden, en geen telescopen, achromatische lenzen, geen brandspuit, weefgetouw voor kousen, enz.; maar ze doen iets belangrijkers dan dat alles: op hun knieën wordt het voortreffelijkste dat er bestaat gevormd: een fatsoenlijke man en een fatsoenlijke vrouw!<br />
<strong>Joseph de Maistre</strong></p>
<p>De vrouw is een dier met lange haren en korte gedachten.<br />
<strong>Schopenhauer</strong></p>
<p>*De man moet wel een verstandsbijstering hebben gehad om die sekse mooi te noemen die klein van postuur is en smalle schouders, brede heupen en korte benen heeft (…). In plaats van mooi zou je haar beter onesthetisch kunnen noemen.<br />
<strong>Schopenhauer</strong></p>
<p>De vrouw op zich heeft geen bestaansreden. Ze is een soort middenweg tussen de man en de rest van de dierenwereld. Zonder de man zou ze niet verder komen dan de staat van dier.<br />
<strong>Proudhon</strong></p>
<p>Wees dus wat men van u verlangt: zacht, ingetogen, toegewijd, ijverig, kuis, matig, waakzaam, meegaand, bescheiden, en we zullen uw verdiensten niet in twijfel trekken. Het komt eigenlijk steeds op hetzelfde neer: wees een HUISVROUW, dat woord zegt alles.<br />
<strong>Proudhon</strong></p>
<p>De man moet worden opgeleid voor de oorlog en de vrouw voor de verpozing van de krijgsman. Al het andere is dwaasheid.<br />
<strong>Friedrich Nietzsche</strong></p>
<p>Zoals de geslachtsorganen vanuit lichamelijk oogpunt het middelpunt van de vrouw zijn, is de gedachte aan seks het middelpunt van haar geestelijk leven.<br />
<strong>Otto Weininger</strong></p>
<p>Ik heb nog nooit een vrouw ontmoet die in staat was een kwartier lang een redenering te volgen.<br />
<strong>Lamennais</strong></p>
<p>De man is gemaakt om te denken, de vrouw om te beminnen.<br />
<strong>Auguste Comte</strong></p>
<p>*De onontwikkelde, bruisende geest van vrouwen schittert des te meer omdat hij niet wordt verstikt door onverteerbare kennis. Door zijn originele karakter wordt hij pikant; door zijn vrijheid krijgt hij charme. Hun ideeën hebben niets beschaamds, niets gedwongens; hun uitingen zijn het ware afbeeldsel van hun ziel, onregelmatig, maar vol natuurlijkheid en leven; hun conversatie, die altijd levendig en geanimeerd is, kan het wel stellen zonder de wetenschap en heeft van zichzelf een belang dat alle rijkdommen van de geleerdheid er niet aan zouden kunnen geven.<br />
<strong>Dr. Roussel</strong></p>
<p><em><strong>Artsen en wetenschappers</strong></em><br />
*Ik zal geen beschrijving geven van de vrouwelijke organen want die zijn afschuwelijk.<br />
<strong>Linnaeus</strong></p>
<p>Men mag veronderstellen dat de geringe hersenomvang van de vrouw tegelijk voortvloeit uit haar lichamelijke en haar geestelijke inferioriteit.<br />
<strong>Paul Broca</strong></p>
<p>Ik geloof dat alle wetsherzieningen en educatieve hervormingen waarop een man zich in onze maatschappij een positie kan verwerven, de natuur beslist over het lot van een vrouw door haar schoonheid, charme en goedheid te verlenen. (…) De wet en de traditie moeten de vrouw vele rechten toekennen die men haar heeft onthouden, maar haar positie zal dezelfde blijven: in haar jeugd een aanbeden schepsel en in haar volwassenheid een beminde vrouw.<br />
<strong>Sigmund Freud</strong></p>
<p><em><strong>De politici</strong></em><br />
We hebben het algemeen kiesrecht al. Geen sprake van dat we die stommiteit nog eens gaan verergeren.<br />
<strong>Georges Clemenceau</strong></p>
<p>De natuur wilde dat vrouwen onze slaven waren. Ze zijn ons eigendom. Ze behoren ons toe, net als een boom waarvan de opbrengst aan fruit de tuinier toebehoort.<br />
<strong>Napoleon</strong></p>
<p>De jood heeft ons de vrouwen afgenomen door zijn verlangen naar seksuele democratie. Wij, jongeren, hebben als taak de draak te doden om ons opnieuw toe te eigenen wat het heiligste op aarde is, de vrouw als dienares en dienstbode.<br />
<strong>Adolf Hitler</strong></p>
<p>Rustig maar, keukenmeiden!<br />
Boeoe!&#8230; Neem haar mee… Laat je neuken.<br />
Hou je mond, vagina.<br />
<strong>Linkse actievoerders aan de Sorbonne, 1968</strong></p>
<p><em><strong>De schrijvers</strong></em><br />
Je kijkt naar een geleerde vrouw zoals je naar een mooi wapen kijkt: ze is smaakvol geciseleerd, fraai gepolijst en zeer verfijnd uitgevoerd; het is een museumstuk dat je aan liefhebbers laat zien, dat niet gebruikt wordt, dat noch voor de oorlog noch voor de jacht van nut is, net zo min als een manegepaard, als is het het knapste paard ter wereld.<br />
<strong>La Bruyère</strong></p>
<p>Stelt u zich haar eens voor wanneer ze bevalt. Wat heeft het voor zin om enthousiast te worden over een cloaca?<br />
<strong>Markies de Sade</strong></p>
<p>Wat is er lichter dan een veer? – Stof.<br />
Lichter dan stof? – De wind.<br />
Lichter dan de wind? – De vrouw.<br />
Lichter dan de vrouw? – Niets.<br />
<strong>Alfred de Musset</strong></p>
<p>*Vrouwen laten zich nooit vermurwen door argumenten, zelfs niet door bewijzen; ze laten zich alleen vermurwen door gevoel of geweld.<br />
<strong>Alexandre Dumas junior</strong></p>
<p>Mannen als wij hebben een vrouw met weinig opvoeding en weinig opleiding nodig, die slechts blijmoedig en natuurlijk van karakter is, omdat zo’n vrouw ons zal opvrolijken en ons plezier zal doen als een aardig dier.<br />
<strong>Edmond en Jules de Goncourt</strong></p>
<p>Waar is het voor nodig om wraak te nemen op een vrouw? Dat doet de natuur wel; je hoeft maar af te wachten.<br />
<strong>Aurélien Scholl</strong></p>
<p>*Ze is zonder reden diep bedroefd en door een plotselinge inval weer getroost, want haar verdriet en vreugde zijn het werk van haar verbeeldingskracht.<br />
<strong>L.J. Larcher</strong></p>
<p>Vrouwen voelen geen enkele neiging tot emancipatie.<br />
<strong>Rémy de Gourmont</strong></p>
<p>Vrouwen verschillen onderling minder dan mannen: als je er één kent, ken je ze allemaal… hun gedachten, hun gevoelens en zelfs hun uiterlijke vormen lijken op elkaar. Er is weinig verschil tussen de prinses en de wasvrouw…<br />
<strong>Max Nordau</strong></p>
<p>*Zeg tegen een vrouw twee of drie woorden die ze niet begrijpt en die een diepzinnige indruk maken. Ze raakt ervan in de war, maakt zich ongerust, wordt angstig, ze wordt gedwongen na te denken en wordt zich bewust van haar minderwaardigheid waartegen ze geen verweer heeft. Want de rest is kinderspel. Het is natuurlijk niet nodig dat u die woorden zelf wel begrijpt.<br />
<strong>Jules Renard</strong></p>
<p>Altijd weer krijgt de onvermoeibare middelmatigheid van de vrouw de overhand.<br />
<strong>Roger Martin du Gard</strong></p>
<p>Vrouwen zijn als spiegels, ze weerspiegelen maar denken niet.<br />
<strong>Henri Béraud</strong></p>
<p>Bedenk dat ik nooit, maar dan ook nooit, bij een vrouw intelligentie en schoonheid beide tegelijk heb aangetroffen.<br />
<strong>Henry de Montherlant</strong></p>
<p>Vrouwen, dat is het alledaagse op de voorgrond. Daarom moet je bang zijn voor vrouwen.<br />
<strong>Charles-Ferdinand Ramuz</strong></p>
<p>Twee vrouwen die elkaar kussen, zullen me altijd doen denken aan twee boksers die elkaar de hand drukken.<br />
<strong>Sacha Guitry</strong></p>
<p>Wanneer van een vrouw wordt gezegd dat ze heel intelligent is, is dat omdat haar intelligentie overeenkomt met die van een middelmatige man.<br />
<strong>Henri Jeanson</strong></p>
<p>Het zijn stukken speelgoed die jou kapotmaken.<br />
<strong>Henri Jeanson</strong></p>
<p>Ik heb vooral een hekel aan vrouwen die denken dat ze zich kunnen veroorloven lelijk te zijn omdat ze intelligent zijn. Gelukkig ben ik nog nooit een intelligente vrouw tegengekomen.<br />
<strong>Boris Vian</strong></p>
<p>Feministen, jullie zijn lelijk, jullie zijn niet genoeg geneukt, helemaal niet geneukt, niet te neuken. Ik heb nog nooit een verliefde vrouw gezien die feministe was.<br />
<strong>Jean Cau</strong></p>
<p>Willen jullie gespierd worden? Jullie worden alleen maar pezig.<br />
<strong>Stephen Hecquet</strong></p>
<p>Een man die van vrouwen houdt, regelmatig met ze omgaat, ze goed kent, is noodzakelijkerwijs een vrouwenhater.<br />
<strong>Gabriel Matzneff</strong></p>
<p>*Jullie kunnen beter naaien dan wij, en jullie zijn geen grote chirurgen. Jullie zijn beter van de tongriem gesneden en geen grote advocaten.<br />
<strong>Jean Lartéguy</strong></p>
<p>Geen enkel ander dier is minder schoon dan zij; zelfs het varken, hoe bemodderd het ook kan zijn, overtreft hen nog niet in lelijkheid; laat hij die me zou willen tegenspreken de geheime plaatsen maar eens onderzoeken waar ze in hun schaamte de verschrikkelijke instrumenten verbergen die gebruikt worden om hen te ontlasten van hun overtollige lichaamssappen.<br />
<strong>Boccaccio</strong></p>
<p>*Wanneer ik VROUW zeg, bedoel ik een sekse die zo zwak, zo wisselvallig, zo veranderlijk, zo wispelturig en zo onvolmaakt is dat het lijkt alsof de natuur het spoor bijster is geraakt.<br />
<strong>Rabelais</strong></p>
<p>Lelijkheid is bij een duivel minder afschuwelijk dan bij een vrouw.<br />
<strong>Shakespeare</strong></p>
<p>Men hoeft geen aandacht te besteden aan de bezitsters van kutten. Men moet hen behandelen als voorwerpen voor het genot van de nobele helft van de mensheid.<br />
<strong>Markies de Sade</strong></p>
<p>Vrouwen emanciperen is hun bederven.<br />
<strong>Honoré de Balzac</strong></p>
<p>De vrouw is ongekunsteld, dat wil zeggen afschuwelijk.<br />
<strong>Charles Baudelaire</strong></p>
<p>*Nee, m&#8217;n beste, ik ben het er niet mee eens dat vrouwen verstand hebben van gevoel! Ze worden het nooit anders gewaar dan op een persoonlijke en betrekkelijke manier.<br />
<strong>Gustave Flaubert</strong></p>
<p>Er is niet één gedachte die ze zelf hebben. Ze hebben zich meester gemaakt van alles wat mannen hun hebben geleerd, om het verdraaid weer te geven.<br />
<strong>August Strindberg</strong></p>
<p>*De vrouw leeft alleen van indrukken. Ze voelt pas echt dat ze bestaat wanneer ze bemint. De tijd die ze zonder liefde doorbrengt is voor haar slechts een verwarde droom.<br />
<strong>L.J. Larcher</strong></p>
<p>Waar hebben vrouwenhersens zoveel kennis voor nodig? Of je nu de oceaan of een glas water over het oog van een naald heen gooit, er zal altijd maar een druppel water doorheen gaan.<br />
<strong>Jules Renard</strong></p>
<p>*De vrouw is een niet gehouden belofte.<br />
<strong>Claude Mauriac</strong></p>
<p>*Vrouwen hebben alles door; ze vergissen zich alleen wanneer ze nadenken.<br />
<strong>Alphonse Karr</strong></p>
<p>De man is een brein, de vrouw een baarmoeder.<br />
<strong>Jules Michelet</strong></p>
<p>De grote fout bij een vrouw is een man te willen zijn en man willen zijn betekent onderwezen te willen worden.<br />
<strong>Xavier de Maistre</strong></p>
<p>Een vrouwentong is een zwaard dat geen vrouw ooit laat roesten.<br />
<strong>Frans spreekwoord</strong></p>
<p>Houd van je vrouw als van je pereboom en schud haar evenveel door elkaar.<br />
<strong>Pools spreekwoord</strong></p>
<p>Sla je vrouw elke ochtend: als jij niet weet waarom, weet zij het wel.<br />
<strong>Arabisch spreekwoord</strong></p>
<p><em><strong>De vrouwen</strong></em><br />
Er zijn weinig vrouwen die, wanneer ze de gevolgen van het kwaad zien, de oorzaak kunnen opgeven.<br />
<strong>Madame de Maintenon</strong></p>
<p>Vrouwen mogen nooit vergeten dat ze de slaven van de publieke opinie zijn.<br />
<strong>Madame de Maintenon</strong></p>
<p>De zo geroemde waarheidsliefde is vaak alleen maar liefde voor onze meningen, en ook daarin hebben vrouwen een voorkeur voor namaak.<br />
<strong>Gravin de Genlis</strong></p>
<p>*Vrouwen hechten slechts aan het leven door middel van liefdesbanden.<br />
<strong>Madame de Staël</strong></p>
<p>De mooiste deugd, zelfopoffering, is hun genot en hun bestemming.<br />
<strong>Madame de Staël</strong></p>
<p>Denken is voor een groot aantal vrouwen eerder een gelukkig toeval dan een duurzame toestand.<br />
<strong>Daniel Stern</strong></p>
<p>Als we hier nu vanuit gaan: dat zelfopoffering de essentie van de persoonlijkheid van de vrouw vormt en moet vormen, dat ze de weldadige olie is die wordt gegoten over het hele raderwerk van ons bestaan om de bewegingen ervan soepeler te doen verlopen; dat ze tegelijkertijd de zuiverende kracht van onze ziel en de werkzame kracht van ons leven is.<br />
<strong>Gravin Agénor de Gasparin</strong></p>
<p>*Een gedachte moet zelfs voor een intelligente vrouw net als haar dagelijkse chocolademelk zijn: snel, luchtig, lekker en niet te dik.<br />
<strong>Bernadette Jouvin</strong></p>
<p>De vrouw moet haar intellectuele kennis bekopen met het verlies van waardevolle vrouwelijke eigenschappen. Alle onderzoekers zullen bevestigen dat de intelligente vrouw mannelijk is.<br />
<strong>Hélène Deutsch</strong></p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.achillevandenbranden.net/2013/05/vrouwen-zijn-mislukte-mannen-benoite-groult-samenst/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>3</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Het laatste bed &#8211; Hugo Claus</title>
		<link>http://www.achillevandenbranden.net/2013/05/het-laatste-bed-hugo-claus/</link>
		<comments>http://www.achillevandenbranden.net/2013/05/het-laatste-bed-hugo-claus/#comments</comments>
		<pubDate>Tue, 07 May 2013 13:30:59 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Achille van den Branden</dc:creator>
				<category><![CDATA[recensies]]></category>
		<category><![CDATA[familierelaties]]></category>
		<category><![CDATA[homoseksualiteit]]></category>
		<category><![CDATA[Hugo Claus]]></category>
		<category><![CDATA[liefde]]></category>
		<category><![CDATA[novellen]]></category>
		<category><![CDATA[uit 1998]]></category>
		<category><![CDATA[uitgeverij De Bezige Bij]]></category>
		<category><![CDATA[Vlaamse schrijvers]]></category>
		<category><![CDATA[zelfmoord]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.achillevandenbranden.net/?p=7845</guid>
		<description><![CDATA[<p><span style="color: #666666;"><strong><a href="http://www.achillevandenbranden.net/wp-content/uploads/2013/05/het-laatste-bed-hugo-claus.jpg"><img class="alignleft size-full wp-image-7846" alt="het laatste bed - hugo claus" src="http://www.achillevandenbranden.net/wp-content/uploads/2013/05/het-laatste-bed-hugo-claus.jpg" width="100" height="160" /></a>De auteursnaam op de kaft werkt als een muzieksleutel. Of als de aanduiding van de maatsoort, wat u wil. Een lesbisch koppel plant een zelfmoordpact in hotel Luxor aan de Belgische kust. Luxor: de hedendaagse naam van het oude Thebe, waar, in de Vallei der Koninginnen, de Egyptische edelvrouwen werden begraven. Bij Mulisch had ik me gestoord aan zo&#8217;n dure, zelfvergrotende referentie. Bij Claus schiet ik in de lach.</strong></span></p>
<p>Altijd [...]</p>]]></description>
				<content:encoded><![CDATA[<p><span style="color: #666666;"><strong><a href="http://www.achillevandenbranden.net/wp-content/uploads/2013/05/het-laatste-bed-hugo-claus.jpg"><img class="alignleft size-full wp-image-7846" alt="het laatste bed - hugo claus" src="http://www.achillevandenbranden.net/wp-content/uploads/2013/05/het-laatste-bed-hugo-claus.jpg" width="100" height="160" /></a>De auteursnaam op de kaft werkt als een muzieksleutel. Of als de aanduiding van de maatsoort, wat u wil. Een lesbisch koppel plant een zelfmoordpact in hotel Luxor aan de Belgische kust. Luxor: de hedendaagse naam van het oude Thebe, waar, in de Vallei der Koninginnen, de Egyptische edelvrouwen werden begraven. Bij Mulisch had ik me gestoord aan zo&#8217;n dure, zelfvergrotende referentie. Bij Claus schiet ik in de lach.</strong></span></p>
<p>Altijd de monkellach van Claus in gedachte houden, dat lijkt me de beste houding bij <em>Het laatste bed</em>. Na het meesterwerk <strong>De geruchten</strong> en het op bestelling geschreven prul <strong>Onvoltooid verleden</strong> bleef Claus eind jaren negentig tijd werken met moord, schandalen en kwalijke familiebanden. Uit <em>Het laatste bed</em> maak ik op dat de auteur wel weer even genoeg had van al te grauw realisme. Het was opnieuw tijd voor lyriek, luxe en literaire grapjes. Ook de bezwaarde mannen werden even in de kast gezet en ingeruild voor gekwelde vrouwen.</p>
<p><span id="more-7845"></span>Deze novelle (&#8216;verhaal&#8217;) doet zich voor als een lange brief van een vrouw aan haar moeder. Die moeder moet na een hersenbloeding het ziekbed houden. Toch is dit niet &#8216;het laatste bed&#8217; uit de titel.</p>
<p>Het begin van de brief doet denken aan een bekend Nederlandstalig vers waarin de dichter alle overtollige woorden uit een regel schrapt en op het laatst maar één woord meer overhoudt.</p>
<blockquote><p>Liefste mama. En meteen is het fout. Begin opnieuw.<br />
Lieve mama. Heb ik nooit gezegd, ook niet als kind.<br />
Zo’n hele aanhef is schijnheilig. Vergeet het. Ik heb zin om het gammele schrift door de kamer te keilen.<br />
Opnieuw.<br />
Mama. Juist. Er is een tijd geweest dat je wou dat ik jou Moeder noemde. Maar daar heb ik nooit kunnen wennen.</p></blockquote>
<p>Onze briefschrijfster heet Emily Hopkins, een naam waar twee grote dichters uit de negentiende eeuw in meeresoneren, <strong>Emily Dickinson</strong> en<strong> Gerald Manley Hopkins</strong>. Deze muzieklerares, kind van een Vlaamse moeder en een Engelse ingenieur, was vroeger een veelbelovend muzikaal wonderkind, maar heeft de hoge verwachtingen van haar moeder nooit kunnen waarmaken.</p>
<p>Haar brief is relaas en revanche in één. Enerzijds het fragmentarische verhaal (&#8220;troebele beelden schuiven over elkaar en worden transparant&#8221;) van de spaakgelopen verhouding met die moeder, anderzijds een wraakoefening met woorden: kijk eens, oud wijf, wat je mij hebt aangedaan, voel je nu maar goed schuldig.</p>
<blockquote><p>Ik zie zo voor me hoe je deze brief nu leest. Ben je geschrokken toen je hem kreeg? Snakte je naar adem met die slangen in je kop?</p></blockquote>
<p>Welkom bij de familie Hopkins, (c) Claus. Vader wordt doodgereden wanneer Emily nog kind is. Moeder rouwt en verstoot dochter uit het echtelijke bed waar voorheen zalige incestueuze spelletjes plaatsvonden. Dochter gaat daarom op zoek naar surrogaatvrouwen (de causaliteit is die van Freud en dus kort door de bocht). Vindt er ook één op school: de eenvoudige poetsvrouw met het Black Sabbath-shirt, Anna Buckinx.</p>
<p>Anna en Emily, heeft u &#8216;m? Zoals de <strong>Brontës</strong> wereldberoemde romans schreven over moeilijke, soms noodlottige passies, moet het lesbische paar vechten voor hun liefde. Emily botst tegen haar burgerlijk-katholieke opvoeding op. Anna wordt ontslagen op school.</p>
<p>De achtergrond van Anna is ook niet mis. Ze is getrouwd met een bierdrinkende lamzak. Heeft een <em>lowlife</em> van een zoon, Ward, die zelfmoord pleegt, waarna haar man haar nog eens goed bezwangerd. In een moment van zwakte heeft ze voor de televisie getuigd dat de dood van haar zoon te wijten is aan haar lesbische liaison. Sindsdien heeft de pers zich aan het paar vergrepen.</p>
<p>Dat is krampachtig eigentijds aan <em>Het laatste bed</em>: de rol van de pers. Sensatiezoekers, allemaal. Ook in het hotel is per toeval een vadsige reporter aanwezig &#8211; sinds <strong>Belladonna</strong> weten we dat Claus als mediacriticus weinig subtiliteit aan de dag legt.</p>
<p>Wat Emily tot de ultieme wanhoop drijft &#8212; schuldgevoel, rancune, frustratie, deprivatie? &#8212; laat Claus in het midden. Punt is dat het leven beide vrouwen hopeloos in een hoek heeft geschilderd. Dus zit er maar één ding op. De trein met een enkeltje Belgische kust.</p>
<p>Oostende waarschijnlijk, de koningin der badsteden,  verarmde (ziele)adel. In een luxueuze suite. Achterliggende filosofie: laat deze laatste daad dan toch gracieus zijn &#8212; gelijktijdig uit het leven stappen à la <strong>Heinrich von Kleist</strong> en Henriette Vogel.</p>
<p><em><strong>Wenkbrauwbeen</strong></em><br />
Hoe krijg je al deze malheurs geloofwaardig in een novelle van tachtig pagina&#8217;s? <em>Niet,</em> natuurlijk. Claus probeert deels de truc van de estafette: de ene ellende volgt glashard uit de andere, sorry lezer, ik kan niet anders, in de kinderen werken de trauma&#8217;s van de ouders door. Psychologie van voor de Tweede Wereldoorlog. En hij probeert de vertelstof te verdunnen door fragmentarisch te werken. Door dingen te verzwijgen, nog iets over te laten aan de lezer.</p>
<p>Maar de dilutie kan nooit genoeg zijn, omdat Claus aan de andere kant de tragiek stilistisch weer oppompt. <em>Het laatste bed</em> heeft veel weg van <strong>De Verzoeking</strong>, dat ook een intens terugblikkende monoloog was &#8212; van een passionele non. En nu ik &#8216;non&#8217; zeg, moet ik onwillekeurig denken aan <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/The_Singing_Nun">Soeur Sourire</a>, hoe die met haar vriendin zelfmoord pleegde. Al was dat omwille van geldproblemen.</p>
<p>Soms wou ik dat Claus dertig jaar later was geboren. Hadden we hem misschien een volwassener boek kunnen zien schrijven over een thema als dit, spelend in een volwassener wereld waarin familiebanden minder verstikkend zijn en homoseksualiteit niet hoeft te eindigen in een tragedie.</p>
<p>Het gaat evenwel te ver te zeggen dat hij alleen maar put uit antieke, freudiaanse of romantische verhaalsjablonen. Een directe inspiratiebron die in <em>Het laatste bed</em> wordt blootgelegd is de biografie van de dochter van Joan Crawford, over de horribele band met haar moeder. Egyptische motieven (de scarabee, de kat én de sfinx, &#8220;Drie keer raden, zei ik&#8221;) wisselen af met moderne kitsch (Versace, <em>Mooi en meedogenloos</em>, de Bekende Vlamingen-cultuur).</p>
<p>Als er al een romantische topos langs komt, dan moet die getransponeerd worden naar de moderne tijd. Narcotica hebben pistoolschoten inmiddels vervangen.</p>
<blockquote><p>Sodium thiopental en je bent buiten westen, dan pancuronium bromide en je longen begeven het, en als laatste potassium chloride en je hart stopt. Niet te vroeg.</p></blockquote>
<p>Alleen is nooit met zekerheid te voorspellen hoe iemand reageert op een overdosis pillerij. Die factor verschaft het motief om <em>Het laatste bed</em> helemaal te laten ontaarden. Wat een afzichtelijke, ongelooflijke finale krijgt dit boek, maar wel één die zal bijblijven en waarin Claus (denk ik) knipoogt naar oude &#8212; jawel, Egyptische &#8212; aflegrituelen.</p>
<blockquote><p>Ik maakte haar oogleden op. Pauwgroen. Ik wreef paarlemoer op haar wenkbrauwbeen en babyolie op de wenkbrauwen. Ik tekende haar mond af met donker lippotlood.</p></blockquote>
<p>Zoals altijd zijn het vooral de taaltechniciteiten die me het einde doen halen. De wijze waarop Claus evidente voegwoorden probeert te mijden. De binnenrijmen in &#8220;vlinderlicht zilveren vorkje&#8221; of &#8220;op het balkon twisten twee duiven&#8221;.</p>
<p>Emily omschrijft de brief aan haar moeder als &#8220;een vergiftigd cadeautje&#8221;. Daar kan ik van genieten: de juiste uitdrukking is &#8216;een vergiftigd geschenk&#8217;, maar pas in de verdraaiing hoor je de gebrekkige mens, het menselijk gebrek.</p>
<p><em>(Gebaseerd op notities van 7 december 2000.)</em></p>
<p><strong>Hugo Claus, <em>Het laatste bed : een verhaal</em></strong><br />
<strong> 77 p.</strong><br />
<strong> Uitgeverij De Bezige Bij, 1998</strong></p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.achillevandenbranden.net/2013/05/het-laatste-bed-hugo-claus/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Chinese schimmen &#8211; Simon Leys</title>
		<link>http://www.achillevandenbranden.net/2013/05/chinese-schimmen-simon-leys/</link>
		<comments>http://www.achillevandenbranden.net/2013/05/chinese-schimmen-simon-leys/#comments</comments>
		<pubDate>Fri, 03 May 2013 11:58:09 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Achille van den Branden</dc:creator>
				<category><![CDATA[aanbevolen]]></category>
		<category><![CDATA[recensies]]></category>
		<category><![CDATA[angst]]></category>
		<category><![CDATA[Bejing]]></category>
		<category><![CDATA[China]]></category>
		<category><![CDATA[Chinese cultuur]]></category>
		<category><![CDATA[cultuurgeschiedenis]]></category>
		<category><![CDATA[democratie]]></category>
		<category><![CDATA[essays]]></category>
		<category><![CDATA[Franstalige Belgische schrijvers]]></category>
		<category><![CDATA[humanisme]]></category>
		<category><![CDATA[inner circles]]></category>
		<category><![CDATA[Koude Oorlog]]></category>
		<category><![CDATA[maatschappij]]></category>
		<category><![CDATA[mediakritiek]]></category>
		<category><![CDATA[met literatuurlijst]]></category>
		<category><![CDATA[Oost-Azië]]></category>
		<category><![CDATA[politiek]]></category>
		<category><![CDATA[reeks Chinese bibliotheek]]></category>
		<category><![CDATA[reisverhalen]]></category>
		<category><![CDATA[reportages]]></category>
		<category><![CDATA[Simon Leys]]></category>
		<category><![CDATA[uit 1974]]></category>
		<category><![CDATA[uitgeverij De Arbeiderspers]]></category>
		<category><![CDATA[vertaald uit het Frans]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.achillevandenbranden.net/?p=7830</guid>
		<description><![CDATA[<p><span style="color: #666666;"><strong><a href="http://www.achillevandenbranden.net/wp-content/uploads/2013/05/chinese-schimmen-simon-leys.jpg"><img class="alignleft size-full wp-image-7833" alt="chinese schimmen - simon leys" src="http://www.achillevandenbranden.net/wp-content/uploads/2013/05/chinese-schimmen-simon-leys.jpg" width="100" height="160" /></a>Dat ik de vaderlandsche politiek maar met één – halfdichtgeknepen – oog volg, komt omdat hier alleen maar punten en komma’s kunnen veranderen. Men schuift een beetje naar rechts, naar links, weer naar rechts, und kein Ende. Het onverkwikkelijke aanmodderbad van de parlementaire democratie zie ik dan ook niet als een vehikel om een land goed te besturen, hooguit als een rem die extremen voorkomt.</strong></span></p>
<p>Wanneer ik me daar weer eens [...]</p>]]></description>
				<content:encoded><![CDATA[<p><span style="color: #666666;"><strong><a href="http://www.achillevandenbranden.net/wp-content/uploads/2013/05/chinese-schimmen-simon-leys.jpg"><img class="alignleft size-full wp-image-7833" alt="chinese schimmen - simon leys" src="http://www.achillevandenbranden.net/wp-content/uploads/2013/05/chinese-schimmen-simon-leys.jpg" width="100" height="160" /></a>Dat ik de vaderlandsche politiek maar met één – halfdichtgeknepen – oog volg, komt omdat hier alleen maar punten en komma’s kunnen veranderen. Men schuift een beetje naar rechts, naar links, weer naar rechts, und kein Ende. Het onverkwikkelijke aanmodderbad van de parlementaire democratie zie ik dan ook niet als een vehikel om een land goed te besturen, hooguit als een rem die extremen voorkomt.</strong></span></p>
<p>Wanneer ik me daar weer eens aan erger – aan het gebrek aan ideeën, en aan het gebrek aan bandbreedte om die uit te voeren – hoef ik me maar in een boek als dit te verdiepen om me opnieuw te realiseren dat de afremmende functie van de democratie niet vaak genoeg geprezen kan worden.</p>
<p><em>Chinese schimmen</em> is een van de beste werken over het totalitarisme die ik tot nu toe gelezen heb. Het bevat geen theoretische haarkloverijen of marxistisch gewauwel. Het gaat alleen over de <em>mensen</em> die onder een totalitair juk moeten leven. Als het iets over het maoïstische regime vertelt, dan vervalt de auteur niet in politieke geschiedenis, maar heeft hij het alleen over hoe dat regime zich verhoudt ten opzichte van de brede bevolking.</p>
<p>De Belgische sinoloog en China-reiziger Simon Leys had bij het schrijven <strong>1984</strong> duidelijk aan zijn zijde liggen – een roman geschreven vóór de stichting van de Volksrepubliek, maar waarin <strong>Orwell</strong> zonder ook maar één tel aan het maoïstische China te hebben gedacht, tot in de details het dagelijks leven daar wist te beschrijven. Leys&#8217; conclusies zijn dan ook even vernietigend.</p>
<p><span id="more-7830"></span>Veertig jaar later is nog moeilijk na te voelen wat voor prestatie Leys hiermee leverde. De oorspronkelijke versie, <em>Ombres chinoises</em>, verscheen in 1974 en zorgde voor heel wat gekrakeel in Frankrijk – een land waarin Links begin jaren zeventig in de ban was van een ware China-cultus, opgezweept door, onder meer, het blad <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Tel_Quel">Tel Quel</a>. De lichtzinnige, weglachende uitspraken van een <strong>Roland Barthes</strong> over de campagne van het regime tegen <strong></strong><a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Lin_Biao">Lin Piau</a> mogen exemplarisch heten.</p>
<p>Linkse weekbladen in Frankrijk waren in die tijd weigerachtig om kritische artikelen af te drukken omdat in de redactie altijd wel een paar maoïsten zaten en dus de kerk in het midden gehouden moest. <strong>Victor Serge</strong> had dertig jaar eerder hetzelfde meegemaakt met linkse intellectuelen en hun houding tegenover het Rusland van Stalin.</p>
<p>In dat klimaat kwam Leys dus met zijn boek, dat niet naar orthodox-linkse gewoonte beter begrip wilde vragen voor het Chinese <em>regime</em>, neen, het pleitte voor een beter begrip van de situatie waarin de bevolking verkeerde. Het was een hartstochtelijk beroep op de lezer om <em>zich te verplaatsen in de mensen</em> zelf.</p>
<p><em>Chinese schimmen</em> nam stelling in tegen doorgeschoten cultuurrelativisme. Voor Leys bestond er wel degelijk iets als een menselijke natuur met tijdloze, universele behoeften. Hij was een van de weinige schrijvers over China die weigerde om dat populaire spelletje mee te spelen alles, dat in een ander land verdacht en sinister zou worden gevonden, in China heel gewoon te vinden; en omgekeerd dingen die in andere landen vanzelfsprekend zijn, aanprijzen alsof het iets heel bijzonders was wanneer ze werden aangetroffen in de Chinese Volksrepubliek.</p>
<p>Ook in Nederland woedde er in 1975 een polemiek, bekend als het ‘China-debat’. In het voorwoord van schetst <a href="http://www.achillevandenbranden.net/tag/rudy-kousbroek/">Rudy Kousbroek</a> het belang van <em>Chinese schimmen</em> hierin. Voor hem was de eigenlijke vraag van het boek niet of het regime van de Volksdemocratie fatsoenlijk was, maar of degenen het waren die dit regime hier in West-Europa bejubelden.</p>
<blockquote><p>Deze mensen zijn niet gewend dat de schijnwerper op hen wordt gericht en zij reageerden op Leys’ belangstelling met ongeveer evenveel enthousiasme als een kolonie keldermotten, wanneer de steen waaronder zij al jaren ongestoord leefden plotseling wordt weggenomen. Het hele China-debat is hun een gruwel.</p></blockquote>
<p>Iemand was zo onvoorzichtig om zich er over te beklagen dat China nu ineens “door meer Nederlanders bediscussieerd werd dan welk ander land dan ook”, bijvoorbeeld België. Tja, hoe zou dát nu wel komen, vraagt Kousbroek zich af.</p>
<blockquote><p>Zou het misschien zijn omdat er in Baarle-Nassau niet dagelijks honderd vluchtelingen binnenkomen van het Belgische vasteland? Omdat <strong>Hugo Claus</strong> nog niet teruggestuurd is naar zijn suikerfabriek? Omdat de Belgische opera nog niet is verboden op last van mevrouw Tindemans? Omdat een arbeider uit Erps-Kwerps geen speciale vergunning nodig heeft om eens per jaar zijn vrouw te mogen bezoeken in Etterbeek? Omdat het voor buitenlanders niet verboden is het Nieuw Vlaams Tijdschrift en het [sic] Gazet van Antwerpen te kopen? Omdat er in Brussel geen bordjes staan met ‘Verboden voor Vreemdelingen’ en in Mechelen geen speciale brievenbussen, bedoeld voor de aangifte van medeburgers die men verdenkt van contraroyalistische activiteiten? Of omgekeerd omdat niemand die een reis door België heeft gemaakt dat de moeite waar vindt om uitdrukkelijk te vermelden dat hij in een Belgisch restaurant heel gewoon waterzooi heeft kunnen eten, zonder afgezonder te worden van de Belgische bezoekers?</p></blockquote>
<p>Al meteen na de verschijning van<em> Ombres chinoise</em>s is Simon Leys uitgemaakt voor handlanger van het <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Kuomintang">Kwomintangregime</a> en voor – op een contradictie meer of minder werd niet gekeken – iemand met pro-Russische sympathieën. In De Groene Amsterdammer werd het boek uitgemaakt voor moralistisch gebabbel – in de woorden van Kousbroek “een fraai voorbeeld ‘het socialisme’ te verheffen tot iets metafysisch, abstract en ondefinieerbaar, maar zo verschrikkelijk gewichtig dat het welzijn van de mensen er bij in het niet valt.”</p>
<p>Symptomatisch voor het heersende klimaat, is dat op het achterplat van de Nederlandse uitgave door de dienstdoende redacteur van de (linkse) Arbeiderspers wordt verzekerd dat Leys “geen anti-maoïst is”. Een mens vraagt zich af hoe een anti-maoïst er dan wel uitzien. Zelfs<strong> E. Züricher</strong> en <strong>D.W. Fokkema</strong> die de ‘Chinese bibliotheek’ in goede banen leidden, vinden dat Leys toch wel een paar woorden had kunnen wijden aan de positieve resultaten van de Chinese Volksrepubliek, “aan de vorderingen op het gebied van waterhuishouding en herbebossing, aan de verbreding van de onderwijsmogelijkheden en de redelijk geslaagde voedseldistributie”.</p>
<p><em><strong>IJdelheid, dwaasheid, onwetendheid, luiheid</strong></em><br />
Twee vragen dringen zich op. Om te beginnen: waar kwam het verkeerde beeld dat westerse intellectuelen van China hadden vandaan? Vervolgens: waarom tuinden ze zo gemakkelijk in de rooskleurige propaganda van het regime? Terwijl ík <em>Chinese schimmen</em> las als een introductie in de technieken van de totalitaire staat en de leefomstandigheden van een gehersenspoelde bevolking, las Rudy Kousbroek Leys vooral als een erudiet en welluidend antwoord op die twee vragen.</p>
<p>Wat speelt er zich af in de westerse Chinaganger die zich bij de pr-versie van de autoriteiten neerlegt? Zelfcensuur speelt uiteraard mee. Wie met negatieve berichten thuiskomt, denkt bij de publikatie daarvan reeds aan zijn volgende visum. Voorts is de taal een struikelblok en moeten reporters een beroep doen op tolken. Voor Leys is taal geen probleem. Op het moment van schrijven had hij ongeveer tien jaar in Oost-Azië gewoond. Hij had China een paar maal bezocht, studeerde aan een Taiwanese universiteit, is getrouwd met een Chinese vrouw en hanteerde Chinees als voertaal thuis.</p>
<p>Hoofdmoot is echter vooral het gebrek aan <em>kritische zin</em> bij de reizigers zelf. Zij hebben niet door dat ze door een “Maduro-China” (Kousbroek) worden rondgeleid dat de regering speciaal voor de bezoekende buitenlanders heeft gecreëerd: de Volksrepubliek gereduceerd tot een dozijn steden en zestig inwoners, plus een onbepaald aantal juichende en wuivende figuranten. De meeste mensen, toch al gewend om in clichés te denken en niet belust op complicaties, vinden dit beeld overzichtelijk en zijn enthousiast. Leys vat het psychologisch mechanisme samen in twee bijtende alinea’s.</p>
<blockquote><p>Het valt niet te ontkennen dat over het geheel genomen de berekeningen van de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de ontvangst van de buitenlanders, niet dwaas zijn: zij komen te zeer tegemoet aan bepaalde constanten in de menselijke natuur om niet doeltreffend te werken. Wie mikt op de ijdelheid, de dwaasheid, de onwetendheid en de luiheid der mensen, zit er nooit al te ver naast. Zo raken heel wat buitenlanders in China er niet alleen aan gewend dat er in fabrieken, op straat, in schouwburgen en scholen altijd een gemobiliseerde claque aanwezig is om te applaudisseren als zij binnenkomen en als zij weggaan, maar zij krijgen daar op den duur zelfs plezier in. Zij raken gehecht aan alle koloniale voorrechten die zij genieten. Initiatief en nieuwsgierigheid, eigenschappen die zich gewoonlijk alleen maar ontplooien door de prikkel der noodzaak, verschrompelen bij hen volledig, omdat zij onafgebroken beschikken over een leger van gidsen en tolken om hen op te vangen en rond te leiden.<br />
De meeste buitenlanders zijn des te sterker geneigd gebruik te maken van de tussenkomst van deze veelzijdige autoriteiten, omdat alles probleemloos verloopt zolang men alles aan hen overlaat, terwijl daarentegen het geringste blijk van zelfstandigheid onmiddellijk wordt afgestraft met duizenden problemen, ontzettend veel verloren tijd, en eindeloze moeilijkheden met politiek en justitie. Elke opwelling van persoonlijk initiatief wordt onmiddellijk op zoveel manieren tegengewerkt, roept zoveel plagerijen op, brengt zoveel narigheid en vermoeienissen met zich mee om meestal slechts uit te lopen op een tegenslag, een impasse of een verbod, dat alle lust om zelf op ontdekkingstocht te gaan je uiteindelijk vergaat: de reizigers zien ervan af omdat hun tijd te beperkt is, de vaste bewoners omdat zij er te moe van worden en omdat hun onafhankelijkheidsinstinct geleidelijk afstompt.</p></blockquote>
<p>Het onvermogen om zelfstandige, oorspronkelijke observaties te verrichten is iemand misschien niet aan te rekenen. Maar de Chinareiziger laat zich door het toneeldecor en door de totaal andere levensomstandigheden van het land –</p>
<blockquote><p>het andere klimaat, variërend van zeer strenge vorst tot tropische hitte, de zuivere lucht in het najaar en de stofstormen van het voorjaar, het gepoetste namaak-mahonie in de eersteklas-wagons en de bezwete, gekromde ruggen van de bakfietsrijders, de verzorgde maaltijden, de pittoreske gekonfijte appeltjes die als versnapering worden verkocht, de verplichte boottocht op het Westelijke Meer bij Hangtsjou, de lotuswortelcompote en acaciasuiker, en ’s nachts de harde katoenen lakens en de puriteinse lysollucht van de slaapkamer [Züricher en Fokkema]</p></blockquote>
<p>&#8211; verblinden. Bijna geen westerse reiziger ontkomt aan de neiging te verklaren dat China zo totaal anders is dat zijn eigen maatschappelijke normen hier niet meer opgaan. In een soort delirium wordt door intellectuelen als <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Marc_Riboud">Marc Riboud</a> gejuicht over, en theoretische spitsvondigheden gezocht voor, allerlei dingen die dezelfde mensen in hun eigen land niet zouden slikken. Kousbroek:</p>
<blockquote><p>“Voor een westerling,’ aldus Marc Riboud in <strong>The three banners of China</strong>, ‘zou de depersonalisatie en regimentatie, de conformiteit en het puritanisme van China niet om uit te houden zijn. Maar China is er niet op uit om in de smaak te vallen bij buitenlanders…”– dat is een formule van intimidatie die wel meer wordt gehoord, alsof de neiging om voor Chinezen dezelfde maatstraven te willen aanleggen als voor zich zelf op bemoeizucht en egoïsme berustte – en dan komt, bestraffend, waar China dan wel op uit is; steevast een abstractie zoals wij daarstraks al zagen, ‘het socialisme bouwen’, of zoals Riboud er hier van maakt: ‘China is erop uit om revolutionair te blijven tot het eind.’ Welk eind?</p></blockquote>
<p>Is er nog een laatste psychologische factor die de kritische zin afdempt, en dat is elementaire beleefdheid. Schroom om het gidsen lastig te maken die zelf niet verantwoordelijk zijn voor de malaise. In de woorden van <strong>J.T. Barendrecht</strong>, een van de weinige kritische Nederlandse Chinareizigers: “Al die vriendelijkheid bemoeilijkt de communicatie. Want als je zo ontvangen wordt, zeg je in een fruitteeltcommune niet meteen: de boomgaarden zien blauwwit van het vergif dat jullie er op spuiten; wat hebben jullie met de vogels gedaan, want ik zie er niet één; maken jullie je helemaal geen zorgen over natuurbescherming? Zoiets zeg je dan niet.”</p>
<p>De maoïstische mode die in de jaren zeventig in bepaalde intellectuele kringen in het Westen heerste, vertoont in allerlei opzichten veel overeenkomst met de China-rage van de achttiende eeuw – die van de tuinpagodes en de schoorsteenboeddha’s. De combinatie van onwetendheid, fantasie en wishful thinking is voor Leys de verklaring waarom westerse intellectuelen zo vatbaar zijn voor het Chinese sprookje.</p>
<blockquote><p>De westerse ideologen gebruiken in deze tijd maoïstisch China zoals de filosofen uit de achttiende eeuw het China van <strong>Confucius</strong> gebruikten: het is een mythe, een abstracte, ideële projectie, een utopie die hen in de gelegenheid stelt alles te hekelen wat er in het Westen fout gaat en zich daartegen zich af te zetten, zonder dat zij zich de moeite hoeven geven zelf na te denken. Wij snakken naar adem in de verpeste lucht van de industriële beschaving, onze steden zijn poelen van verderf, onze steden zijn poelen van verderf, onze wegen zitten verstopt door de krankzinnige verveelvoudiging van het aantal auto’s: dus roemt men om het hardst de Volksrepubliek China, waar vervuiling, criminaliteit en verkeersopstoppingen onbekend zijn; je zou evengoed iemand zonder benen een compliment kunnen maken omdat hij geen vuile voeten heeft.</p></blockquote>
<p>Het komt erop aan China weer met vastberaden democratisch ogen te kijken, zegt Kousbroek. Het eigenlijke criterium is niet of de Volksrepubliek erin geslaagd is haar onderdanen te kleden en te voeden, maar of het daartoe ook noodzakelijk was om een bloeiende volkskunst als de Chinese opera de nek om te draaien; of dit resultaat alleen maar bereikbaar was door de mensen te verbieden er goudvissen op na te houden, om links en rechts cultuurmonumenten af te breken, kunstenaars te vervolgen en hun werken te verbieden, echtparen van elkaar te scheiden en nog een hele waslijst van dergelijke vrolijke details meer.</p>
<p>De clue van het maoïstische vandalisme is voor Leys niet zozeer dat daardoor onherstelbare schade wordt toegebracht aan een duizenden jaren oude beschaving, als wel dat het een alibi geworden is om werkelijk revolutionaire taken niet te hoeven aanpakken.</p>
<blockquote><p>De omvang van hun vernielingen geeft de maoïsten de goedkope illusie dat zij iets groots verrichten; zij menen zich te bevrijden van het verleden door dit aan te vallen in zijn materiële incarnaties, maar in werkelijk blijven zij er de slaaf van. Een omgekeerd bijgeloof is niettemin een bijgeloof; onder het oude regime werden de wallen vereerd, onder het nieuwe worden ze bestreden.</p></blockquote>
<p>Kousbroek herkent daarin wat hij zelf al meerdere malen betoogd heeft: dat het vernietigen van de cultuur van het verleden geen ander resultaat oplevert dan dat men weer van voren af aan moet beginnen – het is de illusie dat men een nieuwe en betere taal zou kunen ontwikkelen door kinderen een generatie lang niet te leren spreken, de illusie dat men verder kan klimmen door de ladder waarm en op zit onder zich af te zagen.</p>
<p><em><strong>Basisingrediënten van de democratie</strong></em><br />
Twee dingen heb ik vooral onthouden uit <em>Chinese schimmen</em>. Eerst en vooral de theoretische doortraptheid van het marxistische systeem. Leys legt bijzonder goed uit dat in China de fictie van een worsteling tussen ‘proletariaat’ en ‘bourgeoisie’ gesubstitueerd is door de werkelijke klassestrijd die daar bestaat, namelijk tussen regeerders en geregeerden, tussen massa en bureaucratie, tussen het volk en de partij. Marxisten geloven bovendien dat met haar eigen komst het einde van de evolutie bereikt is; wat aan de ene kant tot gevolg dat de leer is versteend en stil blijven staan, en aan de andere kant dat zij iedere manifestatie van een verdere evolutie (want die gaat natuurlijk toch door) alleen maar op kan vatten als iets negatiefs, als een offensief van kwade tegenkrachten, als een bedreiging. Vandaar dat het altijd uitdraait op pogingen om de vrijheid van denken te onderdrukken. Kousbroek:</p>
<blockquote><p>Waar het op neer komt is dat het ‘proletariaat’ voorgesteld wordt als het volk plus de partij, terwijl de rol van ‘bourgeoisie’ wordt toebedeeld aan hoge functionarissen die in de voortdurende machtsstrijd aan de top bakzeil hebben gehaald. Deze worden dan in de muil geworpen van de woedende massa’s – die meestal ook werkelijke aanleidingen hebben om woedend te zijn, en voor zover nodig verder worden opgehitst. Het gaat er alleen maar om te voorkomen dat deze woede ooit haar logische conclusie kan bereiken, namelijk door deze zogenaamde volksvijanden te gaan zien, niet als individuen maar als vertegenwoordigers van hun klasse, te weten de klasse der leiders, de partij.<br />
Om identificatie tussen deze in ongenade gevallen bureaucraten en hun vroegere collega’s onmogelijk te maken wordt hun een uitzinnig crimineel verleden gegeven. Vandaar dat iemand die jarelang een verantwoordelijke positie bij de partij heeft bekleed plotseling al die tijd een handlanger van de Kwomintang kan blijken te zijn gewest, een spion in dienst van de CIA, een verrader die beheerst wordt door de idee-fixe om het feodalisme in China terug te brengen, een marionet van Moskou, enzovoort. Het is natuurlijk geen toeval dat het precies dezelfde epitheta zijn, die Leys naar zijn hoofd krijgt geslingerd van de lokale sympathisanten met dit regime.</p></blockquote>
<p>Daarmee samenhangend heb ik van Leys beter dan wie ooit beschreven gekregen hoe de top van het regime het enorme bureaucratische apparaat in het gareel kan houden. Kernwoord is, uiteraard, <em>angst</em>. Het zou tamelijk onrechtvaardig zijn de maoïstische bureaucraten hun traagheid en inertie te verwijten: meestal is nietsdoen de enige overlevingsmogelijkheid die hun nog rest. Leys:</p>
<blockquote><p>Hoe zouden zij immers doortastend te werk kunnen gaan? Zij moeten hun kompas afstellen op de Gedachten van Mao Tse-toeng, een bijzonder beweeglijke, ongrijpbare en wisselvallige pool. Denkt u zich hun positie eens in: zij moeten ervoor zorgen niet verzeild te raken in de dwaling van links, noch in de dwaling van rechts (soms, zoals het in geval van Lin Piau, is de linkse dwaling een rechtse dwaling), maar tussen deze twee dwaalsporen kan het kaderlid ook niet zijn toevlucht zoeken tot de ‘middenweg’, want dat is een feodaal-confucianistisch begrip.<br />
Aangezien rechts, links en het midden allemaal even gevaarlijk zijn, zou hij geneigd kunnen zijn gewoon zijn ogen te sluiten en zonder protest te gehoorzamen aan de voortdurend, tegenstrijdige geboden van de Verheven Leider. Alweer een dwaling! ‘Blinde gehoorzaamheid’ is een verderfelijk begrip, dat <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Liu_Shaoqi">Lioe Sjau-tsji’i</a> heeft uitgevonden om zijn duistere streven naar herstel van het kapitalisme te kunnen voortzetten. Maar dan wordt het aarzelende, terneergeslagen, besluiteloze kaderlid plotseling nieuwe moed ingeblazen door krachtige nieuwe wachtwoorden: hij moet ‘tegen de stroom in durven zwemmen’, ‘niet bang zijn om tot een minderheid te behoren’, ‘niet vrezen in ongenade te vallen of zelfs uit de Partij te worden gezet’. Maar voordat hij in het water springt om dapper stroomopwaarts te zwemmen, denkt hij onwillekeurig toch een ogenblik na over het feit dat de ‘stroom van de Geschiedenis onweerstaanbaar is’, en dat de Communistische Partij die darvan de incarnatie is, zelf ‘groots en onfeilbaar’ is. Zijn vastberadenheid begint dus te wankelen, maar dan wordt hij eraan herinnerd dat ‘het gewettigd is om in opstand te komen’; hij staat weer op het punt om in actie te komen als hij opnieuw een koude douche krijgt: ‘de Partijdiscipline dient onder alle omstandigheden in acht te worden genomen’. Wie moet hij geloven? ‘De waarheid is meestal afkomstig van de minderheid’; een nuttige aanwijzing, maar de praktische betekenis ervan wordt in hoge mate beperkt door een ander fundamenteel axioma: ‘de minderheid dient zich altijd te onderwerpen aan de beslissingen van de meerderheid’.<br />
De maoïstische waarheid is in wezen veranderlijk en voorbijgaand van aard; om je te handhaven is het dus van belang geen enkele trein te missen, geen enkele maal uit de bocht te vliegen: daarom mag de maoïstische propaganda – pers, radio, opera – dan een van de meest eentonige, dorre en armzalige ter wereld zijn – zij wordt met ingehouden adem gevolgd door miljoenen mensen wier carrière – soms zelfs hun bestaan – afhankelijk is van deze wisselvalligheden van de ideologie, die elke dag opnieuw tussen de regels door ontcijferd moeten worden en waarvan de boodschap soms op de meest ongewone plaatsen moet worden ontdekt. Een zakenman die bankroet dreigt te gaan, verslindt de koersen op de financiële pagina niet met méér koortsachtige aandacht dan een Chinees kaderlid der lijst der aanwezigen bij banketten, begrafenissen, pingpongwedstrijden en dergelijke van de vorige dag.</p></blockquote>
<p><em>Chinese schimmen</em> eindigt met een poging van Leys om de gedweeheid van het Chinese volk ook historisch te duiden. Het komt erop neer dat China al zes eeuwen niets anders dan een totalitair bestuur heeft gekend. Onder de <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Han_Dynasty">Han</a>, de <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Tang_Dynasty">T’ang</a> en de <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Song_Dynasty">Soeng</a> werd China veeleer autoritair dan autocratisch bestuurd. Minderheidsgroepen en opposanten van het regime kregen ruimschoots de gelegenheid om zich te uiten, en dientengevolge was het bijna onvoorstelbaar dat een integer mens zich niet voor politieke interesseerde. Vanaf het <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Ming_Dynasty">Ming-tijdperk</a> werd het bestuur totalitair: door het strenge toezicht dat de Ming-regering uitoefende op de meningsuiting, werd het intellectuele leven gedoemd tot dogmatische starheid, verlamming en onvruchtbaarheid.</p>
<p>Daarom houdt Kousbroek aan het eind van zijn voorwoord een warme oproep voor democratie. Een <em>representatieve</em> democratie, welteverstaan. Een democratie ook waarbij intellectuelen het debat voeden.</p>
<blockquote><p>Democratische procedure is op een intieme manier verbonden met de intellectuele ontwikkeling van een bevolking. Ik heb al vaker uitdrukking gegeven aan het feit dat ik het als een soort mirakel beschouw dat het leven in ons deel van de wereld ingericht is aan de hand van een aantal denkbeelden die in feite volstrekt niet door de meerderheid van de mensen worden gedeeld of begrepen; een werkelijk directe democratie zou zelfs in Nederland consequenties hebben waar ik van huiver – de opinies die gewoonlijk geassocieerd worden met De Telegraaf en de Tros zouden prevaleren; het zou niet lang duren of de doodstraf werd weer ingevoerd (minstens voor kinderlokkers), tegelijk met een terugkeer naar de vroegere verhoudingen met betrekking tot zaken als homoseksualiteit, moderne kunst, strafuitoefening, censuur, overheidssubsidies aan kunst en cultuur, en wat dies meer zij.</p></blockquote>
<p>Toch zijn het niet die intellectuelen alléén die van belang zijn. Juist het feit dat in China de lakens worden uitgedeeld door een klein groepje intellectuelen die er zeer bekrompen ideeën op na houden, zorgt er voor veel ellende.</p>
<blockquote><p>De vraag of een regime fatsoenlijk is (we hebben het nu niet over democratie) schuilt in gevallen als die van China met andere woorden niet in de aanwezigheid van politieke partijen, verkiezingen en parlementaire procedure, maar in de mate waarin de mensen verweer hebben tegen willekeur en dat wil in de eerste plaats zeggen de mate waarin zij zich kunnen laten horen zonder gevaar voor represailles.</p></blockquote>
<p>Soit. Ik vond het nog niet nodig om te onderzoeken in hoeverre <em>Chinese schimmen</em> gedateerd is, in het licht van de westerse (kapitalistische) koers die het huidige China op economisch gebied vaart. Dat komt nog wel.</p>
<p>Interessanter vind ik de metaforische lezing waartoe het boek zich ook leent. Denk aan alle persvoorlichtingen waar journalisten zich hier mee laten paaien, in plaats van op zoek te gaan naar de realiteit achter de praatjes van politici – en naar de effectiviteit van hun doorgevoerde maatregelen, vooral. Denk ook aan de kruipruimte die een <a href="http://www.achillevandenbranden.net/tag/joris-luyendijk/">Joris Luyendijk</a> zich in de Londense City meter bij meter moet graven, om een beetje aan de weet te komen wat daar speelt.</p>
<p>Van Leys zal ik zeker nog <strong>De nieuwe kleren van voorzitter Mao</strong> lezen, zijn kroniek van de Culturele Revolutie. Ik geef nog mee dat Leys (pseudoniem van Pierre Ryckmans) niet compleet ongevoelig is voor heldenverering. <strong>Hitchens</strong> moest na de publicatie van zijn (<a href="http://inthesetimes.com/article/14415/christopher_hitchens_stands_trial#13593895871561&amp;action=collapse_widget&amp;id=3793376">naar verluidt deels geplagieerde</a>) <a href="http://www.achillevandenbranden.net/2012/12/de-missionarispositie-christopher-hitchens/">boek over Moeder Teresa</a> met Leys de degens kruisen in The New York Review of Books.</p>
<p>&gt; lees een fragment uit dit boek op <a href="http://prinsvandenemarken.blogspot.be/2013/02/wie-mikt-op-de-ijdelheid-de-dwaasheid.html">Prins van Denemarken</a></p>
<p><strong>Simon Leys, <em>Chinese schimmen</em></strong><br />
<strong>278 p.</strong><br />
<strong>Uitgeverij De Arbeiderspers, 1976</strong><br />
<strong>Oorspr. <em>Ombres chinoises</em> (1974)</strong><br />
<strong>Vertaald door Greetje van den Bergh</strong></p>
<p>&nbsp;</p>
<p><em>Ruime samenvatting. De tekst is van Leys, soms iets herschikt. Soms heb ik disparate alinea&#8217;s samengevoegd.</em></p>
<p><em><strong>Buitenlanders in de Volksrepubliek China</strong></em><br />
Een reiziger in China moet zich steevast schikken in een onwerkelijk ritueel dat niets te maken heeft met China of met het Westen, maar uitsluitend met een abstracte wereld die de maoïstische bureaucraten speciaal hebben uitgevonden ten behoeve van buitenlandse gasten. Op zijn altijd onberispelijk georganiseerde reizen wordt geen enkele ruimte gelaten voor onverwachte gebeurtenissen en voor alles dat ook maar zweemt naar toeval, improvisatie of spontaniteit.</p>
<p>Van de honderden steden die China telt is in de regel nauwelijks meer dan een dozijn toegankelijk voor buitenlanders; in al deze steden blijken alle buitenlanders onveranderlijk bijeengedreven in hetzelfde hotel, meestal een soort Hilton met de afmetingen van een fort, midden in een uitgestrekt park vol bloemen in een afgelegen buitenwijk. Als de toerist al zo bitter weinig te zien krijgt van de Chinese steden, dan geldt dit nog veel sterker voor het Chinese platteland! Dezelfde goocheltruc is toegepast op de Chinese bevolking: voor de buitenlanders zijn de achthonderd miljoen Chinezen nu teruggebracht tot in totaal zestig personen.</p>
<p>De ‘vriendschap tussen de volken’ wordt onafgebroken aangeprezen: het is een slogan die in alle toespraken voorkomt en in reusachtige letters op alle muren prijkt. Vriendschap tussen individuele <em>mensen</em> daarentegen wordt op uiterst doeltreffende wijze ontmoedigd. De enige Chinezen met wie men kan praten zonder zich het ongenoegen van de autoriteiten op de hals te halen, zijn het huispersoneel (waarin voorzien wordt door de afdeling Diensten van het ministerie van buitenlandse zaken), de bureaucraten die men op officiële recepties ontmoet, de gidsen en tolken die geleverd worden door het reisbureu van de overheid, en ten slotte de ‘professionele vrienden’.</p>
<p>Ik ken mensen die al twintig jaar lang regelmatig in China komen en die <em>nog nooit</em> de bus of de tram hebben genomen, een kom rijst naar binnen gewerkt hebben in een goedkoop eethuisje zomaar ergens in een straat, bij een bevriende familie gegeten hebben wat de pot schafte of er onverwacht een avond hebben doorgebracht… maar waarom zouden ze de bus nemen, er staat immers overal permanent een limousine van de overheid tot hun beschikking?</p>
<p>Als beloning voor de terughoudendheid van ‘bescheiden bezoekers’ worden hun gratis reizen aangeboden, en zij betalen op hun beurt deze gastvrijheid weer terug door van tijd tot tijd artikelen of zelfs boeken te publiceren waarin zij pretenderen China te beschrijven, terwijl het niet meer dan ingenieuze bewerkingen zijn van de artikelen in het veeltalige weekblad Peking Review, in de directe rede overgebracht om de illusie te wekken dat het om persoonlijke getuigenissen gaat.</p>
<p>Waar de autoriteiten hen vooral dankbaar voor zijn, is dat zij geen enkele ongewenste nieuwsgierigheid tonen voor de politieke wisselvalligheden van het regime. Op dit gebied hebben zij, dank zij hun volslagen onwetendheid, de buitengewoon prijzenswaardige gave zich nergens over te verbazen: <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Liu_Shaoqi">Lioe Sja-tsj’i</a>, staatshoofd, rechterhand van Mao en aangewezen als diens opvolger, wordt plotseling een verrader die het kapitalisme tracht te herstellen; <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Chen_Po-ta">Tsj’en Po-ta</a>, secretaris en vertrouweling van voorzitter Mao en voornaamste ideoloog van de ‘Culturele Revolutie’, blijkt opeens een doodgewone oplichter te zijn; <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Lin_Piao">Lin Piau</a>, ‘de meest intieme wapenbroeder van voorzitter Mao’ en zijn volgende toekomstige opvolger, blijkt vervolgens volkomen onverstoorbaar.</p>
<p>Mao vertrouwde <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Edgar_Snow">Edgar Snow</a> tijdens een beroemd geworden interview toe: ‘De buitenlandse journalisten hebben geschreven over de gewelddadigheden van de ‘Culturele Revolutie’, maar de werkelijkheid was nog erger dan zij vertelden.’ Mao had namelijk intussen besloten dat het om politieke redenen nuttig en nodig was zijn voormalige stoottroepen te laten vallen, en hun oude vijanden tegen hen uit te spelen. Het werd dus noodzakelijk zoveel mogelijk misdaden in de schoenen te schuiven van een ‘extreem links’ dat, nu het zijn nut had bewezen, een hinderpaal begon te vormen voor het herstel van een militair-bureaucratisch apparaat dat als enige in staat was de orde in het land te herstellen. Gedwee begonnen de westerse woordvoerders van het maoïsme toen gewag te maken van een aantal wreedheden die tijdens de ‘Culturele Revolutie’ door ‘extreem links’ waren begaan.</p>
<p>De buitenlanders die in China wonen? Om te beginnen moet hierbij een onderscheid worden gemaakt tussen de maoïsten (beroeps- of oud-revolutionairen die in Peking comfortabel gehuisvest en onderhouden op kosten van het Chinese volk) en de ongelovigen (diplomaten en journalisten). Tussen de beide gemeenschappen, die der weldenkenden en die der heidenen, bestaat geen enkel contact: zij verblijven in aparte getto’s, zowel in de stad als daarbuiten.</p>
<p>Voor iedereen die met buitenlanders te maken heeft bestaan er zeer strenge consignes, en het ergste dat degenen die contact hebben met buitenlanders kon overkomen is dat een aan hun zorgen toevertrouwde reiziger gaat klagen bij het ministerie van buitenlandse zaken, hetzij over gebrek aan dienstbetoon, hetzij – het ergste van alles – over het feit dat hij bestolen is. Om die reden slooft het hotelpersoneel zich uit de buitenlanders alles wat zij laten liggen achterna te brengen, uit angst dat zij misschien zullen denken dat iets dat zij hebben vergeten of zijn kwijtgeraakt, hun in feite ontstolen is.</p>
<p>Buitenlanders die verklaren dat er niet meer gestolen wordt in communistisch China zijn nog nooit op parkeerplaatsen voor fietsen geweest. Bijna al die parkeerplaatsen zijn bewaakt, en er moet voor worden betaald; alle fietsen hebben een slot, en de parkeerwachter herinnert de mensen er steevast aan dat zij hun fiets op slot moeten zetten.</p>
<p>Op dit punt blijkt het maoïstische regime eigenlijk niets anders te laten zien dan een herhaling van het Russische experiment, en een getuigenis als die van <strong>Nadjezjda Mandelstam</strong>, waarin de psychologische en morele invloed van het stalinisme op de Russische mensheid wordt beschreven, zou misschien met even veel recht voor maoïstisch China kunnen gelden:</p>
<p>“Vroeger waren er veel aardige mensen. Bovendien deden zelfs mensen met een onaangenaam karakter of zij aardig waren, omdat dit zo hoorde. Er ontstond hierdoor een speciale vorm van oneerlijkheid en hypocrisie, die door de realistische literatuur van het einde van de negentiende eeuw aan de kaak werd gesteld. Deze kritiek had echter een onverwacht resultaat: de aardige mensen verdwenen. Aardigheid en vriendelijkheid zijn immers niet alleen aangeboren eigenschappen, zij moeten ook worden ontwikkeld en dat gebeurt alleen als zij in de mode zijn. Voor ons was spontane vriendelijkheid een ouderwetse eigenschap die in het heden niet meer thuis hoorde en aardige mensen waren voor ons voorwereldlijke figuren. Alles wat onze tijd gebracht heeft: ‘collectivisatie’, klassenstrijd, ‘ontmaskeringen’, de gewoonte achter iedere daad een verborgen oogmerk te zoeken – dat alles heeft allerlei eigenschappen gekweekt, alleen geen vriendelijkheid. Vriendelijkheid en hartelijkheid moest je zoeken in afgelegen streken, die ontoegankelijk gebleven waren voor de eisen van de nieuwe tijd. Alleen mensen met een passieve aard hadden deze eigenschappen als erfenis van hun voorouders bewaard. Alle anderen gedroegen zich overeenkomstig de stelregels van het moderne pseudo-humanisme.”</p>
<p>Met hun natuurlijke ongedwongenheid, hun wijsheid, hun mengeling van slimme schalksheid en hoffelijkheid, hun smeuïge, bloemrijke taal, vormt het spoorwegpersoneel niet alleen een volmaakte tegenstelling met de eendimensionale, bordpapieren robots die hen regeren, maar gaven zij Leys bovenal het geloof (of de illusie?) terug in het bestaan van een intact gebleven Chinese mensheid, die juist door haar eenvoud lijkt te worden beschermd. <strong>Orwell</strong> heeft een intuïtief voorgevoel gehad van deze onontbeerlijke, heimelijke hoop waarvan bepaalde mensen zonder intellectuele vorming (of misvorming?) de laatste schatbewaarders zouden kunnen blijven in de universele nachtmerrie. In 1984 schreef hij: “In sommige opzichten zag Julia veel scherper dan Winston en was zij veel minder toegankelijk voor Partij-propaganda. (…) Maar zij trok wat de Partij leerde alleen in twijfel wanneer dit op een of andere wijze haar eigen leven raakte.”</p>
<p>In principe zouden de maoïsten die al jarenlang in China wonen, beter op de hoogte moeten zijn van de werkelijke toestand in China dan de maoïstische toeristen. In de praktijk echter valt van deze door de ervaring verworven kennis nauwelijks iets te merken: al tonen zij binnenskamers soms genoeg goede smaak om enige kritische afstand te nemen van de propagandistische leuzen, wanneer zij zelfde pen ter hand nemen is het uitsluitend om het hedendaagse maoïstische supplement van de <strong>Dictionnaire des idées reçues</strong> van <strong>Flaubert</strong> te verrijken: hun geschriften en hun redevoeringen bevatten geen enkele oorspronkelijke gedachte, geen enkel nieuw feit – niets dat niet al twintig keer in de communiqués van het Persbureau Nieuw China.</p>
<p>Wat de ongelovigen betreft, hun gemeenschap, die plotseling sterk is uitgebreid sinds Nixon Peking in de mode heeft gebracht, bestaat voornamelijk uit diplomaten en wat buitenlandse correspondenten. In het beginstadium van de Volksrepubliek, toen het regime stabiel en dynamisch was en de vrijwel unanieme steun van de bevolking genoot, heeft het Westen China systematisch genegeerd en geïsoleerd, om het bestaan ervan pas te erkennen toen het land op dramatische wijze uit zijn evenwicht was gebracht door de ‘Culturele Revolutie’ en de naweeën daarvan: vijf jaar van dolle woede, bloed en waanzin, de reusachtigste vlaag van collectieve razernij die China heeft gekend sinds de <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Taiping_Rebellion">T’aip’ing-opstand</a>; een vloedgolf die plotseling tweederde van de leidende elte van het regime verzwelgt; de militaire staatsgreep verheven tot permanente regeringstechniek; een reeks van zuiveringen en contra-zuiveringen die uiteindelijk slechts twee oude mannen overlaten aan het roer van een gehavend schip, en in de schaduw van de macht een duister gewemel van militairen, van rivaliserende groeperingen en ambities die verraderlijke stoten uitdelen, en waarvan de bedekte strijd elk ogenblik opnieuw openlijk tot uitbarsting dreigt te komen; de weloverwogen vernietiging van cultuur en de intelligentie, van de kunst, van de literatuur, van heel de erfenis van het verleden – dat alles schijnt als bij toverslag uit het geheugen te zijn weggewist door een spelletje pingpong.</p>
<p>De regeringen van de westerse landen die recentelijk het contact met de Volksrepubliek hebben hersteld, hebben namelijk voor het merendeel welbewust hun meest capabele en briljante mensen naar Peking gestuurd, in de mening dat het hof van Mao al spoedig een mondiaal centrum van diplomatieke bedrijvigheid zou worden. Helaas hadden zij net zo goed een fraai uitgedoste nietsnut kunnen sturen.</p>
<p>Overbodig te zeggen dat de illusies der nieuw-aangekomenen al spoedig in rok opgaan; in veertien dagen tijd hebben zij de volledige inventaris opgemaakt van de ijsvlakte waarop zij twee of drie jaar lang zullen moeten overwinteren, met niets anders dan hun humor of hun wijsgerigheid om zich te handhaven, in een morele eenzaamheid die des te groter is omdat hun respectieve regeringen meestal geen enkel begrip kunnen opbrengen voor de werkelijke levensomstandigheden in de heilige stad van het maoïsme. Elke mogelijkheid om persoonlijke vriendschappen aan te gaan met Chinese politici, schrijvers, kunstenaars of mensen uit universitaire of wetenschappelijke kringen is volstrekt uitgesloten; zij ontmoeten alleen maar een handjevol bureaucraten, altijd dezelfde.</p>
<p>Het stedelijk schoon van de diplomatieke wijk heeft iets van een ziekenhuis, een station en een kazerne tegelijk. In dit naargeestige kwartier, waar men alle talen hoort spreken en alle rassen naast elkaar leven, is China op een merkwaardige manier afwezig; het wordt slechts vertegenwoordigd door de schildwachten bij de ingang en door de huisbedienden, koks en chauffeurs van de buitenlandse kolonie.</p>
<p>In feite is de vrees voor spontaan contact tussen buitenlandse ingezetenen en de bevolking volkomen ongegrond: de mensen zijn voorzichtig geworden door vijf jaar ‘Culturele Revolutie’, en bedenken zich wel tweemaal voordat zij het worod richten tot een buitenlander. Geen enkele Chinees wordt toegelaten – tenzij hij een officiële opdracht heeft – tot de weelderige hotels en de clubs die uitsluitend bestemd zijn voor de buitenlanders. Zodra een buitenlander een retaurant binnenkomt wordt hij onmiddellijk zo ver mogelijk weggeloodst van de eetzaal waar de Chinese menigte zich verdringt.</p>
<p>Op de stations beschermt de splendid isolation van een aparte wachtkamer de buitenlandse reiziger tegen elke aanraking met het plebs, en in de trein is hij altijd verplicht eerste klas te reizen – hetzij alleen in een coupé, hetzij in het gezelschap van andere buitenlanders, maar nooit samen met Chinese menigte. In de stad verplaatsen alle buitenlandse bezoekers zich onvermijdelijk per auto, en elke suggestie om de bus te nemen of te gaan lopen stuit onmiddellijk op de gechoqueerde ontsteltenis van uw gidsen.</p>
<p>Het valt echter niet te ontkennen dat over het geheel genomen de berekeningen van de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de ontvangst van de buitenlanders, niet zo dwaas zijn: zij komen te zeer tegemoet aan bepaalde constanten in de menselijke natuur om niet doeltreffend te werken. Wie mikt op de ijdelheid, de dwaasheid, de onwetendheid en de luiheid der mensen, zit er nooit al te ver naast. Zo raken heel wat buitenlanders in China er niet alleen aan gewend dat er in fabrieken, op straat, in schouwburgen en scholen altijd een gemobiliseerde claque aanwezig is om te applaudisseren als zij binnenkomen en als zij weggaan, maar zij krijgen daar op den duur zelfs plezier in. Zij raken gehecht aan alle koloniale voorrechten die zij genieten. Initiatief en nieuwsgierigheid, eigenschappen die zich gewoonlijk alleen maar ontplooien door de prikkel der noodzaak, verschrompelen bij hen volledig, omdat zij onafgebroken beschikken over een leger van gidsen en tolken om hen op te vangen en rond te leiden. Zij raken eraan gewend dat er kaartjes op de trein, het vliegtuig, de schouwburg voor hen worden gereserveerd, dat zij naar het station, het vliegveld, het theater worden gebracht, dat zij er weer worden opgehaald, dat hun reisroute, hun hotel, hun programma voor hen wordt gekozen.</p>
<p>Wanneer zij eenmaal een paar weken lang aldus geconditioneerd zijn, zien zij uit zich zelf af van de gewoonste, eenvoudigste ondernemingen wanneer die vereisen dat zij ook maar één stap buiten hun rollend trottoir zetten. De Organisatie denkt toch wel aan alles, weet overal antwoord op, voorziet in alles, is op alle gebieden competent, alles loopt via haar, en zij is over geen enkel verzoek, hoe bizar ook, beledigd. Zij zal bij voorbeeld met plezier een katholieke mis met een echte Latijn sprekende priester in een echte kerk op afspraak voor u organiseren, of u voor een nacht het Zomerpaleis verhuren, compleet met koks, bedienden en gondeliers, om te zorgen dat u uw vrienden waardig kunt ontvangen, of u gewoon rechtstreeks het model notenkraker of citroenpers bezorgen dat u in de winkels niet hebt kunnen vinden.</p>
<p>De meeste buitenlanders zijn des te sterker geneigd gebruik te maken van de tussenkomst van deze veelzijdige autoriteiten, omdat alles probleemloos verloopt zolang men alles aan hen overlaat, terwijl daarentegen het geringste blijk van zelfstandigheid onmiddellijk wordt afgestraft met duizenden problemen, ontzettend veel verloren tijd, en eindeloze moeilijkheden met politiek en justitie. Elke opwelling van persoonlijk initiatief wordt onmiddellijk op zoveel manieren tegengewerkt, roept zoveel plagerijen op, brengt zoveel narigheid en vermoeienissen met zich mee om meestal slechts uit te lopen op een tegenslag, een impasse of een verbod, dat alle lust om zelf op ontdekkingstocht te gaan je uiteindelijk vergaat: de reizigers zien ervan af omdat hun tijd te beperkt is, de vaste bewoners omdat zij er te moe van worden en omdat hun onafhankelijkheidsinstinct geleidelijk afstompt.</p>
<p>Na een paar jaar zo te hebben geleefd, worden sommigen van hen net als kanaries, die zo volledig afhankelijk te zijn van de gerieflijkheid van hun kooi dat het hen wat moeite zou kosten zich in leven te houden als hun de vrijheid werd teruggegeven. Het meest uitgesproken ziet men dit verschijnsel nog bij de Oudgedienden van de Revolutie; zij zijn al zo lang gewend aan hun pensioen in Peking dat hen beschut tegen alle werkelijkheden van het leven, dat zij, wanneer zij toevallig eens naar Hongkong moeten en over de grens voor het eerst geen comité van ontvangst, geen gids en geen tolk meer aantreffen, en geen limousine die op hen staat te wachten, zich even verschrikt en verloren voelen als de oude monnik die terugkeert in de wereld na zijn hele leven te hebben gesleten in de onwezenlijke rust van zijn klooster.</p>
<p>Mensen die China alleen maar kennen zoals het nu geregeerd wordt, zijn minder geschokt door deze vreemde levensomstandigheden; in hun ogen maken deze eenvoudig deel uit van de exotische wonderlijkheid die dit land volgens een bepaald soort literatuur altijd al zou hebben gekenmerkt.</p>
<p>Behalve wanneer je te maken hebt met dogmatische, onaangename gidsen, zie je uiteindelijk uit je zelf af van alle initiatieven die de met je ontvangst belaste mensen in verlegenheid zouden kunnen brengen: zelfs onder ideale omstandigheden is hun taak al moeilijk en ingewikkeld genoeg. De gidsen/tolken van het Chinese reisbureau moeten tweeslachtige wezens zijn: doordat zij ergens halverwege tussen de gewone mensen en de officiële kringen zweven, hebben zij zowel menselijke als bureaucratische trekjes; afhankelijk van het feit welke van deze twee in hen overheersen kunnen zij leerzaam en aangenaam in de omgang zijn om je het leven vergallen.</p>
<p>Op den duurde leerde Leys door de ervaring enkele eenvoudige, snelle proefjes waarmee hij met vrij grote zekerheid kon bepalen met wat voor soort gids hij te maken had. Hij brengt het gesprek op een neutraal, onschuldig onderwerp, de geografie van China, bij voorbeeld door zijn gids te vragen uit welke stad hij afkomstig is, en vervolgens stelt hij de strikvraag: ‘U zult door uw beroep wel heel wat door China rondgezworven hebben; wat vond u nu de mooiste of de fijnste plek die u gezien hebt? Waarom zoudt u het liefst willen wonen?’ <em>Negen van de tien keer</em> krijgt hij ongeveer het volgende antwoord: ‘De fijnste plek vind ik die waar ik mij het nuttigst kan maken voor mijn Land en waar ik het volk het beste kan Dienen. Waar de Partij en het Land mij heen zenden, daar wil ik wonen.’ In dat geval is dat geval is de kans groot dat hij met zijn verdorven karakter een zo deugdzaam gezelschap onwaardig is, en het beste kan hij dan ook deze gids beleefd maar vastberaden voor de hele duur van zijn verblijf vrijaf geven zodra hij bij het hotel is aangekomen.</p>
<p>Krijgt hij daarentegen (het gebeurt niet vaak, maar het komt voor) een gewaagd individualistisch antwoord in deze geest: ‘Ik zou graag in Tsingtau wonen, want daar is het klimaat erg aangenaam,’ of ‘Ik zou het liefst in Yangtsjou wonen, want daar wonen mijn vrouw en mijn kinderen, en dan zou ik ze vaker kunnen zien’, dan kan hij ervan op aan dat zijn compagnon een uiterst originele, zelfstandige persoonlijkheid is, en dat een nadere kennismaking beslist de moeite waard is.</p>
<p>Het is niet voldoende om de buitenlanders te isoleren; zij moesten ook nog immobiel worden gemaakt. Afgezien van een uitstapje naar de graven van de <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Ming_dynasty">Ming-dynastie</a>, en nog iets verder, tot aan de Chinese Muur, waarvan buitenlanders een stuk van vijfhonderd meter mogen betreden blijft de buitenlandse bewoner niets anders over dan in kringetjes rond te draaien in Peking, een vermoorde stad, een verminkte schim van wat het tot voor enkele jaren was: een der mooiste steden ter wereld. In welke richting hij ook gaat, zodra hij de buitenwijken nadert stuit hij al snel op waarschuwingsborden in het Engels, Russisch en Chinees, bewaakt door schildwachten, die het einde aangeven van de zone waarbinnen men zich vrijelijk mag bewegen.</p>
<p>Het aantal neurotici onder de tolken, het administratief personeel en de huisbedienden die de buitenlanders ten dienste staan is tamelijk groot, maar niet verbazingwekkend als men de zware psychische druk in aanmerking neemt waaronder deze armen mensen hun werk moeten doen. Zij moeten hun spontane neigingen voortdurend geweld aandoen, zij zijn gedwongen om het tegendeel te veinzen van wat zij voelen, om in strijd met hun intuïtie te handelen, zij zijn verplicht om onafgebroken verslag uit te brengen aan de autoriteiten op een wijze die iets weg heeft van verklikken en biechten tegelijk, al hun menselijke contacten worden, nu eens subtiel, dan weer op brute wijze, verwrongen.</p>
<p>Op de grote officiële banketten waar <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Zhou_Enlai">Tsjou En-lai</a> de laatste tijd zo gul mee is, is de gastronomische kwaliteit matig. Leys brengt dit ter sprake om de sprookjes uit de wereld te helpen van de nieuwe <a href="http://www.achillevandenbranden.net/2010/05/de-wonderen-van-de-orient-marco-polo/">Marco Polo</a>’s in deze wereld.</p>
<p>Vroeger wist <a href="https://en.wikipedia.org/wiki/Beijing">Peking</a> de schijnbare tegenstrijdigheid van een noordelijke stad met een zuidelijke levendigheid in zich te verenigen; maar nu heeft het maoïstische regime zijn monumenten vernietigd en zijn karakter tenietgedaan. Alleen het sublieme geheel van paleizen en binnenhoven in de Verboden Stad is integraal bewaard gebleven; wie er rondwandelt durft er nauwelijks meer vandaan te gaan, want overal rondom is de stad veranderd in een woestijn die elke aantrekkingskracht heeft verloren. Het bonte schouwspel dat de straten en de markten boden is verleden tijd; de muren en de monumentale poorten van de oude stad zijn afgebroken; alle <a href="https://en.wikipedia.org/wiki/Pai_Lou">p’ai lou</a> (erebogen), die met sierlijke fantasie een bepaald ritme gaven aan de straten, zijn gesloopt.</p>
<p>Wat de Peking-Opera betreft, heeft <a href="https://en.wikipedia.org/wiki/Jiang_Qing">mevrouw Mao</a> het repertoire teruggebracht tot zes ‘model-revolutionaire’ voorstellingen – monsterlijke koppelingen van ik weet niet welke Siciliaanse vesper met Bolsjoi-saus. Wat de Chinese filmindustrie aangaat, is de produktie de afgelopen acht jaar beperkt gebleven tot enkele korte journaalfilms en een stuk of zes gespecialiseerde documentaires, waarvan het meesterstuk ongetwijfeld nog steeds wordt gevormd door een pedagogische film waarin de toepassing van het dialectisch materialisme en de gedachten van Mao Tse-toeng op de aardnotencultuur in Sjantoeng wordt getoond. Op het gebied van speelfilms kunnen de cinefielen, bij gebrek aan Chinese produkties, genieten van Noord-Koreaanse en Albanese films.</p>
<p>Bovenstaande beschrijving heeft betrekking op de situatie zoals die in 1972 in Peking was. Als de huidige ontspanningsfase zich doorzet, zullen er ongetwijfeld bepaalde veranderingen optreden. Maar het zou een vergissing zijn om te denken dat onder deze minder grimmige schijn een fundamentele verandering schuilgaat. Alle koerswijzigingen van het regime, niet alleen sinds de bevrijding maar al sinds Yenan, en zelfs al sinds de Kiangsi-sovjet, zijn nooit anders dan tactische koerswijzingigen geweest. De dynamica van het regime is jusit die van een voortdurend schommelen tussen ‘links’ en ‘rechts’, zonder dat dit steeds weer omgooien van het roer ook maar iets verandert aan de aard van het schip of aan zijn uiteindelijke bestemming.</p>
<p>Tussen op verschillende tijdstippen gemaakte beschrijvingen zal men onvermijdelijk veranderingen opmerken; maar als deze beschrijvingen nauwgezet zijn, zullen zij meer dan een kortstondige journalistieke waarheid bevatten, want de wijzigingen die in de tussentijd hebben plaatsgevonden zullen altijd uitsluitend kwantitatief zijn, nooit kwalitatief – amplitudevariaties, geen verandering van koers. Slechts waarnemers die elk historisch perspectief missen, kunnen de illusie koesteren dat het regime op een bepaald moment ‘een bladzijde’ omslaat en een nieuwe weg inslaat. In feite zijn zijn keuzemogelijkheden alleen al door zijn aard drastisch beperkt: in een totalitair stelsel waarin de macht berust bij een militair-bureaucratische klassen en waarin geregeerd wordt via periodieke militaire staatsgrepen, wisselen perioden van spanning en perioden van betrekkelijke ontspanning elkaar onvermijdelijk af; het zou absurd zijn een van deze cyclische fasen te beschouwen als een nieuwe ontwikkeling.</p>
<p><a href="http://www.achillevandenbranden.net/wp-content/uploads/2013/05/kaart-china.jpg"><img class="alignnone size-full wp-image-7834" alt="kaart china" src="http://www.achillevandenbranden.net/wp-content/uploads/2013/05/kaart-china.jpg" width="600" height="487" /></a></p>
<p><strong><em>Chinese steden</em></strong><br />
In tegenstelling tot de stijve sfeer van Peking vertoont <a href="https://en.wikipedia.org/wiki/Guangzhou">Kanton</a> een zuidelijke rommeligheid die prettig aandoet. Vergeleken met het bedrijvige, moderne Hongkong daarentegen lijkt Kanton oud en verlept. In de revolutionaire annalen van het hedendaagse China neemt Kanton een uiterst belangrijke plaats in. Het gezegde dat betrekking had op Szevtsjwan, geldt evenzeer voor de provincie <a href="https://en.wikipedia.org/wiki/Shantung">Kwantoeng</a>: ‘De eerste provincie van het rijk die in opstand komt, de laatste die zich laat pacificeren.’</p>
<p>Kanton, de belangrijkste haven voor de zeehandel met Zuid-Oost-Azië, was niet alleen een kosmopolitische aanlegplaats voor de koopvaardijschepen, maar werd bovendien vanaf de zestiend eeeuw het eerste bruggehoofd van de westerse missionarissen. Toen de Portugezen zich reeds in het midden van de zestiende eeuw in Macao vestigden, betekende dat, voor de poorten van Kanton, een subversieve aanwezigheid die het verwarrende bestaan bewees van een wereld die China volledig onbekend was, en waarvan de rest van het land nog geen enkel besef had.</p>
<p>De nabijheid van de kosmopolitische centra Hongkong en Macao slaat een permanente bres in China’s isolement; een groot deel van de Kantonese bevolking heeft naaste bloedverwanten aan de andere zijde van de grens, en onderhoudt met hen geregelde contacten. In de rest van het land lijkt de buitenwereld tot een andere planeet te behoren.</p>
<p>Hoe in de komende eeuwen over het maoïstische bewind zal worden geoordeeld, valt moeilijk te voorspellen; een ding staat echter nu reeds vast: alle bereikte resultaten ten spijt, zal de naam van het huidige regime voorgoed verbonden blijven met een onuitwisbare schending van het culturele erfgoed van de gehele mensheid: de verwoesting van de stad Peking. In aanmerking genomen wat de leiders van de Volksrepubliek van hun hoofdstad wilden maken, hadden zij beter op het idee kunnen komen zich in een afschuwelijk moderne stad als <a href="https://en.wikipedia.org/wiki/Kiangsi">Tientsin</a> te vestigen.</p>
<p>Nadat alle p’ai-lou’s waren gesloopt, begon men hele wijken met de grond gelijk te maken ter bevrediging van de grote hartstocht van de socialistische stedebouw: het aanleggen van enorme boulevards en pleinen; deze zijn nodig om de massadefilés en –demonstraties mogelijk te maken – waarbij honderdduizenden figuranten op de been worden gebracht – die voor de goede functionering van een Volksrepubliek even onontbeerlijk zijn als de spelen in het amfitheater voor het Romeinse Rijk.</p>
<p>In de periodes dat de grote politieke opera geen voorstellingen geeft, krijgen deze grote verkeersaders in alle socialistische hoofdsteden, van Moskou tot Peking, iets spookachtigs door de tegenstelling tussen hun overdreven afmetingen en de geringe omvang van het autoverkeer. Zij doen enigszins denken aan de imitatie-vliegvelden die de Papoea’s op Nieuw-Guinea, aanhangers van de ‘cargo-cult’, midden in het oerwoud aanleggen in de hoop hun goden over te halen hun vliegtuigen vol rijkdommen te zenden: men komt soms in de verleiding zich af te vragen of het banen van deze autostrada’s, waarop slechts wat fietsers en ezelwagentjes rondwaren; soms ook iets te maken heeft met een magisch ritueel, alsof de aanwezigheid van die kilometers asfalt voldoende zou zijn om op een dag de plotseling verschijning op te roepen van de zegevierende, claxonnerende en stinkende horden auto’s die tegelijk de nachtmerrie van de consumptiemaatschappij en de droom van de socialistische maatschappij zijn.</p>
<p>De volgende en beslissende stap in de vernieling van Peking was het slechten van de stadsmuren. Peking was namelijk geen gewone stad, ontstaan uit ene simpele samenloop van een aantal demografische, economische, geografische enzovoort factoren; het was een projectie in steen van een bepaalde geestesvisie, en de stadswallen waren dan ook veel méér dan een middeleeuwse verdedigingslinie: zij vertolkten een kosmische geografie, een grafische weergave van de wereldorde. Dit reusachtige werk, waarmee al in 1950 een aanvang was gemaakt, was in 1962 voltooid.</p>
<p>Wat het maoïstische vandalisme zo ergerlijk en bedroevend maakt, is niet zozeer dat daardoor onherstelbare schade wordt toegebracht aan een duizenden jaren oude beschaving, als wel dat het alibi geworden is om werkelijk revolutionaire taken niet te hoeven aanpakken. De omvang van hun vernielingen geeft de maoïsten de goedkope illusie dat zij iets groots verrichten; zij menen zich te bevrijden van het verleden door dit aan te vallen in zijn materiële incarnaties, maar in werkelijk blijven zij er de slaaf van. Een omgekeerd bijgeloof is niettemin een bijgeloof; onder het oude regime werden de wallen vereerd, oner het nieuwe worden ze bestreden.</p>
<p>De Verboden Stad is tot op heden op wonderbaarlijke wijze gespaard gebleven – omdat Mao Tse-toeng het leuk vindt van tijd tot tijd keizertje te spelen vanaf het balkon van T’ien-an men?</p>
<p>Reizen worden in maoïstisch China gewoonlijk gekenmerkt door een eenzijdig didactisch en zwaarwichtig programma; de plichtsgetrouwe reiziger wordt bedolven onder een lawine van cijfers, statistieken, gedachten van de Voorzitter, officiële verklaringen van verschillende ‘leidende figuren’ en andere woordvoerders, die hij voortdurend moet aantekenen in een notitieboekje: in tegenstelling daarmee krijgt elke menselijke ontmoeting een bijzondere glans.</p>
<p><a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Tientsin">Tientsin</a> heeft de onheilspellende, groteske poëzie van een <strong>Kafka</strong>-decor: soldaten van het Volksbevrijdingsleger gelegerd in een neogotische kathedraal; trotse frontons van imperialistische banken – de paradox van deze spookstad is dat ze tegelijk een van de grootste steden ter wereld is, met haar 3.100.000 inwoners, maar het werkelijke bestaan der inwoners lijkt in de ogen van de tijdelijke bezoeker te worden uitgezogen door de aanwezige schimmen van het verleden.</p>
<p>Peitaiho is de badplaats der bureaucraten en diplomaten, die per trein op ongeveer zeven uur reizen van Peking ligt, niet ver van de plaats waar de Chinese Muur bij de zee uitkomt.</p>
<p>China heeft in wezen twee gezichten: het onheuglijk oude van de <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Yellow_river">Gele Rivier</a> en de <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Wei_River">Wei</a>, bakermat van de Chinese beschaving, zetel van prehistorische culturen en van de grote dynastieën uit de oudheid, leidend centrum van het hele land tot aan het einde van de noordelijke <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Song_Dynasty">Soeng</a>, en het andere China, dat van de benedenloop van de <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Yangtze_River">Yangtze</a>, dat in de twaalfde eeuw de wacht zou overnemen en een reeks dynamische, indrukwekkende grote steden tot ontwikkeling brengen die het voornaamste theater zouden worden van de moderne Chinese geschiedenis, terwijl het China van de Gele Rivier wegzonk in apathie. Pas onder het huidige regime is weer een eerste poging gedaan om deze oude provincies uit hun misère en hun lethargie te halen.</p>
<p><a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Loyang">Loyang</a> is een van de belangrijkste historische plaatsen van heel China; het werd ongeveer twaalfhonderd jaar vóór onze jaartelling gesticht en was de hoofdstad van tien achtereenvolgende dynastieën, om uiteindelijk in de tiende eeuw zijn hoge positie te verliezen. In de twaalfde eeuw werd de stad ingenomen en geplunderd door de binnenvallende Djürdjet.</p>
<p><a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Xi%27an">Sian</a>, dat in een niet minder grijs verleden de hoofdstad was van een aantal dynastieën, heeft veel meer van zijn oude waardigheden weten te behouden. Terwijl Loyang al sinds achthonderd jaar is afgezakt tot het niveau van een tweederangs, dommelend marktplaatsje, heeft Sian althans de statige ordening van het keizerlijke stadsplan, zijn muren en zijn poorten behouden, hoewel het nog maar een zesde beslaat van de oppervlakte die het innam toen het, onder de naam Tsj’ang-an, de hoofdstad was van het rijk van de <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Tang_Dynasty">T’ang</a> en een van de grootste kosmopolitische steden van de wereld.</p>
<p>Op ongeveer vijftien kilometer van Sian, aan de voet van de eerste uitlopers van het Tsj’in-ling-gebergte, ligt Sjiau-sjin ts’oen, een van de modeldorpen die verondersteld worden die buitenlandse bezoeker een indruk te geven van het plattelandsleven in heel China. Dit dorp strekt tot voorbeeld vanwege zijn waterbouwkundige werken, die het mogelijk hebben gemaakt een bergstroom in de buurt te reguleren.</p>
<p>Het technische commentaar wordt geleverd door een oude boer, die uitlegt hoe de conceptie van deze hele onderneming in wezen berust op een levende, creatieve toepassing van de Gedachten van Mao Tse-toeng en van het – hier haalt hij even diep adem, fronst zijn wenkbrauwen, en baant zich zich behoedzaam een weg door het koeterwaals dat hij uit zijn hoofd heeft moeten leren – d-i-a-l-e-c-t-i-s-c-h m-a-t-e-r-i-a-l-i-s-m-e. Elke suggestie dat er misschien op een of andere wijze ook ingenieurs of technici betrokken zijn geweest bij de voorbereiding van en het toezicht op dit opmerkelijke, niet eenvoudige project, wordt onmiddellijk met afschuw van de hand gewezen: de Gedachten van Mao Tse-toeng zijn juist de kracht die het latente genie van de werkende massa heeft vrijgemaakt, waardoor er helemaal geen behoefte meer bestaat aan de inmenging van die deskundigen.</p>
<p>Het is veelzeggend dat de politieke leiding van het dorp op geen enkele wijze beïnvloed lijkt te zijn door de ‘Culturele Revolutie’: in de samenstelling van het bestuur heeft zich ten minste vanaf het begin van de jaren zestig – toen een aanvang werd gemaakt met de waterbouwkundige werken – geen verandering voorgedaan. Dit bevestigt overigens wat wij al wisten: de ‘Culturele Revolutie’ is voornamelijk een stedelijke beweging gebleven; het voornaamste gevolg dat zij had voor het platteland, was dat de controle van buitenaf voor enige tijd verslapte en dat een tijdelijke terugkeer naar een vorm van autarkie op dorpniveau werd bevorderd – twee ontwikkelingen waar de boeren alleen maar baat bij hadden.</p>
<p>In de maoïstische religie, die de mens leert dat de geest sterker is dan de materie en dat revolutionaire wilskracht voldoende is om bergen te verzetten, neemt <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Dazhai,_Xiyang_County">Tatsjai</a> een zeer belangrijke plaats in; voor de massa der gelovigen vervult het de rol van een soort Lourdes of Fatima.</p>
<p>Linsjien met zijn beroemde <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Red_Flag_Canal">Kanaal van de Rode Vlag</a> is de volgende bedevaartplaats van de maoïstische religie. Het Kanaal van de Rode Vlag is een onderneming in de stijl van de farao’s: voor de irrigatie van het district Linsjien heeft men de loop van een rivier verlegd, waarbij deze via een ondergrondse doorgang door een keten van bergen in een kunstmatige bedding langs de helling van steile rotswanden werd geleid. Rationeler en economischer was geweest al deze energie te gebruiken voor een of andere produktieve bezigheid, en de opbrengst van die arbeid te bestemmen voor de aankoop van een pomp waarmee het water van de rivier rechtstreeks opgepompt had kunnen worden in een pijpleiding over de bergen heen.</p>
<p>Op weg naar Linsjien doen de meeste bezoekers <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Zhengzhou">Tsjengtsjou</a> aan, de hoofdstad van de provincie <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Honan">Honan</a>. Ik heb al eerder iets gezegd over de logge luxueuze forten buiten de stad waar de buitenlanders zo weelderig geïsoleerd worden dat van Tsjengtsjou is misschien nog het meest Babylonisch van allemaal (op de voet gevolgd door dat van Tsj’angsja, verplichte pleisterplaats voor degenen die een bedevaart maken naar het Geboortehuis van de Grote Leider). Het is oorspronkelijk door Russen voor Russen ontworpen, en de banale reusachtigheid en de kolossale tierlantijnen – die bestemd lijken om een publiek van bastaards, ontsproten aan een vereniging van cyclopen en midinettes, tevreden te stellen – vormen een fascinerende projectie van de aard van het stalinisme. Stalin neemt – om overduidelijke redenen – overal in China een ereplaats in: in de meest overheidsgebouwen hangt zijn portret naast dat van <strong>Lenin</strong>, <strong>Engels</strong> en <strong>Marx</strong>; zijn verzamelde werken beslaan hele rekken in de etalages van de boekhandels.</p>
<p><a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Anyang">Anyang</a> is, geheel in tegenstelling tot Tsjengtsjou, nauwelijks ingesteld op het ontvangen van buitenlanders, wat de charme van deze stad aanzienlijk verhoogt. De geschiedenis van China begint hier, aan de rand van de huidige stad, in een maïsveld waar zeventig jaar geleden de oudste resten zijn gevonden van het Chinese schrift, op de plek waar zich vroeger een van de hoofdsteden van de <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Shang_dynasty">Sjang-dynastie</a> bevond; dit wonderlijke stukje land levert jaar op jaar nieuwe archeologische vondsten op, nu eens onder de spade van de plaatselijke boeren, dan weer in de zeef van de permanente expedities van de Academia Sinica.</p>
<p><a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Xiangtan">Tsj’angsja</a> is een verplichte pleisterplaats voor alle bedevaartgangers op weg naar <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Shaoshan">Sjausjan</a>, het maoïstische Betlehem. Het Hotel van Tsj’angsja is dan ook bijzonder groots opgezet, zodat het de internationale legers van vrome pelgrims uit alle delen van de wereld royaal kan herbergen. Sjausjan, het geboortedorp van voorzitter Mao, ligt op vijfentachtig kilometer van Tsj’angsja; er komen jaarlijks bijna drie miljoen pelgrims.</p>
<p>De communistische geschiedschrijving blijft volledig trouw aan de regels, conventies en prototypen van de traditionele geschiedschrijving: de goede helden zijn altijd van eenvoudige komaf en stammen uit de werkende stand, de slechterikken daarentegen hebben onveranderlijk een nogal dubieuze achtergrond en hebben alle ondeugden met de voedstermelk ingezogen.</p>
<p>Hoewel <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Hofei">Hofei</a> de hoofdstad van de provincie <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Anhui">Anhwei</a> is en bijna een miljoen inwoners heeft, schijnen er nooit buitenlandse toeristen te komen: het heeft inderdaad geen modelfabrieken en geen maoïstische relikwieën – niets dat een georganiseerde rondleiding zou kunnen rechtvaardigen.</p>
<p>In het bergachtige gedeelte van Sjantoeng zag ik voor het eerst weer graven midden in de velden, soms aangegeven door een kleine zuil, soms door de aanwezigheid van een oude boom of een bosje. Vroeger vormden zij een van de karakteristieke kenmerken van het Chinese land: in tegenstelling tot onze lugubere begrafenisgetto’s diende hier het hele land als één groot, vriendelijk kerkhof: de dode voedde met zijn lichaam het veld dat hem gevoed had tijdens zijn leven, en op de beschermende aanwezigheid van zijn graf zag toe op het werk van zijn nageslacht, van generatie op generatie.</p>
<p>Van Nanking tot aan Hangtsjou rijgt zich een hele reeks voormalige centra van handel en cultuur aaneen, steden die zowel aan het zakenlaeven als aan verfijnde genoegens waren gewijd; de economische en culturele ontwikkeling van deze streek; de economische en culturele ontwikkeling van deze streek, die reeds op een hoog peil stond ten tijde van de <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Six_dynasties">Zes Dynastieën</a>, kreeg onder de Zuidelijke Soeng een beslissende impuls, en vanaf de twaalfde eeuw hield de Chinese bourgeoisie zich in dit gebied bij uitstek bezig met grote handels- en financiële ondernemingen, en met de geraffineerde verpozingen van de estheet… Deze wereld, waarin de levenskunst een ongelooflijk hoge graad van perfectie bereikte, bestaat nu niet meer, maar de herinnering eraan is nog steeds voelbaar in de sfeer van steden als Soetsjou en Hangtsjou.</p>
<p><a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Shanghai">Sjanghai</a> daarentegen, dat vanaf het begin van deze eeuw het belangrijkste economische en culturele centrum van China werd, heeft het creatieve karakter van deze streeek vertaald in schrille moderniteit. Wat thans opvalt en verbazing wekt, is de wijze waarop deze steden zelfs na twintig jaar maoïtische nivellering hun oorspronkelijke karakter hebben weten te behouden: terwijl Soetsjou en Hangtsjou nog steeds iets van hun vroegere bekoorlijkheid en elegantie hebben, en in zekere zin de kunst om de tijd aangenaam te verdrijven niet hebben verleerd, blijft Sjanghai leven in het jachtige tempo van een grote handelsstad, en is het nog steeds trots op de uit het kapitalistisch-koloniale tijdperk stammende wolkenkrabbers die zijn silhouet kenmerken.</p>
<p>De paradox van Sjanghai: hoewel het in de ogen van het regime een verdachte stad was omdat de buitenlandse invloed hier het grootste was en omdat het de nauwste contacten onderhield met de buitenwereld, was het toch tijdens de ‘Culturele Revolutie’ in politiek opzicht de meest vooraanstaande stad.</p>
<p>Hoe radicaal de omwentelingen die sinds de Bevrijding in Sjanghai hebben plaatsgevonden ook geweest mogen zijn, de sfeer van de stad en de aard van haar bevolking hebben iets unieks behouden, iets dat je nergens anders aantreft – iets dat een vrolijke roes teweegbrengt bij degenen die de stijve sfeer van Peking zijn gewend sinds Mao daar zijn hoofdstad van gemaakt heeft. Voor een deel is dit het gevolg van de uitzonderlijke omvang van de stad (tien miljoen inwoners!): in een dergelijke mensenmassa wordt een bepaalde mate van anonimiteit weer mogelijk, bestaat er weer enige kans op eenzame ontsnapping uit de werkelijkheid, op persoonlijke activiteit en op een vorm van privé-leven.</p>
<p>Anderzijds is de revolutionaire traditie van Sjanghai, dat bij elke politieke, sociale en culturele strijd van het moderne en hedendaagse China in de voorste gelederen stond, nog steeds springlevend; de twee sociale componenten die bij samenvoeging grote uitbarstingen veroorzaken – een stedelijk proletariaat en een intellectuele elite – zijn hier aanwezig in hoeveelheden waar geen enkele andere stad op kan bogen. Geen wonder dus dat de maoïstische machthebbers steeds hebben getracht zich te verzekeren van het revolutionaire potentieel dat Sjanghai biedt: hier werd in 1965 het startsein gegeven voor de ‘Culturele Revolutie’ – met het befaamde artikel van <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Yao_Wenyuan">Yau Wen-uan</a>.</p>
<p>Maar het revolutionaire karakter van Sjanghai is voor het maoïstische bewind een tweesnijdend zwaard zodra dit bewind de neiging vertoont zijn revolutionaire roeping te verloochenen. Mao heeft hij in 1965-1966 zijn eerste troepen gerekruteerd, maar hij heeft zich ook hier nadien zijn ergste vijanden gemaakt, door de stakingen neer te slaan van een proletariaat waaruit de voorhoede van zijn revolutie had moeten voorkomen, en door de verwachtingen te beschamen van dezelfde activistische jeugd die met zoveel enthousiasme gereageerd had op zijn eerste oproeping.</p>
<p>Economisch gezien drukt Sjanghai zwaar op China’s hulpbronnen, met zijn tien miljoen consumenten die elke dag moeten worden gevoed. Al bijna twintig jaar geleden heeft de regering besloten deze gevaarlijke, woelige bevolkingsconcentratie uit te dunnen: de belangrijkste methode die daarvoor gebruikt wordt is de massale deportatie van Sjanghaise jongeren naar het platteland, met name naar grensprovincies, zoals Sinkiang. Deze methode, die reeds in de jaren vijftig in zwang was, wordt sinds het einde van de ‘Culturele Revolutie’ op nog grotere schaal toegepast: voor de gemeente Sjanghai heeft deze aanpak al tot het vertrek van in totaal 800.000 mensen geleid. In juli 1921 werd in Sjanghai het eerste congres van de Chinese Communistische Partij gehouden.</p>
<p><a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Suzhou">Soetsjou</a> en Hangtsjou zijn door een beroemd gezegde aan elkaar gekoppeld: ‘In de hemel heb je het Paradijs, hier op aarde Soetsjou en Hangtsjou.’ Deze twee zustersteden die een zelfde traditie hebben, deel uitmaken van dezelfde geografische, economische en culturele wereld (het Tsjiang-nan of ‘Zuiden-van-de-Yangtze’), een zelfde verfijning bezitten en de dezelfde taal spreken (het lieflijke Woe-dialect, dat zowel in zuid-Kiangsoe als in noord-Tsjekiang wordt gesproken), hebben elkaar aanvullende, tegengestelde kwaliteiten; Soetsjou is een verrukkelijke stad in een doodgewone omgeving, Hangtsjou een doodgewone stad in een verrukkelijke omgeving.</p>
<p>Gestimuleerd door de welvaart ter plaatse hebben zich gedurende de laatste achthonderd jaar de belangrijkste intellectuelea activiteiten en de voornaamste aristieke en literaire produktie van heel China steeds geconcentreerd in Tsjiang-nan. Zelfs de definitieve verplaatsing van de administratieve hoofdstad naar Peking, in het begin van de vijftiende eeuw, kon het prestige van deze zuidelijke metropolen nooit werkelijk doen verbleken; hun rijkdom en elegantie bleven tot halverwege de negentiende eeuw ongeëvenaard.</p>
<p>Het paradoxale van Soetsjou is, dat deze van oudsher aan weelde en wereldse genoegens gewijde stad, waar als enige vorm van industrie diverse kunsthandwerken werden beoefend (borduurwerk, het vervaardigen van penselen, inkt, papier en zijde), en die een van de voornaamste centra was van de handel in oudheden en kunstwerken, een stad dus die heel duidelijk het stempel droeg van een ‘feodaal’ en burgerlijk verleden, en die bovendien het minst in staat was om zich aan te passen aan de nieuwe toestand omdat zij betrekkelijk ongevoelig was gebleven voor de invloed van het huidige regime, ook de meest elegante, de best onderhouden, de fleurigste stad blijkt die Leys in China heeft mogen zien.</p>
<p><em><strong>De bureaucraten</strong></em><br />
Tsjo-tsjwan schreef in de zesde eeuw v. Chr.: “Zoals de dag bestaat uit tien perioden, zo zijn de mensen verdeeld in tien klassen, en wel zo dat de lagere klassen gehoorzaamheid verschuldigd zijn aan de hogere klassen, terwijl de laatste de goden dienen. Zo heerst de koning over de hertogen, de hertogen over de grootofficieren, de grootofficieren over de edelen, de edelen over de lictoren, de lictoren over de intendanten, de intendanten over de hofmeesters, de hofmeesters over de huisbedienden, de huisbedienden over de lakeien, de lakeien over de knechten; ook zijn er stalknechten om voor de paarden te zorgen, en koeherders voor de koeien, zodat er in alle taken voorzien is.”</p>
<p>In de tijd waarover de Tsjo-tsjwan spreekt omvatte de hiërarchie der maatschappelijke functies nog slechts tien graden. In de tussentijd is er vooruitgang geboekt: de maoïstische bureaucratie telt in onze tijd <em>dertig</em> graden. De hiërarchieke nauwgezetheid, de geobsedeerdheid waarmee de maoïstische bureaucratie het Protocol in acht neemt is een voortdurende bron van verbazing voor de westerse diplomaten in Peking.</p>
<p>Bij al hun contacten met buienlanders informeren de maoïstische functionarissen steeds zeer nadrukkelijk naar de exacte titels, functie en hiërarchieke postie van elke gesprekspartner, zodat zij precies weten hoe lang de loper hoort te zijn die zij voor zijn voeten dienen uit te rollen: elke onzekerheid op dit gebied stort de Chinese bureaucraten in afgronden van angst en verlegenheid.</p>
<p>De enige auto’s in China zijn die van de mandarijnen; alle mandarijnen rijden in auto’s en alléén mandarijnen rijden in auto’s (oude mensen, ernstig zieken die naar het hospitaal worden gebracht, moeten, als zij het ongeluk hebben tot de gewone stervelingen te behoren, meestal genoegen nemen met een kruiwagen of een handkar, voortgeduwd of –getrokken door familieleden of medelijdende buren).</p>
<p>Bij de spoorwegen zijn alleen in naam de vermeldingen eerste, tweede en derde klas afgeschaft, en in plaats daarvan de benamingen ‘harde zittingen’ (<em>ying tswo</em>), ‘harde banken’ <em>(ying wo</em>) en ‘zachte banken’ (<em>jwan wo</em>) ingevoerd, die in geen enkel opzicht verschillen van de drie klassen van vroeger, waarbij ook de prijzen weer variëren van het enkel- tot het drievoudige.</p>
<p>In alle sectoren van het economisch leven zijn de salarisverschillen aanzienlijk, zeker bij de overheid. Het nepotisme van voorzitter Mao is ook voor niemand een geheim. Nu, uit de bliksemcarrière van de jonge familieleden van hooggeplaatsten mag niet worden afgeleid dat het regime over het algemeen genomen geneigd is de jeugd vertrouwen te schenken; integendeel zelfs, in principe wordt men alleen maar bevorderd op grond van anciënniteit; gegeven het aantal sporten op de hiërarchische ladder en de traagheid warmee een trapje hoger klimt, is het regime gedoemd tot gerontocratie.</p>
<p>De kaderleden dienen als drijfriem tussen de basis en de top. Zij genieten ongetwijfeld een aantal voorrechten, maar voordat men hen daar een verwijt over maakt, dient men te bedenken hoe ondankbaar en gevaarlijk hun taak is. Zij zitten voortdurend klem tussen bestuurders en bestuurden. De richtlijnen die zij van bovenaf krijgen zijn meestal met opzet dubbelzinnig: als zij op een mislukking uitdraaien, hebben de leiders hun eigen aftocht gedekt, terwijl zij de ongelukkige uitvoerders van hun politiek laten vallen; deze kunnen dan gedesavoueerd worden en opgeofferd aan de wrokgevoelens van de massa.</p>
<p>Het zou tamelijk onrechtvaardig zijn de maoïstische bureaucraten hun traagheid en inertie te verwijten: meestal is nietsdoen de enige overlevingsmogelijkheid die hun nog rest. Hoe zouden zij immers doortastend te werk kunnen gaan? Zij moeten hun kompas afstellen op de Gedachten van Mao Tse-toeng, een bijzonder beweeglijke, ongrijpbare en wisselvallige pool. Denkt u zich hun positie eens in: zij moeten ervoor zorgen niet verzeild te raken in de dwaling van links, noch in de dwaling van rechts (soms, zoals het in geval van Lin Piau, <em>is</em> de linkse dwaling een rechtse dwaling), maar tussen deze twee dwaalsporen kan het kaderlid ook niet zijn toevlucht zoeken tot de ‘middenweg’, want dat is een feodaal-confucianistisch begrip.</p>
<p>Aangezien rechts, links en het midden allemaal even gevaarlijk zijn, zou hij geneigd kunnen zijn gewoon zijn ogen te sluiten en zonder protest te gehoorzamen aan de voortdurend, tegenstrijdige geboden van de Verheven Leider. Alweer een dwaling! ‘Blinde gehoorzaamheid’ is een verderfelijk begrip, dat <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Liu_Shaoqi">Lioe Sjau-tsji’i</a> heeft uitgevonden om zijn duistere streven naar herstel van het kapitalisme te kunnen voortzetten. Maar dan wordt het aarzelende, terneergeslagen, besluiteloze kaderlid plotseling nieuwe moed ingeblazen door krachtige nieuwe wachtwoorden: hij moet ‘tegen de stroom in durven zwemmen’, ‘niet bang zijn om tot een minderheid te behoren’, ‘niet vrezen in ongenade te vallen of zelfs uit de Partij te worden gezet’.</p>
<p>Maar voordat hij in het water springt om dapper stroomopwaarts te zwemmen, denkt hij onwillekeurig toch een ogenblik na over het feit dat de ‘stroom van de Geschiedenis onweerstaanbaar is’, en dat de Communistische Partij die darvan de incarnatie is, zelf ‘groots en onfeilbaar’ is. Zijn vastberadenheid begint dus te wankelen, maar dan wordt hij eraan herinnerd dat ‘het gewettigd is om in opstand te komen’; hij staat weer op het punt om in actie te komen als hij opnieuw een koude doche krijgt: ‘de Partijdiscipline dient onder alle omstandigheden in acht te worden genomen’. Wie moet hij geloven? ‘De waarheid is meestal afkomstig van de minderheid’; een nuttige aanwijzing, maar de praktische betekenis ervan wordt in hoge mate beperkt door een ander fundamenteel axioma: ‘de minderheid dient zich altijd te onderwerpen aan de beslissingen van de meerderheid’.</p>
<p>Economische aangelegenheden, agrarische en industriële activiteiten blijken nog veel rijker aan voetangels en klemmen, omdat het er daar op aankomt verschijnselen duidelijk uit elkaar te houden die in feite werd, maar in de woordenzifterijen der haarklovende ideologen niet volkomen identitiek zijn: hoe moet men de ‘materiële prikkels’, een verderfelijk wapen waarvan Lioe Sjau-tsj’i gebruik maakte om het kapitalisme te herstellen, onderscheiden van de ‘rechtvaardige beloningen, evenredig aan de geleverde inspanning’, die een gewettigde en noodzakelijke stimulans vormen voor de creativiteit van de massa?</p>
<p>De maoïstische waarheid is in wezen veranderlijk en voorbijgaand van aard; om je te handhaven is het dus van belang geen enkele trein te missen, geen enkele maal uit de bocht te vliegen: daarom mag de maoïstische propaganda – pers, radio, opera – dan een van de meest eentonige, dorre en armzalige ter wereld zijn – zij wordt met ingehouden adem gevolgd door miljoenen mensen wier carrière – soms zelfs hun bestaan – afhankelijk is van deze wisselvalligheden van de ideologie, die elke dag opnieuw tussen de regels door ontcijferd moeten worden en waarvan de boodschap soms op de meest ongewone plaatsen moet worden ontdekt. Een zakenman die bankroet dreigt te gaan, verslindt de koersen op de financiële pagina niet met méér koortsachtige aandacht dan een Chinees kaderlid der lijst der aanwezigen bij banketten, begrafenissen, pingpongwedstrijden en dergelijke van de vorige dag.</p>
<p>Om het maoïsme te begrijpen is het niet voldoende uitsluitend de periode na de Bevrijding te bestuderen: de draad moet al veel eerder worden opgevat. Wanneer we bijvoorbeeld de periode Yenan, door lyrische ongeletterden vaak beschreven als de heroïsche, broederlijke tijd van de strijdbare revolutie, aan een nadere beschouwing onderwerpen, dan zien we dat daar in feite alle gebreken van het systeem reeds in hun volle omvang onverhuld aanwezig zijn.</p>
<p><em><strong>Het culturele leven</strong></em><br />
Orwell in zijn essay ‘Looking back on the Spanish war’: “Wie bij voorbeeld in de <strong>Encyclopaedia Britannica</strong> de geschiedenis van de Eerste Wereldoorlog opzoekt, zal tot de ontdekking komen dat een groot deel van de informatie afkomstig uit Duitse bronnen. Een Engelse en een Duitse historicus mogen het op veel punten, zelfs over fundamentele zaken, volkomen oneens zijn, dat neemt niet weg dat zij elkaar over een vaste kern van als het ware neutrale feiten nooit serieus zullen tegenspreken. En juist deze gemeenschappelijke basis waarover overeenstemming bestaat, en die impliceert dat alle mensen tot een en dezelfde soort behoren, wordt door het totalitarisme vernietigd.”</p>
<p>Bij oppervlakkige beschouwing lijkt de ontwikkeling van het culturele leven in de Volksrepubliek China uit een voortdurende afwisseling van betrekkelijk ‘liberale’ periodes en fasen van strenge tucht te bestaan. Bevriezing en ontdooiing, spanning en ontspanning, magere jaren en vette jaren volgen elkaar op de wisseling der seizoenen (maar elke winter betekent de definitieve verdwijning van een of ander facet van het culturele leven, van een of ander onderdeel van de historische erfenis, en elke lent verschijnen er een paar bloemen minder…). In een historisch perspectief geplaatst daarentegen blijkt de culturele politiek van het maoïstische regime opvallend constant te zijn: de grondbeginselen daarvan zijn meer dan een dertig jaar geleden vastgesteld, en in die dertig jaar is de praktijk nooit afgeweken van de orthodoxe theorie die Mao indertijd heeft opgesteld. Men vergist zich als men de plunderende beeldenstormers van de ‘Culturele Revolutie’ beschouwt als een op zich zelf staande gebeurtenis in de geschiedenis van het regime.</p>
<p>Het doodvonnis over het intellectuele leven van China is in 1942 in Yenan uitgesproken door Mao Tse-toeng, in zijn beroemde <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Yan%27an_Forum">Toespraken over kunst en literatuur</a>; de daarin ondubbelzinnig geuite wil om het kritische intellect te vernietigen – die onmiddellijk in praktijk werd gebracht met de fysieke uitschakeling van <strong>Wang Sje-wei</strong> – zou vervolgens op een steeds breder terrein worden toegepast: van de ‘hervormingsbeweging’ van 1951-1952 naar de zuivering van <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Hu_Feng">Hoe Feng</a> (1955), van de onderdrukking van de ‘<a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Hundred_flowers">Honderd bloemen</a>’ (1957) naar de reusachtige zuiveringen van de ‘Culturele Revolutie’ heeft de strijd tegen de geest zich steeds verder uitgebreid; de aard en de koers daarvan zijn altijd onveranderd gebleven; alleen was, tussen twee zuiveringen door, om een aantal praktische, technologische of zelfs diplomatieke redenen zo nu en dan een tijdelijke reactivering van verscheidene culturele sectoren nodig: de enige reden voor deze rustperiodes is dat zij tactisch noodzakelijk zijn; zij houden dus geen enkele wijziging in van de culturele politiek van het regime.</p>
<p>Deze sinds Yenan zo consequent gevolgde politiek heeft er ten slotte toe geleid dat intellectuelen (zoals Wang Sje-wei, Hoe Feng, <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Wu_Han_%28historian%29">Woe Han</a>, <strong>Ten T’o</strong>) als zodanig vrijwel volledig uitgestorven zijn. Zij bestaan alleen nog maar in de vorm van deskundigen die gespecialiseerd zijn op natuurwetenschappelijk, technisch of propagandistisch gebied; anderen hebben een herscholing in de fabrieken of op het platteland gekregen; een minderheid van onverbeterlijke elementen heeft zelfmoord gepleegd of is uit de maatschappij verwijderd.</p>
<p>De dissidente schrijvers van het Februarischema vonden dat tegenover de waarheid alle mensen gelijk zijn. Voor de maoïstische orthodoxie is dat een burgerlijke leuze. “Volledig loochenend dat de waarheid een klasse-karakter heeft, gebruiken zij deze leuze om de bourgeoisie te beschermen en om zich te kanten tegen het proletariaat, om zich te kanten tegen het marxistisch leninisme en tegen het Denken van Mao Tse-toeng.</p>
<p>Het doet er weinig toe dat de maoïsten onderscheiden maken tussen ‘marxistische waarheid’ en ‘burgerlijke leugen’ terwijl het bij de nazi’s ging om de ‘Duitse waarheid’ en de ‘joodse leugen’ (spelen burgers in de Volksrepubliek overigens niet de rol die de joden in Hitler-Duitsland beschoren was?): in beide gevallen bestaat er een zelfde wil om te ontkennen dat er een objectieve waarheid kan zijn, los van de wachtwoorden van de Partij en de geboden van de Leider – een waarheid in het licht waarvan deze wachtwoorden en geboden aan een kritisch onderzoek zouden kunnen worden onderworpen.</p>
<p>Wanneer de waarheid niets anders dan hetgeen de propaganda-afdeling van het Centraal Partijcomité voorlopig verordend heeft, en de intellectuelen direct of indirect in loondienst zijn van diezelfde afdeling, volgt daaruit dat alle metamorfosen die het culturele leven als geheel ondergaat nooit anders kunnen zijn dan tactische wijzigingen, zonder enige diepere betekenis. De waarde van een monument uit het verleden, van een archeologische ontdekking, van een historisch document, van een traditionele of ‘revolutionaire’ voorstelling, van een literair of artistiek produkt, zelfs van een sportwedstrijd of een nieuwe chirurgische techniek, wordt altijd uitsluitend bepaald aan de hand van het nut ervan als propagandawerktuig in dienst van de veranderlijke ‘werkelijkheid’ van het ogenblik.</p>
<p>Tijdens de ‘Culturele Revolutie’ lag het hele culturele leven enkele jaren lang volledig stil: de scholen werden gesloten, de intellectuelen hadden geen werk meer en werden in staat van beschuldiging gesteld en naar het platteland gedeporteerd; er verscheen geen enkel wetenschappelijk, artistiek, literair of cultureel tijdschrift meer, alle boeken van vóór de ‘Culturele Revolutie’ verdwenen uit de boekhandels, die uitsluitend nog de werken van Mao verkochten – in het klein en in het groot, integraal of als bloemlezing, gebonden en ingenaaid, in proza en in poëzie, in het Chinees en in het Babylonisch, altijd Mao en alleen maar Mao, in steeds grotere hoeveelheden; alle films, opera’s, toneelstukken van voor de ‘Culturele Revolutie’ werden van het programma afgevoerd.</p>
<p>Alle filmstudio’s werden gesloten, met uitzondering van de studio van het Volksbevrijdingsleger, die twee kleurendocumentaires maakte, één van Mao die de troepen van de Rode Garde in Peking inspecteert, en één van het Negende Partijcongres (twee zeer interessante films, die helaas reeds in het vergeetboek geraakt zijn: Lin Piau en enkele andere personen die inmiddels in ongenade zijn gevallen, kwamen er wat erg veel in voor); een groot aantal schrijvers, intellectuelen en kunstenaars pleegde zelfmoord (<strong>Lau Sje</strong>, <strong>Foe Lei</strong>, <strong>Li Kwang-t’ien</strong>, <strong>Woe Han</strong>, <strong>Tsjou Sjin-fang</strong> enzovoort). De anderen werden gemuilkorfd.</p>
<p>Op het gebied van literatuur is de situatie bedroevend: enkele klassieke titels (veertien of vijftien – van de tienduizenden die de hele Chinese literatuur omvatte) zijn symbolisch weer in omloop gebracht: aangezien zij in een zeer beperkte oplage worden gedrukt, zijn ze binnen een maand na verschijning al nergens meer te vinden.</p>
<p>De boekhandels hebben hun inrichting volledig veranderd: zij zien er nu uit als apotheken, dat wil zeggen dat de klant overal door een toonbank gescheiden is van de planken waarop de boeken staan. Op deze planken, waar alleen de verkopers bij mogen komen, zijn enkele tientallen verschillende titels uitgestald; aangezien het de kunst is om met zo’n klein assortiment de hele muur te vullen, liggen alle exemplaren van een zelfde boek in stapeltjes op en naast elkaar, op dezelfde saaie wijze als blikjes sardientjes en doperwten in de rekken van een supermarkt. Het grootste deel van de collectie bestaat natuurlijk uit de werken van Mao, gevolgd door de Vaders van de marxistische leer en de volledige werken van Stalin, Kim Il Soeng en Enver Hoxha.</p>
<p>Men kan zich voorstellen dat een dergelijke sfeer niet erg bevorderlijk is voor het intellectuele leven in het algemeen en voor de literaire produktie in het bijzonder. Sinds het einde van de ‘Culturele Revolutie’ zijn een stuk of twintig nieuwe boeken verschenen, voor het overgrote deel collectieve werken, verhalenbundels van groepen ‘soldaten, boeren en arbeiders’.</p>
<p>Alle romans, essays, verslagen en kunstwerken moeten revolutionair van inhoud en gezond van vorm zijn. Zij moeten 1. met oprechte, warm proletarische gevoelens de lof verkondigen van onze verheven voorzitter Mao; de lof verkondigen van de verheven, roemrijke en onfeilbare Chinese Communistische Partij; de lof verkondigen van de grootste overwinning van de revolutionair-proletarische lijn van voorzitter Mao; 2. naar het voorbeeld van de revolutionaire model-opera’s moeten zij zich ijverig werpen op het creëren van arbeiders- en boerenhelden; 3. op het stramien van de strijd tussen de twee lijnen moeten zij de revolutionaire volksstrijd weerspiegelen die in ons land sinds een halve eeuw onder leiding van onze Partij wordt gevoerd, en in het bijzonder de ononderbroken revolutionaire strijd die wordt gevoerd onder het vaandel van de dictatuur van het proletariaat, en de unanieme strijd weerspiegelen die de bevolking van onze provincie voert volgens de door voorzitter Mao aangegeven koers, en het glorierijke verloop van deze strijd.</p>
<p>In het woestijnlandschap dat de boekhandels in 1972 te zien gaven, trokken de schaarse nieuwe uitgaven onmiddellijk de aandacht van de klanten, en werden op slag bestsellers. Als zodanig dienen vooral te vermeld een <em>Vademecum voor de varkensfokker</em> en een <em>Overzicht van de Europese filosofie</em>. Dat laatste boek kan duidelijk illustreren hoe het met het intellectuele leven in China na de ‘Culturele Revolutie’ gesteld is.</p>
<p>Doordat de klassenstrijd wordt ingevoerd in de geschiedenis van de Europese filosofie, verandert deze al spoedig in een slagveld waar niemand meer genade vidnt. ‘<strong>Nietzsche</strong> is een volmaakte mengeling van het abjecte, schaamteloze denken van de reactionaire bourgeoisie, en de waanzin van de filosoof zelf.’ ‘Het existentialisme is een uitving van de verdorven decadentie en het wanhopige pessimisme van de monopolistische bourgeoisie in het imperialistische tijdperk; het is de dode filosofie van het kapitalistische imperialisme, het is de filosofie waarvan de monopolistische bourgeoisie zich bedient om de wil tot revolutionaire strijd bij het volk te verlammen.’</p>
<p>De archeologie is een belangrijk wapen geworden in de nieuwe lijn die Peking kort geleden op het gebied van de buitenlandse politiek is gaan volgen: om haar diplomatieke toenadering tot het Westen geloofwaardiger te maken, tracht de Volksrepubliek China nu de slechte indruk uit te wissen die de gewelddadigheden en de beeldenstorm van de ‘Culturele Revolutie’ op het buitenland hebben gemaakt. Het tentoonstellen van ‘tijdens de Culturele Revolutie gevonden’ archeologische voorwerpen vervult zo een dubbele functie: bedrieglijk te doen geloven dat de ‘Culturele Revolutie’ de erfenis van de oude cultuur helemaal niet vernietigd heeft, maar integendeel juist verrijkt; en te bewijzen dat maoïsme en humanisme volstrekt niet onverenigbaar zijn, en aldus te suggereren dat een regime dat de kunstschatten van de Oudheid met zoveel eerbied behandelt, wel een correcte, redelijke en evenwichtige gesprekspartner móét zijn.</p>
<p>Dat het Volksdagblad nog maar heel zelden ideologische commentaren publiceert, dat de planken van de boekhandels nog steeds geen letter literatuur bevatten, dat de letterenfaculteiten aan de universiteiten er niet in slagen hun activiteiten op het gebied van onderwijs en onderzoek werkelijk te hervatten, dat de filmstudio’s sinds 1966 geen enkele speelfilm meer hebben geproduceerd en dat de schouwburgen in het hele land niets anders op het programma durven nemen dan de zes revolutionaire model-opera’s van mevrouw Mao, komt niet alleen omdat een groot aantal intellectuelen, schrijvers, docenten en kunstenaars op dit ogenblik nog in beslag wordt genomen door het bemesten van het land en het fokken van varkens, maar ook en vooral omdat de minderheid die zijn functie behouden heeft nog geen duidelijke, ondubbelzinnige consignes heeft ontvangen; en zolang nieuwe orthodoxe maatstaven ontbreken durft men het niet aan om, uitsluitend afgaand op voorlopige, onduidelijke en tegenstrijdige instructies, een bepaalde weg in te slaan of initiatieven te nemen die morgen wel eens als misdadig zouden kunnen worden beschouwd. De ideologen en andere ‘zielkundige ingenieurs’ dienen echter toch de indruk te wekken dat zij iets doen, en moeten zo goed en zo kwaad als mogelijk is het volkomen lege culturele toneel opvullen: en hier doet dan de Mao-verering zijn intrede.</p>
<p>Aangezien er musea bestaan moet er nu eenmaal iets tentoongesteld worden, aangezien er boekhandels bestaan moeten de rekken nu eenmaal ergens mee worden gevuld; de leraren moeten hun leerlingen nu eenmaal iets onderwijzen, en de journalisten iets schrijven voor hun lezers; maar bij de onzekerheid die nog steeds heerst, met alle nu eens geslaagde, dan weer mislukte staatsgrepen, de mysterieuze pogingen tot moord die de leiders tegen elkaar beramen, de plotselinge verdwijning van machtige figuren wier positie voorgoed onaantastbaar leek, en de niet minder onverwachte terugkeer van personen die men onherroepelijk veroordeeld meende, blijft het voorlopig de veiligste methode om gewoon overal Mao in te doen, en ook niets anders.</p>
<p>Terwijl alles in het werk werd gesteld om het analfabetisme uit te roeien, werden tegelijkertijd niet minder doeltreffende pogingen ondernomen om vrijwel de hele niet maoïstische Chinese literatuur te laten verdwijnen, en zo ontstond de paradoxale situatie dat de jongere leden van de nieuwe leidende elite minder ontwikkeld zijn dan sommige analfabeten of semi-analfabeten onder het oude regime.</p>
<p>Er is nu definitief besloten tot een radicale hervorming van het schrift (vervanging van de Chinese karakters door een fonetische transcriptie in het Latijnse alfabet), uitsluitend op basis van een plan van Mao, en zonder dat aan dit besluit, dat ontzaglijke consequenties heeft voor achthonderd miljoen mensen, een openbare discussie voorafgegaan is. Door deze hervorming van het schrift zullen de maoïstische machthebbers in één keer definitief weten te bereiken wat anders door geen honderd ‘Culturele Revoluties’ met al hun auto-da-fe’s verwezenlijkt had kunnen worden alles wat vanaf de oudheid tot in onze dagen in China gedacht, gevoeld en geschreven is, zal definitief onoverdraagbaar en onleesbaar worden voor alle toekomstige generaties Chinezen.</p>
<p>Bij een bezoek aan een aantal universiteiten blijkt het moeilijk om een collegerooster te krijgen, onmogelijk om de handboeken die nu worden gebruikt, in te zien, of om de colledictaten van de studenten eens te bekijken, en zelfs om een boekenlijst te krijgen van de naslagwerken die hun worden aanbevolen.</p>
<p>Als de bezoeker op dat ogenblik vraagt om een willekeurig college in een willekeurige alfa-faculteit te mogen bijwonen, is het altijd te vroeg of te laat; door een buitengewoon ongelukkig toeval wordt er altijd net die morgen (of die middag) geen enkel college gegeven, en zijn de studenten juist naar het sportveld, of zitten zij op hun kamer te studeren.</p>
<p>Politieke theorie is een hoofdvak, dat een plaats inneemt die vergelijkbaar is met die van het godsdienstonderricht op confessionele scholen in het Westen. Qua Chinese taal en letterkunde is negentig procent van de leerstof modern, tien procent klassiek. Het moderne gedeelte bestaat voornamelijk uit proza van Mao, een bloemlezing van hedendaagse ideologische artikelen (Yau Wen-yuen &amp; Co.) en een paar fragmenten uit het werk van Loe Sjuun. Het onderwijs in het klassieke Chinees bestond uitsluitend uit de bestudering van de gedichten van Mao.</p>
<p>Het is zó moeilijk om voor een universitaire studie kandidaten te vinden die en een onberispelijk rode afkomst hebben en een minimum aan intellectuele vorming, dat veel provinciale universiteiten toestemming hebben gekregen om uit het hele land studenten aan te trekken, en niet meer uitsluitend uit hun eigen provincie.</p>
<p><em><strong>Westerse intellectuelen en maoïstische orthodoxie</strong></em><br />
In 1955 bracht Leys zijn eerste bezoek aan de Volksrepubliek; nu, zeventien jaar later, kom hij er terug. Het verschil dat hem het meest opvalt is dat in 1955 alles oud, versleten, haveloos, vervallen lijkt. Natuurlijk staan woningen veel lager op de prioriteitenladder dan alles wat voor de industriële infrastructuur moet worden gebouwd; aan de andere kant weerhoudt ook het politieke klimaat de mensen ervan hun woning op te fleuren: je kunt maar beter niet de afgunst van je buren wekken, niet leven op een wijze die wel eens als ‘burgerlijk’ bestempel zou kunnen worden.</p>
<p>De esthetiek van de politiek is een terrein waarop nog geen enkel onderzoek is verricht. Van alle door totalitaire regimes bedreven gruwelijkheden is hun onvermogen om iets anders dan kitsch voort te brengen ongetwijfeld de minst erge, maar niettemin blijft het een opmerkelijk betrouwbaar, onveranderlijk optredend symptoom, dat het mogelijk maakt de innerlijke slechtheid van dezes regimes te constateren. De nazi-kitsch, de Mussolini-kitsch, de stalinistische kitsch en de maoïstische kitsch zijn allemaal aan elkaar verwant en hebben toch elk hun specifieke eigenschappen; als men hun eigenaardigheid zou bestuderen, zou men duidelijk kunnen aangeven wat in de grote totalitaire familie de bijzondere kenmerken van elke soort zijn.</p>
<p>Daarbij zou men zich trouwens in het begin kunnen beperken tot een analytische en beschrijvende aanpak: het zou voldoende zijn om een aan de hand van enkele belangrijke gemeenschappelijke thema’s (zoals de persoonsverheerlijking van de Leider, het aan de kaak stellen van de Vijand, het geluk van het Volk, de onfeilbare lessen van de Partij, enzovoort enzovoort) een inventarisatie te maken van de wijze waarop hieraan in de verschillende stelsels uitdrukking is gegeven door middel van films, affiches, grammofoonplaten, decoratieve kunst, architectuur, beeldhouwkunst, enzovoort.</p>
<p>Bewonderaars en vijanden van de Volksrepubliek lijden onder een ontstellende onwetendheid. Maar het zou niet eerlijk zijn om hen alléén daarvan de schuld te geven. China is er in de eerste plaats verantwoordelijk voor dat wij zo weinig van het hedendaagse China weten. Bij de ‘Culturele Revolutie’ had de regering alleen maar enkele waarnemers in de gelegenheid hoeven te stellen om het verloop van de gebeurtenissen te plaatse bij te wonen.</p>
<p>Veel boeken over China hadden ook achter een bureau in Europa kunnen geschreven worden met behulp van niet meer dan een aantal nummers van Peking Review: het resultaat zou hetzelfde zijn geweest. Chinese ervaringen beperken zich te vaak tot een bezoek van een paar weken, en een stuk of dertig vraaggesprekken. Wat de mensen, denken, wat ze voelen, wat ze geloven, wat ze hopen, wat ze hebben meegemaakt, waar hun leven werkelijk uit bestaat, dat ontdek je niet door ze te interviewen. Dat kun je alleen maar heel geleidelijk in de loop van maanden, van jaren ontdekken door onder hen te leven. Onbedachtzaamheid is trouwens niet bepaald een eigenschap waar veel Chinezen last van hebben.</p>
<p>‘Dictionnaire des idées reçues’: volgens Flauberts methode zou je zonder moeite een dik boek kunnen samenstellen met de uitdrukkingen waaruit de starre taal van de maoïstische ideologie bestaat. De strijd van het volk is altijd ‘onverschrokken’ en ‘succesvol’. Het Albanese, Vietnamese enz. volk is altijd ‘heldhaftig’, het Roemeense, Zambiaanse, enz. altijd ‘broederlijk’. Wanneer Mao in het openbaar verschijnt, vertoont hij onveranderlijk een ‘blozend en stralend gezicht’, en zijn verschijning brengt bij de toeschouwers steeds weer ‘gevoelens van vurige genegenheid en grenzeloos enthousiasme’ teweeg. De Chinese Communistische Partij is natuurlijk ‘groot, roemrijk en onfeilbaar’; de klassevijand, die ‘altijd op de loer ligt’ moet natuurlijk ‘meedogenloos ontmaskerd’ worden. De plannen van de tegenstander zijn altijd ‘schandelijk’; men moet zich ‘vastberaden’ tegen hem verzette, zijn misdaden zijn ‘verfoeilijk en onvergeeflijk’. De successen die worden geboekt bij de opbouw van het socialisme zijn ‘geweldig’, ‘enorm’, ‘steeds groter’ (bij een mislukking zal men alleen maar spreken van een ‘nieuw succes’ of van een stijgend ‘succes’.</p>
<p>Orwell heeft een heel belangwekkend essay geschreven over de wijze waarop de totalitaire kanker zich voedt met deze taalverbastering: “In het Ministerie van Waarheid werd de Archiefafdeling waar Winston Smith werkzaam was, de Archaf genoemd, de Romanafdeling werd Romaf, de Teleprogramma-afdeling werd Telaf genoemd, enzovoorts. (…) Eigentijdse voorbeelden zijn Nazi, Gestapo, Komintern, Imprecor, Agitprop. (…) Men kwam tot de ontdekking dat, door een naam zo af te korten, de betekenis ervan werd verengd en haast onkenbaar gewijzigd, door het afsnijden van het merendeel der associaties, die er anders aan vast zouden zitten. De woorden Communistische Internationale, bijvoorbeeld, roepen een samengesteld beeld op van algemeen menselijke broederschap, rode vlaggen, barricades, Karl Marx en de Parijse Commune. Het woord Komintern daarentegen, suggereert alleen maar een hecht aaneengesloten organisatie en een welomschreven leerstelsel. Het heeft betrekking op iets dat bijna even gemakkelijk te herkennen is en even beperkt van opzet, als een stoel of een tafel. Komintern is een woord, dat men kan uitspreken bijna zonder zijn hersens te gebruiken, terwijl de Communistische Internationale een uitdrukking is, waarbij een mens gedwongen wordt althans een ogenblik stil te staan.”</p>
<p>Wie zo nu en dan in het buitenland Chinese kranten en tijdschriften leest, zou geneigd kunnen zijn het dwaze, onleesbare maoïstische jargon schouderophalend of met een geamuseerde glimlach af te doen. Maar wie ze elke dag moet lezen, en tegelijkertijd, omdat hij in China woont, met zijn ogen en oren het hele massale propaganda-apparaat te verwerken krijgt dat overal op elk uur van de dag dezelfde ideologische brij illustreert, aanvult, uitbreidt, opwarmt en herkauwt (dezelfde leuzen prijken in reusachtige letters op de muren, zijn heel klein gedrukt op kaartjes, agenda’s, kalenders, pakjes sigaretten, staan gegraveerd in asbakken en kwispedoors, geschilderd op theepotten en kamerschermen, geborduurd op zakdoeken en handdoeken… uit luidsprekers schallen ze over de straten en de velden, in treinen, kantines, latrines en fabrieken, in kazernes, vliegtuigen en stations…), ontdekt al snel dat in deze grootscheepse campagne om het intelligentse volk ter wereld achterlijk te maken, achter de potsierlijke schijn een angstwekkend gecoördineerd en strak georganiseerd plan schuilgaat.</p>
<p>De bedoeling van dit alles is om de kritische zin van de mensen uit te schakelen, hun hersens te zuiveren, en in de grondig geledigde hoofden het cement te gieten van de officiële ideologie, dat, zodra het hard geworden is, geen plaats meer biedt voor het opnemen van ideeën van buitenaf, en zich met heel zijn compacte, amorfe, ondoordringbare massa verzet tegen elke autonome of heterodoxe verrichting van het verstand. Zo zijn de burgers van de Volksrepubliek op politiek gebied uitgerust met een technisch, geprefabriceerd koeterwaals dat de plaats inneemt van het denken, dat de mogelijkheid om te denken uitsluit.</p>
<p>De mensen in China beschikken tegenwoordig in het algemeen over twee manieren van spreken: een natuurlijke, menselijke manier die hen in staat stelt hun eigen stem te gebruiken, en die zij gebruiken om te praten over hun gezondheid, het weer, het eten of de laatste basketballwedstrijd, en een snerpende, werktuiglijke manier voor alles wat met politiek te maken heeft. Zo kan uw gesprekspartner zich tijdens de conversatie verscheidene malen gedwongen zien om van een normaal stemregister over te gaan op een nummertje ideologische buiksprekerij, al naar gelang van het onderwerp dat toevallig ter sprake komt.</p>
<p>Het jargon van de ideologie vermenigvuldigt zich voortdurend: het regime meent aan een ideologisch bankroet te kunnen ontkomen door zijn toevlucht te nemen tot verbale inflatie; de stroom van nieuwe begrippen doet denken aan de uitgifte op grote schaal van plastic fiches die dienst moeten doen als intellectueel wisselgeld. De beste verklarende woordenboeken van de maoïstische fraseologie zijn binnen een jaar na verschijning al weer verouderd. Voor Chinezen die enige tijd in het buitenland hebben doorgebracht, is deze terminologie (‘een-twee-drie-systemen’, ‘drie anti’s en vijf anti’s’, ‘de werkstijl van de drie-acht’) volstrekt onbegrijpelijk. Zoals te verwachten viel, is ‘Revolutie’ het meest mishandelde woord van allemaal: je vindt het overal, en het is nergens werkelijkheid. ‘Revolutie’ is synoniem geworden van ‘gevestigde orde’ of van ‘overheid’.</p>
<p>Zonder tegenaankondiging is in principe alles staatsgeheim. Daar gaat de gewone man althans voorzichtig van uit, vooral bij zijn zeer zeldzame contacten met buitenlanders. Wanneer je iemand vraag waar een bepaalde straat is dan antwoord een Chinees vaak behoedzaam: ‘Dat weet ik niet precies.’ Ook de adressen en telefoonnumemers van zowel openbare instellingen en organisaties als particuliere personen vallen in de categorie ‘Staatsgeheimen’: er bestaat (althans voor buitenlanders) geen telefoonboek; de nummers en adressen die de buitenlanders beroepshalve nodig hebben, worden hun persoonlijk met mondjesmaat verstrekt.</p>
<p>Op het gebied van de geschreven informatie mogen buitenlanders alleen maar de nationale pers lezen (twee dagbladen en een tijdschrift); de lokale pers is hun streng verboden, evenals de militaire pers. Soms wikkelt de groentevrouw bij wie je een kilo appels koopt in hun onschuld verstrooid je boodschappen in een oud exemplaar van een verboden krant. Het hoeft geen betoog dat dat deze vuile, gescheurde pagina’s dan liefdevol worden gladgestreken door de ‘China-watchers’, die ze trillend van ontroering doorgeven; nadat ze in veelvoud gefotokopieerd zijn komen ze uiteindelijk terecht op de zwarte markt van Hongkong, waar verschillende onderzoeksinstituten er tegen waanzinnig hoge prijzen om vechten.</p>
<p>Het is een tijdlang mode geweest om ironische grappen te maken over het onvermogen van Amerikanen om zich aan te passen aan de levensomstandigheden van de landen waarheen zij uitgezonden werden; maar de mengeling van provincialisme en arrogantie die hen er maar al te vaak toe bracht om zich overal af te sluiten van de plaatselijke werkelijkheid, is nog niets vergeleken bij het volslagen gebrek aan belangstelling, tact en toenadering waarvan de verschillende Russische missies in het buitenland blijk geven. Met name in China hebben de Russen zich lange tijd zeer kolonialistisch gedragen. Hun gevoel van superioriteit werd trouwen versterkt door de slaafse houding die de maoïstische autoriteiten tegenover hen aannamen: deze gaven de Chinese bevolking bevel om op elk gebied in de leer te gaan bij de ‘Russische grote broer’, en Mao zelf verkondigde de beroemde stelling dat China zijn ontwikkeling eenzijdig op de hulp van de Sovjet-Unie moest baseren.</p>
<p>De Russen trachten nu (onredelijk) Mao Tse-toeng af te schilderen als een tweede Djingiz Chan; achter elke Chinees duikt voor hen het onsterfelijke spookbeeld van de Mongoolse veroveraar op. Terwijl China minstens evenveel te lijden gehad van de Mongoolse invasies als Rusland! Hoe diep deze vooroordelen geworeld zitten, valt af te meten aan het droeve feit dat zelfs een integer en onafhankelijk iemand als <strong>Solzjenitsyn</strong> onbewust dit idee van een nieuw ‘Geel gevaar’ heeft overgenomen, en geen enkel ogenblik schijnt te beseffen dat zijn land constant een geweldige militaire dreiging uitoefent op de Chinese grenzen.</p>
<p>De Chinezen zijn niet ten onrechte van mening dat het Sovjet-Russische imperialisme zich een waardige opvolger toont van het tsaristische expansionisme. De Russen beschikten en beschikken nog steeds over uitstekende sinologen; maar deze universitaire elite, die goed op de hoogte is van de Chinese cultuur en in staat om deze meer dan oppervlakkig te waarderen, oefent geen enkele politieke invloed uit. Wat betreft de ‘technici’ op het gebied van de Chinese zaken, de mensen die door overheidsorganen worden uitgezonden om de huidige ontwikkelingen in Peking te analyseren, dat zijn ‘gespecialiseerde barbaren’: buiten hun talenkennis hebben zij geen enkele algemene ontwikkeling, en het is overigens niet ondenkbaar dat het hun carrière zou schaden wanneer zij toevallig een zekere culturele en menselijke affiniteit met de Chinese wereld zouden ontwikkelen.</p>
<p>Voor zover wij weten is het hele openbare religieuze leven – of het nu christelijke, islamitische of boeddhistische erediensten betreft – sinds de ‘Culturele Revolutie’ verdwenen. Eén katholieke kerk in Peking (de Nan-t’ang) is weer in gebruik genomen <em>voor de buitenlanders</em>: deze kunnen er elke zondagmorgen om half tien de mis bijwonen. Gegevens over de huidige situatie van de Kerk in China zijn er nauwelijks. De godsdienst leeft eigenlijk alleen nog maar in het privé-leven, op het niveau van het gezin, en schijnt zijn kerkelijke structuren vrijwel volledig te zijn kwijtgeraakt. De priesters die het vertrouwen en de achting van de gelovigen genoten, zijn naar het platteland verdwenen.</p>
<p>Wat de lijn van de massa betreft. Buitenlandse critici betreuren het vaak dat China als arm land voor zijn ‘public relations’ aan een dergelijke verspilling doet, maar in de ogen van de maoïstische bureaucraten is dit een dwaas verwijt: wat kost het nu, honderd- of tweehonderdduizend figuranten langs de boulevard op te stellen? Mensen zijn hier nog steeds steeds veruit het goedkoopste, gemakkelijkst te verkrijgen en te vervangen materiaal; dat moet je niet onbenut laten…</p>
<p>Deze massale manifestaties verlopen volgens een onveranderlijk, perfect geoliede routine: vroeg in de morgen komen ploegen arbeiders de <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Chang%27an_Avenue">Tsj’ang-an-laan</a> versieren met geverfde kartonnen pilaren, waarop welkomstwoorden voor de bezoeker van die dag staan geschreven; zij hangen wimpels en luidsprekers op aan de lantaarns langs de boulevard; hier en daar worden grote toiletwagens neergezet ten behoeve van de manifestanten; deze arriveren in vrachtauto’s of lopend, in keurige colonnes’; gedwee begeven zij zich naar de hun aangewezen plaatsen. Aan de kleine schoolmeisjes zijn gekleurde rokjes, sjaals en papieren bloemen uitgedeeld (die zij na afloop moeten teruggeven: dan kan alles de volgende keer opnieuw worden gebruikt). Gehurkt op het trottoir wachten de manifestanten een, twee, drie uur… apathisch en gelaten; sommigen leggen een kaartje. De luidsprekers storten opgewekte muziek uit over deze massale onverschilligheid. Plotseling klinkt een bevel: iedereen komt overeind en verlaat rij voor rij ordelijk het trottoir om een dubbele haag te gaan vormen midden op de boulevard. Zoals de krabben achterblijven op het strand wanneer het eb wordt, zo laat deze beweging van de menigte de veiligheidsagenten, plotseling opvallend in hun eenzaamheid, achter op het trottoir.</p>
<p>De mensen: de politiek leiding mag dan op cynische wijze met hen manoeuvreren, zij zijn en blijven haar enige kapitaal. Dat China, alle domme wreedheden van de politiek ten spijt, trouw aan zich zelf blijft, fijnzinnig, menselijk door en door <em>beschaafd</em>, heeft het aan hen te danken. Zij zijn het, de nederigen, de naamlozen, de doodgewone mensen, die ondanks de bureaucraten de Chinese continuïteit garanderen, en ons verbieden om te wanhopen aan de toekomst: zij hebben twintig dynastieën begraven, zij zullen ook deze wel overleven. Zij zijn niet veranderd. Zoals altijd zijn zij geduldig, zij hebben geen haast; zij zijn zoveel scherpzinniger dan degenen die hen besturen! De autoriteiten zijn bang voor hen, want zij voorvoelen vaag dat het de mensen zijn die op een dag uiteindelijk het vonnis zullen vellen.</p>
<p>Wat het onoverbrugbare antagonisme tussen arbeiders en autoreiten betreft, waarbij de eersten door de laatsten worden uitgebuit: de regering is zich terdege bewust van het bestaan van onlustgevoelens daarover, en om deze dreiging te bezweren hanteer zij als voornaamste wapen het grote bedrog van de ‘klassenstrijd’, het leidmotief van de officiële propaganda.</p>
<p>De regering heeft de <em>werkelijke</em> klassenstrijd, waarbij in China regeerders tegenover regeerden staan, de massa tegenover de bureaucratie, vervangen door een fictieve strijd tussen het ‘proletariaat’ en de ‘bourgeoisie’. Het ‘proletariaat’ wordt op zodanige wijze opnieuw gedefinieerd dat de basis en de top, het volk en zijn meesters, niet meer duidelijk van elkaar te onderscheiden zijn, en zodoende wordt het werkelijke conflict tussen onderdrukten en onderdrukkers weggemoffeld. Wat de ‘bourgeoisie’ betreft, de fabelachtige boeman op wie de massa van tijd tot tijd haar woede en frustraties mag botvieren op een wijze die de macht en de privileges van haar ware uitbuiters onaangetast laat, deze bestaat eenvoudigweg uit de in ongenade gevallen bureaucraten.</p>
<p>De leidende klasse wordt namelijk onafgebroken verscheurd door een meedogenloze strijd om de macht; de kliek die wint geeft telkens zijn minder fortuinlijke collega’s prijs aan de woede van het volk, na hun eerst een ‘burgerlijk-kapitalistisch’ etiket te hebben opgeplakt. Zo slaat hij twee vliegen in één klap: hij ontdoet zich van zijn rivalen en hij verschaft een uitlaatklep aan de ontevredenheid van de massa. De onderdrukking en de uitbuiting van de mssa vormen een zo werkelijk, zo algemeen ervaren verschijnsel, dat het voor het regime geen zin heeft te trachten het bestaan daarvan te ontkennen. Tot op zekere hoogte wordt de massa daarom van tijd tot tijd aangemoedigd om openlijk uiting te geven aan haar grieven, maar het aanwijzen van de schuldigen blijft het exclusieve recht van de autoriteiten. Aangezien de strijd om de macht onophoudelijk voortwoedt, is de kans klein dat het regime ooit zondebokken te kort komt: gisteren Lioe Sjau-tsj’i en zijn kliek, vandaag Lin Pau en zijn luitenants, morgen weer een ander.</p>
<p>Zij moeten voorkomen dat de massa de beslissende stap doet deze onderdrukkers aan te vallen <em>als leden van de heersende kliek en als machthebbers</em>, want dat zou tot gevolg hebben dat zij niet langer individuele personen, maar de bureaucratische klasse als geheel beschuldigt, de grondslag van het systeem zelf ter discussie stelt en de ware aard van de ‘klassenstrijd’ binnen het regime aan het licht brengt. Om dit verhinderen dient de propaganda een zo ongelooflijk misdadige identiteit te verzinnen voor de in ongenade gevallen bureaucraten, dat het definitief onmogelijk wordt hen te verwarren met hun collega’s die nog in functie zijn: zij worden spionnen in dienst van de Verenigde Staten, agenten van de Kwomintang, spionnen in dienst van de Sovjet-Unie, landverraders, handlangers van het feodalisme, samenzweerders die uit zijn op het herstel van het burgerlijk kapitalisme… <em>Kortom, Lioe Sjau-tsj’i krijgt een masker op om te voorkomen dat iemand bemerkt hoe verbazend veel gelijkenissen hij vertoont met Mao Tse-toeng</em>.</p>
<p>Voor de massa heeft deze rituele praktijk een zeer overtuigende schijn van werkelijkheid: de gewelddadigheden waarmee deze operaties over het algemeen gepaard gaan, het bloed dat er bij vergoten wordt, de belangrijke positie die de aangeklaagde bureaucraten oorspronkelijk bekleedden en de uitgebreide macht die zij hadden, het lijken allemaal bewijzen dat zich een werkelijke revolutie aan het voltrekken is. In feite is het bedrog hiermee volledig, want het kenmerk van het bureaucratische systeem is nu juist de volkomen onderlinge verwisselbaarheid der bureaucraten: geen enkele wijziging in de personale samenstelling kan ooit ook maar iets veranderen aan de aard van het regime. En wanneer de massa na enige tijd tot de ontdekking komt dat ‘de fles dan anders mag zijn, maar dat deze nog steeds dezelfde oplossing bevat’, hoeven de machthebbers haar alleen maar een nieuwe lading ‘burgerlijke kapitalisten’ te leveren die voor het gemak verantwoordelijk worden gesteld voor deze nieuwe ‘restauratie’.</p>
<p>Het is bij de progressieve intelligentsie die welwillend staat tegenover het maoïsme (de auteur van dit boek deelde deze benadering aanvankelijk ook) een tijdlang mode geweest om met betrekking tot de Volksrepubliek China het beroemde axioma van <a href="http://www.achillevandenbranden.net/tag/samuel-johnson/">dr. Johnson</a> te citeren: “if the abuse be enormous, nature will rise up, and claiming her original rights, overturn a corrupted political system.” Maar hoe zou deze opvatting van een man uit de achttiende eeuw, die alleen maar het politieke machtsmisbruik van de absolutistische regimes kende, nog van toepassing kunnen zijn op dat eigenaardige, in de wereldgeschiedenis nog ooit eerder aanschouwde produkt van de twintigste eeuw, de totalitaire staat?</p>
<p>De vooruitzichten van de Opperste Leider en van zijn erfgenamen, wie dat ook mogen zijn, zijn uitstekend. Wie daaraan twijfelt zou nog eens moeten nadenken over de opmerking van <strong>Albert Speer</strong> – die goed thuis was op dit gebied, en achteraf zijn ervaringen helder en afstandelijk heeft weten te analyseren – dat er in het laatste oorlogsjaar, toen Duitsland steeds dieper wegzonk in zijn Apocalyps, bij een vrij referendum onder de bevolking <em>waarschijnlijk nog een ruime meerderheid voor Hitler uit de bus zou zijn gekomen</em>. Het stalinistische voorbeeld is al even leerzaam: wat het Russische volk Chroestjsjov het meest kwalijk neemt, <em>is dat hij getracht heeft Stalin van zijn voetstuk te stoten</em>. De aanslagen op de Führer en de pogingen tot destalinisatie zijn altijd het werk geweest van een minderheid die niet werd gesteund door het grootste deel van de bevolking.</p>
<p>In China wordt de positie van de Opperste Leider nog versterkt door het feit dat alle elkaar bestrijdende facties hem eensgezind steunen, terwijl zij elkaar voor het overige voortdurend in de haren vliegen: de reden daarvan is dat de Opperste Leider in zekere zin de macht niet langer onbetwist in handen heeft, maar veeleer <em>de inzet of de waarborg</em> van die macht geworden is.</p>
<p>Zo heeft een man als Lioe Sjau-tsj’i tot op de laatste minuut van zijn politieke leven zijn onwankelbare trouw aan Mao Tse-toeng betuigd. Wat Lin Piau betreft, zelfs als hij werkelijk een complot gesmeed had tegen zijn meester (wat nog te bewijzen staat), dan nog zou hij, als hij erin geslaagd was de macht te veroveren, zich zonder enige twijfel even vurig op Mao beroepen hebben als al zijn tegenstanders: de Opperste Leider is namelijk in het huidige systeem langzamerhand dezelfde plaats gaan innemen als de keizer in het Ancien Régime: hij is de spil van de hele politieke structuur; als deze hoeksteen wordt weggehaald, stort het hele bouwerk in elkaar.</p>
<p>Om daar aan te durven komen is de wanhopige moed nodig van een Samson, die wist dat hij zelf ook bedolven zou worden onder het puin van de instortende tempel der Filistijnen; het is opvallend dat zelfs op het hoogtepunt van ‘Culturele Revolutie’ ook de groepen die het heftigst en het meest radicaal waren in hun verzet tegen de bureaucratische orde, deze laatste stap, <em>het aanklagen van Mao</em>, nooit konden of durfden doen: en dit onvermogen om hun opstand tot het logische einde toe door te voeren, maakte de mislukking daarvan bij voorbaat onvermijdelijk.</p>
<p>Onder de maoïstische bureaucraten bevinden zich zonder enige twijfel geestige, briljante mannen. Helaas moeten zij minstens de rang van onderminister hebben bereikt om het recht te hebben zich zelf te zijn. Op het niveau van de mensen die iemand als Kissinger bij zijn bezoeken aan Peking ontmoet, staat het gesprek op een duizelingwekkend hoog intellectueel peil, dat schril afsteekt bij de houterige taal van de bordpapieren mannetjes die men op alle andere niveaus van de hiërarchie aantreft. In hoeverre weerspiegelt de opwindende ervaring die buitenlandse staatslieden bij hun bezoek hier opdoen, de realiteit van China? Wat geeft de doorslag bij de toekomst van het land: de grootse visies van een klein aantal mensen aan de top, of de dodelijke botheid van een kortzichtig, dogmatisch, middelmatig, arrogant bureaucratisch apparaat, vol complexen, vastgeroest in conventies, doodsbenauwd om ook maar het geringste initiatief te nemen, en niet in staat om de visies van de top door te geven aan de basis zonder ze op karikaturale wijze te vervormen?</p>
<p>De kern van de crisis van het moderne China wordt al sinds meer dan een eeuw gevormd door het probleem van de houding tegenover de buitenwereld. De conservatieve, idealistische, reactionaire, behoudende, xenofobe, obscurantistische groepering – gisteren de <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Qing_Dynasty manchu">Mantsjoe-aristocratie</a>, <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Empress_Dowager_Cixi">keizerin Tz’e-sji</a>, <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Boxer_Rebellion">de Boksers</a>, vandaag maoïstisch ‘ultra-links’ – wil haar beeld van de Chinese orde zuiver, statisch en ongeschonden houden, en preekt daarom aan het rijk hermetisch af te sluiten voor alle contacten met het buitenland, en het bestaan van de buitenwereld te negeren.</p>
<p>De realistische, goed opgeleide, vrijzinnige, progressieve groep – gisteren de hervormingsgezinde intellectuelen, vandaag de pragmatische technocraten rond Tsjou En-lai – dringt er daarentegen op aan – om China’s voortbestaan in de moderne wereld te garanderen – bij diezelfde buitenwereld in de leer te gaan, en althans gebruik te maken van haar wapens. Voor hen blijft de beroemde leus van <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Zhang_Zhidong">Tsjang Tsje-toeng</a> (1837-1909) ‘De westerse technologie in dienst stellen van het Chinese vernuft’ nog steeds actueel; maar de conservatieven brengen hier even beslist als in de vorige eeuw tegenin dat het onmogelijk is functie en wezen van elkaar te scheiden: als de westerse functie wordt overgenomen, zal het Chinese wezen daardoor onvermijdelijk en onherstelbaar worden aangetast.</p>
<p>Waarom bestaat het maoisme? Wat maakt een dergelijk verschijnsel mogelijk? Een tekst van <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Lu_Xun">Loe Sjuun</a> – een van de meest wanhopige bladzijden die hij geschreven heeft – kan misschien het antwoord verschaffen op deze obsederende vraag:</p>
<p>“De Chinezen hebben nooit geweten te bereiken dat zij als menselijke wezens werden beschouwd, hoogstens hebben zij zich weten te verheffen tot een soort slaven, en dat is in deze tijd nog steeds zo. In het verleden zijn zij trouwens herhaaldelijk als minder dan slaven behandeld. De Chinese volksmassa is neutraal; in tijd van oorlog weet zij niet tot welk kamp zij behoort, en in feite behoort zij tot willekeurig welk kamp. De opstandelingen komen; zij gaan ervan uit dat het volk onder gezag van de wettige regering staat, en trekken plunderend en moordend rond. Vervolgens is het de beurt van het geregelde leger: in plaats van zijn bondgenoten te herkennen plundert en moordt het op dezelfde wijze onder het volk, alsof dit zich aan de zijde van de opstandelingen had geschaard. Als het zover gekomen is heeft de bevolking nog maar één wens: een Meester te vinden die bereid is haar als zijn volk te accepteren – nee, niet eens: die bereid is haar als zijn vee te accepteren; de mensen zouden gras eten als het moest, als de Meester maar zo goed is hun aan te wijzen in welke richting zij moeten galopperen.”</p>
<p>De westerse ideologen gebruiken in deze tijd maoïstisch China zoals de filosofen uit de achttiende eeuw het China van <strong>Confucius</strong> gebruikten: het is een mythe, een abstracte, ideële projectie, een utopie die hen in de gelegenheid stelt alles te hekelen wat er in het Westen fout gaat en zich daartegen zich af te zetten, zonder dat zij zich de moeite hoeven geven zelf na te denken. Wij snakken naar adem in de verpeste lucht van de industriële beschaving, onze steden zijn poelen van verderf, onze steden zijn poelen van verderf, onze wegen zitten verstopt door de krankzinnige verveelvoudiging van het aantal auto’s: dus roemt men om het hardst de Volksrepubliek China, waar vervuiling, criminaliteit en verkeersopstoppingen onbekend zijn; je zou evengoed iemand zonder benen een compliment kunnen maken omdat hij geen vuile voeten heeft.</p>
<p>De maoïstische mode die op het ogenblik in bepaalde intellectuele kringen in het Westen heerst, vertoont in allerlei opzichten verbazingwekkend veel overeenkomst met de China-rage van de achttiende eeuw – die van de tuinpagodes en de schoorsteenboeddha’s. Het is een nieuwe vorm van exotisme: evenals dat van vroeger is het gebaseerd op onwetendheid en fantasie – en met de beste bedoelingen van de wereld geeft het onbewust blijk van een grenzeloze minachting voor de Chinezen, voor hun menselijkheid, voor de werkelijkheid van hun leven, hun taal, hun cultuur, hun verleden en hun heden.</p>
<p>Net als in de achttiende eeuw is China ver van ons bed: diezelfde afstand die iemand als <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Fran%C3%A7ois_Boucher">Boucher</a> alle vrijheid gaf om een Parijse salon te decoreren met kleine fantasie-mandarijnen, maakt het onze filosofen van tegenwoordig mogelijk ons het beeld van het maoïsme voor te schotelen dat hun toevallig het beste aanstaat: voorbeelden daarvan zijn er te over, Leys hoeft niet verder te zoeken van de krant van vanmorgen om er een bij de hand te hebben: ‘<strong>Sartre</strong> zelf geeft toe dat het marxisme niet wetenschappelijk is – het was de fout van de Russen dat zij dat meenden, <em>de verdienste van de Chinezen dat zij dat in twijfel trokken</em>.’</p>
<p>Leys is benieuwd wie hem ook maar één Chinese tekst kan laten zien waarin een zo gezonde twijfel wordt uitgesproken; hij maakt zich daarentegen sterk dat hij over het hoofd van degene die deze enormiteit verkondigd heeft, karrevrachten Chinees proza kan uitstorten – te beginnen met de geschriften van de Verheven Denkmeester zelf – waarin bladzij na bladzij gehamerd wordt op alle wetenschappelijke deugden van het marxisme.</p>
<p>Met dezelfde kille minachting voor de feiten trachten sommige pelgrims in het Westen het idee ingang te doen vinden dat maoïstisch China afstand zou hebben genomen van het stalinisme; nu gaat hun enthousiaste bewondering voor Mao natuurlijk niet zover dat zij zijn boeken lezen, terwijl hun onbekendheid met de Chinese taal hen ontslaat van de verplichting op te merken hoeveel gebruik er gemaakt wordt van Stalins denken in de ideologische publicaties van Peking.</p>
<p>Vanwaar die slaafsheid? Leys doet een poging die te verklaren. In het Westen vielen politieke macht en ideologisch oppergezag niet noodzakelijk samen; in hun dubbele onderworpenheid aan de wereldlijke en de kerkelijke overheid voelden de mensen zich vaak heen en weer geslingerd tussen tegenstrijdige eisen: in deze conflicten kon uiteindelijk slechts het individuele geweten de doorslag geven. Sinds het begin van de moderne tijd kent Europa een veelheid van politieke stelsels en godsdienstige richtingen; opstandelingen en ketter konden, wanneer zij in het ene land werden vervolgd, de wijk nemen naar een buurland, en daar hun overtuiging openlijk blijven belijden. Al deze factoren hebben de ontwikkeling van een vrijzinnige en individualistische houding onder de intellectuelen mogelijk gemaakt en bevorderd.</p>
<p>In China achter zijn, sinds het land meer dan tweeduizend jaar geleden voor het eerst tot één keizerrijk verenigd werd door de Tsj’in, de politieke, ideologische wereld altijd zeer nauw met elkaar verweven geweest in een monolithisch geheel. Buiten dit geheel bestaat er geen alternatief voor het individuele geweten: wie de ‘heersende orthodoxe leer’ (tsjeng-t’oeng) afwijst, stelt zich niet alleen buiten de samenleving, maar keert ook de beschaving de rug toe, wijs <em>het mens-zijn</em> af: om een dergelijk besluit te nemen moet men bereid zijn in wouden en woestijnen te leven, met de wilde dieren als enig gezelschap. Dynastieën kunnen verdwijnen, de Orthodoxe Leer blijft: juist aan deze blijvende waarde ontleent elke dynastie haar legitimiteit.</p>
<p>De enige perioden waarin China zonder orthodoxe leer leeft zijn die gevreesde tussenpozen van chaos die tussen twee dynastieën kunnen voorkomen; dan zinkt het land in onzekerheid en geweld, totdat er uit het strijdgewoel een kracht naar boven komt die de inverval geraakte orthodoxie weer in ere herstelt, en de kern wordt van een nieuwe eenheid. De Chinese geleerden zijn door meer dan tweeduizend jaar geschiedenis niet alleen geconditioneerd om de heersende orthodoxe leer, de enige dam tegen het onrecht van wanorde en barbaarsheid, te steunen, maar ook daar reikhalzend naar uit te kijken en haar met vreugde te begroeten wanneer zij na de duisternis van elk interregnum opnieuw verschijnt.</p>
<p>Het is dan ook bijzonder moeilijk om in China iets nieuws te bedenken; overal zijn in de geschiedenis precedenten van te vinden: dit geldt zelfs voor de meest bizarre uitwassen van het maoïsme; neem nu bij voorbeeld het precedent van <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Hongwu_Emperor">Tsjoe Yuan-tsjang</a>, de grondlegger van de Ming-dynastie. Tsjoe Yuan-tsjang was een geniaal man, maar ook een meedogenloze, wrede autocraat, die een ware terreur uitoefende op het intellectuele leven in het hele land. Hij koesterde een diepgewortelde haat tegen het confucianisme, met name tegen de democratische stroming waaraan <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Mencius">Mencius</a> bekendheid had gegeven (Mencius achtte het gerechtvaardigde tirannen om het leven te brengen, en stelde de belangen van het volk boven die van de vorst): niet alleen wilde hij het beeld van de filosoof in de grote Confucius-tempel laten vernietigen, maar bovendien liet hij meer dan honderd passages uit Mencius’ werk schrappen. Tegelijkertijd ging hij prat op zijn eigen politieke filosofie; zijn werken, die de autodidact verraden, vormen een merkwaardige mengelmoes van nagebouwd gezeur, gemeenplaatsen en waarheden als koeien, waarin hier en daar plotseling een kort en krachtig uitgedrukte, oorspronkelijke gedachte opflitst.</p>
<p>De kern van zijn filosofie werd samengevat in een brochure met de titel <em>Ming ta kau</em> (Groot edict Ming), dat verplichte lectuur was voor alle onderdanen van zijn rijk; elk gezin moest er een exemplaar van bezitten. Aangezien China in die tijd (veertiende eeuw) waarschijnlijk ongeveer tachtig miljoen inwoners had, bleef de <em>Ming ta kau</em> heel lang een van de boeken met de grootste oplages ter wereld. Ondanks deze enorme verspreiding verdween het later vrijwel volledig uit de omloop. Tegenwoordig is de <em>Ming ta kau</em> een uiterst zeldzaam curiosum, zeer in trek bij bibiofielen. De originele uitgave van het ‘Rode boekje’ (dat wil zeggen met het voorwoord van Lin Piau) is dat enkele jaren na verschijning ook al geworden.</p>
<p>Ook de recente geschiedenis levert precedenten: zo vinden de rode gardisten en de ideologie van de ‘Culturele Revolutie’ een merkwaardige voorloper in de fascistische beweging der ‘<a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Blue_Shirts_Society">Blauwhemden</a>’, die in de jaren dertig in het China van de <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Kuomintang">Kwomintang</a> ontstond. De Blauwhemden vormden een semi-militaire beweging, die van haar leden eiste dat zij hun individuele, onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan de Opperste Leider boven elke andere band lieten gaan. Op cultureel gebied gaf de beweging ostenstatief blijk van haar minachting voor de studie van klassieke taal- en letterkunde en voor het traditionele onderwijs, dat de vooroordelen en de gewoonten van een decadente, parasiterende elite in stand hield en verbreidde; zij verkondigde dat scholieren, in plaats van ‘hun tijd te verspillen boven dode boeken om bureaucraten te worden’ zich dienden bezig te houden met rechtstreeks produktieve activititeiten: zij zouden een kwart van hij tijd moeten besteden aan werk op het land of een andere vorm van lichamelijke arbeid. Alle middelbare scholieren en studenten zouden verplicht enige tijd op een boerderij, in een fabriek of in een handelsonderneming moeten werken alvorens hun einddiploma te krijgen.</p>
<p>Het mag dan waar zijn dat het Chinese universum altijd de kenmerken van een organische eenheid vertoond heeft, deze beschaving van de totaliteit is pas vanaf het Ming-tijdperk totalitair geworden. Onder de <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Han_Dynasty">Han</a>, de <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Tang_Dynasty">T’ang</a> en de <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Song_Dynasty">Soeng</a> werd China veeleer autoritair dan autocratisch bestuurd. Minderheidsgroepen en opposanten van het regime kregen ruimschoots de gelegenheid om zich te uiten, en dientengevolge was het bijna onvoorstelbaar dat een integer mens zich niet voor politieke interesseerde.</p>
<p>Door het strenge toezicht dat de <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Ming_Dynasty">Ming-regering</a> tegelijkertijd uitoefent op de meningsuiting, wordt het intellectuele leven gedoemd tot dogmatische starheid, verlamming en onvruchtbaarheid: de enkele oorspronkelijke denkers uit die tijd stellen door hun werk hun leven in de waagschaal. Als uitvloeisel en bekroning van deze totalitaire verstikking gaan de Ming al spoedig elk contact van hun rijk met de buitenwereld afsnijden (de beroemde zeereizen van <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Cheng_Ho">Tsjeng Ho</a> zijn niet meer dan prestigevertoningen zonder enige economische of culturele betekenis, en vallen dan ook niet te vergelijken met de bloeiende scheepvaart onder de Soeng-dynastie).</p>
<p>Het beeld dat het Westen zich uiteindelijk van China gevormd heeft, een hermetisch afgesloten, statisch, verstard keizerrijk, geeft alleen maar de toestand weer die pas laat in de geschiedenis door de Ming werd geschapen en vevolgens door de <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Qing_Dynasty">Tsj’ing-dynastie</a> voortgezet (deze laatsten waren Barbaren zonder politieke tradities, die hun regeringssysteem opbouwden in slaafse navolging van wat in hun ogen de traditionele Chinese instellingen waren, maar wat in feite slechts een door de Ming tot stand gebrachte ontaarding daarvan was). maar dit beeld doet op geen enkele manier recht aan de werkelijkheid van het China van de Han, de T’ang, de Soeng – en zelfs de <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Yuan_Dynasty">Yuan</a> – ; hun inventiviteit, hun vermogen tot ontwikkeling en aanpassing, hun creatieve vernuft, hun politieke, culturele en economische levenskracht waren zowel de oorsprong als de resultante van een in hoge mate op de buitenwereld gerichte, zelfs ronduit kosmopolitische beschaving.</p>
<p>Als het begin van de industriële revolutie in Europa was samengevallen met een van de periodes van openheid waaruit de Chinese geschiedenis normaliter bestond, dan zou China nooit een achterstand hebben opgelopen in de ‘wedloop om de vooruitgang van de moderne tijd’. Door dit fatale historische toeval, de vestiging van het isolatonistische, totalitaire stelsel van de Ming, dat nog verergerd werd door de verlenging van bestaan die de Mandsjoes daaraan verleenden, zou China in feite blind en verlamd, belast met de slechts denkbaare politieke erfenis, in de moderne tijd belanden.</p>
<p>Voor een billijk oordeel over het maoïstische regime is het nodig rekening te houden met de zware hypotheek waarmee het aan zijn taak begon. De kanker van het totalitarisme, de geïnstitutionaliseerde pogingen tot afstomping, de dictatuur der analfabeten, de mengeling van grove onwetendheid en droeve minderwaardigheidscomplexen tegenover de buitenwereld – al deze dingen zijn normaal gesproken niet karakteristiek voor het meest geciviliseerde volk ter wereld: om te begrijpen hoe het mogelijk is dat dit volk door het maoïsme tijdelijk in een zijn roeping en zijn aanleg zo onwaardige situatie is beland, zou men in elk geval eerst de hele historische ontwikkeling moeten nagaan die tot deze ongelooflijke ontsporing heeft geleid.</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.achillevandenbranden.net/2013/05/chinese-schimmen-simon-leys/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>3</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>A short walk in the Hindu Kush &#8211; Eric Newby</title>
		<link>http://www.achillevandenbranden.net/2013/04/a-short-walk-in-the-hindu-kush-eric-newby/</link>
		<comments>http://www.achillevandenbranden.net/2013/04/a-short-walk-in-the-hindu-kush-eric-newby/#comments</comments>
		<pubDate>Tue, 30 Apr 2013 16:50:00 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Achille van den Branden</dc:creator>
				<category><![CDATA[recensies]]></category>
		<category><![CDATA[Afghanistan]]></category>
		<category><![CDATA[Britse schrijvers]]></category>
		<category><![CDATA[Eric Newby]]></category>
		<category><![CDATA[humor]]></category>
		<category><![CDATA[in de bergen]]></category>
		<category><![CDATA[in English]]></category>
		<category><![CDATA[Perzische cultuur]]></category>
		<category><![CDATA[reisverhalen]]></category>
		<category><![CDATA[suspense]]></category>
		<category><![CDATA[uit 1958]]></category>
		<category><![CDATA[uitgeverij Picador]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.achillevandenbranden.net/?p=7818</guid>
		<description><![CDATA[<p><span style="color: #666666;"><strong><a href="http://www.achillevandenbranden.net/wp-content/uploads/2013/04/a-short-walk-in-the-hindu-kush-eric-newby.jpg"><img class="alignleft size-full wp-image-7819" alt="a short walk in the hindu kush - eric newby" src="http://www.achillevandenbranden.net/wp-content/uploads/2013/04/a-short-walk-in-the-hindu-kush-eric-newby.jpg" width="100" height="160" /></a>Een dierbare vriend is geboren en getogen in de schaduw van de Hindoekoesj, op de grens tussen het noord-oosten van Afghanistan en het noorden van Pakistan. Door hem ben ik meer dan gemiddeld geïnteresseerd in de Perzische cultuur en was het ook een kwestie van tijd tot ik dit boek tot me nam. Een Engelsman neemt afscheid van zijn burgerlijke leventje en onderneemt een poging [...]</strong></span></p>]]></description>
				<content:encoded><![CDATA[<p><span style="color: #666666;"><strong><a href="http://www.achillevandenbranden.net/wp-content/uploads/2013/04/a-short-walk-in-the-hindu-kush-eric-newby.jpg"><img class="alignleft size-full wp-image-7819" alt="a short walk in the hindu kush - eric newby" src="http://www.achillevandenbranden.net/wp-content/uploads/2013/04/a-short-walk-in-the-hindu-kush-eric-newby.jpg" width="100" height="160" /></a>Een dierbare vriend is geboren en getogen in de schaduw van de Hindoekoesj, op de grens tussen het noord-oosten van Afghanistan en het noorden van Pakistan. Door hem ben ik meer dan gemiddeld geïnteresseerd in de Perzische cultuur en was het ook een kwestie van tijd tot ik dit boek tot me nam. Een Engelsman neemt afscheid van zijn burgerlijke leventje en onderneemt een poging de Mir Samir te beklimmen.</strong></span></p>
<p>Wie echter snakt naar halsbrekende toeren komt wat bedrogen uit. De auteur neemt vooral een zeer lange aanloop. Het echte klimmen, hoewel spannend beschreven, beperkt zich tot een twintigtal bladzijden. <em>A short walk</em> – kijk alleen al naar die zelfdepreciërende titel – is minder een klimmersverhaal dan een proeve van <em>Englishness</em>.</p>
<p>Eric Newby zit tien jaar in de modebusiness wanneer hij tot de vaststelling komt dat de sector hem nooit iets te bieden heeft gehad. In 1956, hij is dan zesendertig, gooit hij het over een andere boeg. Vanuit Londen zendt hij een telegram naar zijn vriend, de diplomaat <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Hugh_Carless">Hugh Carless</a>, &#8216;First Secretary&#8217; in Teheran, om hem te vergezellen op een stoutmoedige tocht: CAN YOU TRAVEL NURISTAN JUNE?</p>
<p><a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Nuristan_Province">Nuristan</a>, nu een provincie van Afghanistan, is in de tweede helft van de twintigste eeuw één van de meest onbekende streken ter wereld. En één van de minst <em>bereikbare</em>. Het land wordt door imposante bergen omringd. Vliegtuig en auto dienen tot niets: je moet er naartoe lopen. Wegen zijn er nauwelijks en de Afghaanse overheid is zeer weigerachtig om er mensen in toe te laten.</p>
<p><span id="more-7818"></span>Dit zijn dan ook de nadagen van <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/The_Great_Game">The Great Game</a>, het strategische conflict tussen het Britse en het Russische Rijk in Azië tijdens de Victoriaanse tijd. Inzet was de politieke, economische en militaire invloed over Centraal-Azië. In de Tweede Wereldoorlog zijn de Britten en Russen door omstandigheden bondgenoten moeten worden. Daarmee, en met de onafhankelijkheid van India en Pakistan in 1947, kwam the Great Game in zijn klassieke betekenis ten einde.</p>
<p>Na de Tweede Wereldoorlog vervangen de Verenigde Staten de Britten als wereldmacht. In de Koude Oorlog zal in de grondstofrijke gebieden als het Midden-Oosten een nieuwe Great Game ontstaan: tussen de V.S. en de Sovjet-Unie.</p>
<p>De Nuristani zijn islamieten. Hun bekering is echter van zeer recente datum. Tot 1895 werd de streek <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Kafiristan">Kafiristan</a> genoemd. (Het woord <em>Kafir</em> komt uit het Arabisch en betekent ‘waarheidsontkenner’. <em>Stan</em> is een Iraans woord voor land of staat.) De Kafir vormden oorspronkelijk een etnisch losstaande groep van 60.000 mensen met een animistische godsdienst.</p>
<p>In 1895 viel emir <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Abdur_Rahman_Khan">Abdoer Radhman</a> met drie legers het land binnen om deze ‘heidenen’ en ‘rovers’ te bekeren. Honderden mensen vonden de dood. Er weerklonk protest van missionarissen, waarop Abdoer doodleuk antwoordde dat hij geen christenen onder zijn slachtoffers had gevonden. Ook het Britse regime kneep een oogje dicht. Kafiristan werd Nuristan (Nooristan): ‘Het land van het licht’.</p>
<p>De weinige Europeanen die in de halve eeuw voor Newby tot in Nuristan zijn doorgedrongen kwamen terug van een kale reis of met fascinerende verhalen. Het is door de anekdotes van diplomaat Carless dat Newby begint te dromen van een exploratietocht naar de <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Mir_Samir">Mir Samir</a>, een met ijs bedekte en onbeklommen top van 20.000 voet in de Hindoekoesj.</p>
<blockquote><p>From time to time he wrote me long letters, which came to me by way of the District Postmaster, Peshwaar, which I read with envy in the bedrooms of the provincial hotels I stayed inwhen I &#8216;travelled&#8217;. They were not the sort of letters that third secretaries in the Foreign Office usually write, full of details of the compound, the current indiscretions, the cocktail parties and the people passing through. Instead, they spoke of long, arduous, and to me fascinating, journeys to the interior, undertaken with horses and mysterious beings called Tajik drivers. It was early in 1952 that he first mentioned Nuristan. &#8216;An Austrian forestry expert, a Herr von Dückelmann, has recently dined with me,&#8217; he wrote. &#8216; He has been three or four times in Nuristan. Food there is very scarce, he says, and although he himself is a lean, hardy man he lost twelve pounds in weight during a ten day trip to the interior.&#8217; Later in 1952 he wrote again:</p>
<p>‘I have just returned from an expedition to the borders of Nuristan, The Country of Light. This is the place for you. It lies in the extreme N.E. of Afghanistan, bordering on Chitral and enclosed by the main range of the Hindu-Kush mountains. Until 1895 it was called Kafiristan, The Country of the Unbelievers. We didn&#8217;t get in but we didn&#8217;t expect to, the passes are all over 15,000 feet and we didn&#8217;t have permission. So far as I can discover no Englishman has been there since <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/George_Scott_Robertson">Robertson</a> in 1891. The last Europeans to visit it &#8212; von Dückelmann apart &#8212; were a German expedition in 1935, and it&#8217;s possible that no one has visited the north-west corner at all. I went with Bob Dreesen of the American Embassy.’</p>
<p>I had heard of Dreesen. He was one of the American party which escaped from the Chinese Communist advance into Turkestan in 1950, evacuating the Consulate from Urumchi by lorry to Kashgar and then crossing the Karakoram Range into India with horses. Hugh went on to speak of a large mountain, nearly 20,000 feet high, that they had attempted to climb and of, one of his men being hit on the head by a great stone. At that time it had all seemed infinitely remote, and subsequently Hugh had been transferred to Rio de Janeiro; but the seed had been planted.</p></blockquote>
<p>In ‘Death of a salesman’ (de titels van de hoofdstukken zijn onveranderlijk geestig) zegt Newby het zakenleven vaarwel en begint hij zich te focussen op de reis naar Aghanistan. Carless, die ervaring heeft met de streek en de omgangsvormen en de taal kent, gaat mee. Newby is compleet verstoken van klimervaring; hij kijkt zijn ogen uit bij al het benodigde materiaal.</p>
<blockquote><p>I was filled with profound misgiving. In cold print 20,000 feet does not seem very much. Every year more and more expeditions climb peaks of 25,000 feet, and over. In the Himalayas a mountain of this size is regarded as an absolute pimple, unworthy of serious consideration. But I had never climbed anything. It was true that I had done some hill walking and a certain amount of scrambling in the Dolomites with my wife, but nowhere had we failed to encounter ladies twice our age armed with umbrellas. I had never been anywhere that a rope had been remotely necessary.<br />
It was useless to dissemble any longer. I wrote a letter protesting in the strongest possible terms and received by return a list of equipment that I was to purchase. Many of the objects I had never even heard of &#8211; two Horeschowsky ice-axes ; three dozen Simond rock and ice pitons; six oval karabiners (2,000 lb. minimum breaking strain); five 100 ft nylon ropes; six abseil slings; Everest goggles; Grivel, ten point crampons; a high altitude tent; an altimeter; Yukon pack frames &#8211; the list was an endless one.&#8217; You will also need boots. I should see about these right away. They may need to be made.&#8217;</p></blockquote>
<p>De enige opleiding in de techniek van het bergklimmen die het duo zich gunt, vindt plaats op de rotsblokken en kleine kliffen van Noord-Wales. Ze beklimmen er weinig imposante obstakels als de Ivy Sepulchre en de Spiral Stairs. Bij het ontbijt in het hotel proberen ze hun zenuwen te kalmeren door grapjes te maken over een van de medegasten.</p>
<blockquote><p>With an hysterical attempt at humour, like soldiers before an attack, we tried to turn him into a figure of fun, speaking in whispers. This proved difficult, as he wasn&#8217;t at all comic, just plainly competent.</p></blockquote>
<p>De animositeit ebt snel weg wanneer de ernst van de zaak eindelijk indaalt.</p>
<blockquote><p>&#8216;First of all you&#8217;ve got to learn about the rope. Without a rope climbing&#8230; is suicide. It&#8217;s the only thing that justifies it. Chris told me what you&#8217;re planning to do. If anything happens on that mountain, it may not get into the papers, and at least no one else will have to risk their necks to get you off if anything goes wrong. If I thought that you were the sort of people who would take risks, I wouldn&#8217;t have come with you today.&#8217;<br />
He showed us how to rope ourselves together, using the proper knots ; the bowline for the leader and the end man; the butterfly noose, a beautifully symmetrical knot, for the middleman; how to hold it and how to coil it so that it would pay out without snarling up, and how to belay.<br />
&#8216;You never move without a proper belay. I start to climb and I go on until I reach a knob of rock on to which I can belay. I take a karabiner &#8216; (he produced one of the D-shaped steel rings with a spring-loaded clip) &#8216; and attach a sling to the loop of rope round my waist. Then all I have to do is to put the sling over the knob of rock, and pass the rope under one shoulder and over the other. If possible, you brace your feet against a solid block. Like that you can take the really big strain if the next man comes off.</p></blockquote>
<p>Na een oponthoud in Istanbul, doorkruist het duo Perzië en Afghanistan – van Herat naar Kandahar en Kaboel. In één maand tijd leggen ze 8000 km af. Het is een prikkelarme rit in de wagen.</p>
<p>Aangekomen in de <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Panjshir_Province">Pansjhir-vallei</a> begint het echte werk – lopen, klimmen en ontberingen lijden. Dat alles in het spoor dat de wolven en de steenbokken hebben achtergelaten in het stof.</p>
<p>De enige afleiding is de eindeloze lectuur van <a href="http://www.achillevandenbranden.net/2008/01/de-hond-van-de-baskervilles-arthur-conan-doyle/">The hound of The Baskervilles</a> en <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/John_Buchan,_1st_Baron_Tweedsmuir"><strong>John Buchan</strong></a>. Newby probeert ook Basghali te leren uit een boekje. Eén van de voorbeeldzinnetjes luidt: ‘Een lammergier dook neer uit de lucht en ging aan de haal met mijn haan.’</p>
<p>Daarmee wordt <em>A short walk in the Hindu Kush</em> op gezette tijden een soort <a href="http://www.achillevandenbranden.net/2007/08/drie-man-in-een-boot-jerome-k-jerome/">Three men in a boat</a> in de bergen. Had een Amerikaan dit boek geschreven, dan was er vast plaats in geruimd voor een spirituele renaissance van de auteur. Newby volstaat met onderkoelde Britse humor (het vocabularium is best taai), historische <em>asides</em> en observaties van de autochtone bevolking. <strong>Evelyn Waugh</strong> schreef een lovend voorwoord.</p>
<blockquote><p>It rejoices the heart of fellow Englishmen, and should at least illuminate those who have any curiosity about the odd character of our Kingdom. It exemplifies the essential traditional (some, not I, will say deplorable) amateurism of the English. For more than two hundred years now Englishmen have been wandering about the world for their amusement, suspect everywhere as government agents, to the great embarrassment of our officials. The Scotch endured great hardships in the cause of commerce; the French in the cause of either power or evangelism. The English only have half (and wholly) killed themselves in order to get away from England. Mr Newby is the latest, but, I pray, not the last, of a whimsical tradition. And in his writing he has all the marks of his not entirely absurd antecedents. The understatement, the self-ridicule, the delight in the foreignness of foreigners, the complete denial of any attempt to enlist the sympathies of his readers in the hardships he has capriciously invited; finally in his formal self-effacement in the presence of the specialist (with the essential reserve of unexpressed self-respect) which concludes, almost too abruptly, this beguiling narrative &#8211; in all these qualities Mr Newby has delighted the heart of a man whose travelling days are done and who sees, all too often, his countrymen represented abroad by other, new and (dammit) lower types.<br />
Dear reader, if you have any softness left for the idiosyncrasies of our rough island race, fall to and enjoy this characteristic artifact.</p></blockquote>
<p>Newby zou generaties klimauteurs en reisverhalenschrijvers inspireren met zijn goed uitgebalanceerde schriftuur. Een half miljoen exemplaren werden er verkocht van <em>A short walk</em> – een boek waarin het einddoel (een volgens experten ook weer niet zo’n moeilijke klim) niet eens wordt bereikt.</p>
<p>Want ja, de berg wint. Wanneer Newby en Carless teleurgesteld op de top van de Arayu-pas aankomen – “one of the lonely places of the earth with all the winds of Asia droning over it” – en een echte ontdekkingsreiziger ontmoeten, <strong>Wilfred Thesiger</strong>, is de anti-climax compleet. Snuivend neemt de auteur van <strong>Woestijnen van Arabië</strong> de luchtmatrassen op van zijn landgenoten: de uitrusting van “mietjes”.</p>
<p>Ach, geef mij, alle grappen ten spijt, toch maar <a href="http://www.achillevandenbranden.net/2007/12/de-weg-naar-oxiana-robert-byron/">De weg naar Oxiana</a>, dat twintig jaar eerder verscheen. Qua ontberingen moet <strong>Robert Byron</strong> niet onderdoen voor Newby. Qua stilistische brille, cultuurhistorische diepgang en observatievermogen is hij veruit de meerdere van Newby. Terwijl hij toch vooral door de saaie steppe trok.</p>
<p>Kijk hieronder voor een <a href="#Reisverslag">reisverslag met ruime citaten</a> en, daaronder, een <a href="#situatieschets">korte historische situatieschets</a>.</p>
<p>&gt; lees een fragment uit dit boek op <a href="http://prinsvandenemarken.blogspot.be/2012/01/beginning-of-central-asia.html">Prins van Denemarken</a></p>
<p><strong>Eric Newby, <em>A short walk in the Hindu Kush</em></strong><br />
<strong> 247 p.</strong><br />
<strong> Uitgeverij Picador, 1983</strong><br />
<strong> Oorspr. (1958)</strong></p>
<p>&nbsp;</p>
<p><a href="http://www.achillevandenbranden.net/wp-content/uploads/2013/04/eric-newby-in-the-hindu-kush.jpg"><img class="alignnone size-full wp-image-7820" alt="eric newby in the hindu kush" src="http://www.achillevandenbranden.net/wp-content/uploads/2013/04/eric-newby-in-the-hindu-kush.jpg" width="600" height="309" /></a><br />
<a id="Reisverslag" name="Reisverslag"></a><br />
<em>Reisverslag:</em></p>
<p>Eerste halte voor Newby en zijn vrouw is Istanbul. Dan rijdt hij met Carless door Turkije naar Perzië (het huidige Iran). Ze moeten een noodstop maken wanneer ze een stervende nomade aantreffen op de weg. Slechts met heel veel moeite kunnen ze de lokale autoriteiten ervan overtuigen dat ze niets met zijn dood te maken hebben (“Behind the Prosecutor lurked his evil genius, the Interpreter”).</p>
<p>Newby&#8217;s vrouw keert terug naar huis. De mannen doorkruisen Perzië en Afghanistan, van Herat naar Kandahar en Kaboel. In één maand tijd leggen ze 8000 km af. Het is een prikkelarme rit in de wagen.</p>
<blockquote><p>Locked in the cab we were prisoners. We could see the country we passed through but not feel it and the only smells, unless we put our heads out of the window (a hazardous business if we both did it at the same time), were the fumes of the exhaust and our foul pipes; vistas we would gladly have lingered over had we been alone were gone in an instant and for ever. If there is any way of seeing less of a country than from a motor-car I have yet to experience it.</p></blockquote>
<p>De lucht is stoffig, de zon bloedheet. Newby probeert te slapen, probeert te lezen, maar niets lukt. Buiten is de wereld gestorven, gesteriliseerd door de zon. Ze komen voorbij de wallen met torentjes van het oude <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Farah,_Afghanistan">Farah</a>, de stad die Genghis Khan had ingenomen in de dertiende eeuw en tevergeefs met de grond gelijk had proberen te maken. Slechts af en toe komen ze een levende ziel tegen op hun route.</p>
<blockquote><p>It seemed impossible for the road to get worse, but it did: vast pot-holes large enough to contain nests of machine-gunners; places where it was washed away as far as the centre, leaving a six-foot drop to ground level; things Hugh called &#8216;Irish Bridges&#8217;, where a torrent had swept right through the road leaving a steep natural step at the bottom; all provided a succession of spine-shattering jolts. Whereas the previous night we had only met two lorries in the hours of darkness, there were now many monster American vehicles loaded with merchandise to the height of a two-storied house, each with its complement of piratical-looking men hanging on the scramble nettings, who jumped off to wedge the wheels on the steep gradients, while the passengers huddled together, making the crossing on foot groaning with apprehension.</p></blockquote>
<p>Met een oefenwandeling probeert het duo te wennen aan de groote hoogte. In Kaboel huren ze een Afghaanse kok en een lijst met benodigdheden. Door iemand van de ambassade worden ze de stad uitgejaagd, wat hen dwingt te overnachten in een lemen hut in een plaats waar moerbeibomen groeien.</p>
<blockquote><p>The road climbed a pass where gangs of Hazaras, slit-eyed, round-headed Mongols in the uniform of the Afghan Labour Corps, were widening it, using Russian steamrollers with cruellooking spiky projections on the rolling part. Immediately the lugubrious air that hangs over the visitor to Kabul in an almost visible cloud was dispelled, and we entered the Koh-i-Daman, rich upland country. Our spirits rose.<br />
In spite of being hot it was a beautiful day and puffs of white cloud floated at regular intervals in a deep blue sky, as if discharged b y a cannon. Mulberry trees, loaded with fruit, shaded the abominable surface of the road from the heat of the afternoon; vines grewin profusion and everywhere there was running water, dancing in the sunlight and gurgling in the irrigation ditches on whose banks minute, bare-bottomed nomad children from the encampments that were everywhere along the road risked death happily.</p></blockquote>
<p>De weg kronkelt en hobbelt maar door (“It was like driving along the back of a boa-constrictor that had just enjoyed a good meal”). In Ruka, de belangrijkste stad van het lage gedeelte van de Pansjhir-vallei, worden ze gewaarschuwd door een Mullah voor de gevaren van de streek.</p>
<blockquote><p>For hours and hours we sat there. The Mullah spoke of the King and how he came to hunt in the mountains just behind us.<br />
&#8216;He comes by jeep and good horses wait him. There are ibex and panther; wolves also. In winter there are many wolves. They attack the people and take sheep.&#8217;<br />
&#8216;Do many young men come from the city to hunt?&#8217;<br />
&#8216;They would not come to our mountain,&#8217; said Abdul Ghiyas; in spite of his misfortunes on Mir Samir he still seemed proud of his connexion with it. &#8216; The mountain needs men of hard flesh.&#8217;<br />
I shuddered, thinking of our efforts to climb Legation Hill four days before.</p></blockquote>
<p>Met drie paarden trekken ze erop uit. Ondanks de paarden besluit het duo om 20kg bagage mee te zeulen om “karakter te kweken”. De plaatselijke bevolking joelt het uit. De Britten krijgen maagklachten, treffen een man aan met een schedel die tot moes is geslagen. Lammergieren cirkelen boven het tafereel. De klimmers zijn elkaars gezelschap nu al beu, om van de maaltijden maar te zwijgen.</p>
<p>In de weg zijn er sporen te zien van wolven en steenbokken. De enige bonte kleuren in het landschap zijn van de kleding van vrouwen en kinderen die nieuwsgierig te hoop lopen wanneer ze de westerse klimmers opmerken vanuit hun huizen. Eindelijk vangen ze een glimp op van hun eindbestemming: Mir Samir.</p>
<blockquote><p>We were in an impressive and beautiful situation on a rocky plateau. It was too high for grass, there was very little earth and the place was littered with boulders, but the whole plateau was covered with a thick carpet of mauve primulas. There were countless thousands of them, delicate flowers on thick green stems. Before us was the brilliant green lake, a quarter of a mile long, and in the shallows and in the streams that spilled over from it the primulas grew in clumps and perfect circles. The lake water came from the glacier of which Hugh had spoken; we were in fact in the &#8216;dead ground&#8217; that I had been trying hard to visualize during our telescope reconnaissance. From the rock wall that was our immediate destination, the glacier rolled down towards us from the east (to be accurate E.N.E.) like a tidal wave, stopping short a mile from where we were in a confusion of moraine rocks thrown up by its own movement, like gigantic shingle thrown up by the sea. The cliff at the head which divided it, according to Hugh, from a similar larger glacier flowing down in the opposite direction, looked at this distance, about two miles, like the Great Wall of China ; while above it, like a colossal peak in the Dolomites but based at a far higher altitude, the mountain itself zoomed straight up into the air to its first bastion, the pinnacle of the north-west buttress. Above the buttress there was a dip, then a second ridge climbing to another pinnacle, twin to the first, then another ridge that seemed to lead to the summit itself. The cliff joined the buttress low down on its sheer face. Vast slopes of snow or ice (in my untutored state there was no way of knowing the difference) reached high up its sides. To more skilful operators they might have offered an easy beginning; no one could have found the rock above anything but daunting. For some time we considered our task in silence.<br />
&#8216;It&#8217;s nothing but a rock, climb, really.&#8217;<br />
&#8216;I can see that.&#8217;<br />
&#8216;Just a question of technique.&#8217;<br />
&#8216;What I don&#8217;t see is, how do we get on to it.&#8217;<br />
&#8216;That&#8217;s what we&#8217;ve got to find out.&#8217;</p></blockquote>
<p>De eerste poging om de berg te beklimmen vindt plaats aan de westkant. Ze beklimmen de gletsjer en een paar makkelijke rotspartijen. Dan stokt de onderneming: te moeilijk en te weinig tijd om terug te keren. “The mountain had won &#8211; at least for the moment.”</p>
<p>De tijd die er rest vóór de volgende poging verloopt niet heel gezellig. Een gewonde jongen is gekleed is een &#8220;duivelachtige&#8221; geitenhuid om het vergif uit zijn wonden te absorberen. Newby probeert wat zinnetjes Bashguli en Kafir te leren uit een grammatica uit 1901 van de Britse bezetter in India. Een van de voorbeeldzinnetjes luidt: “Een lammergier dook neer uit de lucht en ging aan de haal met mijn haan.”</p>
<blockquote><p><strong>Notes on the Bashgali {Kafir) Language</strong>, by <strong>Colonel J. Davidson</strong> of the Indian Staff Corps, Calcutta, 1901, had been assembled by the author after a two-year sojourn in <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Chitral">Chitral</a> with the assistance of two Kafirs of the Bashgali tribe and consisted of a grammar of the language and a collection of sentences. I had not shown this book to Hugh. He had been pretty scathing about my attempts to learn Persian, no easy matter in my thirty-sixth year, confronted by Tajiks who at any rate had their own ideas on how it should be spoken. I had schemed to memorize a number of expressions in the Kafir language and surprise Hugh when we met up with the people, but, in the midst of all our other preoccupations, the book had been lost in one of the innumerable sacks ; now with Nuristan just over the mountain, it was discovered in the bottom of the rice sack, where it had been ever since I had visited the market in Kabul. Reading the 1,744 sentences with their English equivalents, I began to form a disturbing impression of the waking life of the Bashgali Kafirs.<br />
&#8216;<em>Shtal latta wôs bâ padrë û prëtt tû nashtontï mrlosh</em>. Do you know what that is?&#8217;<br />
It was too late to surprise Hugh with a sudden knowledge ofthe language.<br />
&#8216;What?&#8217;<br />
&#8216;In Bashgali it&#8217;s &#8220;If you have had diarrhoea many days you will surely die.&#8221;&#8216;<br />
&#8216;That&#8217;s not much use,&#8217; he said. He wanted to get on with <strong>Conan Doyle</strong>.<br />
&#8216;What about this then? <em>Bilugh âo na pi bilosh</em>. It means, &#8220;Don&#8217;t drink much water; otherwise you won&#8217;t be able to travel.&#8217;&#8221;<br />
&#8216;I want to get on with my book.&#8217;<br />
Wishing that Hyde-Clarke had been there to share my felicity I continued to mouth phrases aloud until Hugh moved away to another rock, unable to concentrate. Some of the opening gambits the Bashgalis allowed themselves in the conversation game were quite shattering. <em>Ini ash ptul p&#8217;mich ë manchi mrisht warid&#8217;m</em>. &#8216;I saw a corpse in a field this morning&#8217;, and <em>Tû chi se bissgur bitil</em> &#8216;How long have you had a goitre? &#8216;, or even <em>la jûk noi bazisnâ prêlom</em>. &#8216;My girl is a bride.&#8217;<br />
Even the most casual remarks let drop by this remarkable people had the impact of a sledgehammer. <em>Tû tôtt baglo piltiâ</em>.&#8217;Thy father fell into the river.&#8217; / <em>non angur ai; tû tâ duts angur ai</em>. &#8216; I have nine fingers; you have ten.&#8217; Or <em>manchi aiyo; buri aïsh kutt</em>. &#8216;A dwarf has come to ask for food.&#8217; And <em>Id chitt bitto tûjârlom</em>, &#8216;I have an intention to kill you&#8217;, to which the reply came pat, <em>Tû bilugh lë bidiwâ manchi assish</em>, &#8216; You are a very kind-hearted man.&#8217;<br />
Their country seemed a place where the elements had an almost supernatural fury : <em>Dum allangiti atsitî î sundi basnâ brâ</em>. &#8216;A gust of wind came and took away all my clothes&#8217;, and where nature was implacable and cruel: <em>Zhi mare badist tâ wô ayô kakkok damïtigwâ</em>. &#8216;A lammergeier came down from the sky and took off my cock.&#8217; Perhaps it was such misfortunes that had made the inhabitants so petulant: <em>Tû biluk wart walal manchi assish</em>. &#8216; You are a very jabbering man.&#8217; <em>Tû kai dugâ iâ ushpëpâ vich: tûpâ vilom</em>. &#8216;Why do you kick my horse? I will kick you.&#8217; <em>Tû id kai dugd or en vich?</em> <em>Tû id or en vichïbâ ô tûjârlom</em>. &#8216; Why are you pushing me? If you push me I will do for you.&#8217; A race difficult to ingratiate oneself with by small talk : T<em>ô&#8217;st kazhïr kruip&#8217;ptï tdchuk zhiprots asht?</em> &#8216;How many black spots are there on your white dog&#8217;s back? &#8216; was the friendly inquiry to which came the chilling reply: <em>Id kriïi brobar adr rang azzd: shtring na ass</em>. &#8216; He is a yellow dog all over, and not spotted.&#8217;</p></blockquote>
<p>De tweede poging gebeurt aan de oostkant. Het wordt verschrikkelijk warm. Ze zijn beter geworden in het klimmen met touw. Na zes en een halfuur wijst de hoogtemeter 18.000 voet aan. Maar ook deze poging strandt. De klimmers hadden de top kunnen bereiken als ze een uurtje vroeger waren vertrokken.</p>
<p>Ze dalen af en zetten hun kamp op onder een klif. Onophoudelijk horen ze de stenen stuiteren boven hun hoofden. Het is bitter koud. Een donderstorm steekt op. Na een poging om wat te slapen proberen ze een beijsde bergwand te klimmen met een helling van 70 graden. Ze bereiken de bergkam, maar na vijf uur, niet de verhoopte twee uur.</p>
<p>Op een hoogte van 19.100 voet hebben ze een onvergetelijk uitzicht op de Hindu Kush, de Anjuman-pas, <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Tirich_Mir">Tirich Mir</a>, en de bergen op de grens met Pakistan. Ze bevinden zich nauwelijks 700 meter van de top, maar die top ligt wel op vier uren klimmen.</p>
<blockquote><p>Hugh, having determined the altitude to be 19,100 feet, now gave a practical demonstration of this by dropping the aneroid, which fell with only one bounce into the Chamar Valley. &#8216;Bloody thing,&#8217; said Hugh gloomily.<br />
&#8216;I don&#8217;t think it was much use anyway.&#8217; Above us choughs circled uttering melancholy croaking noises.<br />
&#8216;We&#8217;ve got to make a decision about going on,&#8217; he said.<br />
&#8216;And we&#8217;ve got to be absolutely certain it&#8217;s the right one, because our lives are going to depend on it.&#8217;<br />
Anywhere else such a remark would have sounded overdramatic. Here it seemed no more than an accurate statement of fact.<br />
&#8216; How long do you think it will take to get to the top? &#8216;<br />
&#8216;All of four hours and then only if we don&#8217;t go any slower.&#8217;<br />
It was now one-thirty; we had been climbing for nine hours.<br />
&#8216;That means four-thirty at the summit. Going down, four hours at least to the Castle, and then twenty minutes to the col on the ridge. It&#8217;ll be nine o&#8217;clock. Then there&#8217;s the ice slope. Do you think we can manage the col to the camp in the dark?&#8217;<br />
&#8216;The only alternative is to sleep on the ridge. We haven&#8217;t got any sleeping-bags. I&#8217;m afraid we wouldn&#8217;t last out. We can try if you like.&#8217;<br />
For a moment we were dotty enough to consider going on. It was a terrific temptation: we were only 700 feet below the summit. Then we decided to give up. Both of us were nearly in tears. Sadly we ate our nougat and drank our cold coffee. The descent was terrible. With the stimulus of the summit gone, we suddenly realized how tired we were. But, although our strength and morale were ebbing, we both agreed to take every possible precaution. There was no mountain rescue service on this mountain. If anything happened to one of us, a bad sprain would be enough, it would be the end for both. As we went down I found myself mumbling to myself again and again, &#8216;One man&#8217;s death diminishes mee, one man&#8217;s death diminishes mee.&#8217; Yet, though we were exhausted, we felt an immense sense of companionship. At this difficult moment the sense of dependence on one another, engendered perhaps by the fact that we were roped together and had one another&#8217;s lives in our hands, produced in me a feeling of great affection for Hugh, this tiresome character who had led me to such a spot.</p></blockquote>
<p>De teleurstelling is enorm. Ze keren terug naar het kamp na zeventien uur klimmen. Carless houdt een indrukwekkende toespraak in het Perzisch om de drijvers te overtuigen om het groepje naar Nuristan te brengen. Ze beklimmen daartoe een nauwelijks als dusdanig herkenbare bergpas.</p>
<p>Wanneer ze Nuristan binnenkomen, komen mannen op hen toegelopen. De klimmers krijgen te horen dat ze de eerste Europeanen zijn die ze daar hebben gezien – niet dat Newby dat gelooft.</p>
<blockquote><p>After the miles of scree we had descended the grass was like a carpet into which our feet sank; after the still airlessness of the upper valley the breeze that blew was as refreshing as a cool drink. Apart from the sighing of the wind and the sound of the river, a huge silence hung over the place.<br />
Men and horses were far behind. Feeling slightly nervous we began to cross towards the aylaq. We were a hundred yards from it when there was a shout and we saw our first Nuristanis.<br />
They came pouring out of the bothy and raced over the grass towards us at a tremendous pace, dozens of them. It seemed impossible that such a small building could have contained so many men. As they came bounding up they gave an extraordinary impression of being out of the past. They were all extraordinary because they were all different, no two alike. They were tall and short, light-skinned and dark-skinned, browneyed and grey-eyed; some, with long straight noses, might have passed for Serbs or Croats ; others, with flashing eyes, hooked noses and black hair, might have been Jews. There were men like gypsies with a lock of hair brought forward in ringlets on either side of the forehead. There were men with great bushy beards and moustaches that made them look like Arctic explorers. There were others like early Mormons with a fuzz of beard round their faces but without moustaches. Some of the tallest (well over six feet), broken-nosed, clean-shaven giants, were like guardsmen in a painting by Kennington. Those who were hatless had cropped hair and the younger ones, especially those with rudimentary beards, looked as strange and dated as the existentialists of St Germain des Prés ; while those whose beards were still in embryo were as contemporary as the clients of a Café Espresso and would have been accepted as such without question almost anywhere in the Western World.<br />
They were extraordinary and their clothes were extraordinary too. All but those who were bare-headed wore the same flat Chitrali cap that Hugh had worn ever since we had left Kabul, only theirs were larger and more floppy, and the colour of porridge. Worn on the back of the head the effect was Chaucerian. They wore drab brown, collarless shirts, like the Army issue, and over them loose waistcoats or else a sort of surcoat &#8212; a waistcoat without buttons. Their trousers were brown homespun, like baggy unbuckled plus-fours. They reached to the middle of the calf and flapped loosely as their wearers pounded up the meadow. They seemed to wear some kind of loose puttee around the lower leg, and some of the younger men wore coloured scarves knotted loosely around their necks. All were barefooted.<br />
&#8216;It&#8217;s like being back in the Middle Ages.&#8217;<br />
It was the only coherent remark Hugh had time for. The next moment they were on us, uttering strange cries. Before we knew what was happening we were being borne towards the aylaq with our feet barely touching the ground, each the centre of a mob, like distinguished visitors to a university.</p></blockquote>
<p>De autochtone bevolking denkt dat Newby en Carless Russen zijn. Britten, daar hebben ze wel van gehoord, maar nog niet gezien. Ze zijn dol op de spulletjes die de westerlingen bij zich hebben.</p>
<blockquote><p>Here in the summer months, men of the tribe lived without their women, looking after the flocks and cattle, making curds and butter to store for the winter and for trade with the outside world and every so often sending down some of their number to the valleys far below with the heavy goatskins I had seen hanging outside &#8212; a journey of from one to five days according to the destination &#8212; a sort of grim compassionate leave. All the time this recital was going on we were being ransacked. I could feel inquisitive fingers prying about my person, opening button flaps, groping in my pockets for my handkerchief, scrabbling at my watch-strap.<br />
We had already passed round several packets of cigarettes and a fight had developed for the empty packets. It was the silver paper they wanted. But what they really longed for were binoculars. They loved my camera, until they discovered that it was not a pair of binoculars, but they soon found Hugh&#8217;s telescope and took it outside to try it.<br />
In a world that has lost the capacity for wonderment, I found it very agreeable to meet people to whom it was possible to give pleasure so simply. Thinking to ingratiate myself still further with them, I handed over my watch. It was the pride of my heart (I, too, am easily pleased) &#8211; a brand-new Rolex that I had got in Geneva on the way out from England and reputed proof against every kind of ill-treatment.<br />
&#8216;Tell the headman,&#8217; I said to Hugh, &#8216;that it will work under water.&#8217;<br />
&#8216;He doesn&#8217;t believe it.&#8217;<br />
&#8216;All right. Tell him it will even work in that,&#8217; pointing to the cauldron which was giving off steam and gloggling noises.<br />
Hugh told him. The headman said a few words to the young existentialist who had the watch. Before I could stop him he dropped it into the pot. &#8216;<br />
He says he doesn&#8217;t believe you,&#8217; said Hugh.<br />
&#8216;Well, tell him to take it out! I don&#8217;t believe it myself.&#8217; By now I was hanging over the thing, frantically fishing with the ladle.<br />
&#8216;It&#8217;s no good,&#8217; I said. &#8216;They&#8217;ll have to empty it.&#8217;<br />
This time Hugh spoke somewhat more urgently to the headman.<br />
&#8216;He says they don&#8217;t want to. It&#8217;s their dinner.&#8217;<br />
At last somebody hooked it and brought it to the surface, covered with a sort of brown slime. Whatever it was for dinner had an extraordinary nasty appearance. The rescuer held it in the ladle. Though too hot to touch, it was still going. This made an immense impression on everyone, myself included. Unfortunately, it made such an impression on the man himself that he refused to be parted from it and left the bothy.<br />
&#8216; Where&#8217;s he going? &#8216;<br />
&#8216;He&#8217;s going to try it in the river.&#8217;<br />
At this moment excited shouts and cries rose from outside. Our drivers had arrived. Everyone rushed out to greet them.<br />
They were a melancholy little group, huddled together at the foot of the rocks, gazing apprehensively towards the bothy in the same way as we had half an hour previously: all except Shir Muhammad who, apparently bored stiff, was looking in the opposite direction.<br />
Only when they were offered tree-trunks full of milk did they relax a little. Even then Abdul Ghiyas refused to allow his men to enter the aylaq. &#8216;It is better to go on,&#8217; he said. &#8216;These men are robbers and murderers. We must make our camp far away.&#8217;<br />
&#8216;They want us to stay the night,&#8217; Hugh told him. &#8216;They say there will be dancing and singing.&#8217;<br />
But it was no good. He refused absolutely.<br />
&#8216; They are very treacherous men. We shall all be slain whilst we sleep.&#8217; I had never seen him so determined.<br />
&#8216;Perhaps it&#8217;s better,&#8217; said Hugh. &#8216;They want us to unpack all our gear.&#8217;<br />
The thought of such a mob let loose among our belongings was too appalling to contemplate. We agreed that it was better to go &#8212; and as soon as possible.<br />
When the time came to leave there was no sign of Hugh&#8217;s<br />
telescope or my watch.<br />
&#8216; I want my telescope,&#8217; Hugh told the headman.<br />
&#8216;What about my watch?&#8217; I asked, when his telescope was finally produced from somewhere round the corner. &#8216;He says the man who had it has gone away.&#8217;<br />
&#8216;Well, tell him that he must bring him back.&#8217;<br />
There was a further brief parley.<br />
&#8216; He says the man wants to keep it.&#8217; Somehow Hugh contrived to make this sound a reasonable request.<br />
&#8216;WELL, HE CAN’T ! GET IT BACK FOR ME! MAKE AN EFFORT!&#8217;<br />
&#8216;It&#8217;s you who should make the effort. It&#8217;s really too much having to do your work all the time.&#8217;<br />
I could have struck him at this moment.<br />
&#8216;Damn it, you can hardly understand the man yourself and you speak fluent Persian. How the devil do you expect me to make him understand anything?&#8217;<br />
Just then I saw the man who had taken my watch skulking behind one of the walls of the aylaq. I went round the building the other way and came up behind him, and took hold of his wrists. Although he was without any apparent muscle, he was immensely strong. He radiated a kind of electric energy.<br />
&#8216;Tok-tok,&#8217; I said. At the same time I looked down at my own wrist and nodded my head violently. He began to laugh. I looked into his eyes; they were strange and mad. He had about him an air of scarcely controlled violence that I had noticed in some of the others inside the hut. An air of being able to commit the most atrocious crimes and then sit down to a hearty meal without giving them a further thought. The man was a homicidal maniac. Perhaps they were all homicidal maniacs.<br />
I saw that his right hand was clenched and I forced it open. Inside was my beautiful watch. He had washed it in the river. It was still going and it continued to do so.<br />
As we left the aylaq three more Nuristanis came running up the valley, moving over the ground in short steps but with unbelievable swiftness. All three had full brown beards, they wore short fringed overcoats of a very dark brown &#8211; almost black, perhaps the last vestiges of the glory of the Black-robed Kafirs ; on their backs were slung empty pack-frames. &#8216;They have come up from the Ramgul to take the place of those who will go down with butter tomorrow morning,&#8217; said Abdul Ghiyas.<br />
No one said good-bye to us. Some of the Nuristanis had already gone loping up the mountain-side towards the flocks ; the rest had retired into the bothy. It was a characteristic of these people that their interest in strangers was exhausted almost as quickly as it was born.</p></blockquote>
<p>Ze maken een kamp in een lus van de rivier om het risico te verkleinen om ’s nachts vermoord te worden. Ze worden bezocht door twee mannen die er boosaardig uitzien. Het duo heeft ook veel bekijks als ze opstaan en aan het koken slaan.</p>
<p>Ze bereiken Pushal, de hoofdstad van de Ramgul Kafirs. De hoofdman offreert hen heerlijke abrikozen en vertelt verhalen over de goede oude tijd. Newby en Carless hebben oog voor de antieke geweren die de mannen bezitten maar in erbarmelijke conditie verkeren.</p>
<p>Een begrafenis bijwonen waar een os wordt geslacht mag niet van een mullah. In plaats daarvan geniet het groepje een zeldzaam moment van rust bij de rivier. Newby schudt een paar leprozen de hand. De Britten worden gekweld door dysenterie.</p>
<p>Voorbij Lustagam passeren ze langs een systeem van irrigatiekanalen, gemaakt uitgehold halve boomstammen op stenen peilers. Een grote rots, de Sang Nevshteh, heeft een inscriptie die volgens de overlevering het bezoek van keizer <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Timur">Timoer Lenk</a> documenteert in 1398. De keizer dwong met ijzeren hand de Nuristani zich te bekeren tot de islam. Newby suggereert dat ze dat nog steeds betreuren.</p>
<p>Het landschap wordt opnieuw weelderiger, met moerbeibomen, pruimenbomen, sleedoorns en appelbomen. Dan moeten ze de wildernis terug in, op weg naar Gadval, een plaatsje op een rotsklif, met schilderachtige privaten die over de stroom hangen. Bij het meer van Mundul gaat een mullah aan de haal met Newby’s fototoestel en andere bezittingen.</p>
<blockquote><p>Before falling asleep, having long since lost all sense of time, I looked at the calender in my diary. The date was twenty-third of July. Only fourteen days had passed since we had set off from Kabul. It seemed like a lifetime.</p></blockquote>
<p>Ze moeten nog 2000 voet klimmen om de Arayu te bereiken. Voorbij Warna begint Newby te dromen van koude drankjes en warme baden. Het laatste plaatsje van Nuristan is Achagaur, bevolkt door <a href="https://en.wikipedia.org/wiki/Rajput">Rajputs</a> die naar eigen zeggen uit Arabië komen.</p>
<p>Ze bereiken de top van de Arayu-pas, door Newby omschreven als “one of the lonely places of the earth with all the winds of Asia droning over it”. Ze ontmoeten ontdekkingsreizier, en auteur van <strong>Woestijnen van Arabië</strong>, <strong>Wilfred Thesiger</strong>. Met minachtend gesnuif neemt hij de luchtmatrassen op van de Britten.</p>
<blockquote><p>We crossed the river by a bridge, went up through the village of Shâhnaiz and downhill towards the Lower Panjshir.<br />
&#8216;Look,&#8217; said Hugh, &#8216;it must be Thesiger.&#8217;<br />
Coming towards us out of the great gorge where the river thundered was a small caravan like our own. He named an English explorer, a remarkable throwback to the Victorian era, a fluent speaker of Arabic, a very brave man, who has twice crossed the Empty Quarter and, apart from a few weeks every year, has passed his entire life among primitive peoples.<br />
We had been on the march for a month. We were all rather jaded; the horses were galled because the drivers were careless of them, and their ribs stood out because they had been in places only fit for mules and forded innumerable torrents filled with slippery rocks as big as footballs; the drivers had run out of tobacco and were pining for their wives; there was no more sugar to put in the tea, no more jam, no more cigarettes and I was reading The Hound of the Baskervilles for the third time; all of us suffered from a persistent dysentery. The ecstatic sensations we had experienced at a higher altitude were beginning to wear off. It was not a particularly gay party. Thesiger&#8217;s caravan was abreast of us now, his horses lurching to a standstill on the execrable track. They were deep-loaded with great wooden presses, marked &#8216;British Museum&#8217;, and black tin trunks (like the ones my solicitors have, marked &#8216; Not Russel-Jones&#8217; or &#8216;All Bishop of Chichester&#8217;).<br />
The party consisted of two villainous-looking tribesmen dressed like royal mourners in long overcoats reaching to the ankles; a shivering Tajik cook, to whom some strange mutation had given bright red hair, unsuitably dressed for Central Asia in crippling pointed brown shoes and natty socks supported by suspenders, but no trousers; the interpreter, a gloomy-looking middle-class Afghan in a coma of fatigue, wearing dark glasses, a double-breasted lounge suit and an American hat with stitching all over it; and Thesiger himself, a great, long-striding crag of a man, with an outcrop for a nose and bushy eyebrows, fortyB five years old and as hard as nails, in an old tweed jacket of the sort worn by Eton boys, a pair of thin grey cotton trousers, rope-soled Persian slippers and a woollen cap comforter.<br />
&#8216;Turn round,&#8217; he said, &#8216;you&#8217;ll stay the night with us. We&#8217;re going to kill some chickens.&#8217;<br />
We tried to explain that we had to get to Kabul, that we wanted our mail, but our men, who professed to understand no English but were reluctant to pass through the gorges at night, had already turned the horses and were making for the collection of miserable hovels that was the nearest village. Soon we were sitting on a carpet under some mulberry trees, surrounded by the entire population, with all Thesiger&#8217;s belongings piled up behind us.<br />
&#8216;Can&#8217;t speak a word of the language,&#8217; he said cheerfully.<br />
&#8216;Know a lot of the Koran by heart but not a word of Persian. Still, it&#8217;s not really necessary. Here, you,&#8217; he shouted at the cook, who had only entered his service the day before and had never seen another Englishman. &#8216;Make some green tea and alot of chicken and rice &#8211; three chickens.&#8217;<br />
&#8216; No good bothering the interpreter,&#8217; he went on, &#8216;the poor fellow&#8217;s got a sty, that&#8217;s why we only did seventeen miles today. It&#8217;s no good doing too much at first, especially as he&#8217;s not feeling well.&#8217;<br />
The chickens were produced. They were very old; in the half-light they looked like pterodactyls.<br />
&#8216;Are they expensive?&#8217;<br />
&#8216; The Power of Britain never grows less,&#8217; said the headman, lying superbly.<br />
&#8216; That means they are very expensive,&#8217; said the interpreter, rousing himself. Soon the cook was back,.semaphoring desperately.<br />
&#8216;Speak up, can&#8217;t understand a thing. You want sugar? Why don&#8217;t you say so? &#8216; He produced a large bunch of keys, like a housekeeper in some stately home. All that evening he was opening and shutting boxes so that I had tantalizing glimpses of the contents of an explorer&#8217;s luggage &#8212; a telescope, a string vest, the Charterhouse of Parma, Du Côté de Chez Swann, some fish-hooks and the 1/1000000 map of Afghanistan &#8212; not like mine, a sodden pulp, but neatly dissected, mounted between marbled boards.<br />
&#8216; That cook&#8217;s going to die,&#8217; said Thesiger; &#8216;hasn&#8217;t got a coat and look at his feet. We&#8217;re nine thousand feet if we&#8217;re an inch here. How high&#8217;s the Chamar Pass?&#8217; We told him 16,000 feet. &#8216; Get yourself a coat and boots, do you hear?&#8217; he shouted in the direction of the camp fire. After two hours the chickens arrived ; they were like elastic, only the rice and gravy were delicious. Famished, we wrestled with the bones in the darkness.<br />
&#8216;England&#8217;s going to pot,&#8217; said Thesiger, as Hugh and I lay smoking the interpreter&#8217;s King Size cigarettes, the first for a fortnight. &#8216;Look at this shirt, I&#8217;ve only had it three years, now it&#8217;s splitting. Same with tailors; Gull and Croke made me a pair of whipcord trousers to go to the Atlas Mountains. Sixteen guineas &#8212; wore a hole in them in a fortnight. Bought half a dozen shotguns to give to my headmen, well-known make, twenty guineas apiece, absolute rubbish.&#8217;<br />
He began to tell me about his Arabs.<br />
&#8216;I give them powders for worms and that sort of thing.&#8217;<br />
I asked him about surgery.&#8217;<br />
I take off fingers and there&#8217;s a lot of surgery to be done ; they&#8217;re frightened of their own doctors because they&#8217;re not clean.&#8217;<br />
&#8216; Do you do it? Cutting off fingers?&#8217;<br />
&#8216;Hundreds of them,&#8217; he said dreamily, for it was very late. &#8216;Lord, yes. Why, the other day I took out an eye. I enjoyed that.<br />
&#8216; Let &#8216; s turn in,&#8217; he said.<br />
The ground was like iron with sharp rocks sticking up out of it. We started to blow up our air-beds. &#8216; God, you must be a couple of pansies,&#8217; said Thesiger.</p></blockquote>
<p><a id="situatieschets" name="situatieschets"></a><br />
<em>Kort historisch kader:</em></p>
<p>Nuristan, ‘Het land van het licht’, is in de tweede helft van de twintigste eeuw van de meest onbekende ter wereld. En één van de minst bereikbare landen. De uitvinding van het vliegtuig en de auto hebben geen verschil gemaakt: je moet naar Nuristan <em>lopen</em>. Wegen zijn er nauwelijks. De Afghaanse overheid is bovendien zeer weigerachtig om er mensen in toe te laten. Nuristan wordt door indrukwekkende bergen omgeven.</p>
<blockquote><p>To the north by the main <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Hindu_Kush">Hindu Kush</a> range, which is the watershed between the <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Amu_Darya">Oxus</a> and the deserts of Central Asia and the Indus and the rivers that flow into the Indian Ocean; to the north-east by the Bashgul range, eastwards of the river of that name ; to the east and south-east its boundary is the Kunar river to its junction with the Kabul river; and to the south and southwest the mountains which rise on the left bank of the Kabul river. To the west, the side from which we were approaching it, the boundary is a spur of the Hindu Kush on the east bank of the Panjshir, whose crowning points are Mir Samir and another unnamed mountain to the north-east. The whole of this area including the parts in Chitral has been estimated to cover an area of 5,000 square miles and has been known since early times as Kafiristan, &#8216;The Country of the Unbelievers&#8217;; the larger part, that inside Afghanistan, having been called Nuristan since 1895, is drained by three main rivers. They all have their origins on its northern frontier and they all flow towards the Kabul river, from the great ox-bow bend that the Hindu Kush makes south-west of its junction with the Pamirs and the Karakoram range. The one farthest east is the Bashgul river; in the centre is the Pech and on the west, next to the Panjshir, is the Alingar whose upper waters are called the Ramgul; the Bashgul and the Pech discharging into the Kunar, the Alingar into the Kabul river above Jalalabad. Eventually all are united where the Kunar joins the Kabul and they continue together to the Indus and the Indian Ocean.<br />
These three valleys, all of which have innumerable subsidiary streams pouring into them, are linked indirectly by passes between 12,000 and 16,000 feet high, only negotiable on foot and closed by deep snow between October and March. Many of the valleys are heavily wooded and so deep that in autumn and winter they are said to remain in perpetual shadow.<br />
Each valley is inhabited by different tribes and each speaks its own language. All these languages belong to the group known as Dardic, which is said to be an offshoot from the original Aryan spoken by the inhabitants of the Khiva oasis in Trans-Caspia.<br />
But there coherence ends.</p></blockquote>
<p>De Nuristani zijn pas onlangs bekeerd tot de islam. In 1895 was dat. Tot dan werd de streek Kafiristan genoemd. Het woord <em>Kafir</em> komt uit het Arabisch en betekent ‘waarheidsontkenner’. <em>Stan</em> is een Iraans woord voor land of staat. De oorsprong van de naam ligt in het feit dat de bewoners, een etnisch losstaande groep van ongeveer 60.000 mensen destijds animistisch waren. Voordat zij door de grote emir Abdoer Radhman werden bekeerd met het zwaard waren de Nuristani heidenen en rovers.</p>
<blockquote><p>In 1895 the happy existence of the Kafirs as robbers, murderers of Muslims, drinkers of prodigious quantities of wine, keepers of slaves, worshippers of Imra the Creator, Moni the Prophet, Gish the War God and the whole Kafir pantheon with its sixteen principal deities, came to an end when Abdur Rahman sent his armies under the command of his gigantic Commander-in- Chief, Ghulam Haider Khan, on a jehad against the infidel and converted them to Islam by the sword ; probably the last time in history that such a conversion has taken place. According to his own admission, Abdur Rahman was thoroughly fed up with the Kafirs. He had invited their chiefs to visit him in Kabul and sent them back to their country loaded with rupees. With the money they immediately bought rifles from the Russians which they used to slaughter more Afghans. (It is difficult to believe that Abdur Rahman imagined that they would do otherwise.) A further source of friction arose over the sale of Kafir girls to the Afghans in exchange for cows and the subsequent disputes over their relative values. He himself says that the chief reasons that caused him to invade Kafiristan were the aggravation caused by having a semi-hostile country at his back and also the fear that the Russians might annex it. Besides these statesmanlike considerations there were others. He longed to convert the Kafirs and win an apostle&#8217;s reward and also to keep open the Kunar Valley trade route between Jalalabad and Badakshan, which their really intolerable behaviour made extremely difficult.</p></blockquote>
<p>Drie legers vielen de streek in 1895 binnen. Er weerklonk protest van missionarissen, waarop de emir antwoordde dat hij geen christenen onder zijn slachtoffers had gevonden. Ook het Britse regime kneep een oogje dicht.</p>
<blockquote><p>It was a little difficult for the Government to censure Abdur Rahman. Officially his subsidy had just been increased from 12,000 to 16,000 lakhs of rupees. To the British he had fully justified their selection of him as Amir of Afghanistan and, apart from the few foibles remarked by <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/George_Curzon,_1st_Marquess_Curzon_of_Kedleston">Lord Curzon</a>, like flaying people alive who displeased him, blowing them from the mouths of cannon, or standing them up to the neck in pools of water on the summits of high mountains and letting them freeze solid, he had done nothing to which exception could be taken. Nothing happened &#8212; a curtain descended on Kafiristan. The next time it would rise on Nuristan, The Country of Light.</p></blockquote>
<p>Een voorbij Pâtchâh herinnert een enorme rots met inscriptie aan dat trieste jaar.</p>
<blockquote><p>&#8216;It reads thus,&#8217; said the Mùllah. &#8216;In the reign of the great Amir, Abdur Rahman Khan Ghazi, in the year 1313 (in the Christian chronology 1895) the whole of Kafiristan was conquered by him and the inhabitants embraced the true and holy<br />
religion of Islam. &#8216;Righteousness and virtue have triumphed and untruth has disappeared,&#8217; he added sententiously. Near it he said there was another inscription. To Hugh and myself, with the sun beating on it, it might have been anything or nothing.<br />
&#8216; What is it written in? &#8216; Hugh asked. He had recovered from the bad start.<br />
&#8216;It is in the <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Kufic">Kufic script</a>. It is the inscription the Emperor Timur made when he turned aside to come here on his way to invade Hind, in the year 800&#8242; (A.D. 1398).<br />
Whether Timur Leng, the atrocious Mongol, reached the Ramgul or whether it was one of his generals; whether or not any inscription, other than that of Abdur Rahman, even exists has never, so far as I can discover, been properly verified. Until some qualified person visits the Sang Neveshteh even the existence of the second inscription must remain a matter for conjecture. What is certain is that Timur Leng did invade some parts of Kafiristan from the west. His method of crossing the mountains was so novel and his observations on the character of the Kafirs so interesting that it seems worth referring to it briefly.<br />
In March 1398, according to his autobiography, <strong>Malfûzât-i- Timûrî</strong>, appointed a viceroy at Samarqand and, having left a garrison to defend it, &#8216;I placed my foot in the stirrup at a lucky moment and directed my course towards Hindustan.&#8217; With his army he crossed the Oxus at Termez by a bridge of boats and eventually arrived in Andarab, the next valley to Panjshir. There the people were full of complaint, saying &#8216;Infidel Kators and the Siyah-Poshes exact tribute and lackmail every year from us and, if we fail in our exact amount, they slay our men and carry our women and children into slavery.&#8217;</p></blockquote>
<p>De oorsprong van de Kafirs (ongelovigen) blijft onzeker. Een populaire legende verhaalt dat ze afstammen van achtergebleven soldaten uit het leger van Alexander de Grote.</p>
<blockquote><p>At the time Alexander crossed the Hindu Kush, the plains of Kabul and the passes over the Hindu Kush from Andarab were certainly held by Greeks, descendants of those transported to Asia by <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Hystaspes_%28father_of_Darius_I%29">Darius Hystaspes</a> after the fall of Miletus. Equally certainly Kafiristan and its inhabitants in those days covered a far wider area than is occupied by Nuristan today, taking in considerable parts of Badakshan, the Panjshir, Swat and Chitral. The admixture of Greek blood, which gives to many of the inhabitants of Nuristan today a startlingly South European look, had certainly begun long before the arrival of the Macedonian army. All that Alexander&#8217;s stragglers did when they encountered the Kafir women, who have the reputation of being sluttish, accommodating and extremely handsome, was to strengthen it.</p></blockquote>
<p>Middeleeuwse Chinese boeddhisten die naar heilige plekken in India trokken vermeldden Kafiristan al vanaf de zesde eeuw. Genghin Khan verwijst naar de Kafirs in de dertiende eeuw. Timoer Lenk bevocht hen in de veertiende eeuw zonder veel succes. In 1602 maakt de Portugese jezuïet <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Bento_de_G%C3%B3is">Benedict de Goes</a> melding van hen toen hij naar Lahore trok.</p>
<p style="text-align: left;">De leukste verslaggevers in de negentiende eeuw zijn kolonel/huurling <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Alexander_Gardner_(soldier)">Alexander Gardner</a>, de Amerikaanse reiziger <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Charles_Masson">Charles Masson</a> (die zich in autochtone kledij hulde) en de christelijke missonaris Fazl Huq. Deze laatste hield een dagboek bij geschreven met lijmsap bij wijze van onzichbare inkt.</p>
<blockquote><p>Adultery was unknown, he wrote, only the unmarried ever being suspected of immorality which was extirpated with ferocity; married couples having a sort of laisser-passer in such matters. He also noticed that the Kafirs watched their relatives die in silence and that they put them in wooden boxes on the mountain-side with the lids weighed down with heavy stones. Some of the houses he saw were five stories high. During his stay he saw a variety of birds and beasts &#8212; crows, parrots, leopards, bears and wolves.</p></blockquote>
<p>Niet eerder dan de jaren 1880, toen The Great Game werd gespeeld tussen Groot-Brittannië en Rusland, werd er nog eens een poging ondernomen om Kafiristan binnen te komen.</p>
<blockquote><p>In 1883 <strong>W. W. Macnair</strong>, an enterprising officer of the Indian Survey, disobeying the strict orders of the Indian Government that no European should cross the frontier without permission, penetrated the eastern marches as far as the Bashgul Valley. Macnair wore the dress of a Muhammadan Hakim and stained himself with a disagreeable mixture of weak caustic soda and walnut juice. He was accompanied by a native &#8216;known in The Profession as the Saiad&#8217; and two Kaka Khel Pathans, a tribe respected by the Afghans and to some extent by the Kafirs. With him he took an enormous book decorated with cabalistic signs which concealed within it a plane table for mapping and other surveying instruments. As Hakim he was much given to solitary meditation and generally chose high peaks for this purpose.<br />
Macnair reported that the inhabitants were celebrated for their beauty and their European complexions; that they worshipped idols; drank wine from silver cups and vases; used chairs and tables, and spoke a language unknown to their neighbours ; that brown eyes were more common than blue; that their complexions varied between pink and a bronze as dark as that of a Punjabi; that the infidelity of wives was punished by mild beating and that of men by a fine of cattle, and that one of their prayers ran :</p>
<p>Ward off fever from us.<br />
Increase our stores.<br />
Kill the Mussulmans.<br />
After death admit us to Paradise.</p></blockquote>
<p>Macnair schatte de bevolking op 200.000 zielen. Twee jaar later werd het gebied grondiger verkend door kolonel Woodthorpe van het Indian Survey, samen met Sir William Lockhart, die de bergpassen van de Hindu Kush moet exploreren. Uiteindelijk was het <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/George_Scott_Robertson">Sir George Robertson</a> die in 1890 en 1891 die het verst doordrong in Kafiristan en de meeste kennis meebracht.</p>
<blockquote><p>His book<strong> The kafirs of the Hindu Kush</strong> gives the only complete picture that has come down to us of the Kafirs living in their pristine state of paganism. And it was to be the final one. Already Robertson was encountering tribes who had been converted to Islam and his was the last opportunity that any European was to have before the old pagan religion of the country was obliterated. In the twentieth century the names of the countless secret agents of all nations who must have visited Nuristan have so far not been revealed. The first recorded visitors seem to have been two Russians, Vavilov and Bukinitsh, who spent four days in the Pech Valley in 1924.</p></blockquote>
<p>De laatste dertig jaar voor de tocht van Newby hebben de Duitsers de reizen door het gebied gemonopoliseerd.</p>
<blockquote><p>There is something about the place that appeals to the German character: the dark forests and gloomy valleys; the innate paganism of the &#8216;grosse blonde vollhaarige Menschen&#8217; whose origins &#8216;nicht indo-arisches, soridern ein eurbpaisch-arisches Restvolk der Indo-germanen sind&#8217;.<br />
In 1925 two Germans tried to enter from the southwards without success; one a geologist, Dr Herbordt, the other a Baron von Platen. Both reached the frontier north of Jalalabad but got no farther.<br />
In 1928 Dr Martin Voigt and Herr Seydack, a Prussian State Forester, both of whom were working for King Amanullah, went up the Kunar Valley and the Bashgul, reached the Hindu Kush divide and descended the Pech river to its confluence with the Kunar. They did not, however, visit the western part, the Alingar-Ramgul Valley which no European had so far seen.<br />
In 1935 there came the Deutsche Hindu Kush Expedition. This, like everything else emanating from Germany in the middle thirties, was grandiloquent and slightly less thorough than it cracked itself up to be. It was certainly big. Its memberstravelled with forty mules specially imported for the job, fifteen mule drivers, three Afghan officers and sixteen soldiers. It worked methodically, establishing supply depots for itself en route. The objects of the expedition were rather ambiguous but its members seem to have spent most of their time, when they might have been looking for the Ashkuns, studying the comparative anatomy of the inhabitants. On their return to civilization they embalmed their findings, the result of the thorough measuring to which they had subjected the inhabitants, in a large almost unreadable volume printed in excruciating gothic type.</p></blockquote>
<p>Na de Tweede Wereldoorlog zijn de reizen van Von Dückelmann en Neubauer vermeldenswaard, evenals de Deense <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Henning_Haslund-Christensen">Henning-Haslund-expedities</a>. En nu dus het duo Carless-Newby.</p>
<p>Newby en Carless reizen onder meer door het land van de <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Tajik_people">Tadzjieken</a>. De Tadzjieken worden vaak ‘de Perzen van Centraal-Azië’ genoemd en wonen in het huidige Tadzjikistan, Afghanistan, Oezbekistan en Pakistan. Ze spreken Perzisch dat in Tadzjikistan met het cyrillische alfabet geschreven wordt en officieel vaak Tadzjiki-Perzisch genoemd.</p>
<blockquote><p>As Abdul Ghiyas said proudly, later in the evening, &#8216; From the British Embassy at Bâgh-i-Bâlâ through Panjshir and over the Anjuman Pass to Faizabad in Badakshan all is Tajik.&#8217; He was right. The embassy at Kabul is on the northern fringe of the city. All day we had been travelling in Tajik territory.<br />
There are also Tajiks in Andarab, the parallel valley to Panjshir to the west and also around Ghazni and Herat. In the Panjshir there are, according to the Mullah, about 5,000 households, about 30,000 people in all. The Tajiks are the original Persian owners of the Afghan soil, conquered and dispossessed by the Pathans but still speaking Persian ; pleasant, regular-featured people; agriculturists, Sunnites, intense in their religion, afar more ancient people than the Hazaras, round-headed, flat-faced Mongols who were settled in Central Afghanistan by Genghis Khan in the fourteenth century in the region he himself had depopulated, and converted to the Shiah faith in the eighteenth by Nader Shah&#8217;s Persian Army. Now like the Tajiks the Hazaras are a subject race, independent only in the fastnesses of their own country, the Hazarajat.</p></blockquote>
<p>De Tadzjieken zijn soennitische en ismai&#8217;litische moslims. Zij beschouwen zich als de voortzetting van de Samaniden, die in de negentiende en tiende eeuw heersten over Khorasan, het gebied dat historische steden als Samarkand en Buchara in het huidige Oezbekistan en Herat, Kabul en Balkh in het huidige Afghanistan omvat.</p>
<p>Newby en Carless maken met name kennis met de Tadzjieken van Panjshir. Zij wonen op de grens met de Jadidi (<a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Turkestan">Turkestan</a>) waar de Nuristani wonen. De Tadzjieken hadden vijf leiders om de vallei te bewaken. Ze werden de<em> panj shir</em>, de vijf tijgers, genoemd. Zij bewaakten de oostelijke passen tegen de Jadidi, de weg naar Turkestan (Anjuman-pas) tegen de Badakhshani, de Khawak en de Salang tegen de Turki (<a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Uzbekistan">Oezbeken</a>) van Andarab, en de Jabal us Siraj tegen de Sjiïetische Hazara’s.</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.achillevandenbranden.net/2013/04/a-short-walk-in-the-hindu-kush-eric-newby/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Ieorg Idur &#8211; Roald Dahl</title>
		<link>http://www.achillevandenbranden.net/2013/04/ieorg-idur-roald-dahl/</link>
		<comments>http://www.achillevandenbranden.net/2013/04/ieorg-idur-roald-dahl/#comments</comments>
		<pubDate>Mon, 29 Apr 2013 13:41:18 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Achille van den Branden</dc:creator>
				<category><![CDATA[recensies]]></category>
		<category><![CDATA[Britse schrijvers]]></category>
		<category><![CDATA[jeugdboeken]]></category>
		<category><![CDATA[Roald Dahl]]></category>
		<category><![CDATA[uit 1990]]></category>
		<category><![CDATA[uitgeverij De Fontein]]></category>
		<category><![CDATA[vertaald uit het Engels]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.achillevandenbranden.net/?p=7813</guid>
		<description><![CDATA[<p><span style="color: #666666;"><strong><a href="http://www.achillevandenbranden.net/wp-content/uploads/2013/04/ieorg-idur-roald-dahl.jpg"><img class="alignleft size-full wp-image-7814" alt="ieorg idur - roald dahl" src="http://www.achillevandenbranden.net/wp-content/uploads/2013/04/ieorg-idur-roald-dahl.jpg" width="100" height="160" /></a>Mijn leesleven was nooit gelukkiger, want kritieklozer, dan rond mijn tiende jaar. Tegelijk was mijn leesdieet wat fictie betreft nooit schraler dan toen. Stripverhalen en de <a href="https://www.google.be/search?safe=off&#38;hl=nl&#38;rlz=1T4GGHP_nlBE448BE448&#38;q=luistersprookjes+lekturama&#38;bav=on.2,or.r_qf.&#38;bvm=bv.45645796,d.d2k&#38;biw=937&#38;bih=695&#38;wrapid=tlif136722968370010&#38;um=1&#38;ie=UTF-8&#38;tbm=isch&#38;source=og&#38;sa=N&#38;tab=wi&#38;ei=-kR-UfGsLKGr0QXr9oCwCg">Luistersprookjes</a> van Lekturama vormden de hoofdmoot. Verder las ik alleen <em>Pippi Langkous</em>, maar dan wel eindeloos opnieuw. Dat heb je met goede boeken: als je niet oplet, ontnemen ze je het zicht op andere goede boeken.</strong></span></p>
<p>Dus heeft Roald Dahl nooit een rol gespeeld [...]</p>]]></description>
				<content:encoded><![CDATA[<p><span style="color: #666666;"><strong><a href="http://www.achillevandenbranden.net/wp-content/uploads/2013/04/ieorg-idur-roald-dahl.jpg"><img class="alignleft size-full wp-image-7814" alt="ieorg idur - roald dahl" src="http://www.achillevandenbranden.net/wp-content/uploads/2013/04/ieorg-idur-roald-dahl.jpg" width="100" height="160" /></a>Mijn leesleven was nooit gelukkiger, want kritieklozer, dan rond mijn tiende jaar. Tegelijk was mijn leesdieet wat fictie betreft nooit schraler dan toen. Stripverhalen en de <a href="https://www.google.be/search?safe=off&amp;hl=nl&amp;rlz=1T4GGHP_nlBE448BE448&amp;q=luistersprookjes+lekturama&amp;bav=on.2,or.r_qf.&amp;bvm=bv.45645796,d.d2k&amp;biw=937&amp;bih=695&amp;wrapid=tlif136722968370010&amp;um=1&amp;ie=UTF-8&amp;tbm=isch&amp;source=og&amp;sa=N&amp;tab=wi&amp;ei=-kR-UfGsLKGr0QXr9oCwCg">Luistersprookjes</a> van Lekturama vormden de hoofdmoot. Verder las ik alleen <em>Pippi Langkous</em>, maar dan wel eindeloos opnieuw. Dat heb je met goede boeken: als je niet oplet, ontnemen ze je het zicht op andere goede boeken.</strong></span></p>
<p>Dus heeft Roald Dahl nooit een rol gespeeld wanneer hij dat had moeten doen, en haal ik nu de lectuur van zijn kinderboeken wat plichtmatig in. Zonder veel enthousiasme. Zelfs <strong>Matilda</strong> (1988) vind ik een redelijk vervelend figuurtje waardoor wij, lezers, te makkelijk worden gevleid.</p>
<p><em>Ieorg Idur</em> (1990) was de opvolger van <em>Matilda</em>. Dun boekje, vijftien minuutjes lezen. Een van Dahls kinderverhalen die niet vanuit het standpunt van het kind zijn geschreven.</p>
<p><span id="more-7813"></span>Meneer Hoppe is verliefd op zijn onderbuurvrouw: vanaf zijn balkon heeft hij een prachtig zicht op haar. Mevrouw Zilver heeft echter alleen maar oog voor haar schildpad Rudi, die niet wil groeien. Hoppe, die te verlegen is om op een volwassen manier contact te maken, grijpt het beestje aan om een <em>move</em> te maken.</p>
<blockquote><p>‘Tja, schildpadden groeien altijd heel langzaam,’ zei meneer Hoppe plechtig. ‘Maar ze kunnen wel honderd jaar oud worden.’<br />
‘Dat weet ik wel,’ zei mevrouw Zilver, ‘maar ik wou toch dat hij een klein beetje groter werd. Het is zo’n miezerig diertje.’<br />
‘Hij lijkt me prima zoals hij is,’ zei meneer Hoppe.<br />
‘Nee, hij is niet prima!’ riep mevrouw Zilver. ‘Stelt u zich eens voor hoe hij zich moet voelen zo klein te zijn! Iedereen wil toch groot zijn.’<br />
‘U zou echt graag willen dat hij groter werd, hè?’ vroeg meneer Hoppe. Terwijl hij dat vroeg klikte er iets in zijn hoofd en viel hem een wonderbaarlijk idee in.<br />
‘Ja, natuurlijk zou ik dat graag willen!’ riep mevrouw Zilver. ‘Ik zou er alles voor over hebben. Heus, ik heb plaatjes gezien van reuzenschildpadden die zo groot zijn dat mensen op hun schild kunnen rijden! Als Rudi dat zag zou hij groen en geel zien van jaloezie!’<br />
Meneer Hoppe’s hoofd draaide als een tol. Was dit niet zijn grote kans? Grijp die kans, zei hij tegen zichzelf. Grijp die kans en snel!<br />
‘Mevrouw Zilver,’ zei hij. ‘Toevallig weet ik hoe je schildpadden sneller kunt laten groeien, als u dat werkelijk wilt.’<br />
‘Echt waar?’ riep ze. ‘O, alstublieft! Geef ik hem soms verkeerde dingen te eten?’<br />
‘Ik heb vroeger een tijdje in Noord-Afrika gewerkt,’ zei meneer Hoppe. ‘Daar komen alle schildpadden in ons land vandaan. Een rondtrekkende bedoeïen heeft me het geheim verteld.’<br />
‘Vertel dan!’ riep mevrouw Zilver. ‘Ik smeek u het me te vertellen, meneer Hoppe. Ik zal uw slavin zijn tot het einde van mijn dagen.’<br />
Bij de woorden uw slavin tot het einde van mijn dagen, ging een rilling van opwinding door meneer Hoppe heen. ‘Een ogenblikje,’ zei hij. ‘Ik moet even naar binnen om iets voor u op te schrijven.’<br />
Een paar minuten later kwam meneer Hoppe weer naar buiten met een velletje papier in zijn hand. ‘Ik zal het aan een touwtje naar beneden laten zakken,’ zei hij, ‘anders waait het misschien weg. Hier komt het.’</p></blockquote>
<p>Meneer Hoppe heeft een toverspreuk verzonnen die mevrouw Zilver elke dag tegen haar schildpad moet zeggen. De spreuk begint met IEORG IDUR en geeft zijn geheim prijs als je de letters achterstevoren leest. In het Engelse origineel begint de spreuk met ESIO TROT (omgekeerde van ‘tortoise’), maar DAPDLIHCS is nu eenmaal niet zo sterk in het Nederlands.</p>
<p>Het enige leuke aan<em> Ieorg Idur</em> &#8212; lees: het enige waar je als volwassene ook benieuwd naar bent, het einde is immers te voorspelbaar voor woorden &#8212; is hoe meneer Hoppe het zaakje afhandelt na zijn rondje blufpoker.</p>
<p>Hij belt winkels af om schildpadden voor hem aan de kant te houden. Hij koopt ze allemaal op en sleurt ze in manden met tien à vijftien tegelijk naar zijn woonst. Als mevrouw Zilver uit werken is, legt hij één van de 140 schildpadden in de plaats neer. Elke keer een iets groter exemplaar. Kijk haar schildpad groeien!</p>
<p>Als het beest te groot is naar de smaak van mevrouw moet zij een andere spreuk debiteren: TEIN IOERG IDUR. Tot ze tevreden is. Dat moment komt snel genoeg, waarna meneer en mevrouw nog lang en gelukkig leven samen.</p>
<p>De tekeningen van Quentin Blake schilderen beide personages hoogst sympathiek af en dat strooit toch zand in de ogen.</p>
<p>Want wat hebben we hier eigenlijk? Man hangt kletsverhaal op om indruk te maken. Goedgelovige, weinig geëmancipeerde vrouw trapt daar in – wil zelfs zijn “slavin voor het leven” zijn als hij haar uit de nood helpt. Man volhardt in het bedrog en komt daar ook mee weg. Volgt: het huwelijk van twee mensen die elkaar van haar noch pluimen kennen.</p>
<p><em>(Gebaseerd op notities van 30 maart 2007.)</em></p>
<p>&gt; lees een fragment uit dit boek op <a href="http://prinsvandenemarken.blogspot.be/2007/03/en-zijn-schild-streelde.html">Prins van Denemarken</a></p>
<p><strong>Roald Dahl, <em>Ieorg Idur</em></strong><br />
<strong> 61 p.</strong><br />
<strong> Uitgeverij De Fontein, 2005</strong><br />
<strong> Oorspr. <em>Esio trot</em> (1990)</strong><br />
<strong> Vertaald door Huberte Vriesendorp</strong></p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.achillevandenbranden.net/2013/04/ieorg-idur-roald-dahl/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>De opstand der horden &#8211; José Ortega y Gasset</title>
		<link>http://www.achillevandenbranden.net/2013/04/de-opstand-der-horden-jose-ortega-y-gasset/</link>
		<comments>http://www.achillevandenbranden.net/2013/04/de-opstand-der-horden-jose-ortega-y-gasset/#comments</comments>
		<pubDate>Sat, 27 Apr 2013 12:45:18 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Achille van den Branden</dc:creator>
				<category><![CDATA[recensies]]></category>
		<category><![CDATA[conservatieve denkers]]></category>
		<category><![CDATA[cultuurgeschiedenis]]></category>
		<category><![CDATA[democratie]]></category>
		<category><![CDATA[dystopieën]]></category>
		<category><![CDATA[essays]]></category>
		<category><![CDATA[ethiek]]></category>
		<category><![CDATA[Europa]]></category>
		<category><![CDATA[filosofie]]></category>
		<category><![CDATA[humanisme]]></category>
		<category><![CDATA[interbellum]]></category>
		<category><![CDATA[José Ortega y Gasset]]></category>
		<category><![CDATA[maatschappij]]></category>
		<category><![CDATA[misantropie]]></category>
		<category><![CDATA[opvoeding en onderwijs]]></category>
		<category><![CDATA[politiek]]></category>
		<category><![CDATA[Spaanse schrijvers]]></category>
		<category><![CDATA[technologie]]></category>
		<category><![CDATA[toekomstvisies]]></category>
		<category><![CDATA[twintigste eeuw]]></category>
		<category><![CDATA[uit 1930]]></category>
		<category><![CDATA[uitgeverij H.P. Leopold]]></category>
		<category><![CDATA[vertaald uit het Spaans]]></category>
		<category><![CDATA[wetenschapsfilosofie]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://www.achillevandenbranden.net/?p=7800</guid>
		<description><![CDATA[<p><span style="color: #666666;"><strong><a href="http://www.achillevandenbranden.net/wp-content/uploads/2013/04/de-opstand-der-horden-gasset.jpg"><img class="alignleft size-full wp-image-7802" alt="de opstand der horden - gasset" src="http://www.achillevandenbranden.net/wp-content/uploads/2013/04/de-opstand-der-horden-gasset.jpg" width="100" height="160" /></a><em>De opstand der horden </em>is een klassieker die altijd nog eens moest gelezen. De twintigste eeuw is de eeuw waarin de massa’s een politieke factor van formaat werden. In een reeks artikelen in een veelgelezen Madrileens dagblad legde José Ortega y Gasset eind jaren twintig de gevaren van die ontwikkeling bloot. Hij waarschuwt voor het fascisme, het communisme én voor wat hij noemde ‘de hyperdemocratie’.</strong></span></p>
<p>Omdat het een reeks artikelen [...]</p>]]></description>
				<content:encoded><![CDATA[<p><span style="color: #666666;"><strong><a href="http://www.achillevandenbranden.net/wp-content/uploads/2013/04/de-opstand-der-horden-gasset.jpg"><img class="alignleft size-full wp-image-7802" alt="de opstand der horden - gasset" src="http://www.achillevandenbranden.net/wp-content/uploads/2013/04/de-opstand-der-horden-gasset.jpg" width="100" height="160" /></a><em>De opstand der horden </em>is een klassieker die altijd nog eens moest gelezen. De twintigste eeuw is de eeuw waarin de massa’s een politieke factor van formaat werden. In een reeks artikelen in een veelgelezen Madrileens dagblad legde José Ortega y Gasset eind jaren twintig de gevaren van die ontwikkeling bloot. Hij waarschuwt voor het fascisme, het communisme én voor wat hij noemde ‘de hyperdemocratie’.</strong></span></p>
<p>Omdat het een reeks artikelen betreft, staat het boek bol van de herhaling. De auteur moet zijn betoog steeds opnieuw samenvatten om bij een volgend hoofdstuk te kunnen doorgaan. Dat zou alleen maar vervelend zijn, ware het niet dat hij zo’n briljant stilist is. Deze compleet verouderde vertaling uit 1933 van <strong>J. Brouwer</strong> gaf aan de tekst nog een extra geestig retorisch tintje.</p>
<p>De essentie heb je snel op een rij. De traditionele bourgeoisbeschaving lijkt zich voor Ortega op een dood spoor te bevinden. De technologische en democratische revoluties hebben welvaart en vrijheid gebracht, maar ook een nieuwe type mens: de ‘hordemens’. Die gedraagt zich als een verwend kind.</p>
<p>De hordemens vindt het maar normaal dat zijn wensen meteen ingewilligd worden. Hij weet niets af van geschiedenis en wetenschap en beseft daarom niet dat zijn welstand in de loop der eeuwen fel bevochten werd op de natuur door allerlei briljante individuen. Niets is vanzelfsprekend of blijft zomaar bestaan. De samenleving is een culturele constructie, niet iets ‘natuurlijks’. Er is intellectuele en morele gestrengheid voor nodig om die in stand te houden.</p>
<p><span id="more-7800"></span>Dus betreurt en vreest Ortega het feit dat de elites niet meer serieus worden genomen. <em>De opstand der horden</em> werd geschreven in de onheilszwangere jaren van het interbellum. Het broeit opnieuw in Europa. Over de plas blijkt Amerika – voor oude Europese intellectuelen dé verzamelplaats van het klootjesvolk – zich steeds internationaler te gaan oriënteren.</p>
<p><em>De opstand der horden</em> staat niet op zichzelf. Cultuurpessimisme genoeg na de Eerste Wereldoorlog. In 1918 had <strong>Spengler</strong> al <strong>Der Untergang des Abendlandes</strong> klaar. Vanaf 1921 werkte <strong>Musil</strong> aan <strong>Der Mann ohne Eigenschaften</strong>. <strong>Das Unbehagen in der Kultur </strong>van <strong>Freud</strong> verscheen in 1930. <strong>Johan Huizinga</strong>’s <strong>In de schaduwen van morgen</strong> dateert uit 1935. Een jaar later kwam <strong>Walter Benjamin</strong> met <strong>Das Kunstwerk im Zeitalter Seiner Technischen Reproduzierbarkeit</strong>. Allemaal boeken die de rare lusteloosheid tonen in een wereld van op hol geslagen beschaving.</p>
<p>Nu kwam Ortega wel uit Spanje, niet uit Frankrijk, Duitsland, Oostenrijk of Groot-Brittannië. Deep down wou hij zijn vaderland aansluiting laten vinden bij de grote cultuurlanden. Spanje verkeerde in crisis. In 1889 had het door toedoen van de Verenigde Staten zijn resterende koloniën verloren: Guam, Puerto Rico, Cuba en de Filippijnen. Die vernedering maakte een diepe indruk op Spaanse intellectuelen.</p>
<p>In 1931 zat Ortega zelf even in het parlement van de tweede Spaanse republiek, maar keerde zich naderaf gedesillusioneerd af van de politiek. Spanje was bevangen door een revolutionaire koorts en Ortega zag het land afdrijven naar een burgeroorlog. Toen de Spaanse Burgeroorlog daadwerkelijk uitbrak, verkaste hij naar het buitenland. Pas in 1946 zou hij terugkeren naar Madrid. Hij verbleef in Frankrijk, Argentinië, Portugal en in Oegstgeest. (Het Franse voorwoord van <em>De opstand der horden </em>werd geschreven in &#8216;Het Witte Huis&#8217; te Oegstgeest in mei 1937.)</p>
<p>In zijn bijdrage aan het boek <strong>Conservatieve vooruitgang</strong> schetst <strong>Diederik Boomsma</strong> het filosofisch programma van Ortega. Zijn grootste vijand schijnt <strong>Descartes</strong> te zijn. Ortega had weinig op met zuiver rationalisme. Wie de gestrengheid van de natuurwetenschappen toepast op maatschappelijke situaties vergeet dat de mens geen rationeel wezen is. Van verregaande politieke abstracties en utopische verwachtingen mogen we dan ook alleen maar ellende verwachten. Idealen kan je niet zomaar proclameren; die moeten van onderuit komen.</p>
<p>Tegen het ‘Ik denk, dus ik ben’ van Descartes plaatste Ortega ‘Ik leef, dus ik denk.’ De gedachten zijn van mij, maar mijn leven is niet van mij – <em>ik behoor tot het leven</em>. En om inzicht te krijgen van dat leven, moet je wat van de geschiedenis afweten. De traditie kan een belangrijk richtsnoer zijn. Het soort rede waar hij vertrouwen in stelde noemde Ortega dan ook de ‘historische rede’.</p>
<p>En wat leert ons de traditie? Dat leven, als het een beetje op niveau wil gebeuren, automatisch betekent: samen-leven. En dat kan dan weer wanneer iedereen, in zijn onderlinge verscheidenheid, een gemeenschappelijk project aanhangt. Een hoger streven.</p>
<p>De door Ortega gewraakte massa-mens wil daar echter niet aan. Hij is enkel geïnteresseerd in zijn eigen genietingen en de directe tegemoetkoming daaraan. Het leven moet gemakkelijk zijn, zonder beperkingen. Hij aanvaardt geen morele of intellectuele autoriteit. Hij bezit een zelfgenoegzame en dus gesloten geest. Omdat hij geen hoger doel in gedachten houdt op de achtergrond, is hij erg vatbaar voor modes of populistische kreten. Hij is passief, dobbert mee op de cri du jour.</p>
<p>Voor de hedendaagse lezer kan verwarrend zijn dat Ortega voortdurend het teloorgaan van &#8220;liberale&#8221; waarden betreurt. Die waarden hebben echter niet noodzakelijk iets te maken met de liberale (donkerblauwe) waarden uit het huidige politieke landschap.</p>
<p>Tradities hebben altijd al bestaan. De roep naar verandering ook. Maar het is pas sedert de Verlichting dat het vooruitgangsgeloof en een lineaire, doelgerichte opvatting van de geschiedenis ingang vond en een filosofische basis kreeg. Alleen wanneer je gelooft in vooruitgang kan je geloven dat het <em>nieuwe</em> het <em>juiste</em> kan worden. Het liberalisme ontstond toen de ontwikkelde burgerij zich verzette tegen de hiërarchie van de standenstaat. Ze stond het constitutionalisme voor – de gedachte dat zelfs democratisch gelegitimeerde overheidsmacht moet worden beperkt door het recht.</p>
<p>Door de Franse Revolutie kreeg het vooruitgangsgeloof zijn grote stootkracht en werd de standenmaatschappij goeddeels omvergeworpen. Het conservatisme, behoudsgezindheid, ontstond dan ook als een reactie na de Revolutie en na Napoleon. Conservatief ben je als je het verleden normatief acht, de maatstaf voor de toekomst. Conservatieven vonden de liberalen wereldvreemd, abstract, blind voor de menselijke natuur. In Duitsland had je romantisch conservatieven als <strong>Schlegel</strong> en <strong>Schelling</strong>, in Engeland <strong>Burke</strong> (die als uitgangspunt het natuurrecht nam en rationeel empirisch denken à la <strong>Locke</strong> en <strong>Hume</strong>), in Frankrijk <strong>De Maistre</strong> en <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Louis_Gabriel_Ambroise_de_Bonald">De Bonald</a>.</p>
<p>Conservatisme en liberalisme hebben dus gemeenschappelijke wortels in de late achttiende eeuw. Dat is de betekenis van het woord waar Ortega op doelt. Strikt genomen is het trouwens juister te spreken van drie stromingen: liberalisme (dat staat voor politieke en sociale gelijkheid plús economische vrijheid), egalitarisme (dat politieke, sociale én economische gelijkheid voorstaat) en conservatisme (dat kritisch staat tegenover alle ideeën over de maakbaarheid van de samenleving).</p>
<p>Langzaam is het woord ‘liberalisme’ verschoven in betekenis. De negentiende eeuw, met zijn Industriële Revolutie en de opkomst van het proletariaat, was een splijtzwam voor het liberale gedachtengoed, dat vertakte in een linkse en een rechtse strekking. Daardoor gingen conservatisme en bepaalde soorten liberalisme bepaalde raakpunten zelfs met elkaar vertonen. In Amerika, waar naar Europese maatstaven geen linkse partijen bestaan, spreekt men echter nog altijd van liberals en conservatives.</p>
<p>Toen zijn hoofdbetrachtingen vervuld waren – individueel kiesrecht, de installatie van de rechtstaat en de invoering van het parlementair stelsel – hield het liberalisme na de Eerste Wereldoorlog helemaal op één solide beweging te zijn. Er waren nu linkse en rechtse partijen die elkaar bekampten.</p>
<p>Ortega verlangt in het interbellum opnieuw naar een gezonde democratie: te weten, een democratie waarin de politieke en culturele elites en de beschavingsidealen die zij vertolken, beschermd worden door wetten, tradities en beschaafde gewoonten. Hij noemde die wetten en tradities ‘liberale beginselen’ die door de massa-mens worden ondermijnd.</p>
<p>Zonder correctie vanuit de cultuur ondermijnt het liberalisme dus de liberale waarden – wat van Ortega in het licht van vandaag toch eerder een conservatief denker maakt. Hij vreesde wat hij de ‘hyperdemocratie’ noemde: de dictatuur van de meerderheid, met zijn nivellerende werking en onverdraagzaam egalitarisme. Dat egalitarisme ervoer hij als zeer bedreigend voor het algemene culturele peil want als ieder verschil wegvalt, valt er ook niets te verheffen. Het algemene niveau van de samenleving is dan dat van de laagste gemene deler.</p>
<p>Ortega’s boek was goeddeels ingegeven door de bevolkingsexplosie. Van het moment waarop de Europese geschiedenis begon, pakweg de zesde eeuw, tot het begin van de negentiende eeuw, had het bevolkingsaantal nooit de 180 miljoen mensen overschreden. Van 1800 tot 1914 steeg het echter van 180 tot 460 miljoen. De gevolgen zag Ortega om zich heen: mensenmassa’s in treinen, hotels, cafés, parken, theaters. Waar zou dat eindigen?</p>
<p>Maar het ging hem niet alleen om absolute cijfers. Hij ervoer de alomtegenwoordigheid van het volk als een invasie. Het had bezit genomen van plekken waar voorheen alleen ‘de betere mensen’ kwamen. Ook in de politiek. In de dictatuur van de massa zag hij de belangrijkste bedreiging voor de beschaving. De massa beschouwt de staat immers als een machine die haar behoeften moet bevredigen, en dat zal uiteindelijk het individu vermorzelen.</p>
<p>Eeuwenlang werd het leven gekenmerkt door enorme fysieke en sociale beperkingen, die het centrale uitgnagspunt van het bestaan vormden. Ziekte, dood, gevaar en gebrek waren de norm – ook bij de rijken. In het begin van de twintigste eeuw tekenden de contouren van de consumptiemaatschappij zich echter af. Dood, gevaar en gebrek werden vervangen door &#8220;kansen, keuzes en comfort&#8221; (Boomsma). Maar deze nieuwe overvloed draagt ook psychologische en morele risico’s in zich.</p>
<p>De massa-mens kan nog het best verleken worden met een verwend kind: &#8220;ongeduldig, onbescheiden en ondankbaar&#8221;. De hele geschiedenis door is iedere verworvenheid van de beschaving moeizaam tot stand gebracht door harde arbeid, wilskracht en plichtsbetrachting. De massa-mens, die zijn geschiedenis niet kent, gedraagt zich als een vadsige aristocraat met een royale erfenis. Hij mag profiteren van rijkdom die hij niet heeft gecreëerd. Ortega:</p>
<blockquote><p><a href="http://www.achillevandenbranden.net/wp-content/uploads/2013/04/ortega-y-gasset.jpg"><img class="alignleft size-full wp-image-7805" alt="ortega y gasset" src="http://www.achillevandenbranden.net/wp-content/uploads/2013/04/ortega-y-gasset.jpg" width="200" height="258" /></a>De beschaving nu van de negentiende eeuw is zo geaard, dat zij de gemiddelde man de gelegenheid heeft gegeven zich te installeren in een wereld van overdaad, waarvan hij alleen de overvloed van middelen, maar niet de benauwende gevaren ziet. Hij ziet zich omgeven van wonderbaarlijke instrumenten, heilzame geneesmiddelen, vooruitzorgende staten en geriefelijke rechten. Hij is er daartegenover onkundig van hoe moeilijk het is deze geneesmiddelen en werktuigen uit te vinden en hun voortbewegen voor de toekomst te verzekeren. Ook merkt hij niet op hoe wankel de organisatie van de Staat is, en nauwelijks voelt hij enige verplichtingen ten opzichte van anderen. Dit gemis aan juiste verhoudingen bederft hem tot in de grond, het doet hem het contact verliezen met het wezen zelf van het leven, want dit is gevaar en gedurige wisselvalligheid. De meest tegenstrijdige vorm van het menselijk leven die zich kan voordoen, is die van de vergenoegde <em>señorito</em>.</p></blockquote>
<p>Welvaart en vrijheid lijken zo vanzelfsprekend dat het moeilijk wordt om de noodzaak tot het cultiveren van de geest nog te zien. In de domeinen die welvaart hebben geschapen – technologie en wetenschap – schuilt nog een extra gevaar. De wetenschappelijke kennis is zo explosief toegenomen dat niemand nog het overzicht heeft. Het wetenschappelijke bedrijf dwingt mensen zich te specialiseren. Een brede, evenwichtige, integrale vorming schiet erbij in.</p>
<p>Dat maakt voor Ortega de gemiddelde wetenschapper evengoed tot een massa-mens. Want ‘massa-mens’ mag dan wel een elitair begrip zijn, het is geen snobistische term. De massa-mens hoeft niet arm of dom te zijn; hij kan ook van goede komaf zijn, intelligent en hoogopgeleid. Het is een kwalitatieve, geen kwantitatieve term.</p>
<p>Het is niet omdat de massa-mens zich niets meer aan autoriteiten laat gelegen liggen, dat hij geen staat meer vandoen heeft. Integendeel, hij wil dat de staat steeds meer voor hem doet. Sterker nog, de massa-mens valt samen met de staat. De staat is een machine die hem alles moet leveren wat zijn hartje begeert.</p>
<p>Desnoods met geweld. <em>De opstand der horden</em> is dan ook een van de klassieke aanklachten tegen zowel de &#8220;bedrieglijke morgenstonden&#8221; van het fascisme als het communisme, die Ortega ziet als massa-mens-bewegingen bij uitstek. Al ziet hij ook wel de aantrekkingskracht ervan, met zijn belofte van groots en meeslepend leven.</p>
<p>De eerder aangehaalde Diederik Boomsma wijst er echter op dat het boek even makkelijk als een kritiek op de hedendaagse <em>welvaartstaat</em> kan dienen. Een staat die zorgt voor zieken, ouderen, pensioenen, woningbouw, het spreiden van inkomens, het afromen van hoge inkomens, het subsidiëren van kunsten en sport, onderwijs, kinderopvang en zelfs opvoeding.</p>
<p>De achterliggende gedachte is dan: hoe groter de verantwoordelijkheden van de staat, hoe meer het verantwoordelijkheidsgevoel van de burger wordt ondermijnt. Hoe minder hij nog geneigd zal zijn tot spontane actie. Hyperdemocratie vormt een viscieuze cirkel die voor Ortega beslist eindigt bij de absolute ondergang.</p>
<p>Als redding stelt hij voor: het in ere herstellen van de intellectuele elite en een wedergeboorte van de filosofie. Hoe dat moet gebeuren, vertelt hij er niet bij. Wel spreekt hij zich uit voor een Verenigde Staten van Europa die het naar binnen gekeerde, op uitsluiting en afzondering gefixeerde nationalisme kan inruilen voor een vreedzaam samenleven van naties.</p>
<p>Een politiek agitator is Ortega echter nooit geweest. “De politiek verhindert dat de mens eenzaam is,” schrijft hij, “en ontdoet hem van zijn innerlijk leven. Daarom is de prediking van het integrale politicisme een van de technische middelen die men gebruikt om hem te socialiseren.” De schrijver bleef voor alles intellectueel.</p>
<p>Een intellectueel die niet zo makkelijk in hokjes onder te brengen valt, ook. Was hij conservatief? Progressief? Conservatief, vooral. Maar het subtiele verband tussen conservatisme en liberalisme hebben we al besproken. Ortega was nog het meest <em>aristocraat</em>: iemand die geestelijk raffinement voorstond. Mijn favoriete passage uit het boek is zonder twijfel deze:</p>
<blockquote><p>De taak van de zogenaamde ‘intellectueel’ is in zekere zin tegenovergesteld aan die van de politicus. Het werk van de intellectueel beoogt, dikwijls vergeefs, de dingen een weinig toe te lichten, terwijl het werk van de politicus daarentegen gewoonlijk bestaat in het de dingen nog verwarder maken dan zij reeds waren. Links of rechts zijn is een van de ontelbare wijzen van zijn die de mens kan uitkiezen om een imbeciel te wezen. Beide manieren van zijn zijn namelijk het gevolg van een zedelijke verlamming van de helft van de mens. Bovendien draagt het hardnekkige voortbestaan van die benamingen er niet weinig toe bij de hedendaagse ‘werkelijkheid’, welke in zichzelf al onwaar genoeg is, nog meer te vervalsen. Men heeft ze namelijk ontdaan van de inhoud welk de politieke geschiedenis er in heeft gelegd, zoals voldoende blijkt uit het feit dat rechts omwentelingen belooft en links tyranieën voorstaat.</p></blockquote>
<p>De teksten uit <em>De opstand der horden</em> ontstonden niet toevallig tussen 1926 en 1928, voor de crash van Wall Street, toen men in Europa meende dat de Amerikanen een andere levensorganisatie hadden uitgevonden, “welke voor altijd die voortdurende plagen der mensheid, de crisissen, zou te niet doen”.</p>
<p>Waardoor we aankomen bij wat, in mijn ogen, tegen Ortega valt in te brengen. De gruwelen van het communisme en fascisme heeft de Spanjaard feilloos zien aankomen. Helemaal misrekend heeft hij zich echter in de superioriteit die hij aan Europa toekende. Hij voorspelde dat “de mensen die geloofden dat als Europa wegzonk de Noord-Amerikanen de wetenschap zouden kunnen voortzetten, wel zeer bedrogen zouden uitkomen”. Ondertussen weten we hoe het gelopen is.</p>
<p>Dat doet me eraan denken dat er genoeg te zeggen is over het wetenschappelijk en technologisch onbenul bij de intellectuelen en filosofen waar Ortega zo van houdt.</p>
<p>Overigens krijgen op geen enkel moment de intellectuele strevingen die mensen moeten hebben van Ortega een <em>concrete</em> invulling. Dat maakt zijn boek tot een handige mal voor iedereen die munitie zoekt voor zijn snobistische wensdromen. Vervang bijvoorbeeld ‘horden’ door ‘bloggers’ en je hebt de kritiek op het internet klaar die onder journalisten bon ton is.</p>
<p>Ortega onderschatte vooral de milddadige, pacificerende werking die van welvaart kan uitgaan. Volgens zijn normen is de massa-mens tegenwoordig massaler dan ooit aanwezig, maar wanneer een elite de juiste politieke constructies weet te vinden die vrede en welvaart creëren (zoals de Europese Unie, inderdaad), is het die zogenaamde cultuurbarbaar allemaal best. Ortega onderschatte <em>de gezapigheid van het verwende kind</em>.</p>
<p>&gt; lees een fragment uit dit boek op <a href="http://prinsvandenemarken.blogspot.be/2012/02/deze-vertroetelde-horden.html">Prins van Denemarken</a></p>
<p><strong>José Ortega y Gasset, <em>De opstand der horden</em></strong><br />
<strong>236 p.</strong><br />
<strong>Uitgeverij H.P. Leopold, 1966</strong><br />
<strong>Oorspr. <em>La rebellión de las masas </em>(1930)</strong><br />
<strong>Vertaald door J. Brouwer</strong></p>
<p>&nbsp;</p>
<p><em>Samenvatting met ruime citaten. De tussentiteltjes komen niet uit het boek, maar zijn van mij.</em></p>
<p><em><strong>Eenheid en verscheidenheid in Europa</strong></em><br />
In zijn ‘Voorbericht voor de Fransen’ probeert Ortega y Gasset de eenheid en de verscheidenheid van Europa aan te duiden. Eenheid zit er in de wortels van Europa. De christelijke levensopvatting vormde de nationale kerken. Het Romeinse Imperium legde de basis voor de rechtspraak. Het weder tot bloei brengen van de letteren in de vijftiende eeuw vormde de grondslag van uiteenlopende nationale literaturen. De wetenschap, nog later, verschafte het unitaire beginsel van de mens als<em> raison pure</em>.</p>
<p>Er is ook verscheidenheid. Het “buitensporige denkbeeld” van de achttiende eeuw om aan alle volken een gelijke constitutie voor te schrijven had volgens Ortega y Gasset de “romantische opwekking van het innerlijke besef der onderscheidene nationaliteiten” tot gevolg, wat erop neerkwam dat elk volk werd aangemoedigd zijn eigen bijzondere roeping in te vullen.</p>
<p>Die verscheidenheid is niet erg. Het feit is dat voor de zogenaamde Europese volken leven altijd, kennelijk van de elfde eeuw af, sinds <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Otto_III,_Holy_Roman_Emperor">Otto de Derde</a> een zich bewegen en handelen in een gemeenschappelijke ruimte was. Dat wil zeggen, dat voor elk van hen leven betekende: samenleving met de anderen. Dit samenleven kreeg beurteling een vreedzaam of krijgszuchtig aanzien.</p>
<blockquote><p>De Europese oorlogen hebben steeds een merkwaardig karakter gehad, waardoor zij heel veel op huiselijke twisten gelijken. Zij vermijden de vernietiging van de vijand en zijn veeleer wedkampen, worstelingen van mededingers om een prijs.</p></blockquote>
<p>Die verscheidenheid is zelfs nodig. De opvatting van de maatschappij als een op een contract gegrondveste vereniging, een juridische vereniging derhalve, vindt Ortega y Gasset dwaas. Want men spant daarbij de paarden achter de wagen.</p>
<blockquote><p>Niet de wijsgeer, de jurist of de demagoog verschaft de opvattingen over het recht, maar de werkelijkheid “recht” is – als ik het zo barokachtig zou mogen zeggen – de spontane secretie van de maatschappij en kan niet iets anders zijn. Te willen dat het recht de betrekkingen regelt van mensen die te voeren niet in een werkelijke maatschappij samenleefden, lijkt mij – en men houde mij deze vermetele opmerking ten goede – het uitvloeisel van een verwarde en dwaze voorstelling van wat het recht eigenlijk is.</p></blockquote>
<p>Hij verwijst naar het Grieks-Romeinse denken, dat zich ook niet kon of wou losmaken van het zichtbare of de afzonderlijke feiten, “evenals een kind van een boek alleen maar de plaatjes begrijpt”. De auteur waarschuwt voor kunstmatige constructies. Het is evenwel begrijpelijk, geeft hij toe, dat niet iedereen de werkelijkheid van Europa duidelijk ontwaart, want Europa is niet een ‘ding’, maar een evenwichtstoestand.</p>
<p>Binnen Europa bestaat er dus een “veelheid van Europese wijzen”. Heden ten dage zegeviert over het gehele gebied van het werelddeel volgens Ortega y Gasset een vorm van homogeniteit welke dreigt die schat geheel en al te vernietigen. Overal vertoont zich de massa-mens met wie dit boek zich bezig houdt.</p>
<blockquote><p>Deze massa-mens is de mens die voorshands ontledigd is van zijn eigen geschiedenis, in wie geen organen voor het verleden zijn en die bijgevolg gedwee alle zogenaamde ‘internationale’ tuchtregelen aanvaardt. Hij is niet zozeer een mens als een werktuiglijk gewrocht van simpele leuzen. Hij heeft geen ‘innerlijk’, geen eigen onvermurwbaar en onvervreemdbaar innerlijk leven, geen ik dat zich niet laat wegdringen. Daardoor is deze massamens steeds gereed wat-dan-ook voor te geven te zijn. Hij heeft alleen maar verlangens, hij meent dat hij alleen maar rechten heeft en is van mening geen verplichtingen te hebben. Het is de mens zonder adeldom die verplicht – sine nobilitate – snob. [In Engeland was men gewoon op de naamlijsten van de bevolking naast de namen het beroep en de maatschappelijke rang te vermelden. Naast die der niet adellijke burgers stond dus de afkorting <em>s. nob.</em>, niet adellijk.]<br />
Dit universele snobisme, dat bijvoorbeeld zo duidelijk aan de dag treedt bij de hedendaagse arbeider, heeft het de mensen onmogelijk gemaakt in te zien dat al moet iedere vorm waarin het Westerse leven gecontrueerd is tot een hogere fase overgaan, dit moet geschiedenis zonder dat de innerlijke pluraliteit ervan schade lijdt. Daar de snob zelf zonder eigen levensbestemming is, daar hij niet gevoelt dat hij op deze planeet is om iets bepaalds en onvervangbaars te verrichten, is hij ook niet in staat te begrijpen dat er bijzondere taken en speciale opdrachten zijn.</p></blockquote>
<p><em><strong>De historische rede</strong></em><br />
De massa-mens is het liberalisme (in de definitie van Ortega y Gasset: “de vrijheid die in Europa steeds heeft betekend de onbelemmerde mogelijkheid om te zijn dat wat wij waarachtig zijn”) vijandig gezind. Hij is er even onontvankelijk voor als een dove voor het gesproken woord.</p>
<p>Dit individualistisch liberalisme behoort tot de flora van de achttiende eeuw. Het inspireert gedeeltelijk de wetgeving van de Franse Revolutie, maar gaat met haar te gronde. De kenmerkende schepping van de negentiende eeuw is immers het collectivisme geweest. Een denkbeeld van Franse oorsprong, trouwens. Het komt voor het eerst op in de archi-reactionaire geesten <strong>De Bonald</strong> en <strong>De Maistre</strong>. Het zegeviert in <strong>Saint-Simon</strong>, in <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Pierre-Simon_Ballanche">Balanche</a>, in <strong>Comte</strong> en komt overal overvloedig tot uiting.</p>
<p>Zelfs wanneer wij, zegt Ortega y Gasset, in de loop van de negentiende eeuw tot de grote theoretici van het liberalisme komen – <strong>Stuart</strong> <strong>Mill</strong> of <strong>Spencer</strong> – verrast het ons dat hun zogenaamde verdediging van de enkeling niet berust op een uiteenzetting van de weldadige uitwerking op hem van de vrijheid of van haar belang voor hem, doch juist integendeel, men toont aan dat de vrijheid weldadig of van belang is voor de maatschappij. Enkeling en Staat betekenen slechts twee organen van een enkel subject, de maatschappij.</p>
<p>Met de toenemende vermindering van de “verscheidenheid der situaties”, gaan wij regelrecht naar een wereld die Ortega y Gasset doet denken aan het laat-Romeinse Rijk. Ook dat was een tijd van masssa’s en een schrikbarende homogeniteit. Denk aan de vereenvoudiging van het grammatical mechanisme vergeleken met het klassieke Latijn. De Indo-Europese ingewikkeldheid, kenmerkend voor de taal van de hogere klassen, werd vervangen door een plebeïsche omgangstaal van een zeer gemakkelijke bouw. Mensen van Carthago tot Gallië, van Mauretanië tot Dalmatië, van Spanje tot Roemenië, spraken dezelfde taal. Afrikanismen, Hispanismen en Gallicisme bestonden natuurlijk, maar waren maar bijzaak.</p>
<p>Dit boek heeft geen politieke strekking zo min als ik zelf een politicus ben,” zegt Ortega y Gasset dan wel. Toch laat hij zich kennen als een uitgesproken conservatief. Frankrijk heeft een Grote Omwenteling gekend die volgens hem voornamelijk tot gevolg heeft gehad dat het land een eeuw lang meer dan enig ander volk onder autoritaire en contra-revolutaionarie staatkundige vormen heeft geleefd.</p>
<p>In de revoluties poogt zich de abstractie te verheffen tegen het concrete, en daarom ligt de misluking reeds besloten in het wezen der revolutie zelf. De menselijke vraagstukken zijn niet abstract zoals de sterrenkundige of de scheikundige. Het zijn juist vanwege hun historisch karakter buitengewoon concrete problemen. De enige denkwijze die een zekere kans biedt tot de oplossing ervan te leiden, is de ‘raison-historique’.</p>
<blockquote><p>Drie eeuwen van ‘rationalistische’ ervaring nopen ons na te denken over de luister en de grenzen van die wonderbaarlijke Cartesiaanse raison. Die rede is slechts wiskunde, natuurkunde en biologie. Haar fabelachtige triomfen over de natuur, die alles hebben overtroffen wat men zich had kunnen dromen, doen nog sterker haar mislukking uitkomen betreffende de waarlijk menselijke aangelegenheden en brengen ons er toe haar in te delen bij een andere, dieper doordringende rede, namelijk de ‘historische rede’.</p></blockquote>
<p>Die historische rede stelt tegenover de revolutionaire methode de enige waardige methode die de lange ervaring van de hedendaagse Europeaan tot haar beschikking heeft. De schijnbaar edelmoedige omwentelingen, welke zo weinig zelfbeheersing tonen in hun haast om rechten af te kondigen, hebben in Ortega y Gassets ogen altijd het fundamentele recht van de mens verkracht, vertrapt en verbroken, het recht dat zo fundamenteel is dat het op de omschrijving is van zijn wezen zelf, namelijk het recht op continuïteit.</p>
<p>De mens verschilt van de andere mensenapen en andere dieren door zijn geheugen, zegt de auteur. Apen vergeten alles elke dag opnieuw. Het besef van het verleden is de enige schat van de mens, zijn voorrecht en zijn kenmerk. En de rijkdom van de schat bestaat niet allereerst in wat daarin juist lijkt en waardig om behouden te worden. Neen, het belangrijkste is juist de herinnering aan de dwalingen welke ons in staat stelt dezelfde dwalingen niet telkens opnieuw te begaan.</p>
<p><em><strong>Horden</strong></em><br />
Wat Ortega y Gasset verschrikkelijk benauwt is “het feit der volte”. De steden zijn vol mensen. De huizen vol bewoners. De hotels vol gasten. De treinen, vol reizigers. De cafés vol klanten. De stratenvol voorbijgangers. De wachtkamers der beroemde geneesheren vol zieken. De theaters, als de voorstelling niet op een ongelegen uur is, vol toeschouwers. De badplaatsen vol badgasten. Wat vroeger nooit moeilijk was, is dat thans onophoudelijk: een plaats vinden.</p>
<p>De menigte bestond vroeger ook wel, maar zij stond op de achtergrond van het maatschappelijk toneel. Nu is zij de hoofdpersoon. “Alleen het koor heeft het woord, hoofdpersonen zijn er niet meer.” Ortega y Gasset noemt deze menigte ‘de horde’. Tot de horde behoort hij die zichzelf geen bijzondere waarde toekent, maar zich voelt als iedereen, en daardoor toch niet beklemd voelt, maar zich behaaglijk voelt in het bewust van aan de anderen gelijk te zijn.</p>
<p>De horde geniet van de genoegens die vroeger alleen voor enkelen waren weggelegd. De auteur betreurt het natuurlijk niet dat meer mensen het nu beter hebben. Hij betreurt het dat de horden nu ook politieke macht hebben, zonder op te houden horden te zijn.</p>
<p>De oude democratie leidde een gematigd bestaan omdat zij zeer liberaal was en een diepe eerbied had voor de wet. Als men zich aan zulke beginselen heeft ten dienste gesteld, dan is men wel gehouden zich aan straffe zelftucht te onderwerpen. De minderheden konden werken en leven onder de beschutting van het vrijzinnig beginsel en de wettelijke vorm. Democratie en wet, door de wet geregelde en beschermde samenleving, waren zinsverwante woorden. Thans beleven wij de triomf van wat Ortega y Gasset &#8216;de hyperdemocratie&#8217; noemt,</p>
<blockquote><p>waarin de grote hoop dadelijk handelt zonder met de wet rekening te houden, werkend door middel van materiële druk, en hij gebiedt wat hem zint en wat hem lust. Het is onjuist de nieuwe omstandigheden zo te verklaren alsof de grote hoop moe zou zijn geworden van de politiek en de uitoefening er van aan bepaalde liederen zou hebben opgedragen. Het tegendeel is waar. Dat geschiedde vroeger, dat was de liberale democratie. De grote hoop was van mening dat tenslotte de minderheden met al hun gebreken en tekortkomingen iets meer wisten van de problemen van het openbare leven dan hij. Nu echter gelooft de grote hoop dat hij het recht heeft zijn koffiehuispraatje bindend te maken en er kracht van wet aan te geven. Ik twijfel er aan of het óóit eerder in de geschiedenis is gebeurd dat de menigte zo onmiddellijk het bewind voerde als heden ten dage. Daarom spreek ik van hyperdemocratie.<br />
Dit zelfde geschiedt op alle andere gebieden, zeer in het bijzonder op intellectueel gebied. Misschien vergis ik mij, doch de schrijver die de pen ter hand neemt om te schrijven over een onderwerp dat hij uitvoerig heeft bestudeerd, moet er wel op bedacht zijn dat de gemiddelde lezer, die zich nooit met het onderwerp heeft bezig gehouden, áls hij hem leest dit niet doet om iets van hem te leren, doch integendeel om de staf over hem te breken als hij een uitspraak doet die niet overeenkomt met de platvloerse meningen die deze lezer in zich omdraagt. Indien de enkelen die de grote hoop vormen zich bijzonder begaafd acchtten, zouden wij slechts een geval van persoonlijke dwaling hebben, maar niet zoals nu een maatschappelijke ommekeer. <em>Het kenschetsende van de dag van heden is dat de man uit de grote hoop, met het bewustzijn van zijn gelijkvloerse aard, onomwonden zijn alledaagsheid durft te bevestigen en deze overal opdringt</em>. Het is zoals men in Noord-Amerika zegt: <em>to be different is indecent</em>. De horde loopt al het afwijkende, het verhevene, het persoonlijke, het verdienstelijke en uitgelezene onder de voet. Wie niet is als ‘iedereen’, loopt gevaar terzijde geworpen te worden. En het is duidelijk dat dit ‘iedereen’ niet wil zeggen, ‘de gehele samenleving’. Deze werd vroeger als regel gevormd door de ingewikkelde samenstelling van de grote hoop en de ongelijksoortige, bijzondere minderheden. Nu echter is ‘iedereen’ uitsluitend de grote hoop. Dit is het ontzaglijke feit onzer dagen, beschreven zoals het zich voordoet, zonder dat ik de lompheid en de redeloosheid ervan heb willen verhelen.</p></blockquote>
<p>Dit is sprekend de situatie zoals vroeger in het Romeinse keizerrijk, op het tijdstip van het verval. Ook toen bestond de heerschappij der horden, die de leidende minderheden opslokken en vernietigen en hun plaats innemen. Ook in die tijd was er volte. Daarom moest men, zoals <strong>Spengler</strong> opmerkt, evenals nu bovenmatig grote gebouwen oprichten. Het tijdperk der massa’s is het tijdperk van het kolossale.</p>
<p>De horden hebbben nu begeerten en behoeften die vroeger als verfijning golden, omdat zij het erfgoed van enkelen waren. Omstreeks 1820 waren er te Parijs nog geen tien badkamers in particuliere woningen: dat haalt Ortega y Gasset uit de <strong>Mémoires</strong> van de <a href="https://fr.wikipedia.org/wiki/Ad%C3%A8le_d%27Osmond">gravin de Boigne</a>. De grote hoop kent en gebruikt nu echter met een zekere bekwaamheid vele technische dingen die vroeger alleen gehanteerd werden door daartoe in het bijzonder opgeleide enkelingen.</p>
<p><em><strong>Vooruitgang of verval?</strong></em><br />
Je zou kunnen denken dat we daarom juist in een tijd van voorspoed leven. Ortega y Gasset deelt die zienswijze niet, omdat morele en intellectuele idealen niet langer van tel zijn. Vroeger was Rome de norm, mijmert hij. Rome was eeuwig. Zelfs toen het toch ten onder ging, was er een zekere weemoed door de herinnering aan een ideaal.</p>
<blockquote><p>Vergeleken met deze stemming lijkt de gewaarwording van onze tijd “meer op de vreugde en het luidruchtige gedoe van kinderen die aan de school zijn ontsnapt. Wij weten vandaag niet wat er morgen in de wereld zal gebeuren, en in het diepst van ons hart verblijdt ons dit, want dit, het onvoorziene, de onbeperkte ruimte waarin alle mogelijkheden vrijelijk kunnen ontstaan, is het waarachtige leven, dit is de onvervalste volheid van het bestaan.</p></blockquote>
<p>Toch moet de auteur niets hebben van zij die weeklagen over verval op politiek of cultureel vlak. Zij bemerken niet dat deze beide slechts “de korst der geschiedenis” zijn.</p>
<blockquote><p>Verval is, zoals het woord zelf zegt, een betrekkelijk begrip. Het is ontleend aan vergelijking. Men valt van een hoger gelegen niveau naar een lager. Deze vergelijking nu kan men van uit de meest verschillende gezichtspunten maken. Voor een fabrikant van barnstenen sigarenpijpjes is de wereld in verval omdat er bijna niemand meer een barnstenen sigarenpijpje gebruikt. Andere gezichtspunten zullen misschien wat achtenswaardiger zijn, maar strikt genomen zijn zij toch alle partijdig, willekeurig en niet toegenomen naar het wezen van het leven welke gehalte men toetsen wil. Er is slechts één natuurlijk en gerechtvaardigd gezichtspunt, en dit is in het leven zelf gelegen. Men moet het leven van binnen uit beschouwen en zien of het zichzelf vervallen gevoelt, dat wil zeggen: armer aan innerlijke kracht, verzwakt en smakeloos.</p></blockquote>
<p>Die kracht lijkt niet verzwakt. Ons leven heeft door zijn diep ingeworteld bewustzijn van waarachtiger leven te zijn alle eerbied en alle aandacht voor het voorbijgegane verloren. Hierdoor is dus voor de eerste maal een tijdperk gekomen dat alle classicisme verwerpt, dat in niets uit het verleden een voorbeeld of een maatstaf ziet.</p>
<p>De illusie van waarachtiger leven? Ja, want de wereld is groter geworden. Het leven op een willekeurig stuk van de aardbodem is niet meer beperkt tot zijn geografische ligging, maar het heeft een werkzaam aandeel in het leven op andere plekken op aarde. Hele beschavingen en rijken, waarvan men tot voor kort zelfs de naam niet vermoedde, zijn aan onze herinnering toegevoegd als nieuwe werelddelen.</p>
<p>Het geïllustreerde tijdschrift en de film hebben al die ver verwijderde brokstukken van de wereld onder de onmiddellijke aanschouwing van de grote hoop gebracht. De bewoners van Sevilla volgden in hun volksbladen wat aan een paar mannen dicht bij de Pool wedervoer, wat dus wil zeggen “dat over de verschroeide vlakte van Andalusië ijsschotsen dreven”. Daarmee verbandt houdt de cultus van de snelheid. Met snelheid overbruggen we die afstand.</p>
<p>De illusie van waarachtiger leven? Ja, want de welvaart is groter geworden. Het aantal mogelijkheden dat zich opent voor de hedendaagse koper in vergeiljking met iemand uit de achttiende eeuw is onbeperkt. De industrie heeft bovendien alle dingen goedkoper gemaakt. “Het is niet gemakkelijk, in verlangen er naar, een ding te bedenken dat niet te koop is, en omgekeerd: men kan niet alles wat te koop is verlangend bedenken.”</p>
<p>Het probleem voor Ortega y Gasset is dat als men over ons leven spreekt, men gewoonlijk datgene vergeet wat het meest wezenlijke is, namelijk dat ons leven steeds en allereerst “bewustzijn is van hetgeen ons mogelijk is”. Als wij steeds slechts één mogelijkheid voor ogen hadden, zou het zinloos zijn deze zo te noemen. Leven, dat is net dat we ons bevinden in een sfeer van bepaalde mogelijkheden. Ortega y Gasset is in mijn ogen niet helemaal duidelijk of hij nu vindt dat onze tijd die weelde aan mogelijkheid nu wel of juist niet herkent.</p>
<blockquote><p>Als onze tijd het gevoel had van in verval te zijn, zou hij andere tijdperken als verhevener dan zichzelf beschouwen, en dit zou betekenen dat hij die tijdperken hoogachtte en bewonderde, en met eerbied opzag naar de beginselen die hun vorm en wezen hadden gegeven. Dan zou onze tijd welomschreven idealen hebben, waarin hij stellig geloofde, ook al zou hij niet in staat zijn ze te verwezenlijken. Doch juist het tegendeel is waar: wij leven in een tijd die zich bewust is vrijwel onbeperkte krachten te bezitten tot het verrichten van daden, maar geen idealen heeft die hij zou kunnen verwerkelijken. Hij beheerst alle dingen, maar is geen heer van zichzelf. Hij ziet weg nog richting temidden van zijn eigen overvloed. De huidige wereld, die meer middelen heeft, meer kennis, meer technische vaardigheden dan ooit te voren, gaat, als de meest rampzalige wereld die er ooit geweest is, stuurloos stroomafwaarts.</p></blockquote>
<p>Optimisme dus, maar Ortega y Gasset ziet ook moedeloosheid.</p>
<blockquote><p>Het gaat onze tijd zoals men zei dat het de Franse regent tijdens de onmondigheid van Lodewijk XV ging: hij had alle gaven behalve de gave er gebruik van te maken. Vele dingen schenen reeds onmogelijk voor de negentiende eeuw, onwrikbaar als die was in haar geloof in de vooruitgang. Nu, alleen omdat wij alles mogelijk achten, zijn wij van mening dat ook het slechtste kan gebeuren: de achteruitgang, de barbaarsheid, het verval. Op zichzelf genomen zou dit nog niet een slecht teken zijn, want het zou er de aanwijzing van zijn dat wij wederom de onzekerheid gevoelden die wezenseigenschap van alle leven is, dat wij wederom onderhevig waren aan die onrust die zowel smartelijk als genotvol is, en die in iedere minuut besloten ligt als wij ze geheel en al weten te beleven, zodat geen vezel onberoerd blijft. Gewoonlijk deinzen wij voor de angstige gewaarwording terug, omdat door haar elk vluchtig ogenblik dat waarachtig beleefd wordt tot een klein afzonderlijk bestaan van trillend leven wordt gemaakt; wij spannen ons in zekerheid te verwerven en ons ongevoelig te maken voor het dramatische karakter van de grond van ons levenslot. Wij beladen het met gewoonten, de vaste levenssleur, de gemeenplaatsen, kortom met alle bedwelmende middelen. Het is dus wel heel heilzaam dat wij thans, voor de eerste maal sinds bijkans drie eeuwen, weer plotseling de onzekerheid over wat de dag van morgen zal brengen in ons voelen binnensluipen.</p></blockquote>
<p>Misschien moeten we de paradox interpreteren als: optimisme over de zichtbare vooruitgang en mentale lethargie over de manieren waarop we die vooruitgang zelf kunnen sturen.</p>
<blockquote><p>Een ieder die zich ernstig van aangezicht tot aangezicht tegenover het eigen bestaan plaatst en zich daarvoor ten volle verantwoordelijk stelt, zal een zeker gevoel van onrust krijgen, dat hem dwingt waakzaam te blijven. De Romeinse krijgstucht schreef voor dat de schildwacht van het legioen zijn vinger op de lippen moest houden. Dit gebaar belette hem in te dommelen en dwong hem opmerkzaamheid te blijven. Het is niet slecht bedacht, dit gebaar schijnt de nachtelijke stilheid te dwingen tot nog grotere stilzwijgendheid, opdat men het oor nog scherper kan doen luisteren naar de verborgen nadering van het ongewisse. De zekerheid der tijdperken van levensvolheid, van de vorige eeuw bijvoorbeeld, komt voor uit het gezichtsbedrog, en leidt er toe zich niet meer om de toekomst te bekommeren. Men laat de leiding daarvan over aan het blinde samenstel van krachten van het heelal. Zowel het liberalisme met zijn geloof in de vooruitgang, als het socialisme van <strong>Marx</strong> veronderstellen dat datgene wat zij als de schoonste toekomst wensen zich ook onverbiddelijk zal verwezenlijken, even noodzakelijk en onvermijdelijk als de sterren hun banen afleggen.</p></blockquote>
<p><em><strong>De hordemens: een verwend kind</strong></em><br />
Het begrip ‘horden’ is niet nieuw, geeft Ortega y Gasset toe. De horden dringen naar voren, zei <strong>Hegel</strong> al. Zonder een nieuwe geestelijke macht loopt onze tijd een catastrofe tegemoet, zei Comte. Ik zie de hoogtijd van het nihilisme komen, bezwoer <strong>Nietzsche</strong>.</p>
<p>De horden zijn een product van de negentiende eeuw. Zoveel is de auteur duidelijk. De toonaangevende mens van de achttiende eeuw verschilt natuurlijk van die van de zeventiende eeuw, zo goed als deze weer eigenschappen heeft, die hem van die van de zestiende eeuw onderscheiden, zij gelijken sterk op elkaar voor Ortega y Gasset.</p>
<p>Voor de grote hoop tot aan de negentiende eeuw heeft ‘leven’ immers steeds bovenal betekend: beperking, verplichting, afhankelijkheid, in één woord, druk. Verdrukking, zo men wil, maar dan moet men in deze term niet alleen zien de juridische en maatschappelijke betekenis, en de kosmische terzijde laten. Want deze laatste, de kosmische druk, heeft tot op honderd jaar zich steeds en overal laten gevoelen. Honderd jaar geleden is de uitbreiding van de praktisch onbeperkte wetenschappelijke techniek begonnen, zowel in de natuurkunde als in de inrichting van het openbare leven. Tot voor dien was de wereld zelfs voor de rijke en machtige der aarde een sfeer van armoede, moeiten en gevaren.</p>
<p>Wat een verschil met de massa-mens van vandaag. Dat het leven hem een bijkans volstrekt gemak in zijn stoffelijk bestaan biedt, is misschien wel zijn belangrijkste wezenstrek.</p>
<blockquote><p>De kleine burger heeft de vragen die betrekking hebben op zijn levensonderhoud nog nooit zo gemakkelijk kunnen oplossen als in de loop van de negentiende eeuw. Terwijl naar verhouding de grote vermogens verminderden en ontoereikend werden, effenden zich het pad steeds meer voor de gemiddelde man in alle klassen der maatschappij. Iedere dag kon hij een nieuwe luxe toevoegen aan zijn levensstandaard. Met de dag werd zijn positie sterker en meer onafhankelijk van andere willekeur. Dat wat men vroeger als een weldaad van het lot zou hebben beschouwd en waardoor men dankbaar gestemd zou zijn geworden ten opzichte van de verborgen bestiering des levens, veranderde in een recht dat men niet dankbaar aanvaardt maar driest opeist.</p></blockquote>
<p>Bij dit ruime bestaan en het gewaarborgde onderhoud moeten we nog het lichamelijk gerief voegen en de openbare orde en veiligheid. Het leven loopt op wieltjes en zo ver men kan zien, lijkt er niets gewelddadigs of gevaarlijks de weg versperren. De wereld waarin deze mens van zijn geboorte af geplaatst is, noopt hem daarom in genen dele tot beperking, zij legt hem geen enkel verbod op en dwingt hem tot geen enkele onthouding. Integendeel, zij zweept zijn begeerten op, die in beginsel tot in het oneindige kunnen toenemen.</p>
<p>Techniek speelt een zeer belangrijke rol in deze mentaliteitswijziging. Drie beginselen liggen aan de wereld vanaf de negentiende eeuw ten grondslag: de vrijzinnige democratie, de wetenschappelijke proefnemingen en het industrialisme. De laatste twee kunnen tot één worden teruggebracht: de techniek. Geen dezer beginsels is uitgedacht door de negentiende eeuw; zij komen voort uit de beide vorige eeuwen. De negentiende eeuw vindt haar glorie niet in uitvindingen maar in toepassingen.</p>
<p>De man uit de grote hoop meent echter dat deze technisch en maatschappelijk zo volmaakte wereld door de natuur zelf is gewrocht. Hij denkt nooit aan de begaafde en vindingrijke mannen die dit door hun grootste inspanningen hebben tot stand gebracht, en nog minder is hij ontvankelijk voor de gedachte dat al dit gemak en gerief berust op enkele schaarse talenten, en dat bij gebrek van de betreffende genieën het gehele prachtige bouwwerk zal ineen storten.</p>
<p>Samengevat: één trek van het wezen van de horde mens is de vrije ontplooiing van zijn begeerten en driften, en een tweede kenmerkende eigenschap is zijn ingeboren ondankbaarheid ten opzichte van al hetgeen dat zijn bestaan zo heeft vergemakkelijkt. Deze beide trekken zijn de bekende eigenschappen van het verwende kind.</p>
<blockquote><p>Verwennen is geen perk en paal aan iemands wensen stellen, iemand de indruk geven dat alles hem geoorloofd is en hij tot niets is verplicht. Een kind dat aldus opgroeit leert zijn eigen grenzen niet kennen. Doordat men het steeds vrijwaart voor alle druk van buiten en voor iedere botsing met anderen, komt het er toe te geloven dat het alléén bestaat, en dit kent gewent er aan niet met de anderen te rekenen en vooral niet te rekenen met iemand die boven hem gesteld kan zijn. Alleen iemand die sterker was dan dit kind en het gedwongen had een wens op te geven, zich in te houden of te wijken, zou hem de gewaarwording kunnen geven van meerderen, van boven en over hem gestelden. Dan zou dit kind deze eenvoudige tuchtregel hebben geleerd: ‘Hier eindig ik en hier begint iemand die sterker is dan ik’. De gemiddelde mens van weleer werd in zijn wereld dagelijks aan deze eenvoudige waarheid herinnerd. Zijn wereld was nog maar gebrekkig ingericht, zodat er herhaaldelijk rampen gebeurden en er niets stellig of zeker was en alles karig en begrensd was. De nieuwe horden bevinden zich echter op een gebied dat vol mogelijkheden is, en waar alles vast en zeker is. Alles ligt voor hen gereed, het staat alles tot hun beschikking, zonder dat zij er eerst enige moeite voor behoeven te doen. Het is er, zoals wij de zon aan de hemel vinden, zonder dat wij haar daar zelf hebben heen moeten torsen. Geen enkele sterveling is zijn naaste dankbaar voor de lucht die hij inademt, want de lucht is niemands maaksel. Deze behoort tot alles ‘wat er nu eenmaal is’, ‘het spreekt van zelf’ dat zij er is omdat er geen gebrek aan is. Deze vertroetelde horden zijn kortzichtig genoeg om te menen dat deze maatschappelijke en stoffelijke regeling, waarvan zij het even rustig gebruik hebben als van de dampkring, van dezelfde oorsprong is. Er is immers ook geen gebrek aan naar het schijnt, en zij is bijna even volmaakt als de natuurlijke, vanzelfsprekende dingen.</p></blockquote>
<p>Wat Ortega y Gasset hiermee wil zeggen is dit. Juist de volmaaktheid waarmee de negentiende eeuw sommige gebieden des levens heeft geregeld, is er de oorzaak van dat de horden, die er het genot van hebben, deze regeling niet als mensenwerk beschouwen, maar als een schepping der natuur. Hierdoor is de verdwaasde gemoedstoestand van deze horden te verklaren.</p>
<blockquote><p>Zij hebben alleen maar oog en hart voor stoffelijk welzijn, en tegelijk keren zij zich tegen de grondslagen waarop dit gemeenschappelijk welzijn berust. Daar zij niet inzien dat de beschaving en haar voordelen voortkomen uit het scheppend vernuft en het ontzagwekkend maaksel van mensenhanden zijn, en alleen gewrocht kunnen worden door onverpoosd zwoegen en spieden, menen deze horden dat het enige wat zij te doen hebben is, dringend eisen alsof wat hun gegeven wordt hun geboorterecht was. Bij de relletjes tengevolge van gebrek schreeuwt het grauw om brood, en het middel dat zij aanwenden is de bakkerijen te vernielen.</p></blockquote>
<p><em><strong>Edel leven of vulgair leven</strong></em><br />
Dat eertijds de gemiddelde mens in zijn bestaan belaagd werd door moeilijkheden, gevaren en gebrek, en van velerlei dingen afhankelijk was, terwijl de nieuwe wereld zich voordoet als een sfeer van praktisch onbegrensde mogelijkheden, een vast en op zichzelf staand iets waarin men van niemand afhankelijk is, is een belangrijke vaststelling.</p>
<blockquote><p>Wij zijn tot op zekere hoogte datgene wat de wereld waarin wij ons bewegen ons noopt te zijn. De omgeving drukt haar stempel op onze ziel, zij geeft er de grondtrekken aan. Dit spreekt van zelf, want leven wil zeggen met de wereld verkeren. Het algemeen aanzien dat de wereld ons biedt, zal zich in ons leven weerspiegelen.Deze eerste en beslissende indruk is als een stem in ons binnenste, die zich onophoudelijk laat horen, en zij fluistert ons gestadig haar levensbeschouwing in en schrijft ons die gebiedend voor. Weleer luidde deze stem van geslacht op geslacht: ‘Leven is zich beperkt gevoelen en derhalve voortdurend rekening houden met datgene wat ons beperkt’.</p></blockquote>
<p>De nonchalance van ons hedendaagse wereldbeeld liggen echter op de bodem der ziel van iedere mens van onze tijd. Als er nu al een stem spreekt, spreekt deze luid en driest: ‘Leven is: nergens perk of paal vinden, en derhalve zich rustig aan zichzelf overlaten. Niets is praktisch onmogelijk, in niets schuilt gevaar en in beginsel is niemand boven of over een ander geplaatst.’</p>
<blockquote><p>Het is nog niet zo lang geleden dat de Chinese landman van mening was, dat zijn welstand afhankelijk was van de persoonlijke deugden die de keizer zich verwaardigde te bezitten. Zijn leven was dus steeds verbonden aan deze hoogste macht waarvan hij afhankelijk was. <em>De mens echter die wij nu ontleden, is gewoon zich op geen andere macht te beroepen dan op zichzelf</em>. Hij is in alle opzichten voldaan over zichzelf. Hij bekrachtigt en aanvaardt als goed alles wat hij in zich zelf vindt: zijn meningen, lusten, voorkeur en smaak, en hij doet dit zonder enig vertoon of ijdelheid als gold het de meest natuurlijke zaak ter wereld. Waarom ook niet, daar toch, zoals wij gezien hebben, niets of niemand hem tot het inzicht brengt dat hij een zeer bekrompen tweederangs mens is, die niet in staat is juist die organisatie te scheppen of in stand te houden welke aan zijn bestaan de ontplooiing en inhoud heeft gegeven waarop hij die bekrachtiging van zijn persoonlijkheid grondt?</p></blockquote>
<p>Ortega y Gasset maakt een onderscheid tussen een edel leven en een vulgair leven, het ene leven wordt geleefd door de massa, het andere leven door de selecte mens. In zijn betoog wil hij opnieuw duidelijk maken waarom een elite een elite is, en adeldom adeldom. Dat heeft in wezen niets te maken met erfelijke titels.</p>
<p>Slechts de selecte mens leeft in wezenlijke verbondenheid. Voor hem heeft het leven immers slechts waarde als het dienstbaar wordt gemaakt aan iets verhevens. Daarom voelt hij de noodzaak om te dienen niet als een last. Is deze noodzaak er bij geval eens niet, dan voelt hij zich onrustig en bedenkt hij nieuwe richtsnoeren die moeilijker zijn en hogere eisen aan hem stellen om de druk daarvan op zich te nemen.</p>
<blockquote><p>Dit is het leven van de voortdurende tucht, het edele leven. De adeldom wordt omschreven door de eisen, door de verplichtingen die men zich zelf stelt, niet door de rechten waar men aanspraak op maakt. <em>Noblesse oblige.</em> <strong>Goethe</strong> zegt ergens dat &#8220;de filister naar eigen lust en willekeur leeft, doch dat de edele mens naar een vaste orde en wet haakt.&#8221;<br />
De voorrechten van de adel zijn oorspronkelijk geen bewilligingen of gunsten, integendeel, het zijn veroveringen. En in beginsel eist de handhaving van die voorrechten dat degene die ze heeft, ook in staat is ze te allen tijde opnieuw te verwerven of te verdedigen als het nodig is en iemand ze hem betwist. De persoonlijke voorrechten of <em>privi-legia</em> zijn derhalve geen lijdelijk bezit of simpel genot, maar zij geven aan tot waar de persoonlijke inspanning reiken kan. De gemeenschappelijke rechten daarentegen, juist omdat zij de rechten zijn ‘van de mens en burger’, zijn lijdelijk bezit, simpele genieting en weldaad, een edelmoedige gave van het lot welke een ieder in de schoot valt, en die niet het gevolg is van een of andere inspanning, behalve dan van het feit dat men ademhaalt en niet krankzinnig is. Daarom zouden wij het aldus willen formuleren: het onpersoonlijke recht heeft men, het persoonlijke moet men zelfstandig handhaven.</p></blockquote>
<p>Hinderlijk vindt Ortega y Gasset de ontaarding in het gewone spraakgebruik van het zo bezielende woord ‘adeldom’. Want doordat het voor velen betekent ‘adeldom van het bloed’, erfelijke adel, verandert het in iets dat overeenkomt met de gemeenschappelijke rechten, in een bestendige en lijdelijke hoedanigheid die men bij zijn geboorte meekrijgt, en welke men aan zijn kinderen nalaat als een zielloos ding.</p>
<blockquote><p>Maar de eigenlijke betekenis, het <em>etumon</em> van het woord ‘adeldom’, is naar wezen dynamisch. ‘Nobel’ betekent ‘het bekende’, en wel het aan ieder bekende, het beroemde, datgene wat algemeen bekend geworden is door uit te stijgen boven de naamloze massa. Het sluit een ongewone inspanning in, die de verkregen roem rechtvaardigt. Nobel is dus hetzelfde als manhaftig of uitstekend. De adeldom of doorluchte naam van de zoon is dus al louter een weldaad die men hem verleent.</p></blockquote>
<p>Er is in elk geval een zekere tegenstrijdigheid in het feit dat de eerstgeadelde zijn adeldom aan zijn nazaten nalaat. De Chinezen zijn dan ook in dit opzicht logischer, vindt hij. Zij dragen de adeldom niet over op de opvolgers maar op de voorgangers. Niet de vader adelt de zoon, maar de zoon die de adeldom verwerft, verleent die aan zijn voorvaderen, en hij heft door zijn manhaftigheid zijn nederige geslacht omhoog. Daarom ook wordt er bij de opneming in de adelstand verschil gemaakt in rangorde door het aantal voorouders dat tevens geadel wordt. De een verheft slechts zijn vader in de adelstand en de ander strekt zijn glorie uit tot het vijfde of tiende geslacht voor hem. De voorvaderen danken hun bestaan aan de levende mens, en diens adeldom is effectief, er gaat in het heden kracht en werking van uit, tenslotte, hij <em>is</em>, het is niet een adeldom <em>dank zij het weleer</em>.</p>
<p>Eerst tijdens het Romeinse keizerrijk komt de formele aanduiding ‘adeldom’ in gebruik, juist als tegenstelling tegen de erfelijke adel, die toen al in verval was. Helaas, verzucht Ortega y Gasset, naarmate men op zijn levensweg vordert, bemerkt men maar al te zeer dat verreweg de meeste mensen, mannen en vrouwen, tot geen andere inspanning in staat zijn dan tot die waartoe zij noodzakelijk gehouden zijn als reactie op een druk van buiten.</p>
<blockquote><p>Daarom staan die heel enkelen die wij in staat zagen tot een spontane en een door niets of niemand gedwongen inspanning, afgezonderd in onze herinnering, als waren het monumenten. Het zijn uitgelezen mensen, de edelen, de enige zelfhandelenden en niet slechts reagerenden, lieden voor wie het leven een voortdurende spanning is, een voortdurende oefening. Oefening, d.i. <em>askesis</em>. Het zijn de asceten.</p></blockquote>
<p><em><strong>De politieke horden en de beschaving</strong></em><br />
In een volgend luikje wordt het politieke potentieel van de massa-mens met argwaan bekeken door Ortega y Gasset. Hij is bang. Als de dingen voort blijven gaan zoals zij nu zijn, schrijft hij, zal men met de dag in heel Europa – en door de weerslag, in de gehele wereld – bemerken dat de massa’s niet in staat zijn zich in enig opzicht te laten besturen.</p>
<blockquote><p>Het is mogelijk dat zij in de moeilijke uren die voor ons werelddeel komen, in een ogenblik van benauwdheid de goede wil hebben voor een korte spanne tijds de leiding van superieure minderheden te aanvaarden, en dit dan in enkele zeer dringende aangelegenheden. Doch ook die goede wil zal ijdel blijken te zijn. De wezenlijke zieletrekken immers van de massa’s zijn geslotenheid en onleerzaamheid, want hun ontbreekt ten enenmale de zorg en de aandacht voor wat buiten hen ligt, het moge feiten of personen zijn. Ook al zullen zij iemand willen volgen, zij zullen het niet kunnen, en als zij zullen willen luisteren, zullen zij ontdekken dat zij doof zijn.</p></blockquote>
<p>Wij staan nu voor hetzelfde verschil dat er altijd is tussen de dwaas en de scherpzinnige. Deze laatste betrapt er zich telkens op dat het maar een paar duim scheelt of hij was een dwaas, en daarom spant hij zich in om aan die dwaasheid die hem belaagt te ontkomen. In deze inspanning ligt de intelligentie. De dwaasheid: hij komt zichzelf heel schrander voor, en daaruit komt die benijdenswaardige rust voort waarmee de onnozele hals zich breeduit neerzet in zijn eigen domheid.</p>
<blockquote><p>Evenmin als men dat bepaalde soort insecten dat in gaten huist uit het gat waarin zij genesteld zijn kan uitdrijven, zomin is er enige kans de dwaas uit zijn eigen dwaasheid te krijgen. Het is onmogelijk hem een eindweegs mee te voeren tot buiten zijn nauwe kringetje, en hem te noodzaken zijn gewone uiterst gebrekkige zienswijze te vergelijken met scherper blik. De dwaas is levenslang tot zijn domheid gedoemd, daar is geen verhelpen aan. Dit is de reden waarom <strong>Anatole France</strong> zeide dat een dom mens noodlottiger is dan een slecht mens. Een slecht mens komt zo af en toe nog eens tot rust, maar een dom mens gaat steeds voort op de ingeslagen weg.</p></blockquote>
<p>Dit wil echter niet zeggen dat de massa-mens dom is. Integendeel, de massa-mens onzer dagen is vernuftiger, is verstandelijk begaafder dan de mens uit vroeger tijden ooit geweest. Deze begaafdheid dient hem echter tot niets. Strikt genomen brengt het vage gevoel dat hij ze heeft hem er slechts meer toe zich in zich zelf op te sluiten en deze begaafdheid niet te gebruiken. Hij beschouwt voor zijn verdere bestaan de verzameling gemeenplaatsen, vooroordelen, brokstukken van ideeën of simpel lege woorden die het toeval in zijn hoofd heeft opgestapeld als een gewijd bezit, en hij zal ze overal poneren met een vermetelheid die alleen door zijn naïveteit is te verklaren.</p>
<p>Vooral dat laatste is niet zonder gevaar. De man uit de grote hoop die het recht der vulgariteit, of de vulgariteit als recht, proclameert en ze aan anderen oplegt. Tenminste in het hele verloop van de geschiedenis van Europa tot op de dag van heden heeft de grote hoop nooit geloofd dat hij ‘ideeën’ over de dingen had. Hij had zijn verschillende geloofsvoorstellingen, zijn overleveringen, zijn ervaringen, zijn spreekwoorden en zijn bepaalde denkwijzen, maar hij heeft zich nooit verbeeld theoretische meningen te hebben over hoe de dingen zijn en over hoe ze moeten zijn – bijvoorbeeld wat politiek of literatuur aangaat. Thans heeft de gemiddelde man echter zijn knottende ‘ideeën’ over alles wat in het heelal gebeurt en moet gebeuren. Daardoor heeft hij verleerd te luisteren.</p>
<p>Waarom zou hij ook luisteren? Hij moet oordelen, uitspraak doen over de dingen, beslissen. Er is geen vraagstuk meer in het openbare leven waarin hij zich niet mengt, zo blind en doof als hij is, en hij schrijft zijn ‘meningen’ allerwege voor. Met name in de gedaanten van syndicalisme en fascisme ziet Ortega y Gasset voor het eerst in Europa een soort mens naar voren komen die geen redenen wenst op te geven en er zich evenmin om bekommert of hij gelijk heeft, maar die zich heel eenvoudig vastbesloten toont zijn meningen aan allen op te leggen.</p>
<blockquote><p>Dit is het nieuwe: het recht te hebben ongelijk te hebben, het recht der onredelijkheid. Hierin is, naar ik meen, de nieuwe aard der massa’s wel het duidelijkst tot openbaarheid gekomen, zij hebben namelijk besloten de samenleving te besturen zonder daar bekwaam toe te zijn. In de politieke gedragingen toont zich de nieuwe zielsgesteldheid op de boudste en bondigste manier, en men kan deze alleen verklaren door haar hermetische afgeslotenheid in intellectueel opzicht. De gemiddelde mens vindt ‘ideeën’ in zichzelf, maar hij is niet in staat zelf denkbeelden te vormen in logische samenhang. Hij heeft zelf geen vaag vermoeden van de subtiele sfeer der ideeën. Hij wil een eigen oordeel vellen, maar wenst de voorwaarden en eerste eisen van alle redelijk denken niet te aanvaarden. Daardoor zijn zijn ‘ideeën’ in de grond van de zaak niet anders dan begeerten met woorden, en de woorden eervan zijn even bijkomstig als die van de muzikale romances.<br />
Een idee hebben houdt in dat men gelooft er de redenen toe te bezitten, en dat men derhalve gelooft in het bestaan van een bewijsgrond, een wereld van begrijpbare waarheden. Een denkbeeld vormen of een mening hebben omtrent iets is dus hetzelfde als een beroep doen op deze instantie, zich daaraan onderwerpen, haar wetboek en uitspraak aanvaarden, dus geloven dat de hoogste vorm der samenleving de samenspraak is waarin de redenen onzer denkbeelden worden besproken. Doch de massa-mens zou zich verloren gevoelen als hij de discussie aanvaardde, en daarom verwerpt hij instinctief de verplichting deze hoogste instantie die buiten hem ligt te eerbiedigen. Het ‘nieuwe’ in Europa is derhalve het ‘opheffen der discussies’, en men heeft een afkeer van iedere vorm van samenleving die berust op de erkenning van objectieve richtsnoeren, van de gewone gedachtenwisseling af tot het parlement, de wetenschap inbegrepen. Dit wil dus zeggen dat men afziet van culturele samenleving, welke een samenleving is die aan normen is gebonden, en dat men terugvalt tot een barbaarse maatschappij. Alle normale fasen worden onderdrukt en men gaat onmiddellijk over tot het algemeen verplicht maken van wat men wenst. De hermetische afgeslotenheid van ziel die er, zoals wij gezien hebben, de horde toe aandrijft in het gehele openbare leven in te grijpen, brengt er haar ook onverbiddelijk toe het enige middel tot ingrijpen te bezigen dat haar ten dienste staat, namelijk de onmiddellijke daad.</p></blockquote>
<p>Beschaving definieert Ortega y Gasset bovenal als de wens tot samenleving. Hoe minder men rekening men houdt met de anderen, hoe onmaatschappelijker en barbaarser men is. De barbaarsheid is de neiging tot het verbreken der gemeenschap. De liberale democratie is de staatsvorm geweest waarin de wens tot samenleving het sterkst tot uiting is gekomen. Zij heeft het besluit van met de naaste te rekenen tot het uiterste doorgevoerd, en is het prototype van de ‘indirecte actie’.</p>
<blockquote><p>Het liberalisme was het staatkundig rechtsbeginsel krachtens hetwelk de overheid, niettegenstaande zij almachtig was, zich tot zichzelf bepaalde en er, zelfs ten eigen koste, naar streefde een leegte te laten in de staat die zij beheerste, om een levensmogelijkheid te geven aan hen die niet dachten en gevoelden als zij zelf, dat wil zeggen, als de sterksten, de meerderheid. Het liberalisme – het is nu van belang zich dit te herinneren – is de uiterste vorm der inschikkelijkheid, het is het recht dat de meerderheid toekent aan de minderheden en is derhalve de edelste keuze die op de aardbol heeft weerklonken. Deze leuze verkondigt het besluit met de vijand, ja zelfs met de zwakke tegenstander, in vrede te willen samenleven.</p></blockquote>
<p>Het was, grijnslacht Ortega y Gasset, onwaarschijnlijk dat de mensheid iets zo liefs, zo paradoxaals, zo sierlijks, zo acrobatisch, zo tegennatuurlijks zou hebben bereikt. Daarom moet men er zich niet over verbazen dat nu deze zelfde mensheid plotseling tot het besluit is genomen dit alles weer op te geven. Het is een te lustige en te ingewikkelde inspanning dan dat zij hier op aarde bestendig zou kunnen zijn.</p>
<blockquote><p>In vrede samenleven met de vijand! Met de oppositie samen regeren! Begint zulk een zachtzinnigheid al niet onbegrijpelijk te worden? Niets doet de geaardheid van de tegenwoordige tijd scherper uitkomen dan het feit dat de landen waarin de oppositie nog bestaat zo gering in getal worden. In bijna alle landen rust een homogene massa loodzwaar op de openbare macht, en zij verplettert en vernietigt iedere tegenstrevende groep. De massa – wie zou het zeggen bij het zien van die saamgedrongen, veelkoppige menigte – begeert geen samenleving met wat niet tot haar behoort. Zij heeft een dodelijke haat tegen alles wat buiten haar staat.</p></blockquote>
<p><em><strong>Het primitieve van de techniek en het barbaarse van het specialisme</strong></em><br />
Ortega y Gasset koppelt deze staat van primitiviteit rechtstreeks aan de opgang van de techniek. De zaak is niet dat de massa-mens geen belangstelling heeft voor de beginselen van deze of gene beschaving, de zaak is dat hem de beginselen van geen enkele beschaving belang inboezemen. Hij heeft nog slechts belangstelling voor verdovingsmiddelen, auto’s en nog een paar dingen.</p>
<p>De aandacht daarvoor ziet hij als een bevestiging van een wezenlijk gemis aan belangstelling voor de beschaving. Deze dingen zijn immers slechts produkten van haar, en de vurige liefde van de massa-mens daarvoor doet zijn ongevoeligheid voor de beginselen van de beschaving, waarvan die dingen het gevolg zijn, nog sterker uitkomen.</p>
<p>De auteur wijst erop dat sinds het bestaan van de <em>nuove scienze</em>, de natuurwetenschappen, dus sinds de Renaissance, de geestdrift voor die wetenschappen zonder inzinking is toegenomen. Behalve nu – net in een tijd waarin de industrie haar grootste ontplooiing heeft bereikt, en de mensen de grootste begeerte aan de dag leggen voor het gebruik der werktuigen en medicamenten die de wetenschap heeft voortgebracht.</p>
<blockquote><p>De empirische wetenschap. Iedere dag verschaft zij een nieuw pijnstillend middel of een serum ten bate van de gemiddelde mens. Iedereen weet dat als de maatschappelijke inspiratie voortging haar levenwekkende adem in te blazen en de laboratoria verdrievoudigd of vertienvoudigd werden, de rijkdom, de gemakken, de gezondheid en de welstand automatisch verveelvoudigd zouden worden. Kan men zich een ontzaglijker en overtuigender propaganda voor een levensbeginsel indenken? Hoe is het dan te verklaren dat de massa’s er zelfs niet aan denken zich enig offer aan geld of aandacht te getroosten om de wetenschap beter uit ter rusten? Verre daarvan, na de oorlog is de man van wetenschap de nieuwe paria der samenleving geworden.</p></blockquote>
<p>De massa-mens is geïnteresseerd in comfortabele toepassingen, niet in de beginselen die erachter steken.</p>
<blockquote><p>De paradoxale toestand van tegenwoordig betekent dat de nu heersende mens een primitief iemand is, een natuurmens, die plotseling opduikt in een beschaafde wereld. Het beschaafde is de wereld, zijn bewoner is het echter niet. Hij maakt van een beschaving gebruik alsof ze tot de natuur behoorde. De nieuwe mens begeert de auto en maakt er gebruik van, maar gelooft dat de auto een van zelf gegroeide vrucht van een boom uit de hof van Eden is. In het diepste van zijn ziel is hij onkundig van het kunstmatige, bijna onwaarschijnlijke karakter der beschaving, en hij strekt zijn enthousiasme voor de toestellen niet uit tot de beginselen die ze mogelijk maken.</p></blockquote>
<p>Spengler gelooft dat de techniek kan blijven voortbestaan ook al is de belangstelling voor de beginselen van de cultuur gestorven. Ortega y Gasset houdt zoiets niet voor mogelijk. Echte wetenschap kan volgens hem maar gedijen bij een voldoende hoog intellectueel niveau.</p>
<blockquote><p>Welk een aantal ingrediënten van de meest uiteenlopende aard moet men bij elkaar brengen en door elkaar schudden om de cocktail der fysisch-chemische wetenschap te krijgen! Zelfs bij de slapste en oppervlakkigste behandeling van dit onderwerp blijkt al duidelijk dat van het ganse aardrond en in de gehele geschiedenis de fysisch-chemische wetenschap slechts tot stand heeft kunnen komen, en tot gehele ontplooiing kunnen geraken, in de kleine vierhoek die gevormd wordt door Londen, Berlijn, Wenen en Parijs. En binnen deze vierhoek dan nog slechts gedurende de negentiende eeuw. (…) Hij die gelooft dat als Europa wegzonk de Noord-Amerikanen de wetenschap zouden kunnen voortzetten, zou wel zeer bedrogen uitkomen!</p></blockquote>
<p>Laten we ook voor ogen houden dat niet iedere techniek wetenschappelijk is. De tegenwoordige techiek vindt haar vereniging van het kapitalisme en de proefondervindelijke wetenschap. De Mesopotamische, de Egyptische, Griekse, Romeinse, Oosterse kwamen moeizaam tot een bepaald punt van ontwikkeling en konden dit dan niet overschrijden.</p>
<p>De proefondervindelijke wetenschap deed pas haar intrede tegen het einde van de zestiende eeuw (Galilei), zij kwam tot zelfstandig bestaan tegen het einde van de zeventiende (Newton) en begon in het midden van de achttiende eeuw tot verdere ontwikkeling te komen. Het samenstellen van de fysica eiste gedurige unificerende arbeid.</p>
<p>De ironie wil nu dat de ontwikkeling van de fysica geleidelijk aan een taak met zich meebracht die het tegenoverstelde was van unificatie: de mannen van de wetenschap moesten zich specialiseren. Daardoor is zelfs de man van de wetenschap van heden ten dage het prototype van de massa-mens. Een specialist is geen geleerde en geen onwetende. Ortega y Gasset noemt hem de &#8216;onwetende-geleerde&#8217;.</p>
<blockquote><p>Door de steeds toenemende beperking van zijn arbeidsveld is de voeling met andere delen van de wetenschap verloren, en daardoor ook de integrale verklaring van het heelal, welke laatste toch uitsluitend waardig is de namen wetenschap, cultuur en Europese beschaving te dragen. De specialistie is juist begonnen in een tijd waarin de ‘encyclopedische’ mens als man van beschaving gold. Dat wil zeggen dat de moderne wetenschap, de intellectueel middelmatige mens binnen haar toelaat en hem zelfs met goed gevolg laat werken.</p></blockquote>
<p><em><strong>De primitieve mens en de geschiedenis</strong></em><br />
Waar het de primitieve mens, naast kennis van de wetenschap aan ontbreekt, is kennis van de geschiedenis. Kennis van de geschiedenis betekent voor Ortega y Gasset het inzicht dat alles wat we rondom ons zien, niet vanzelfsprekend is, maar geënt op het bloed, de weet en de tranen van een onze voorgangers. Voorgangers die de beschaving hebben veroverd op de natuur.</p>
<p>De romanticus heeft dat begrepen. Als een echte romanticus een bouwwerk aanschouwt, is het eerste dat zijn oog zoekt ‘de gele mierik’ op het postament of op het dak. Deze verkondigt dat tenslotte alles uit de aards is, een dat allerwegen het oerwoud weer opschiet.</p>
<blockquote><p>Het kenmerk der natuur is, dat zij zichzelf in stand houdt. Zij is als een oerwoud, en wij kunnen op haar gebied straffeloos wilden zijn. Zelfs kunnen wij besluiten dit tot in lengte van dagen te blijven, zonder dat wij daar enig ander gevaar bij lopen dan dat er ander geslacht kan oprijzen van lieden die geen wilden zijn. In beginsel is het mogelijk dat volken steeds in de natuurstaat blijven. (…) Dit geschiedt in de wereld van de ongerepte natuurstaat. Dit gebeurt echter niet in een geciviliseerde wereld als de onze. Het kenmerk der beschaving is juist dat zij zichzelf niet in stand houdt. Zij is een gewrocht der mensen en behoeft de hand van een maker of een kunstenaar. Als gij de voordelen der beschaving wilt genieten, maar geen hand uitsteekt om de beschaving in stand te houden, komt ge bedrogen uit. In een ommezien zit gij van alle beschaving verstoken. Dan treedt de natuur weer in haar oorspronkelijke gedaante naar voren, plotseling, als had men een scherm opgehaald waarachter zij ongerept verborgen was gebleven, als een oerwoud. Een oerwoud is altijd primitief. En omgekeerd is al wat primitief is als een oerwoud.</p></blockquote>
<p>In de antieke oudheid was men wel van het kunstmatige wezen der beschaving doordrongen. Maar toen had men weer andere problemen. In Griekenland en Rome schoot niet de mens in kracht te kort, het waren zijn beginselen die bezweken. Het Romeinse rijk ging te gronde door gemis aan techniek. Toen de oude wereld zich zover had uitgebreid dat zijn talrijke bevolking de oplossing van bepaalde materiëlen behoeften dringend noodzakelijk maakte, een oplossing die alleen de techniek had kunnen vinden, begon hij in te krimpen, achteruit te gaan en te bezwijken. Nu echter is het de mens die mislukt, omdat hij geen gelijke tred kan houden met de vooruitgang van de beschaving van zijn tijd.</p>
<p>Vergevorderde beschaving, waarschuwt Ortega y Gasset, wil zeggen: netelige vragen. Hoe verder zij dus komt, des te meer gevaar loopt zij. Het leven wordt steeds beter, doch dit begrijpe men wel, het wordt ook steeds ingewikkelder. Kennis van de geschiedenis kan daarbij een leidraad zijn. Een leidraad die ons toont hoe het niet moet.</p>
<blockquote><p>De geschiedkundige kennis is een techniek van de eerste rang voor de instandhouding en voortzetting van een oude beschaving. Niet omdat zij stellige oplossingen zou kunnen geven voor de nieuwe wijze waarop zich de levensconflicten voordoen – het leven is altijd anders dan het tevoren was – maar omdat zij vrijwaart voor naïeve dwalingen waarin men vroeger is vervallen.</p></blockquote>
<p>Daarom zijn voor Ortega y Gasset beide ‘nieuwe’ politieke pogingen die men op het ogenblik in Europa en in aangrenzende staten in het werk stelt, die van het bolsjewisme en het fascisme, twee duidelijke voorbeelden van wezenlijke achteruitgang. Niet zozeer om de stellige inhoud van hun leerstellingen, die afzonderlijk beschouwd natuurlijk een gedeeltelijke waarheid bevatten – “wie heeft er in het heelal niet een beetje gelijk” – als wel om de anti-historische, anachronistische manier waarop zij met hun gedeeltelijke waarheid omspringen. Het zijn karakteristieke bewegingen van massa-mensen, die zoals al zulke bewegingen geleid worden door middelmatige mensen van het ogenblik en zonder verre blik op het verleden, lieden zonder ‘historisch bewustzijn’, die zich van meet af aan gedragingen alsof zij reeds uit de tijd waren, alsof zij op dit ogenblik van hun daarzijn reeds tot de fauna van weleer behoorden.</p>
<blockquote><p>Beide, boljewisme en fascisme, zijn bedrieglijke morgenstonden; zij brengen niet de morgen van de volgende dag, maar de morgen van een lang-verleden dag, die reeds vele malen is gebruikt; beide zijn uitingen van primitieve mensen. En dit zullen alle bewegingen zijn die zo naïef zijn van tegen een of ander onderdeel van het verleden te keer te gaan, in plaats van te proberen het te verteren.</p></blockquote>
<p><em><strong>De Staat van de horden</strong></em><br />
Wanneer de massa zich als synoniem voor de Staat gaat zien, dan dreigt er pas echt gevaar. Wanneer de massa voor zich zelf handelt, doet zij dit immers slechts op één manier – want een andere heeft zij niet – door te lynchen. Het mag dus geen verbazing wekken, schrijft de auteur, dat nu de massa’s triomferen, het geweld triomfeert en men daarvan de enige ratio, de enige leer maakt.</p>
<p>De auteur neemt een duik in de geschiedenis om een belangrijke verschuiving aan het licht te brengen. De Staat was in de Middeleeuwen gewrocht door een klasse van mannen die zeer veel van de ‘burgers’ verschilden; het waren de edelen, lieden die bewonderenswaardig waren om hun moed, hun talent als aanvoerders en bevelhebbers, en hun verantwoordelijkheidsbesef. Zonder hen zouden de Europese naties niet tot stand zijn gekomen. Maar die bevelhebbers waren sentimenteel en maar van een beperkte intelligentie, zij handelden instinctmatig. Het buskruit is niet door hen uitgevonden, zegt Ortega y Gasset. Zij waren niet geïnteresseerd in aanvalingswapens, alleen in verdedigingslinies.</p>
<p>Tegen het eind van de achttiende eeuw was de Staat nog steeds een luttel ding. Het jonge kapitalisme en zijn industriële organisaties, waarin voor het eerst de techniek, de nieuwe, naar rationele plannen ontworpen techniek triomfeerde, hadden de eerste uitbreiding van de maatschappij bewerkstelligd. Er ontstond een nieuwe maatschappelijke klasse, die talrijker en machtiger was dan de vroegere, namelijk de bourgeoisie. Deze laaggeboren bourgeoisie bezat, vóór alles en bovenal, één ding en wel talent, praktisch talent. Zij kon organiseren, de mensen aan tucht en orde gewennen, en continuïteit geven aan haar arbeid, die zij volgens een vast, goed ontworpen plan verrichtte. De Staat, van zijn kant, had nauwelijks soldaten, bureaucratie of andere middelen. Daar het Staatsgezag een techniek is – betreffende de regeling der openbare orde en veiligheid en der administratie – bereikte het ancien régime het eind van de achttiende eeuw met een zeer zwakke Staat, die van alle kanten door een wijde en woelige maatschappij werd bestookt.</p>
<p>De wanverhouding tussen de macht van de Staat en de macht van de maatschappij werd nu zo groot, dat als men deze toestand vergelijkt met die uit de tijd van Karel de Grote, de Staat van de achttiende eeuw het voorkomen van degeneratie vertoont. De Staat ten tijde der Karolingers was natuurlijk veel minder machtig dan die van Lodewijk XVI, doch de maatschappij rondom hem was zonder enige kracht. Het ontzaglijke verschil tussen der maatschappij en die van de Openbare Macht maakte echter revoluties (tot 1848) mogelijk.</p>
<p>Door die omwenteling maakte zich de bourgeoisie meester van de openbare macht, en paste haar onloochenbare deugden toe op de Staat. In weinig meer dan een generatie schiep zij een machtig Staatsgezag, dat een einde maakte aan de revoluties. Sinds 1848, dat wil zeggen sinds de tweede generatie van bourgeois-regeringen, zijn er in Europa geen werkelijke revoluties meer geweest. En dit zeer zeker niet omdat er geen reden voor zouden zijn, zegt Ortega y Gasset, maar omdat er geen middelen toe zijn.</p>
<p>Ondertussen is door wat de auteur ‘hyperdemocratie’ de Staat steeds meer gaan samenvallen met de massa. Waardoor die massa niet meer inziet dat de Staat een – nuttige – kunstmatige constructie is. Kunstmatig, dus niet vanzelfsprekend.</p>
<blockquote><p>De massa-mens ziet de Staat, hij bewondert hem, hij weet dat hij er is als een machtige beschutting van zijn leven, maar hij is er zich niet bewust van dat de Staat een menselijke schepping is, werk en vinding van enige mannen, en dat hij in stand wordt gehouden door bepaalde deugden en voorwaarden die de mensen gisteren bezaten, doch die morgen vervluchtigd kunnen zijn. Anderdeels ziet de massa-mens in de Staat een anonieme macht, en daar hij zichzelf anoniem – vulgus – gevoelt, gelooft hij dat de Staat zijn bezit is. Komt er dus in het openbare leven van een land een of andere verwikkeling, een probleem of een conflict, dan zal de massa-mens geneigd zijn te eisen dat de Staat zich daar onmiddellijk voor plaatst, dat hij zich onmiddellijk belast met de oplossing ervan met behulp van zijn ontzaglijke en onwederbestaanbare middelen.</p></blockquote>
<p>Dus is het grootste gevaar dat heden ten dage de beschaving bedreigt: de inlijving van het leven in de Staat, de inmenging van de Staat in alle dingen, de absorptie van iedere maatschappelijke spontaneïteit door de Staat en dit betekent de vernietiging van de historische spontaneïteit die tenslotte de basis, de voedingsbodem en de stuwkracht van de mensheid is in al wat zij onderneemt en ervaart.</p>
<blockquote><p>Wanneer de massa zich ongelukkig gevoel, of wanneer zij eenvoudig lust in iets heeft, is voor haar deze voortdurende en zekere mogelijkheid van alles te kunnen verkrijgen een grote verleiding: zij weet dat zij het zonder inspanning, zodner worsteling, zonder twijfel, zonder gevaar kan verwerven – daartoe behoeft zij slechts op die veer te drukken en de ontzaglijke machine te laten werken. De massa zegt: ‘De Staat ben ik,’ en dit is volmaakt een misvatting. De massa is slechts in zoverre de Staat, als twee mannen gelijk kunnen genoemd worden omdat zij geen van beiden Jan heten. Het enige punt van overeenkomst van de massa en de Staat van tegenwoordig is dat zij beide anoniem zijn. Het is echter een feit dat de man uit het vulgus inderdaad geloof dat hij de Staat is, en hij zal er steeds meer toe geneigd zijn hem onder ieder voorwendsel te laten functioneren, om door middel van hem iedere scheppende minderheid, die hem verstoort in een of andere opzicht, in politiek, in ideeën, in industrie, te vernietigen.</p></blockquote>
<p>Ortega y Gasset haalt als voorbeeld aan: Mussolini en diens formule ‘Alles voor de staat, niets buiten de Staat, niets tegen de Staat.’ Dit zou al voldoende moeten zijn om te laten zien dat het fascisme een kenmerkende beweging van massa-mensen is. Mussolini zag de staat als een onbeperkt machtsmiddel.</p>
<p><em><strong>Wereldheerschappij</strong></em><br />
In het laatste deel van zijn boek onderzoekt Ortega y Gasset wie er de heerschappij uitoefent in de huidige wereld. Met ‘heerschappij’ (<a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Hegemony">hegemonie</a>) doelt de auteur op de normale uitoefening van het gezag. Zij berust altijd op de publieke opinie. De heerschappij is niet de greep naar de macht, maar het is de rustige uitoefening van der macht. Het gaat niet over de materiële macht, of over agressiviteit à la Napoleon.</p>
<p>In het tijdperk voor de Middeleeuwen was het Rome die die heerschappij uitoefende, al was het slechts over een klein deel der wereld. Rome bracht orde in het gebied aan de Middellandse Zee en in de aangrenzende landen. De eerste Staat of Openbare Macht die op het ruime Europese vasteland tot stand kwam was de Kerk. Van de Kerk heeft de politieke macht volgens Ortega y Gasset geleerd dat ook zij oorspronkelijk slechts geestelijke macht was – gevolg van het zich laten gelden van bepaalde ideeën. Zo schiep men het heilige Roomse Rijk (962–1806). Aldus worstelden twee geestelijke machten met elkaar.</p>
<p>In de tijd waarin Ortega y Gasset schrijft, na de Eerste Wereldoorlog, begint men te zeggen dat Europa niet meer de heerschappij heeft. De auteur brengt een boek van <a href="http://en.wikipedia.org/wiki/Waldo_Frank">Waldo Frank</a> ter sprake, <strong>De hernieuwde ontdekking van Amerika</strong>, dat geheel berust op de veronderstelling dat Europa ondergaat. De Europese geboden worden niet meer bindend geacht. Onder Europa verstaat men eigenlijk de drie rijken Frankrijk, Engeland en Duitsland. Ortega y Gasset countert die veronderstelling, met name de gedachte dat New York of Moskou de hegemonie al hebben overgenomen.</p>
<p>Neen, zegt hij, New York of Moskou zijn niets nieuws in vergelijking met Europa. Beide zijn stukjes van het Europees grondgebied die hun betekenis hebben verloren. Kan ook niet anders. Jonge volken hebben geen ideeën. Zelfs het jonge Rome was doordrenkt van de Grieks-Oosterse beschaving. In Moskou wordt er een film van Europese ideeën afgedraaid – het Marxisme – terwijl in Rusland toch geen industrie is. “Rusland is in zoverre marxistisch als de Duitsers van het Heilige Roomse Rijk Romeinen waren.” En New York? In laatste instantie is de Amerikaanse macht terug te voeren tot de techniek, en dit is een Europese uitvinding gedurende de achttiende en de negentiende eeuw, de eeuwen waarin Amerika pas tot ontwikkeling begon te komen.</p>
<p>Probleem: als de Europeaan eraan went dat hij de heerschappij niet meer uitoefent, zal binnen twee geslachten dit oude werelddeel, en met hem de gehele wereld, tot inertie in zedelijk opzicht vervallen, intellectueel onvruchtbaar worden en op ieder levensterrein weer tot de barbaarsheid terugkeren.</p>
<blockquote><p>Alleen de illusie van Europa’s oppermacht, en de tucht der verantwoordelijkheid die daarvan uitgaat, kunnen de zielen der verantwoordelijkheid die daarvan uitgaat, kunnen de zielen der Westerlingen voor verslapping bewaren. (…) De Europeaan zal dan één zijn met het grote grauwe geheel. Hij zal niet meer in staat zijn tot een scheppende arbeid waaraan hij al zijn krachten meot geven, hij zal steeds terugvallen in het weleer, in de gewoonte, in de sleur. Hij zal een nietig, onbeduidend wezen worden, formalistisch, leeg, zoals de Grieken uit de tijd van het verval en zoals de Byzantijnen in hun gehele geschiedenis zijn geweest.</p></blockquote>
<p>Ortega y Gasset bespeurt wel degelijk een soort politieke lusteloosheid om zich heen. Maar het diskrediet van de parlementen heeft volgens hem geen uitstaans met de fouten van de politici zelf. Het komt voor uit het feit dat de Europeaan niet weet waartoe hij de parlementen moet aanwenden, en verder uit het feit dat hij geen eerbied heeft voor de doeleinden van het traditionele openbare leven, en tenslotte uit het feiet dat hij niets meer verwacht van de nationale Staten waarin hij ingedeeld en vastgezet is.</p>
<p>Om dat te begrijpen, moeten we teruggaan in de tijd. Alleen zo kunnen we de verschillen tussen de begrippen ‘Staat’, ‘natievorming’ en ‘nationalisme’ in de verf zetten.</p>
<p><em><strong>Het ontstaan van de Staat</strong></em><br />
Er is niet zoveel bekend over hoe en waarom protohistorische volken op een gegeven moment de mensheid met een belangrijke nieuwigheid verrijkten, namelijk met het maken van een publiek plein en daaromheen een stad te bouwen, die geheel afgesloten werd. De <em>urbs</em>, de <em>polis</em>, begon met een open plein te zijn, het <em>forum</em>, de <em>agora</em>; al het andere diende slechts om die open ruimte te beveiligen, zijn omgeving af te perken. De polis was oorspronkelijk niet een geheel van bewoonbare huizen, maar een plaats van samenkomst, een onbeperkte ruimte voor publieke aangelegenheden.</p>
<blockquote><p>De stad is dus niet, zoals de hut of het huis, gemaakt om zich te beschutten tegen weer en wind, en om kinderen voort te brengen, hetwelk zaken zijn die de enkelen betreffen, maar zij werd gemaakt om de zaken van algemeen belang te bespreken. Men merke op dat dit niets minder betekent dan de uitvinding van een nieuw soort van ruimte, die heel wat nieuwer was dan de ruimte van Einstein. Tot op dat tijdstip bestond er slechts één ruimte, het open veld, en daarin leefde men, met alle gevolgen die dit voor het menselijk wezen meebrengt. De mens die aldus in het open veld leeft, is nog als een plant. Zijn bestaan heeft, wat zijn gedachten, gevoelens en zijn wil betreft, nog de onbewuste sluimertoestand, waarin de plant leeft, behouden. De grote Aziatische en Afrikaanse beschavingen waren in die zin grote antropomorfische vegetaties. De Grieks-Romeinse mens besloot zich echter te scheiden van het open veld, zich af te zonderen van de ‘natuur’, van de geo-botanische kosmos.</p></blockquote>
<p>Op de vegetatieve verstrooiing over het vrije veld volgt de civiele concentratie in de stad. De stad is het huis in de wijdste betekenis, het is grootser dan het huis, dat slechts de toevluchtsplaats voor de nederigste menselijke noden is. “Het is de schepping ener verhevener en abstracter eenheid dan de <em>oikos</em> der familie.”</p>
<p>De <em>stad</em> werd aanstonds als <em>Staat</em> geboren. De staat is de <em>res publica</em>, de <em>politeia</em>, die niet bestaat uit mannen en vrouwen, maar uit burgers. De staat is een nieuwe dimensie, die niet herleidbaar is tot de oorspronkelijke dimensie van de mens, die dicht bij het dier stond. De staat was een krachtig idee waar zij die vroeger slechts mannen en vrouwen waren hun beste krachten wijdden.</p>
<blockquote><p>De stad-staat geeft ons door de betrekkelijke eenvoud van haar samenstelling gelegenheid het bijzonder karakter van het staatsbeginsel duidelijk te zien. Het woord ‘Staat’ zegt dat de historische krachten een evenwicht, een gevestigde toestand hebben bewerkt. In deze betekenis is ‘Staat’ dus het tegenovergestelde van historische beweging; de Staat is de gevestigde, naar vaste regelen gestichte, in evenwicht gekomen samenleving.</p></blockquote>
<p>Dit onbeweeglijke karater van de staat, zegt Ortega y Gasset, verbergt zoals elk evenwicht een stelsel van krachten: het stelsel van krachten dat de Staat voortgebracht en in stand houdt. Deze onbeweeglijkheid doet vergeten dat de gevestigde Staat slechts het resultaat is van een voorafgaande beweging van worstelingen en inspanningen, die ten doel hadden de Staat te stichten. “Aan de geconstitueerde Staat gaat een constituerende Staat vooraf, welks wezen beweging is.”</p>
<p>Hiermede wil Ortega y Gasset zeggen dat de Staat niet een vorm van samenleving is die de mens kant en klaar gereed vindt, maar dat hij hem uiterste inspanning van krachten moet maken. Dat onderscheidt de Staat van de stam en andere rivaliserende gemeenschappen.</p>
<blockquote><p>De Staat is niet, zoals de horde of de stam en andere gemeenschappen, gebaseerd op de bloedverwantschap, welke het werk is van de natuur buiten de medewerking van de mens om. Integendeel, de Staat begint wanneer de mens zich zoekt te bevrijden uit de maatschappij, die door de natuurlijke banden des bloeds is gevormd. Het beginsel der bloedverwantschap valt samen met een ander natuurlijk beginsel, namelijk de gemeenschappelijke taal. Oorspronkelijk berustte de Staat op de vermenging van bloed en talen. De Staat is de vorm van samenleving die de natuurlijke maatschappij te boven is gekomen. De Staat is een kruising van bloed en een samenvoeging van talen.</p></blockquote>
<p>De stad is dus ontstaan door een vereniging van verschillende stammen, legt de auteur uit. Op de verscheidenheid van ras maakt zij een abstracte homogeniteit naar recht. Het is duidelijk dat de eenheid in juridisch opzicht niet de drijfveer is van de beweging die de Staat voortbrengt. De drijfveer is concreter dan alle recht, het is het streven om dingen te realiseren die voor de kleine “gemeenschappen des bloeds” te groot zijn.</p>
<p>Een blijvend gevaar is dat de Staat een te abstracte constructie is. Gelukkig beweegt de politiek zich meer in de realiteit dan de wetenschap, want zij wordt gevormd door unieke situaties waarin de mens zich plotseling bevindt, of hij wil of niet. Daarom kunnen wij op haar terrein beter onderscheiden wie helder en zelfstandig denkt, en wie werkt met overgenomen begrippen.</p>
<blockquote><p>De meeste mannen van wetenschap hebben zich aan haar gewijd uit vrees van aangezicht tot aangezicht tegenover hun eigen leven te worden gesteld. Het zijn geen heldere koppen, vandaar hun kennelijke domheid als zij zich tegenover een of andere concrete situatie bevinden. Onze wetenschappelijke ideeën zijn in zoverre van waarde als wij ons tegenover een of ander vraagstuk verloren hebben gevoeld, in zoverre als wij het problematiek karakter van de ideeën hebben gezien en begrijpen dat wij niet kunnen steunen op overgenomen ideeën, op recepten, leuzen of woorden. Hij die een nieuwe wetenschappelijke waarheid ontdekt, moest eerst vrijwel alles wat hij geleerd had te niet doen, en hij komt tot die nieuwe waarheid na eerst ontelbare gemeenplaatsen te hebben stukgeslagen.</p></blockquote>
<p>Bij de Romeinen berustte de macht bij de republikeinen. Met andere woorden: de conservatieven, de getrouwen aan het beginsel stad-staat. Hun politiek kan volgens Ortega y Gasset in twee clausulen worden samengevat. Ten eerste: de troebelen in het openbare leven van Rome komen voort uit haar te grote uitbreiding. De stad kon zovele naties niet besturen. Iedere nieuwe verovering was een misdaad tegen de republiek. Ten tweede, om de ineenstorting van de instellingen te voorkomen was er een princeps nodig.</p>
<blockquote><p>Het woord <em>princeps</em> betekent bijna het tegenovergestelde van wat wij onder ‘prins’ of vorst verstaan. De Romein bedoelde met een princeps een burger die alleen in zoverre van de anderen verschilde, dat hij met hogere machten en bevoegdheden was bekleed teneinde de werkzaamheid van de republikeinse instellingen te regelen. <strong>Cicero</strong>, in zijn geschrift over de Republiek, en <strong>Sallustius</strong> in zijn geschiedwerk, vatten de gedachten van al de schrijvers in deze samen door een princeps civitatis, een rector rerum publicarum, een moderator te vragen.</p></blockquote>
<p>Alleen, de oplossing die <strong>Caesar</strong> gaf, was tegenovergesteld aan die welke de conservatieven wensten. Hij begreep dat er om de gevolgen van de vroegere Romeinse veroveringen te keren slechts één middel was, namelijk ze voort te zetten en tot het eind toe de bestemming van veroveraar te aanvaarden. Bovenal was het van dringend belang de jonge, onbeschaafde volken te onderwerpen, omdat die in de naaste toekomst gevaarlijker zouden zijn dan de corrupte naties van het Oosten. Caesar wees dus al spoedig op de noodzakelijkheid de barbaarse volken van het Westen grondig te romaniseren.</p>
<blockquote><p>Geloven dat Caesar er naar streefde Alexander na te volgen – en dit hebben bijna alle geschiedkundigen geloofd – is volkomen er van afzien hem te leren begrijpen. Caesar is vrijwel het tegenovergestelde van Alexander. Het idee van een wereldrijk is het enige waarin zij overeenkomen. Maar dit idee is niet van Alexander, het stamt uit Perzië. De gedachte aan Alexander zou Caesar naar het Oosten, naar het luisterrijke gezaghebbende verleden hebben gestuwd. De voorkeur voor het Westen, die aan al zijn handelingen ten grondslag lag, toont eerder zijn wil een weg in te slaan, die tegenovergesteld was aan die van de Macedoniër. Bovendien was het niet simpel een wereldrijk dat Caesar voornemens was te stichten. Zijn voornemen was veel grootser. Hij wilde een Romeins imperium grondvesten dat niet van Rome leefde maar van de periferie, van de provincies, en dit sluit in de volstrekte overwinning op de stad-staat. Hij wilde een Staat waarin de meest verscheiden volken zouden samenwerken, waarmede allen saamhorig zouden zijn. Niet een centrum dat gebiedt en een periferie die gehoorzaamt, maar een reusachtig maatschappelijke lichaam waarvan ieder element tegelijk actief en passief deel van de Staat zou zijn. Zo is het in de moderne Staat, en daarop heeft dit ontzaglijk genie met klare blik op de toekomst vooruitgegrepen. Zulk een Staat veronderstelde echter een macht die niet binnen Rome’s muren ingekerkerd bleef, een anti-aristocratische macht die ver boven de republikeinse oligarchie verheven was, en uitstak boven de princeps, die slechts een primus inter pares was. De bedoelde uitvoerende en vertegenwoordigende macht der universele democratie kon slechts de Monarchie zijn, die haar zetel buiten Rome moest hebben.</p></blockquote>
<p>Recapitulerend: de realiteit die wij Staat noemen, is voor Ortega y Gasset niet de spontane samenleving van mensen die door bloedverwantschap zijn verenigd. De Staat begint als men groepen van verscheiden herkomst tot samenleving verplicht. De Staat is voornamelijk een plan tot samenwerking, een programma van gemeenschappelijke arbeid. Men roept de mensen op om verenigd iets te doen. De Staat is niet verwantschap van bloed, noch eenheid van taal, noch territoriale eenheid, ook niet nabuurschap. De Staat is niet iets materieels, iets dat door de natuur gegeven is, dat beperkt is en inert blijft. De Staat is een zuiver samenstel van levende krachten – de wil om iets gemeenschappelijk te doen – en daarom is de staatsidee door geen enkele fysieke grens bereikt.</p>
<p>Het feit dat in een Staat mensen iets gemeenschappelijk verrichtten – andere volken overwinnen en hun land veroveren, koloniën stichten, zich met andere staten verbinden, met andere woorden: bezig warenuit te stijgen boven datgene wat de grondslag van hun eenheid scheen te zijn – dát is de <em>terminus ad quem</em>. Als dit streven ophoudt, zakt de Staat vanzelf ineen, en de eenheid die reeds bestond en op natuurlijk gegevens scheen te berusten – ras, taal, natuurlijke grenzen – dient dan tot niets; de Staat verbrokkelt, en elk dezer delen valt weer uiteen.</p>
<p><em><strong>Het gezichtsbedrog van het nationalisme</strong></em><br />
Hoewel we het in de eenentwintigste eeuw in de Westerse wereld bijna als vanzelfsprekend beschouwen dat een Staat één natie samenbindt en vertegenwoordigt, is dit niet altijd het geval. De onderdanen van een Staat vormen een of meer volkeren of naties. Ortega y Gasset spreekt echter met grote ironie over naties.</p>
<blockquote><p>Wat treft ons dadelijk als wij de ontwikkeling van een of andere ‘moderne natie’ – Frankrijk, Spanje of Duitsland – nagaan? Eenvoudig dit: hetgeen in een bepaald tijdperk de nationaliteit scheen uit te maken, ziet men in een later tijdperk verloochend worden. Eerst schijnt de <em>stam</em> de natie te zijn, en de naburige stam wordt daar niet toe gerekend. Vervolgens bestaat de natie uit <em>beide stammen</em>, vervolgens is het een gehele <em>streek</em>, spoedig daarna is het een graafschap, een hertogdom of een ‘koninkrijk’. De natie is dan León, doch Castilië behoort daar niet bij, daarna is het León en Castilië samen, maar zonder Aragon. Het is duidelijk dat er twee beginselen samenwerken, een dat onbestendig is en steeds wordt overwonnen – de stam, de streek, het hertogdom, het koninkrijk, met zijn taal of dialect – en een ander dat onveranderlijk blijft en steeds alle beperkingen te boven komt en als eenheid doet gelden wat het andere beginsel juist als het tegenovergestelde zag.</p></blockquote>
<p>Willekeur en contigentie troef dus, hoewel chauvinistische geschiedschrijvers het altijd anders willen doen voorkomen.</p>
<blockquote><p>De filologen – zo noem ik degenen die nu aanspraak maken op de naam van geschiedschrijver – zijn wel roerend naïef als zij als uitgangspunt nemen de stand van de Westerse natie in deze luttele twee of drie eeuwen, en dan veronderstellen dat Vercingetorix of de Cid Campeador reeds het oog hadden op een Frankrijk van Saint-Malo tot Straatsburg, of een Spanje van Finistere tot Gibraltar. Deze filologen doen zoals die naïeve toneelschrijver deed, zij laten hun helden zich steeds opmaken voor de Dertigjarige Oorlog. Om ons te verklaren hoe Frankrijk en Spanje zijn ontstaan, veronderstellen zij dat Frankrijk en Spanje reeds diep in de zielen der Fransen en Spanjaarden bestonden. Alsof er Fransen en Spanjaarden waren vóór dat Frankrijk en Spanje bestonden! Alsof de Fransman en de Spanjaard niet slechts mensen waren die eerst na tweeduizend jaren van moeizame strijd zijn gevormd!<br />
De zuivere waarheid is dat de huidige naties slechts de tegenwoordige uiting zijn van dat <em>veranderlijke</em> beginsel, dat gedoemd is steeds overwonnen te worden. Dit beginsel is thans niet het bloed of de taal, daar de eenheid naar bloed en naar taal in Frankrijk en in Spanje <em>gevolg</em> en niet <em>oorzaak</em> is van de staatkundige eenwording.</p></blockquote>
<p>Ook is het niet de eenheid van taal geweest die iedere natie tot een geheel heeft gemaakt, want in iedere natie werden, of worden nog, verscheidene talen gesproken. De betrekkelijke gelijkheid van ras en van taal waarin zij zich nu verheugen – laten wij veronderstellen dat men zich daarover geheugen kan – is het <em>gevolg</em> van politieke unificatie. Dus zomin het bloed als de taal maken de nationale Staat, integendeel, het is de nationale Staat die de oorspronkelijke verschillen in deze wegneemt. Dit is steeds zo gebeurd. Zelden, om niet te zeggen nooit, zal de Staat zijn samengevallen met een oorspronkelijke gelijkheid van ras of taal.</p>
<p>In een soortgelijke inconsequentie vervalt men als men het idee van een natie wil gronden in een bepaald territoriaal gebied, en het beginsel van eenheid, dat de taal en het bloed niet verschaffen, wil ontdekken in het geografische mysticisme van de ‘natuurlijke grenzen’.</p>
<blockquote><p>Ook hier treffen wij hetzelfde gezichtsbedrog aan. Op dit ogenblik zien wij dan die zogenaamde naties saamgevat in bepaalde stukken van het vasteland of op de naburige eilanden. Van die tegenwoordige grenzen wil men iets definitiefs en verhevens maken. Het zijn, zo zegt men, ‘natuurlijke grenzen’ en met hun ‘natuuriljkheid’ wil men dan te kennen geven een soort van magische voorbeschikking van de geschiedenis door de gesteldheid van het gebied. Ook deze mythe verliest alle historische grond als men hem op dezelfde wijze onderzoekt als de beweerde eenheid van bloed en van taal die de grondslagen van de natie zouden zijn.<br />
De historische werkelijkheid van de vermaarde ‘natuurlijke grens’ berust eenvoudig op het feit, dat hij een belemmering is voor de uitbreiding van het volk A ten koste van het volk B. omdat deze grens een <em>belemmering</em> is voor A om samen te leven of oorlog te voeren met B, is hij een <em>bescherming</em> voor het laatste volk. De idee van ‘natuurlijke grenzen’ sluit dus in dat de mogelijkheid van uitbreiding – die natuurlijker blijkt te zijn dan de afgrenzing – en van fusie tussen de volken onbeperkt is. Slechts een materiële belemmering schijnt deze te kunnen stuiten. De grenzen van gisteren en eergisteren schijnen ons nu niet toe de <em>grondslagen</em> van de Franse of Spaanse natie te zijn, maar integendeel <em>belemmeringen</em> die de nationale idee op zijn weg vond tijdens het proces der unificatie. En toch willen wij aan de grenzen van heden een definitief en principieel karakter geven, niettegenstaande de nieuwe middelen van het verkeer en het krijgswezen hun werking als belemmeringen hebben opgeheven.<br />
Wat is dus de betekenis van de grenzen geweest bij de vorming der nationaliteiten, nu het blijkt dat zij er <em>niet</em> de stellige grondslag van zijn geweest? De zaak is duidelijk en buitengewoon belangrijk voor het begrijpen van de waarachtige inspiratie van de nationale Staat in tegenstelling met de stadstaat. De grenzen hebben gediend om in iedere periode de verkregen politieke eenheid te bestendigen. Zij zijn dus niet de oorsprong van de natie geweest, integendeel, in den beginne vormden zij een belemmering en vervolgens, toen zij overkomen waren, dienden zij als middel om de eenheid te verzekeren.</p></blockquote>
<p>Op dezelfde wijze hebben ras en taal gewerkt. Het is niet de gemeenschappelijke herkomst of dezelfde taal die de natie heeft gegrondvest, integendeel, de nationale Staat kwam in zijn poging tot unificatie steeds te staan tegenover de vele rassen en de vele talen die ieder op zichzelf een belemmering vormden. Toen men deze na grote inspanning had weggenomen, geraakte men tot een betrekkelijke unificatie van rassen en talen, die de eenheid bestendigde.</p>
<p>Conclusie: niet wat wij gisteren waren, maar wat wij morgen gezamenlijk zullen doen, verenigt ons tot een Staat, zegt de auteur. Hieruit komt de gemakkelijkheid voort waarmede de politieke eenheid in het Westen grenzen overschrijdt die de antieke Staat gevangen hielden. De Europeaan gedraagt zich, in tegenstelling met de homo antiquus, als de man die open staat voor de toekomst, die bewust in de toekomst leeft en zijn daden in het heden verricht met het oog op de toekomst.</p>
<blockquote><p>Of men wil of niet, het menselijk leven is een voortdurende bezigheid met <em>iets</em> dat wordt. Van het huidige ogenblik uit houden wij ons bezig met wat staat te komen. Daarom is leven, steeds, steeds <em>doen</em>, zonder oponthoud of rust. Waarom heeft men er de aandacht niet op gevestigd dat <em>doen</em>, al het <em>doen</em>, betekent een toekomst verwezenlijken? Zelfs als wij ons aan herinneringen overgeven, maken wij een toekomst. Wij doen op dat ogenblik iets herleven om iets voor het naaste ogenblik te verkrijgen, al is datgene wat wij verkrijgen slechts het genoegen van wederom het verleden te beleven. Dit bescheiden eenzame genoegen komt ons op een moment als een begerenswaardige toekomst voor, daarom maken wij ons dit herinneringsbeeld. Dit is dus zeker, alleen wat toekomstig is, heeft voor de mens betekenis. Als de natie slechts in het verleden en in het heden bestond zou niemand de moeite nemen haar te verdedigen tegen een aanval.</p></blockquote>
<p>Alle ‘nationalismen’ zijn daarom doodlopende stegen, briest Ortega y Gasset. Het <em>nationalisme</em> werkt steeds in een richting die tegenovergesteld is aan het *nationaliserend beginsel. Het nationalisme is exclusivistisch, het beginsel echter dat de natie heeft gevormd is inclusivistisch.</p>
<p>Als gemeenschappelijk project denkt hij aan een Verenigde Staten van Europa. Dat de conservatieve klassen in elke natie zich daar tegen verzetten, kan hun zelf noodlottig worden. Hij ziet in de inrichting van Europa als een grote, nationale Staat de enige onderneming die men kan stellen tegenover de zege van het ‘vijf jaren-plan’. Het schijnbaar enthousiasme van de revolutionair voor de handwerkman, voor de pauper, en voor de maatschappelijke gerechtigheid, dient die revolutionair slechts tot voorwendsel om iedere andere verplichting van zich af te zetten – zoals de wellevendheid, de waarachtigheid, en bovenal, bovenal, de eerbied of de achting voor hoger staande mensen.</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://www.achillevandenbranden.net/2013/04/de-opstand-der-horden-jose-ortega-y-gasset/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>1</slash:comments>
		</item>
	</channel>
</rss>
